XXIV. Op het spoor.
Reading edition
De vallenlijn van Pierre Eustach liep dertig mijlen vlak westwaarts van Lac Bain. Zij was niet zoo lang als die van Pierrot geweest was, maar zij geleek de hartslagader, die door het hart van een rijk pelterij-terrein liep. Zij had aan Pierre Eustach's vader toebehoord, en aan zijn grootvader en aan zijn overgrootvader en vóór dien tijd had zij, naar Pierre beweerde, reeds aan een der oudste, edelste geslachten van Frankrijk toebehoord. De boeken op Mc Taggart's Post gingen niet verder terug dan tot den overgrootvader, daar de oudere bezit-bewijzen te Churchill berustten. Het was het mooiste wild-terrein tusschen Rendierland en het Onvruchtbare Land. In December kwam Baree hier aan.
Opnieuw trok hij naar het zuiden, op een langzame manier, voedsel zoekend in de diepe sneeuw. De Kistisew kestin of Groote Storm was dezen winter vroeger gekomen dan andere jaren en een week daarna bewoog zich ternauwernood een dier. Baree begroef zich niet, zooals anderen dit deden, in de sneeuw, om te wachten tot de lucht opklaarde en zich een ijskorst vormde. Hij was groot en machtig en rusteloos. Bijna twee jaar oud, woog hij ruim tachtig pond. Zijn pooten waren breed en wolfachtig. Zijn borst en schouders geleken op die van een Malemoet en waren toch gespierd voor groote snelheid. Er was meer ruimte tusschen zijn oogen dan dat bij den wolfshond het geval is en zijn oogen waren grooter en geheel zonder wuttooi, het bloedvlies, dat den wolf kenmerkt en ook in zekeren graad den grooten hond uit het noorden. Zijn kaken waren als die van Kazan, misschien zelfs nog geweldiger. Die heele week lang, dat de storm voortduurde, trok hij voort, zonder voedsel. Vier dagen viel de sneeuw zwaar en woei er een scherpe wind, daarna kwamen drie dagen van doordringende koude, waarin elk dier in zijn warm holletje onder de sneeuw bleef. Zelfs de vogels hadden zich ingegraven. Men zou over de ruggen van kariboe's en elanden hebben kunnen loopen, zonder het te bemerken. Baree zocht een schuilplaats toen de storm het hevigst woedde, maar hij stond niet toe, dat de sneeuw op hem liggen bleef.
Elke vallenzetter, van Hudson Baai tot aan de streek der Athabasca, wist, dat de uitgehongerde pelsdieren na afloop van den Grooten Storm voedsel zouden gaan zoeken en dat er dan de meeste kans was van het heele jaar, dat de klemmen en vallen gevuld werden. Eenigen van hen trokken er den zesden dag op uit, anderen den zevenden en weer anderen den achtsten. Op den zevenden dag vertrok Bush Mc Taggart naar Pierre Eustach's lijn, die voor dit seizoen de zijne was. Hij had twee dagen noodig om de klemmen op te graven en ze van de sneeuw te ontdoen, de vallen weer op te zetten en het aas weer in orde te brengen. Den derden dag was hij weer terug te Lac Bain.
Juist op dezen dag kwam Baree bij de hut aan het einde van Mc Taggart's lijn. Mc Taggart's spoor was nog versch in de sneeuw rondom de hut en zoodra Baree er aan snoof, scheen elke droppel bloed hem plotseling sneller door het lichaam te jagen. Hij had misschien een halve minuut noodig om den reuk, die in zijn neusgaten drong in verband te brengen met het gebeurde van eenigen tijd geleden, maar toen hij het gedaan had rees er een diep en onheilspellend gegrom uit zijn borst. Een tijdlang bleef hij stilstaan, als een zwarte rots te midden van de sneeuw, en keek naar de hut.
Daarna begon hij er langzaam in een kring omheen te draaien, steeds naderbij komend, totdat hij ten laatste den drempel besnuffelde. Geen geluid of reuk was er binnen, maar hij kon den ouden reuk van Mc Taggart herkennen. Toen keek hij de wildernis in, in de richting waarin de vallenlijnen terugvoerden naar Lac Bain. Hij rilde, zijn spieren trokken krampachtig. Hij jankte. Er verzamelden zich allerlei voorstellingen in zijn brein—het gevecht in de hut, Nepeese, de wilde jacht door de sneeuw naar den rand van den afgrond—zelfs de herinnering, nu al zoolang geleden, aan zijn worsteling, toen Mc Taggart hem in den konijnenstrik gevangen had. In dit gejank klonk een groot verlangen, bijna verwachting. Toen stierf het langzaam weg. Alles bijeengenomen, deze reuk in de sneeuw herinnerde hem aan iets, dat hij haatte en verlangde te dooden en niet aan iets, dat hij lief had. Het janken stierf weg om opnieuw plaats te maken voor dat onheilspellende gegrom.
Langzaam volgde hij het pad en een kwart mijl van de hut af kwam hij bij de eerste klem. De honger had zoo bij hem huisgehouden dat zijn flanken ingevallen waren. In de eerste klem had Mc Taggart bij wijze van lokaas het achterdeel van een sneeuwschoenkonijn geplaatst. Baree ging er voorzichtig op af. Hij had veel geleerd op Pierrot's vallenlijn; hij had geleerd wat het dichtknappen van een klem beteekende; hij had de wreede pijn van haar stalen kaken ondervonden; hij wist beter dan de sluwste vos, wat er gebeuren ging, wanneer een val was dichtgesprongen—en Nepeese in eigen persoon had hem geleerd, nooit een giftaas aan te raken. Daarom zette hij zacht zijn tanden in het konijnenvleesch en trok het weg, even handig als Mc Taggart zelf dit zou gedaan hebben. Hij bezocht nog vijf klemmen voor het duister inviel en at van alle vijf het lokaas op, ongedeerd. De zesde was een val. Hier bleef hij in een kring omheen draaien totdat hij een pad in de sneeuw gevormd had. Toen maakte hij zich een nachtleger in de warme balsemstruiken.
Den volgenden dag had het begin van de worsteling plaats, die nu volgde tusschen het brein van mensch en dier. Voor Baree beteekende het berooven van Mc Taggart's vallenlijn geen strijd, maar het ging om zijn levensonderhoud. Zij moest hem voedsel verschaffen, zooals Pierrot's lijn hem weken lang voedsel opgeleverd had. Maar hij gevoelde zeer goed, dat hij in dit geval een wetsovertreder was en tegen een vijand moest opwerken. Als het weer goed voor de jacht was geweest zou hij misschien verder getrokken zijn, want de onzichtbare hand, die zijn zwerftochten leidde, bracht hem, langzaam maar zeker, weer terug naar den ouden bevervijver en den Grijzen Fuut. Maar op 't oogenblik, nu de diepe, zachte sneeuw onder zijn pooten lag, zoo diep, dat hij er soms tot over zijn ooren inzonk, was Mc Taggart's vallenlijn als een pad vol manna, aangelegd voor zijn bijzonder gebruik. Hij volgde het spoor van de sneeuwschoenen van den agent en doodde in de derde klem een konijn. Toen hij dit verslonden had, lag er op de sneeuw niets dan wat haren en een paar bloedplekken. Hij had een waren wolvenhonger, daar hij in dagen niets gegeten had en voor de dag ten einde was had hij twaalf van Mc Taggart's klemmen leeggeplunderd. Driemaal kwam hij aan giftaas,—kariboevet, waarin een dosis strychnine verborgen was en telkens ontdekte zijn gevoelige neus het gevaar. Pierrot had meermalen het verwonderlijke feit opgemerkt, dat Baree de aanwezigheid van vergif ontdekte, zelfs al was dit nog zoo handig verstopt in het bevroren karkas van een hert. Vossen en wolven aten van vleesch, waarvan zijn bovenmate gevoelige zintuigen hem oogenblikkelijk zeiden, dat het vergiftigd was. Dus ging hij Mc Taggart's vergiftige lekkernijtjes voorbij, ze besnuffelend en de geschiedenis van zijn achterdocht achterlatend in zijn voetsporen. Waar Mc Taggart halt had gehouden om tegen den middag zijn maal te koken, had Baree diezelfde voorzichtige cirkelpassen beschreven.
Den tweeden dag, toen hij minder hongerig was en des te ontvankelijker voor den gehaten reuk van zijn vijand, at Baree minder, maar stuurde den boel des te erger in de war. Mc Taggart was er niet zoo knap in als Pierrot, den reuk van zijn handen af te houden van zijn klemmen en vallen en telkens drong Baree die reuk sterk in den neus. Dit bracht bij Baree een heftigen hartstocht te weeg, een steeds aangroeienden haat, terwijl hij een paar dagen tevoren dien haat al bijna vergeten was. Er gaat wellicht in het brein van het dier een berekeningsproces om, dat iets heeft van redeneering, het is dit niet geheel en al, maar toch ook niet zuiver instinkt te noemen. Baree telde niet twee en twee bij elkander op, om vier als slotsom te krijgen, hij ging niet stap voor stap terug om zichzelf te bewijzen, dat de man, aan wien deze vallenlijn toebehoorde, de oorzaak was van al zijn verdriet en moeilijkheden—maar met dat al werd hij bezeten door een hartgrondigen haat jegens hem. Mc Taggart was het eenige schepsel, buiten de wolven dan, dat hij ooit gehaat had. Mc Taggart had hem gepijnigd, hij had Pierrot gedood, door hem was hij zijn geliefde Nepeese kwijt geraakt—en Mc Taggart was op deze vallenlijn!
Als hij tevoren gedwaald had zonder einddoel of bestemming, nu had hij een roeping gevonden. Deze was, de vallen achtereenvolgens na te gaan, om zich met den inhoud ervan te voeden. En bovendien onder de hand zijn haat te kunnen luchten.
Den tweeden dag trof hij midden op een meer een dooden wolf aan, die gestorven was door het eten van giftaas. Een half uur lang mishandelde hij het beest, tot er van diens huid niets dan reepen over waren. Hij raakte zijn vleesch echter niet aan. Het was weerzinwekkend voor hem.
Maar het was zijn wraakneming op het wolvengebroed. Hij bleef stilstaan op een half dozijn mijlen van Lac Bain en keerde terug. Op deze plek namelijk kruiste het pad een bevroren stroompje, waarachter zich een vlakte uitstrekte en over die vlakte kwamen—als de wind in die richting was—de rook en de reuk van Lac Bain. Den tweeden nacht lag Baree met een volle maag in een boschje pijnboomen; den derden dag trok hij weer westwaarts, de vallenlijn langs.
Dezen morgen vertrok Bush Mc Taggart in de vroegte om zijn vangst te gaan inzamelen en toen hij het stroompje overstak, op zes mijlen afstands van Lac Bain, zag hij voor het eerst Baree's sporen. Hij bleef staan om ze te onderzoeken met een plotselinge en ongewone belangstelling, viel eindelijk op de knieën, stroopte den handschoen af van zijn rechterhand en raapte een enkel haar op.
„De zwarte wolf!”
Hij sprak deze woorden uit op een zonderlingen harden toon en onwillekeurig werden zijn oogen getrokken in de richting van den Grijzen Fuut. Daarna bekeek hij nog zorgvuldiger een der sporen in de sneeuw. Toen hij opstond, droeg zijn gelaat de uitdrukking van iemand die een onplezierige ontdekking gedaan heeft.
„Een zwarte wolf!” herhaalde hij en trok de schouders op. „Bah! Lerue is niet wijs. Het is een hond.” En na een oogenblik voegde hij er bij, nauwelijks luider dan een gefluister: „Haar hond.”
Hij reisde verder, het spoor van den hond volgend. Een nieuwe opwinding maakte zich van hem meester, die niet alleen de opwinding van de jacht was. Daar hij een mensch was, genoot hij het voorrecht, twee en twee bij elkander te kunnen optellen en de samenvoeging van die twee en twee was—Baree. Hij twijfelde maar weinig. De gedachte er aan was dadelijk bij hem opgekomen, toen Lerue over den zwarten wolf gepraat had. Hij was er van overtuigd, nu hij de voetsporen gezien had. Het waren de indrukken van een hond en die hond was zwart. Toen kwam hij bij de eerste klem, die van haar lokaas beroofd was.
Hij vloekte binnensmonds. Het aas was verdwenen en de klem niet dichtgesprongen. De gepunte stok, waarmee het aas was vastgezet, was er keurig uitgetrokken.
Den heelen dag lang volgde Mc Taggart den weg waarlangs Baree gegaan was. Klem na klem trof hij ledig aan. Op het meer zag hij den mishandelden wolf liggen. Zijn ontstemming na de eerste ontdekking van Baree's tegenwoordigheid veranderde langzamerhand in woede en deze woede steeg, naarmate de dag vorderde. Hij was niet onbekend met de viervoetige beroovers van de vallenlijn, maar gewoonlijk plunderde een wolf of een vos of een hond, die handig geworden was in deze dieverij, slechts een aantal klemmen. Maar in dit geval was Baree van klem tot klem getrokken en zijn sporen in de sneeuw toonden aan, dat hij bij alle was blijven staan. Hij was, zoo kwam het Mc Taggart voor, met een bijna menschlijke duivelachtigheid te werk gegaan. Hij ontweek alle vergif. Geen enkele maal was hij met kop of poot op de plekken gekomen waar het gevaar was. Oogenschijnlijk om geen enkele reden had hij een prachtigen wezel totaal verminkt, wiens glanzende pels nu in waardelooze vodjes over de sneeuw verspreid lag. 's Middags bereikte Mc Taggart een val, waarin een lynx gedood was. Baree had de zilverige flanken van dit dier met zijn tanden opengereten totdat de vacht niet meer de helft van hare waarde had. Mc Taggart vloekte hardop en zijn adem was heet.
Tegen de schemering bereikte hij het hutje, dat Pierre Eustach halverwegen zijn vallenlijn had opgetrokken en nam een overzicht van de opbrengst van zijn pelswerk. Het was niet meer dan een derde deel van wat hij gewoon was; de lynx was half bedorven, de wezel eenvoudig in tweeën gerukt. Den tweeden dag vond hij nog grooter verwoesting, nog meer beroofde vallen. Hij werd als krankzinnig. Toen hij de tweede hut naderde, in den laten namiddag, waren Baree's voetsporen nog geen uur oud. Dien nacht hoorde hij den hond tot driemaal toe huilen.
Den derden dag keerde Mc Taggart nog niet naar Lac Bain terug, maar begon omzichtig jacht te maken op Baree. Er was tamelijk veel sneeuw gevallen en als om zijn vijand uit te tarten, had Baree in een straal van honderd meter om de hut heen, duidelijk zijn sporen gezet. Het duurde een half uur voor Mc Taggart de eigenlijke richting te pakken had en hij volgde Baree twee uur lang tot aan een dicht boschje. Baree liep met den wind mee. Nu en dan kreeg hij den reuk van zijn vervolger in den neus: wel tienmaal wachtte hij, totdat deze zoo dichtbij was, dat hij de takken onder zijn voeten kon hooren knappen of het metaalachtig getik van twijgen, die tegen zijn geweerloop sloegen. En toen draaide hij, met een plotselinge ingeving, die Mc Taggart opnieuw aan het vloeken bracht, in een wijden cirkel rond en keerde weer terug naar de vallenlijn. Toen de agent hier aankwam, ongeveer tegen twaalf uur 's middags, was Baree er al aan het werk geweest. Hij had een konijn gedood en opgegeten, hij had over den afstand van een mijl drie vallen leeggeplunderd en was nu weer regelrecht op weg naar den Post van Lac Bain.
Den vijfden dag keerde Mc Taggart naar zijn standplaats terug. Hij was in een kwade bui. Van de vier Franschen trof hij alleen Valence aan en Valence hoorde zijn verhaal aan en hoorde hem ook naderhand Marie uitschelden. Zij kwam, wat later, in het magazijn, grootoogig en angstig, één van haar wangen zag donkerrood, waar Mc Taggart haar geslagen had. Terwijl de magazijnmeester het blikje zalm voor haar opzocht, waarmede Mc Taggart zijn maal wenschte te doen, vond Valence de gelegenheid, haar zacht iets in het oor te fluisteren.
„M'sieu Lerue heeft een zilvervos gevangen,” zeide hij met lichten triomf. „Hij, mon ami, heeft je lief en hij zal tegen het voorjaar een prachtige vangst gemaakt hebben—en hij zendt je deze boodschap, uit zijn hut bij het kleine zwarte Beertje zonder Staart: „Houd je gereed om te vluchten, zoodra de zachte sneeuw valt!””
Marie keek hem niet aan, maar zij had hem verstaan en haar oogen straalden zóó als sterren, toen de jonge magazijnmeester haar de zalm overreikte, dat hij na haar vertrek tot Valence zeide.
„Zij kwijnt langzaam weg, maar zij kan toch zoo nu en dan nog wel mooi zijn, Valence!”
En Valence knikte toestemmend met een eigenaardigen glimlach.