XIV. De dochter van den storm.
Reading edition
Langen tijd bewoog Nepeese zich niet. Zij bleef stil zitten, op dat open plekje in het bosch, haar schoot vol bloemen, terwijl Baree's oogen met ware hondentrouw op haar gelaat gericht bleven.
Enkel en alleen door de macht van haar zachtheid en teederheid en haar vertrouwen in hem had zij Baree voor zich gewonnen. Hij vereerde haar nu als een slaaf. Hij was bereid, zich ten allen tijde te voegen naar haar wil.
Toen zij opkeek, stapelden zich zwarte wolken langzaam op boven de sparretoppen. De duisternis viel in. In het gefluister van den wind en de doodsche stilte van de verdichtende schemering sprak het opkomen van onweer. Vanavond zou er geen zonsondergang te zien zijn. Men zou niet bij het licht der schemering de paden kunnen volgen; er zouden geen maan en geen sterren schijnen; en indien Pierrot en de agent van Lac Bain al niet vertrokken waren, zouden zij zich zeker niet op weg begeven te midden van den zwarten nacht, die spoedig over het land gespreid zou liggen. Nepeese huiverde en stond op. Voor het eerst stond Baree ook op en stelde zich aan haar zijde. Boven hen sneed een bliksemstraal als een mes van vuur door de wolken, oogenblikkelijk gevolgd door een geweldigen donderslag. Baree kromp ineen alsof men hem een slag toegebracht had. Hij had wel een schuilplaats willen zoeken onder de tepee, maar toen hij naar de Wilg keek, had zij iets over zich, dat hem vertrouwen inboezemde. De donder dreunde opnieuw. Maar hij ging niet op de vlucht. Zijn oogen bleven op haar gericht.
Zij stond daar, tenger en recht, in de toenemende duisternis, die door het hemelvuur gespleten werd, het mooie hoofd in den nek geworpen, de lippen geopend, de oogen gloeiend van begeerige verwachting—als een gebeeldhouwde godin, die met ingehouden adem de aanstormende hemelkrachten verwelkomt. Misschien kwam dit, omdat zij geboren was in een nacht van noodweer. Meermalen hadden Pierrot en haar gestorven moeder haar dit verteld—dat zij ter wereld gekomen was op een nacht, toen storm en onweer de wereld tot een hel maakten, toen de rivieren buiten haar oevers getreden en de boomen bij duizenden gevallen waren en het kletteren van den regen op het dak van hun hut haar moeders smartkreten en haar eigen eerste geschreeuw overstemd had. In dien nacht was de Geest van den Storm zeker in haar geboren. Zij hield er van, er naar te kijken, zooals zij het thans deed. Het deed haar alles vergeten buiten de ontzaglijke macht der natuur; haar natuur-ziel sidderde bij dit geweld en dikwijls had zij haar bloote armen omhoog geheven en gelachen van blijdschap als het noodweer boven haar hoofd losbarstte. Ook nu zou zij in de vlakte zijn blijven staan tot de regen begon te vallen, wanneer een janken van Baree haar niet had doen omzien. Toen de eerste dikke droppels als looden kogeltjes begonnen neer te vallen, ging zij met hem in den schuilhoek van balsemtakken.
Nog eens tevoren had Baree een dergelijken nacht meegemaakt—dien nacht, toen hij zich verborgen had onder een boomwortel en een boom zag splijten door het weerlicht; maar nu had hij gezelschap, en de zachte druk van Nepeese's hand op zijn kop en nek vervulden hem met een zonderlingen moed. Hij gromde zachtjes tegen het lawaai van den donder. Hij wilde naar het weerlicht bijten om haar te beschermen. Nepeese voelde zijn lichaam verstijven onder haar hand en eens, toen het een oogenblik stil werd, hoorde zij zijn tanden zenuwachtig op elkaar slaan. Toen begon de regen te vallen. Hij was niet als andere regens, die hij had meegemaakt. Het was een overstrooming, neerploffend uit pikzwarte lucht. Binnen vijf minuten was het takkenhutje totaal doorweekt, na een half uur was Nepeese tot op haar huid toe nat. Het water liep in beekjes langs haar rug en borst, het sijpelde uit haar vlechten, droppelde van haar wimpers en de deken, waarop zij zat, leek wel een natte dweil. Baree voelde zich bijna even ellendig als na zijn bad, volgend op het gevecht met Papayuchisew en rolde zich hoe langer hoe meer in elkaar onder den beschuttenden arm van de Wilg. Het scheen eindeloos te duren voor de donder naar het Oosten wegrolde en het licht begon weg te sterven tot het zoo nu en dan nog maar in de verte opflikkerde. Zelfs daarna bleef de regen nog wel een uur lang vallen. Toen hield hij op, even plotseling als hij begonnen was. Lachend en hijgend sprong Nepeese op. Het water klokte in haar mocassins toen zij naar buiten liep. Zij lette niet op Baree—en hij volgde haar. Door de opening tusschen de boomtoppen zag zij de laatste donkere wolken wegdrijven. Er glinsterde een ster. Daarna nog een en de Wilg bleef naar den hemel kijken tot er zooveel waren, dat zij ze niet meer tellen kon. Het was nu niet donker meer. Een verrukkelijke sterrenlucht overstroomde den hemel na de inktzwarte duisternis van den storm.
Nepeese keek weer neer en zag Baree. Hij stond volkomen los, met de vrijheid aan alle kanten om zich heen. Toch liep hij niet weg. Hij wachtte, zoo nat als een waterrat, met zijn oogen op haar gericht. Nepeese maakte een beweging naar hem toe en aarzelde.
„Neen, je zult niet wegloopen, Baree. Ik wil je los laten. En nu moeten we een vuur gaan aanleggen!”
Een vuur! Iedereen, met uitzondering van Pierrot, zou gezegd hebben, dat zij krankzinnig was. Geen stam of twijg in het bosch, die niet droop van het nat! Zij konden het water aan alle kanten hooren neervallen.
„Een vuur,” zeide zij weer. „Laten we wat wuskwi gaan zoeken, Baree.”
Met haar druipnatte kleeren aan haar lichaam klevend, geleek zij wel een tengere schaduw, zooals zij de doorweekte open plek overstak en zich tusschen de boomen begaf. Baree volgde haar nog steeds. Zij ging regelrecht naar een berk, dien zij dien dag in de buurt ontdekt had, en begon de losse schors af te trekken. Een armvol van dezen berkebast droeg zij tot dicht bij de tepee en daar bovenop hoopte zij lading na lading nat hout, tot zij een hoogen stapel had. Uit een flesch, die in de tepee stond, haalde zij een drogen lucifer en bij de eerste aanraking met het kleine vlammetje daarvan laaide de berkebast op als papier, gedrenkt in olie. Een half uur later zou men het vuur van de Wilg—zoo het niet door het omringende bosch verborgen was geweest—in de hut op een mijl afstands hebben kunnen zien. Zij staakte haar houtopgooien pas, toen de vlammen twaalf voet in de lucht reikten. Toen dreef zij stokken den grond in en spreidde over deze stokken de deken uit, om haar te laten drogen. Daarna begon zij zich te ontkleeden.
Naakt stond zij in den rooden gloed van het vuur. Zij was wonderbaar slank en blank—schoon als een zeenimf, die, om een oogenblik adem te scheppen, uit de groene golven van den oceaan was komen opduiken, en een tijd lang bleef zij staan, het hoofd achterover gebogen en met uitgestrekte armen, alsof daar hoog tusschen de sterren een of andere geest huisde, dien zij toewenkte, zwijgend. En toen, terwijl Baree naar haar keek en de warmte van het vuur kleine stoomwolkjes uit haar kleeren deed trekken, begon zij haar doornatte vlechten los te maken. Zij vormden een prachtig gewaad van schitterend git om haar lichaam en bedekten haar tot de knieën, behalve dat er soms een glimp van haar armen en borst te zien kwam, wanneer zij het rondom zich schudde, opdat het gauwer drogen zou. De regen had de lucht afgekoeld en de verkwikking daarvan, vermengd met den zoeten geur van balsemstruiken en sparren, deed het bloed van de Wilg dansen in haar aderen. Zij vergat de ongemakken van den stortregen. Zij vergat den agent van Lac Bain en wat haar vader haar over hem verteld had. Alles bijeengenomen, zij was als een vrije vogel uit de bosschen, met mooie bloemen onder haar bloote voeten; en in de heerlijkheid van de uren, die nu volgden, kon zij niets zien en aan niets denken, dat haar zou kunnen schaden. Zij danste om Baree heen, en schudde haar zee van haren, waardoor haar naakte lichaam heenglansde, haar oogen schitterden, haar lippen lachten in uitzinnige blijdschap—de blijdschap, te leven, de geuren van het bosch in haar longen te kunnen drinken, de sterren en den prachtigen hemel boven zich te zien. Zij bleef voor Baree stilstaan en riep lachend, terwijl zij de armen uitstrekte:
„Heisa, Baree—als jij eens zoo gemakkelijk je huid af kon gooien als ik het mijn kleeren doe!”
Zij haalde diep adem en haar oogen straalden door een nieuwe ingeving. Langzaam vormde zij haar mond tot een roode, ronde O en zich nog meer naar Baree toebuigend fluisterde zij:
„Het zal diep zijn—en heerlijk—vanavond. Ninga—ja, we zullen gaan!”
Zij riep hem zachtjes, terwijl zij in haar natte mocassins slipte en het beekje volgde, het bosch in. Een honderd meter van de open plek af bereikte zij een poel. Hij was diep en boordevol, dezen avond driemaal zoo vol als hij vóór het noodweer geweest was. Zij kon het murmelen van het inloopende water hooren. In zijn woelige oppervlakte weerspiegelden zich de sterren. Een paar oogenblikken stond zij op een rots te overwegen, met de koele diepte een paar meter beneden zich. Toen wierp zij heur haar naar achteren en schoot als een slanke witte pijl door het sterrenlicht naar beneden. Baree zag haar gaan. Hij hoorde den plons van haar lichaam. Een half uur lang lag hij aan den rand van den poel naar haar te kijken. Soms was zij vlak onder hem en dreef geluidloos voort, terwijl heur haren een wolk vormden donkerder dan het water rondom haar, dan doorkliefde zij de oppervlakte bijna zoo snel als hij dat van de otters gezien had, en dan dook zij plotseling naar beneden en verdween, zoodat Baree's hart sneller begon te kloppen, terwijl hij wachtte tot zij terug zou komen. Eens bleef zij geruimen tijd onder water. Toen jankte hij. Hij wist, dat zij geen familie was van den bever of van den otter en hij was ontzaglijk opgelucht toen zij weer boven kwam.
Op deze wijze ging hun eerste nacht tezamen voorbij—de storm, die koele, diepe poel, het groote vuur, en later, toen de kleeren van de Wilg en de deken gedroogd waren, een paar uur slaap. Bij zonsopgang keerden zij terug naar de hut. Zij slopen voorzichtig er naar toe. Er kwam geen rook uit den schoorsteen. De deur was gesloten. Pierrot en Bush Mc Taggart waren vertrokken.