VIII. De laatste slavin.
Reading edition
Dienzelfden avond, toen de kleine Dy te bed gebracht was, en de familie met hare vrienden te zamen vereenigd zat, stelde James Burbank allen op de hoogte van hetgeen in de gerechtszaal van Court-Justice voorgevallen was.
Hij deelde hen de hatelijke handelingen van Texar mede en stelde in het licht, hoe de dagvaarding, om voor de magistraten te verschijnen, aan den invloed van dien man en aan den aandrang van de lagere volksklasse van Jacksonville toe te schrijven was. Toch verdienden de magistraten slechts lof voor hunne houding in deze zaak. Op de beschuldiging van verstandhouding met de Noordelijken, hadden zij geantwoord met de opvordering van het bewijs der misdaad. En daar Texar dat bewijs niet had kunnen leveren, was James Burbank in vrijheid gelaten.
Intusschen viel het niet te ontkennen, dat te midden dier onbewezen beschuldigingen, de naam van Gilbert uitgesproken was geworden. Het scheen, dat niet in twijfel was getrokken geworden, dat de jonge man in de gelederen van de krijgsmacht der Noordelijken diende. En zou nu de weigering van James Burbank, om zich dienaangaande duidelijk te verklaren, niet als eene soort van erkenning uitgelegd worden?
Die omstandigheid verlevendigde de vrees en de angsten van mevrouw Burbank, van miss Alice en van die geheele familie, die zich toch al niet op haar gemak gevoelde. En die vrees was maar al te zeer gewettigd.
Zouden de woestelingen van Jacksonville, nu de zoon zich buiten hun bereik bevond, zich niet willen wreken op den vader?
Texar had ongetwijfeld gesnoefd, toen hij beloofd had, binnen weinige dagen het bewijs te leveren van de uitgesproken beschuldiging. Maar zou het niet mogelijk zijn, alles wel beschouwd, dat hij er in slaagde om dat bewijs in handen te krijgen? En wanneer dat geschiedde, dan zou de toestand in de hoogste mate onrustbarend worden. Dat moesten allen inderdaad erkennen.
»Mijn arme Gilbert!” riep mevrouw Burbank uit. »Te weten, dat hij zich zoozeer in de nabijheid van dien Texar bevindt, die tot alles in staat is om zijn doel te bereiken!”
»Ja, dat is die ellendeling!” beaamde James Burbank.
»Maar, zou men Gilbert niet op de hoogte kunnen stellen van hetgeen te Jacksonville voorgevallen is?” vroeg miss Alice.
»Mij dunkt van ja,” zei Edward Carrol.
»Mij dunkt, dat zoo iets moet geschieden,” beaamde master Walter Stannard. »Vooral zouden wij hem moeten aanbevelen, dat iedere onvoorzichtige daad zijnerzijds de meest noodlottige gevolgen voor zijne familie-betrekkingen en ook voor hem zelven zoude hebben.”
»Maar hoe in verbinding met hem te komen?” vroeg James Burbank bezorgd.
»Ja, hoe? Die vraag heb ik mij al gedaan,” zei Edward Carrol.
»Het is maar al te zeker,” ging James Burbank voort, »dat voortdurend spionnen rondom Camdless-Bay zwerven. Reeds is de bode, dien Gilbert ons toegezonden heeft, bij zijn terugkeer gevolgd en bespied geworden. Iedere brief, dien wij Gilbert zouden schrijven, loopt gevaar in handen van Texar te vallen. Ieder man, dien wij met eene mondelinge boodschap tot hem zouden zenden, loopt gevaar onderweg aangehouden te worden.”
»Dat is waar,” beaamde master Walter Stannard met een hoofdknik.
»Neen, vriend,” vervolgde de eigenaar van Camdless-Bay, »laten wij niets beproeven of ondernemen, hetgeen den toestand zou kunnen verergeren.”
»En geve de hemel!” zuchtte mevrouw Burbank, »dat het federalistisch leger Florida spoedig moge bezetten!”
»Ja, waarlijk, dat wordt inderdaad wenschelijk voor de minderheid der eerlijke lieden,” zei Walter Stannard, »die zoo ergerlijk door de meerderheid der schurken in het land bedreigd wordt.”
Inderdaad, James Burbank had gelijk. Het zou ten gevolge van het toezicht, dat ongetwijfeld rondom de plantage uitgeoefend werd, zeer onvoorzichtig zijn geweest, briefwisseling met Gilbert te houden. Daarenboven, het oogenblik naderde ras, waarin James Burbank en met hem alle noordelijk-gezinden onder de bescherming van het federalistisch leger volkomen in veiligheid zouden zijn.
En waarlijk, den volgenden morgen reeds zou de Commodore Dupont het anker lichten om van de reede te Edisto te vertrekken. Vóor dat drie dagen verloopen zouden zijn, zou men ongetwijfeld de tijding vernemen, dat de flottilje, na de kuststreek van Georgië voorbij gestevend te zijn, in de baai van Sint Andrews aangekomen was.
James Burbank vertelde toen ook de ernstige mededeeling, in tegenwoordigheid der magistraten van Jacksonville gedaan. Hij deelde mede, hoe hij genoodzaakt was geworden, door de uitdaging van Texar met betrekking tot de slaven van Camdless-Bay, om te handelen zooals hij deed. Door zijn goed recht en door zijn geweten gesteund, had hij in het openbaar de afschaffing der slavernij op zijn landgoed verklaard. Wat nog geen Zuidelijke Staat had durven afkondigen, zonder daartoe door wapengeweld genoodzaakt te zijn, had hij vrijwillig en geheel en al uit vrije beweging gedaan.
Die invrijheidstelling was even stoutmoedig als edelmoedig, voorwaar!
Welke zouden er de gevolgen van zijn? Dat kon natuurlijk niemand voorspellen.
Klaarblijkelijk evenwel was zij weinig geschikt, om den toestand van James Burbank minder bedreigd en onrustwekkend te midden van die slavenhoudende bevolking te maken. Misschien zou zij zelfs aanleiding geven, om de neiging tot opstand onder de slaven der andere plantages eenigermate voedsel te verschaffen.
Maar die bijomstandigheid mocht niet wegen! De familie Burbank, bewogen door de grootschheid der daad, keurde ten volle en geheel onvoorwaardelijk de gedragslijn van haar hoofd goed.
»James,” zei mevrouw Burbank, »wat er ook gebeuren moge, gij hebt gelijk gehad met de hatelijke insinuatiën, welke u door dien Texar, dien ellendeling, naar het hoofd geslingerd werden, te beantwoorden zooals gij gedaan hebt.”
»Wij zijn trotsch op u, vader,” vulde miss Alice aan, die voor den eersten keer aan master Burbank den naam van vader gaf, »ik sluit mij aan bij de gedachte van Gilberts moeder.”
»Gij hebt goed gehandeld, master James Burbank!” betuigden èn Edward Carrol èn Walter Stannard.
»En thans, geliefde dochter,” sprak de eigenaar van Camdless-Bay, terwijl hij Alice’s wangen streelde. »En thans, wanneer Gilbert en de federalistische troepen Florida zullen binnenrukken, dan zullen zij op mijn landgoed geen enkelen slaaf meer aantreffen.”
»Ik dank u, mijnheer Burbank,” sprak Zermah, »ik dank u voor mijne lotgenooten en voor mij.”
»Gij behoeft mij daarvoor niet te bedanken, Zermah,” zei James Burbank.
»Zeker, master Burbank, zijn wij u dank schuldig, voor de groote gave, die gij ons verleent,” antwoordde de mestische.
»Gij beschouwt dus de vrijheid als eene groote gave, Zermah?”
»Wat mij betreft, master Burbank,” vervolgde de kleurlinge, »ik heb nimmer den druk, van slavin te zijn, bij u gevoeld. Uwe goedheid en uwe edelaardigheid verschaften mij eene groote mate van vrijheid en ik gevoelde mij even vrij als thans.”
»Gij hebt volkomen gelijk, Zermah,” hernam mevrouw Burbank. »En verlies nimmer uit het oog, dat slavin of vrij, om het even, wij zullen u steeds liefhebben!”
Zermah poogde, maar tevergeefs, hare aandoening te verbergen. Zij greep de kleine Dy in hare armen, drukte haar aan hare borst en overdekte het kind zenuwachtig met kussen.
De heeren Edward Carrol en Walter Stannard hadden de hand van James Burbank gegrepen en drukten die met de meeste innigheid. Dat strekte hem duidelijk tot bewijs, dat zij zijne daad van stoutmoedigheid, maar ook van volkomen rechtvaardigheid in allen deele goedkeurden.
Blijkbaar vergat de familie Burbank onder den indruk dier edelaardige gevoelens, de verwikkelingen, welke uit die gedragslijn van haar hoofd voor de toekomst konden geboren worden.
Niemand dacht er dan ook aan te Camdless-Bay om James Burbank te gispen, of het zou ongetwijfeld de administrateur Perry moeten zijn, wanneer hij op de hoogte gesteld zoude wezen van hetgeen gebeurd was. Maar hij deed juist eene inspectie-reis op de plantage en zou eerst bij het vallen van den avond terugkomen.
Het was reeds laat toen men scheidde. James Burbank ging evenwel niet rusten alvorens verklaard te hebben, dat hij reeds den volgenden ochtend aan ieder zijner slaven hun bewijs van invrijheidstelling zoude overhandigen.
»Ik wensch daar haast mede te maken,” zei hij tot zijne huisgenooten en vrienden.
»Wij zullen bij u zijn, James,” antwoordde mevrouw Burbank, »wanneer gij hun zult mededeelen, dat zij vrij zijn.”
»Ja, dat zullen wij!” zei Edward Carrol.
»Ja, dat zullen wij allen!” voegde Walter Stannard er aan toe. »Niet waar, Alice?”
»Voorzeker papa!” antwoordde de jeugdige miss geestdriftvol.
»En ik ook, papa?” vroeg de kleine Dy vleiend aan haren vader.
»Ja, gij ook, lieveling!”
»Goede Zermah,” vervolgde het bekoorlijke kind, »zult gij ons thans gaan verlaten?”
»Neen, mijn kind!” antwoordde Zermah. »Wees gerust, ik zal u nimmer verlaten!”
»En nu, goeden nacht, allen!” sprak James Burbank, terwijl hij een kus met de eenen en een handdruk met de anderen wisselde.
»Goeden nacht!”
En iedereen ging naar zijne kamer, ook James Burbank, die alvorens evenwel zich vergewiste, dat alle veiligheidsmaatregelen voor Castle-House genomen waren.
De eerste persoon, dien de eigenaar van Camdless-Bay den volgenden ochtend in het park ontmoette, was juist de administrateur, master Perry. Daar het geheim van het gebeurde stipt bewaard was gebleven, zoo wist die waardige man nog van niets. Hij vernam spoedig evenwel alles uit den mond van James Burbank, die zich intusschen op de verbazing van master Perry voorbereid hield.
»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!” zei hij.
De brave kerel kon waarlijk in zijne verbijstering geen andere woorden uitbrengen dan:
»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!”
»Ontstel toch zoo niet, master Perry,” meende James Burbank ter bedaring van den waardigen administrateur te moeten zeggen.
»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!” herhaalde deze schier wezenloos.
»Mijne handeling kon u toch niet zoo verrassen, Perry,” ging James Burbank voort. »Ik ben slechts de gebeurtenissen vooruitgeloopen. Gij weet, dat de bevrijding der negers eene daad is, welke zich opdringt aan elken Staat, die eenig begrip van zijne waardigheid heeft...”
»Van zijne waardigheid, master James?”
»Ja, van zijne waardigheid, Perry!”
»Wat heeft waardigheid hierbij te maken, master James?”
»Vat gij dat woord waardigheid niet, Perry? Welnu het zij zoo! Laten wij dan zeggen, dat de bevrijding der negers zich opdringt aan elken Staat, die zijne belangen behartigt.”
»Zijne belangen!... zijne belangen, master James!... Gij durft zeggen: die zijne belangen behartigt?”
»Zeker durf ik dat!”
»O, God!... O, God!” prevelde de administrateur wanhopend.
»En de toekomst zal zich met het bewijs van de degelijkheid belasten, waarde Perry,” vervolgde master James Burbank.
»Maar waar zal men voortaan het dienstpersoneel, voor de plantages benoodigd, aanwerven, mijnheer Burbank?”
»Dat zal steeds onder de vrije negers gevonden worden, Perry.”
»Maar wanneer de negers in vrijheid gesteld zullen zijn, zullen zij niet meer willen werken.”
»Integendeel, zij zullen met meer ijver werken, daar het niet meer gedwongen, maar vrijwillig zal geschieden; zij zullen ook met meer genoegen werken, daar hun toestand zooveel verbeterd zal worden.”
»Maar uwe slaven... master James?”

De slaven waren met hunnen gewonen arbeid bezig, te midden der rijstvelden. (Bladz. 114).
»Wat! mijne slaven, Perry? Wat bedoelt gij?”
»Uwe slaven zullen beginnen met ons te verlaten!”
»Het zou mij zeer verwonderen, waarde Perry, wanneer één enkele ook maar de gedachte koesterde om dat te doen.”
»Gij meent? God geve, dat gij gelijk hebt!”
»Gij zult zien dat ik gelijk heb.”
»Maar, o, God! Intusschen ben ik geen administrateur meer van de slaven van Camdless-Bay?”
»Gij zijt en blijft steeds de administrateur van het landgoed Camdless-Bay en ik vermeen dat uw toestand niet verminderd zal zijn door de omstandigheid, dat gij het opzicht over vrije menschen zult hebben, instede van bevelen aan slaven uit te deelen.”
»Maar...”
»Waarde Perry, ik moet u waarschuwen, dat ik op alle uwe »maren” een antwoord gereed heb, en geloof vrij: een steeds afdoend antwoord. Schik u dus in het onvermijdelijke en tracht vrede te hebben met een maatregel, die vroeg of laat toch moest getroffen worden en waaraan mijn gezin—ik voeg er dat uitdrukkelijk bij—zijne volle goedkeuring gehecht heeft.”
»En weten onze negers er reeds van, master James?...”
»Neen, nog niet,” antwoordde James Burbank. »En ik verzoek u, Perry, om er nog niet over te spreken.”
»Daaraan zal ik voldoen, master James,” beloofde de administrateur.
»Intusschen zullen zij heden die belangrijke tijding nog vernemen. Gij zult hun tegen drie ure in den namiddag in het park van Castle-House te zamen brengen...”
»En wanneer zij mij vragen, waartoe die samenkomst moet dienen, master James?”
»Dan kunt gij antwoorden, dat ik hun een belangrijke mededeeling te doen heb. En dat zal de volle waarheid zijn.”
Daarop vertrok de administrateur, terwijl hij groote gebaren van verbazing maakte en terwijl hij tusschen de tanden mompelde:
»Zwarten, die geen slaven meer zijn! Wie heeft dat ooit op een viool hooren spelen? Negers, die voor hun eigen rekening gaan werken! Zwarten, die verplicht zullen zijn in hunne eigen behoeften te voorzien! Dat is eene omwenteling, dat is eene omkeering van de sociale maatschappij. Dat is de omverwerping van alle menschelijke wetten! Dat is tegennatuurlijk!... Ja, tegennatuurlijk!”
James Burbank ging met Walter Stannard en Edward Carrol gedurende den voormiddag in een licht rijtuig een bezoek brengen aan een gedeelte der plantage, bij de noordelijke grens gelegen.
De slaven waren met hunnen gewonen arbeid bezig te midden der rijstvelden, te midden der koffie-aanplantingen en der suikerriettuinen. Dezelfde ijver werd ook in de werkloodsen, in de keten en in de houtzaagmolens opgemerkt. Het groote geheim was dus stipt bewaard geworden. Geen gemeenschap tusschen Jacksonville en Camdless-Bay, waar langs het nieuws verspreid had kunnen worden, had nog plaats gevonden; zoodat zij, die er het meest bij betrokken waren en er dus het meeste belang bij hadden, nog niets van de plannen van James Burbank afwisten.
Bij dat bezoek langs de meest blootgestelde grens der plantage, wilden James Burbank en zijne vrienden er zich van verzekeren, dat daar niets verdachts aangetroffen werd. Na de verklaring, daags te voren in het openbaar afgelegd, was het te vreezen, dat een gedeelte der bevolking van Jacksonville of van de naburige streek er toe aangezet werd, om naar Camdless-Bay te trekken. Tot nu toe werd daarvan evenwel niets bespeurd. Men had zelfs geen zwervers, anders zoo talrijk in die streken, aan den rivierkant, of op de Sint John zelve ontwaard. De Shannon, die tegen tien uren de rivier opstoomde, legde zelfs aan de pier van de kleine havenkom der plantage niet aan en vervolgde haren koers naar Picolata. Neen, noch bovenstrooms, noch benedenstrooms werd iets ontwaard, dat voor de bewoners van Castle-House onrustwekkend mocht heeten.
Een weinig vóór het middaguur keerden James Burbank, Walter Stannard en Edward Carrol naar het woonhuis terug en reden de brug van de ringgracht van het park over. De geheele familie wachtte hen met het ontbijt.
Men was nu meer gerustgesteld. Men praatte meer onbelemmerd. Het was alsof eene ontspanning, eene verandering in den toestand had plaats gehad. Ongetwijfeld hadden het plichtbesef en de geestkracht der magistraten van Jacksonville ontzag ingeboezemd aan de drijvers van de partij van Texar.
Wanneer dat nu het geval was en wanneer die staat van zaken nog slechts weinige dagen aanhield, dan zou Florida door de federalistische troepen onder Generaal Sherman bezet zijn en dan konden zich de voorstanders van de afschaffing der slavernij, hetzij zij van afkomst tot de Noordelijken, hetzij zij tot de Zuidelijken behoorden, in veiligheid in den Staat rekenen.
James Burbank wou dus overgaan tot de plechtigheid van de invrijheidstelling zijner slaven. Dat zou de eerste daad van dien aard zijn, welke vrijwillig in een Slavenstaat verricht zoude worden.
Van al de negers van de geheele plantage van Camdless-Bay, was er een, die wel het meest vergenoegd van allen zou wezen. Dat was een lummel van ongeveer twintig jaren, die Pygmalion—in het dagelijksch leven bij verkorting Pyg—geheeten werd. Pyg was bij den dienst van het woonhuis Castle-House zelve geplaatst en woonde dan ook in de bijgebouwen daarvan. Hij behoefde niet in het veld of in de werkplaatsen of keten of werven van Camdless-Bay te arbeiden. Het moet erkend worden, dat Pygmalion een bespottelijke kerel was, een snoever en een luiaard, van wien zijn meester uit goedhartigheid veel door de vingers zag.
Sedert de slaven-quaestie op het tapijt was gekomen, zette die lummel een hooge borst en men had hem eens moeten hooren hoogdravende volzinnen opdreunen over de vrijheid der menschen. Iedere gelegenheid greep hij aan, om pedante redevoeringen voor zijne rasgenooten te houden, die hem hartelijk in het gezicht uitlachten. Hij poogde eene belangrijke rol te vervullen, terwijl hij nauwelijks voor schoenpoetsen geschikt was. Maar daar hij, alles wel beschouwd, volstrekt niet kwaadaardig van inborst was, liet men hem praten. Maar de lezer zal wel reeds bevroeden welke twistredenen hij met den administrateur, master Perry, moest hebben, wanneer deze namelijk in eene gunstige stemming was, om naar hem te luisteren, alsook welke tevredenheid die lummel zal betuigen, wanneer hij in vrijheid zal gesteld zijn, en hij zich in zijne waardigheid van mensch hersteld zal gevoelen.
Zooals verhaald is, werd den negers bevolen zich tegen drie uren in het park van Castle-House te verzamelen. Dan zou hun eene belangrijke mededeeling gedaan worden door den eigenaar van Camdless-Bay.
Toen het vastgestelde uur naderde, begon het geheele personeel de barakken te verlaten en naar het park voor Castle-House toe te stroomen. Die brave lieden waren na hun middagmaal niet naar de werkplaatsen, naar de velden en ook niet naar de perceelen bosch gegaan, die geveld moesten worden. Zij hadden zich een weinig willen opschikken en hunne werkkleederen voor hun Zondagspak willen verwisselen, zooals trouwens gebruikelijk was, wanneer de poterne der palissadeering voor hen ontsloten werd. Er ontstond dus eene groote opgewektheid onder hen, een eindeloos heen en weer geloop van de eene hut naar de andere; terwijl de administrateur, master Perry, tusschen de barakken op en neer wandelde en tusschen de tanden mompelde:
»Als ik bedenk, dat in dit oogenblik nog handel te drijven is met die zwarten, dat zij nog steeds als koopwaar te beschouwen zijn! En over een uur, dan zal het niet meer geoorloofd zijn hen te koopen of te verkoopen! Ja, ja! ik herhaal het en ik zal het tot mijn laatsten ademsnik herhalen! Master Burbank heeft mooi praten en mooi handelen, en met hem de president der republiek Abraham Lincoln, en met den president Abraham Lincoln al de federalisten van het Noorden en met die al de vrijheidsgezinden van de beide halfronden, van de geheele wereld, ik blijf er bij: het is tegennatuurlijk!”

Trok hij hem duchtig aan zijne ooren, die toch al reeds eene vrij aanzienlijke lengte bezaten. (Bladz. 118).
In dit oogenblik van innerlijke opgewondenheid bevond de waardige administrateur zich eensklaps van aangezicht tot aangezicht met Pygmalion.
»Zoo ben jij daar?” vroeg hij den neger.
»Ja, master Perry!” antwoordde deze.
»Het is je geluk, dat je bijtijds bent.”
»Dat ben ik altijd, als ik geroepen word,” zei de vlegel vrij brutaal. »Maar waarom worden wij opgeroepen, master Perry? Wilt gij de goedheid hebben mij dat te zeggen?”
»Zeker, domoor! Het is om je...”
Maar plotseling zweeg de administrateur stil. Hij bedacht, dat het hem verboden was de reden der samenkomst te verraden. Toen viel hem eene gedachte in.
»Kom hier, Pyg!” zeide hij.
Pygmalion naderde.
»Luister. Ik trek je wel eens aan je ooren, niet waar, lummel?”
»Ja, master Perry, dat doet gij, omdat gij daartoe het recht hebt, al strijdt dit ook met alle rechtvaardigheid, hetzij van goddelijken of menschelijken oorsprong!”
»Dus, je erkent, dat ik dat recht heb, niet waar?”
Pygmalion knikte ja.
En zonder zich toen om de kreten van den kerel te bekommeren, of zich daardoor te laten weerhouden, trok hij hem, hoewel hij zorgde hem daarbij niet te veel pijn te doen, duchtig aan zijne ooren, die toch al reeds eene vrij aanzienlijke lengte bezaten. Waarlijk, het schonk den administrateur eene soort van verlichting, nu hij nog eens, misschien wel voor den laatsten keer, zijn recht op een der slaven van de plantage kon doen gelden.
Toen het drie uren sloeg, verschenen James Burbank en zijne huisgenooten op het perron van Castle-House. Voor hen stonden op het groote grasveld voor het heerenhuis zevenhonderd slaven, mannen, vrouwen en kinderen gegroepeerd. Onder hen bevonden zich zelfs een twintigtal oude negers, grijsaards in den volsten zin des woords, die, toen erkend werd dat zij voor iederen arbeid ongeschikt waren, eene veilige toevlucht voor hun ouden dag in de barakken van Camdless-Bay gevonden hadden.
Zoodra de familie Burbank op het perron verscheen, trad eene diepe stilte in.
Master Perry en zijne onderopzieners deden op een gebaar van James Burbank, het personeel tot bij de trappen van Castle-House naderen, opdat allen de mededeeling, welke gedaan zoude worden, duidelijk zouden hooren.
Toen allen aandachtig en met open mond luisterden, nam de eigenaar van Camdless-Bay het woord.
»Vrienden,” sprak hij, »gij weet dat een burgeroorlog, die reeds al te lang duurt en helaas! maar al te veel bloed gekost heeft, de bevolking van onze Vereenigde Staten van Noord-Amerika verdeelt. De ware oorzaak van dien oorlog is de slavenquaestie. Het Zuiden, dat zich slechts door een gevoel van eigenbelang heeft laten leiden, heeft het behoud der slavernij geëischt. Het Noorden, hetwelk in het belang der menschheid handelde, wilde die menschonteerende instelling uitroeien. God heeft de verdedigers van die rechtvaardige zaak gezegend en de overwinning heeft zich reeds meermalen ten voordeele van hen verklaard, die voor de bevrijding van een geheel menschenras strijden.
»Niemand is er onbekend mede, dat ik, getrouw aan mijne afstamming, steeds de meening der Noordelijken gedeeld heb, zonder evenwel in de gelegenheid gekomen te zijn, haar in de praktijk te kunnen toepassen. Nu hebben zich sedert gisteren zoodanige omstandigheden voorgedaan, dat ik in staat ben het oogenblik te verhaasten, om mijne daden en handelingen in overeenstemming met mijne meeningen te brengen.
»Luistert nu goed naar hetgeen ik u ook namens mijne geheele familie mede te deelen heb.”
Een dof gemompel van aandoening liep door de verzamelde menigte. Dat duurde evenwel slechts zeer kort; want bij het herhaald shut! shut! van master Perry en van zijne opzieners verstomde het dadelijk.
James Burbank uitte toen met eene heldere stem, die door iedereen duidelijk vernomen werd, de navolgende verklaring:
»Van heden af, den 28sten Februari 1862, zijn al de slaven van mijne plantage in vrijheid gesteld en bijgevolg van alle verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zij kunnen onbeperkt over hunne eigene persoon beschikken. Er bevinden zich thans slechts vrije menschen op Camdless-Bay!”
De eerste uiting, dat zich van die nieuw bevrijden vernemen liet, was een doordringend hoerageschreeuw, hetwelk van alle kanten losbarstte. De armen strekten zich uit en bewogen, de handen wuifden ten teeken van dank. De naam van Burbank werd luide verheerlijkt. Allen drongen naar het perron. Mannen, vrouwen en kinderen wilden de handen kussen van hunne bevrijders. Het was eene onbeschrijfelijke geestdrift, welke zich daar ontwikkelde en die te meer aangrijpend was, daar zij niet voorbereid was, dus geheel onverwacht kwam. De lezer zal kunnen oordeelen, hoe Pygmalion zich als een bezetene aanstelde, hoe hij gesticuleerde en een voorname houding trachtte aan te nemen.
Toen trad een oude neger, de deken als het ware van het personeel, vooruit, steeg de trappen van het perron op en daar aangekomen, verhief hij het grijze hoofd en sprak met eene diep bewogen stem:
»In naam van de slaven van Camdless-Bay, die thans vrij zijn, dank ik u, master Burbank, dat gij ons de eerste woorden van bevrijding hebt doen hooren, die in den Staat Florida uitgesproken zijn!”
Terwijl hij zoo sprak, was de oude neger langzaam nader getreden. Hij had de handen van James Burbank gegrepen en overdekte die met kussen; en toen de kleine Dy hem de mollige armpjes toestak, greep hij het kind, keerde zich om en vertoonde het zoo op zijn arm gezeten, aan zijne overgelukkige lotgenooten.
»Hoera!... Hoera, voor master Burbank!”
Die kreet weerklonk machtig en geweldig door de lucht en moest te Jacksonville aan de overzijde der Sint John gehoord worden, alwaar hij de tijding overbracht van de grootsche daad van menschenmin, die verricht was.
De familie Burbank stond daar diep bewogen. Tevergeefs poogde ieder harer leden die teekenen van geestdrift te doen bedaren. Eindelijk gelukte het aan Zermah, om eenigermate stilte te verkrijgen toen zij naar het perron toetrad, om op hare beurt het woord te voeren.
»Vrienden,” zei zij, »wij zijn thans vrij, dank zij der edelmoedigheid en der menschlievendheid van hem, die onze meester en de beste van alle meesters was!”
»Ja, ja!...” riepen honderden stemmen uit in eene edelaardige opwelling van dankbaarheid.
»Ieder onzer kan dus voortaan over zijn eigen persoon beschikken,” ging Zermah voort.
»Ja!... Ja!...” joelde de menigte.
»Ieder onzer kan dus de plantage verlaten, als hij dat wil. Hij is vrij en mag dus vrij handelen, zooals hem dat door zijn belang ingegeven wordt,” vervolgde de mestiesche.
»Ja!... Ja!...” jubelden de negers en negerinnen.
»Wat mij betreft,” ging Zermah steeds voort, zonder zich van haar stuk te laten afbrengen, »ik zal slechts den aandrang van mijn hart volgen en ik houd mij overtuigd, dat het meerendeel uwer niet anders zal handelen dan ik zal doen....”
»Laat hooren!... Laat hooren!...” riepen vele stemmen.
»Het is ruim zes jaren geleden, toen ik op Camdless-Bay aangebracht werd. Ik heb er met mijn echtgenoot tevreden geleefd en wij wenschen er ons leven te eindigen!”

Zoodra de familie Burbank op het perron verscheen, trad eene diepe stilte in. (Bladz. 118.)
»Wij ook!... Wij ook!...” riep de overgroote meerderheid.
»Ik verzoek master Burbank dus,” vervolgde de kleurlinge, »om ons bij zich te houden nu wij vrij zijn, zooals hij ons bij zich hield, toen wij zijne slaven waren.... Dat zij dus, wiens wensch dat ook is....”
»Allen!... Allen!... Wij allen wenschen dat!”
En die woorden, duizendvoudig herhaald, verkondigden genoegzaam, welke edele waardeering de eigenaar van Camdless-Bay genoot, welke vriendschapsband en welke gevoelens van dankbaarheid hem met al die vrijgestelden van zijn landgoed verbonden.
James Burbank nam toen het woord. Hij verklaarde, dat allen, die zulks zouden verlangen, op de plantage konden blijven, zelfs nu hun toestand, hunne omstandigheden gewijzigd waren. Men behoefde nu slechts de belooning van den vrijwilligen arbeid en de rechten van de nieuw vrijgestelden te regelen.
De eigenaar van Camdless-Bay voegde er bij, dat eerst en vooraf de nieuwe toestand wettig bevestigd moest worden. Daarom zou iedere neger, zoowel voor zich zelven als voor zijn gezin, eene akte van invrijheidstelling ontvangen, die hem veroorloven zoude den rang en de plaats in de maatschappij in te nemen, die hem rechtens toekwamen.
Dat werd dadelijk door de goede zorgen van den administrateur Perry, geholpen door de onderopzieners, ten uitvoer gebracht.
Daar James Burbank reeds sedert lang voornemens geweest was zijne slaven in vrijheid te stellen, zoo had hij die documenten bijtijds doen in gereedheid brengen, en iedere neger ontving het zijne met alle teekenen der innigst gevoelde dankbaarheid.
Het einde van dien heugelijken dag werd aan vreugdebedrijven gewijd. Zou ook al het geheele personeel den volgenden dag den arbeid met ijver en vlijt hervatten, deze dag moest in eene feestelijke stemming doorgebracht worden.
De familie Burbank, welke tusschen de gelukkigen, die zij gemaakt had, bleef verwijlen, ontving de meest hartelijke en oprechte betuigingen van vriendschap, zoowel als de verzekering eener onbegrensde toewijding.
Middelerwijl dat alles plaats vond, stapte de administrateur Perry, na de bezorging der akten van invrijheidstelling geregeld te hebben, te midden zijner oude kudde van menschelijke wezens, als eene ziel in het vagevuur op en neer, en antwoordde op de vraag van James Burbank:
»Wel, Perry, wat zegt gij er van!”
»Wat ik zeg, master James? Ik zeg alleen en blijf er bij, dat al zijn die Afrikanen ook al vrij verklaard, zij daarom niet minder in Afrika geboren en dat zij ook niet van kleur veranderd zijn! Dus daar zij dientengevolge zwart ter wereld gekomen zijn, zullen zij wel zwart blijven, en zwart sterven....”
»Maar zij zullen als blanken leven,” hernam James Burbank glimlachend, »en dat is, dunkt mij, het voornaamste!”
Dien avond vereenigde het diner de geheele familie Burbank en hare gasten, die allen de toekomst vol vertrouwen te gemoet zagen, rondom de tafel van Castle-House. Vooral de eigenaar van Camdless-Bay gevoelde zich gelukkig en genoot het bewustzijn zijner daad ten volle. Nog weinige dagen, dan zou de veiligheid in Florida ten volle verzekerd zijn. Daarenboven, geen enkele Jobs-tijding was van Jacksonville ontvangen. Het was toch niet onmogelijk, dat de houding van James Burbank voor de magistraten van Court-Justice op het meerendeel der bewoners een voldoenden gunstigen invloed had gehad.
Ook master Perry, de administrateur van Camdless-Bay, die wel genoodzaakt was, zich bij de genomen maatregelen, die hij niet had kunnen verhinderen, neer te leggen, woonde dat diner bij. Hij was zelfs geplaatst tegenover den deken der negers, die door James Burbank opzettelijk uitgenoodigd was, om in diens persoon goed te doen uitkomen, dat de invrijheidstelling, aan hem en zijne lotgenooten verleend, geen ijdele verklaring in mond of gedachte van den eigenaar van Camdless-Bay was.
Buiten barstten allerwege vreugdekreten los, en het park van Castle-House werd prachtig verlicht met illumineerglazen en feesttoortsen, die allerwege ontstoken waren en zelfs op de verst verwijderde punten van de plantage schitterden. Bij het eindigen van het feestmaal vertoonde zich eene deputatie der negers, die aan de kleine dochter van den eigenaar een prachtigen bouquet aanboden, voorzeker de mooiste, dien »mejuffrouw Dy Burbank van Castle-House” ooit ontvangen had.
Natuurlijk werden plichtplegingen en dankzeggingen, waarbij de gemoederen zeer aangedaan waren, over en weer gewisseld.
Daarna ging ieder naar huis en begaf de familie Burbank zich naar de hal van het woonhuis, in afwachting dat het uur gekomen zoude zijn, om zich naar de slaapvertrekken te begeven.
Het scheen een ieder toe, dat een dag, die zoo goed begonnen en zoo goed besteed was, niet dan prettig zou kunnen eindigen.
Het was ongeveer acht uren in den avond. Alles was rustig op de geheele plantage en de meening mocht gegrond heeten, dat niets die rust zoude komen storen, toen eensklaps buiten af een gerucht van verscheidene stemmen vernomen werd.
James Burbank stond dadelijk op en ging de groote deur der hal openen.
Buiten stonden ettelijke personen, die met luide stem met elkander praatten, onder aan de trap van het perron te wachten.
»Wie is daar?” vroeg James Burbank.
»Ik ben het, master Burbank,” antwoordde een der opzieners van de plantage, die daarbij zijn naam noemde.
»En wat is er?”
»Er is bij de aanlegplaats van de havenkom een vaartuig aangekomen, mijnheer Burbank,” antwoordde de opziener.
»En vanwaar komt dat vaartuig?”
»Van de overzijde der rivier.”
»Wie bevindt zich aan boord?”
»Een bode, die vanwege de magistraten van Jacksonville naar u toegezonden is.”
»Een officieele bode?”
»Ja, master Burbank.”
»En, wat verlangt hij?”
»Hij verzoekt u een mededeeling te mogen doen.”
»Zoo!”
»Mag hij aan wal stappen?”
»Wel zeker, verzoek hem om hier te komen.”
Mevrouw Burbank was haren echtgenoot genaderd. Ook miss Alice was vlug op een der vensters van de hal toegetreden, terwijl master Walter Stannard en master Edward Carrol naar de deur gingen. Zermah, die het handje van de kleine Dy gegrepen had, was opgestaan.
Allen hadden er al een voorgevoel van, dat eene ernstige verwikkeling op til was.
De opziener was naar de aanlegplaats teruggekeerd en tien minuten later bracht hij den bode op Castle-House, die door het vaartuig van Jacksonville naar Camdless-Bay was overgebracht.
Dat was een man, die in de uniform der militie van het graafschap gekleed was. Hij werd de hal binnengeleid en vroeg den heer Burbank te spreken.
»Dat ben ik,” antwoordde de eigenaar van Camdless-Bay. »Wat verlangt gij van mij?”
»Mij is opgedragen u dezen brief te overhandigen,” antwoordde de bode.
Hij reikte hem een grooten omslag van officiëelen vorm over, die in een der hoeken het zegelstempel van Court-Justice voerde.
James Burbank brak den briefomslag open en las het volgende:
»Bevel van de nieuw opgetreden autoriteiten te Jacksonville, dat iedere slaaf, die, in weerwil der besluiten van de Zuidelijken, in vrijheid zal gesteld zijn, onmiddellijk van het grondgebied van den Staat zal verwijderd worden.
»Aan dezen maatregel zal binnen de tweemaal vierentwintig uren uitvoering gegeven moeten zijn. In geval van weigering zal die verwijdering door den sterken arm geschieden.
»Uitgevaardigd te Jacksonville, den 28sten Februari 1862.
»Texar.”
De regeering, waarin de eerlijke lieden vertrouwen konden stellen, was omvergeworpen en de Spanjaard Texar, gesteund door zijne aanhangers, was thans aan het hoofd van het stedelijke bestuur van Jacksonville gekomen.
James Burbank dacht een oogenblik na.
»Wat moet ik antwoorden?” vroeg de bode.
»Niets!” hernam James Burbank.
De bode vertrok en werd naar zijn vaartuig teruggeleid, dat dadelijk van de aanlegplaats afstak en naar de overzijde van de rivier geroeid werd.
Dus op bevel van dien ellendigen Spanjaard zouden de gewezen slaven van de plantage Camdless-Bay verwijderd en heinde en verre verspreid worden! Dus door het feit, dat zij in vrijheid gesteld waren, zouden zij het recht missen om in vrijheid op het grondgebied van Florida te mogen leven! Camdless-Bay zou van zijn geheel personeel verstoken zijn, waarop James Burbank ten volle had kunnen rekenen om de plantage te verdedigen!
»Op die voorwaarden bevrijd?” vroeg Zermah.
»Gij ziet het, Zermah,” antwoordde James Burbank, terwijl hij op het noodlottige papier wees. »Kom hier en lees!”
»De vrijheid voor dien prijs!” vervolgde de mestiesche vrouw vertoornd en opgewonden. »Neen, dat nooit! Ik weiger de vrijheid. En daar het gemis mijner vrijheid noodig is, om bij u, waarde meester, te mogen blijven, wil ik liever weer slavin worden!”
En hare bevrijdings-akte grijpende, verscheurde Zermah dat document en viel toen voor de voeten van James Burbank op den grond neder.