XXIX. Het einde van den zoektocht.
Reading edition
Een vreemde gril had zich meester gemaakt van Carvel, toen hij zijn reis naar het zuiden begon. Hij geloofde niet in voorteekens, goede noch kwade. Het bijgeloof had een kleine rol in zijn leven gespeeld, maar hij bezat nieuwsgierigheid en lust in het avontuurlijke en de jaren van eenzaam zwerven hadden hem een merkwaardig heldere visie gegeven in sommige gevallen, wat men een zeer werkzame verbeeldingskracht zou kunnen noemen. Hij wist, dat de een of andere onweerstaanbare kracht Baree naar het zuiden trok—dat hij erheen getrokken werd, niet alleen langs een zekere streek van het kompas, maar naar een bepaald punt ervan. Om geen reden in het bijzonder begon het geval hem meer en meer belang in te boezemen en daar zijn tijd waardeloos was en hij geen vaste bestemming voor oogen had, begon hij zijn proef te nemen.
De eerstvolgende paar dagen gaf hij de leiding aan Baree over, en gedurende dien tijd registreerde hij de richting, die de hond nam, volgens het kompas. Zij gingen recht het zuidoosten in. Den derden morgen sloeg Carvel met opzet scherp af naar het westen. Hij merkte snel de verandering in Baree op—zijn onrust in den beginne en daarna de terneergeslagen houding, waarin hij hem op de hielen volgde. Tegen den middag veranderde hij zijn richting weer naar het zuidoosten en bijna oogenblikkelijk herkreeg Baree zijn oude opgewektheid en rende voor zijn meester uit.
Daarna, dag in, dag uit, volgde Carvel den hond.
„Ik lijk eigenlijk wel gek, ouwe jongen,” verdedigde hij zich op zekeren avond. „Maar 't is toch nogal grappig—en ik moet in de buurt van de spoorlijn komen, voor ik de bergen over kan. Dus wat doet het er toe? Ik ben tot je beschikking—zoolang je me niet terugbrengt naar dien kerel van Lac Bain. Maar—wat duivel! Wil je naar de vallenlijn om af te rekenen? Als dat zoo is—”.
Hij blies een rookwolk uit zijn pijp, terwijl hij Baree aankeek en Baree, met zijn kop tusschen zijn voorpooten, keek hem eveneens aan.
Een week later antwoordde Baree op Carvel's vraag door naar het westen af te slaan en daardoor een heel eind uit de buurt van Lac Bain te blijven. De middag was al half verstreken, toen zij het pad overstaken, waarlangs Bush Mc Taggart zijn klemmen en vallen uitgezet had. Baree bleef zelfs geen oogenblik stil staan. Hij trok voortdurend naar het zuiden en wel zoo snel, dat Carvel hem soms uit het gezicht verloor. Een onderdrukte maar hevige opwinding maakte zich van hem meester en hij begon te janken, zoodra Carvel maar even stil bleef staan om te rusten—altijd de lucht opsnuivend in zuidelijke richting. Het voorjaar, de zoete geuren in de lucht brachten hem dat groote Gisteren weer terug, toen hij aan Nepeese behoord had. In zijn onberedeneerd brein bestond de winter niet meer. De lange maanden van koude en honger waren voorbij, waren vergeten, nu nieuwe droomen hem vervulden. De vogels en de bloemen en de blauwe luchten waren teruggekomen en tegelijk hiermee moest de Wilg stellig ook teruggekeerd zijn en zij zou op hem wachten, daarginds, vlak achter den zoom van dat groene bosch.
Er begon zich iets van Carvel meester te maken, belangrijker dan eenvoudige nieuwsgierigheid. De gril van een oogenblik werd tot een vaste en diepere gedachte vervormd en wekte ten slotte een verwachting, die met onderdrukte opwinding vergezeld ging. Toen zij den ouden bevervijver bereikten, had het mysterie van dit zonderlinge avontuur ook vat op hem gekregen. Na Gebroken Tand's kolonie bezocht te hebben, leidde Baree hem naar de kreek, waarlangs Wakayoo, de groote zwarte beer, gevischt had en vandaar regelrecht naar den Grijzen Fuut.
Het was in den vroegen namiddag en prachtig weer. Het was zoo stil rondom, dat het kabbelende water der lente, zingend in duizend beekjes en stroompjes, de bosschen vervulde met een gonzende muziek. In de warme zon gloeide bloedrood de bakneesh. Op de open plekken geurden blauwe bloemen. In de boomen en struiken bouwden de vogelpaartjes hun nestje. Na den langen winterslaap arbeidde de Natuur weer in al haar glorie. Het was Unekepesim—paarmaand—en Baree ging naar huis terug. Enkel en alleen maar om Nepeese te vinden. Hij wist, dat zij daar nu was, misschien vlak aan den rand van den afgrond, waar hij haar het laatst gezien had. Zij zouden samen gaan spelen, zooals zij gisteren gespeeld hadden en eergisteren en vooreergisteren en in zijn blijdschap blafte hij naar Carvel op en zette hem aan tot grooter spoed. Toen kwamen zij aan de open plek en weer stond Baree zoo onbewegelijk als een rots. Carvel zag de verkoolde overblijfselen van de verbrande hut en even later de twee graven, onder de hooge sparren. Hij begon te begrijpen en zijn oogen gingen langzaam naar den hond, luisterend in afwachtende houding. Er zwol aandoening in zijn keel en na eenige oogenblikken zeide hij zacht en met moeite:
„Jongen, ik geloof, dat je hier thuis bent.”
Baree hoorde hem niet. Met opgeheven kop en zijn neus in de lucht stond hij te snuiven. Wat was er toch, dat hem zoo aandeed in de geuren van bosch en weide? Waarom beefde hij zoo, terwijl hij daar stond? Wat zat er dan in de lucht? Dit vroeg Carvel zich af en zijn onderzoekende blik trachtte deze vragen te beantwoorden. Niets. Hier heerschte de dood—dood en verlatenheid, dat was al. En toen, geheel onverwacht, gaf Baree een schreeuw—bijna menschelijk in zijn uiting—en ging er vandoor als de wind.
Carvel had het pak van zijn schouders afgeworpen. Hij wierp er nu ook zijn geweer naast en volgde Baree. Hij rende. Recht over de open plek, tusschen de dwerg-balsemstruiken en over het pad, eens uitgesleten door de vele voetsporen, waar nu gras tierde. Hij rende tot hij naar adem hijgde en bleef toen stilstaan om te luisteren. Hij kon geen gerucht van Baree hooren. Maar dat verwaarloosde pad liep door onder de boomen van het bosch en hij volgde het.
Dicht bij den diepen, donkeren poel, waarin de Wilg en hij zich zoo dikwijls vermaakt hadden, was Baree blijven staan. Hij kon het kabbelen van het water hooren en zijn oogen schitterden, terwijl hij uitkeek naar Nepeese. Hij verwachtte haar daar te zien, haar slank, blank lichaam te zien glanzen in de schaduw van de overhangende sparretakken, of te zien blinken, wit als sneeuw, in de warme zonlichtplekken. Zijn oogen zochten haar op hun oude schuilplaatsen; de groote gespleten rots aan den overkant, de glooiende zandbank vanwaar zij als otters naar beneden plachten te duiken, de sparretakken, die zich voorover bogen tot zij het wateroppervlak raakten en waartusschen de Wilg haar naakt lichaam zoo gaarne placht te verstoppen, terwijl hij den poel afzocht om haar te ontdekken. En eindelijk drong het tot hem door, dat zij hier niet was, dat hij nog verder zou moeten gaan.
Hij ging verder, naar het hutje toe. De kleine open plek, waar hun verborgen tepee stond, was overstroomd met zonneschijn, brekend door een open plek van het bosch. Het hutje was er nog. Het scheen voor Baree niet veel veranderd. En opstijgend van den grond, vlak vóór het hutje, zag hij, wat hij al flauwtjes geroken had in de stille lucht—den rook van een klein vuur. Er boog zich iemand over dit vuur en het kwam Baree heelemaal niet verwonderlijk of onverwacht voor, dat die iemand twee glanzende vlechten op haar rug droeg. Hij jankte en bij dit janken van hem scheen zij plotseling te verstijven en draaide zij zich langzaam om.
Zelfs toen leek het hem de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij Nepeese bleek te zijn en niemand anders. Hij had haar pas gisteren verloren. Vandaag vond hij haar terug. En in antwoord op zijn gejank welde een snik regelrecht uit de ziel van de Wilg.
Carvel vond hen daar, eenige minuten later; de Wilg had den kop van den hond tegen haar borst geklemd en schreide—schreide als een klein kind, haar gezicht afgewend van hem op Baree's nek. Hij stoorde hen niet, maar wachtte; en terwijl hij stond te wachten scheen een zeker iets in haar snikken en in de stilte van het bosch rondom hem een gedeelte der geschiedenis toe te fluisteren van de verbrande hut en de beide graven en de beteekenis van de Roepstem, die tot Baree gekomen was, uit het zuiden.