II. Camdless-Bay.
Reading edition
Camdless Bay, zoo heette de plantage, welke aan master James Burbank toebehoorde.
Daar woonde die rijke planter met zijne geheele familie. De naam Camdless was ontleend aan den naam eener kreek of inham van de Sint John, welker monding iets boven Jacksonville, maar op den tegenovergestelden oever der rivier gelegen was. Ten gevolge van die nabijheid kon men zeer gemakkelijk met de Floridasche hoofdplaats gemeenschap onderhouden.
Een goede zeilsloep, eene flinke noorder- of zuiderbries, het voordeel van de eb bij het heenvaren of van den vloed bij het terugkomen, ziet, met al die gegevens was er niet meer dan één uur noodig om de drie mijlen af te leggen, die Camdless-Bay van genoemde hoofdplaats scheiden.
James Burbank bezat daar een der fraaiste eigendommen van den geheelen Staat. Hij was rijk, zoowel uit zich zelven als vanwege zijne verwantschap. Zijn vermogen bestond daarenboven ook nog in uitgestrekte bezittingen en landerijen, gelegen in den Staat New-Jersey, welke aan den Staat New-York grenst.
De plaats, op den rechteroever van de Sint John, was zeer gelukkig gekozen, om er eene onderneming van zeer groote waarde te stichten. Aan de uiterst voordeelige gesteldheid van den bodem, door de natuur in het leven geroepen, had de hand des menschen niets te veranderen of te verbeteren gehad. Dat terrein was uit zich zelf geschikt voor de meest uiteenloopende behoeften eener uitgestrekte onderneming.
De plantage van Camdless-Bay werd door een ijverig en kundig man, in de volle kracht des levens, bestuurd. Hij werd in zijne taak ter zijde gestaan door een talrijk en ontwikkeld personeel. Het geld, om de onderneming te drijven en in de behoeften van werkkapitaal te voorzien, ontbrak niet. Geen wonder dus bij al die elementen van slagen, dat de onderneming in bloeienden staat verkeerde.
Zij had een omvang van twaalf mijlen en besloeg eene oppervlakte van vierduizend Amerikaansche bunders, gelijkstaande met drieduizend hectaren. Ja, er bestonden grootere ondernemingen in de Zuidelijke Staten der Unie, maar eene beter bestuurde voorzeker niet. Het woonhuis, de verblijven voor de bedienden, de stallen, zoowel voor de paarden als voor het overige vee, de woningen voor de slaven, de pakhuizen, bestemd tot opberging der producten, de magazijnen, de gebouwen benoodigd voor de exploitatie, de keeten voor de manipulatie, de werkplaatsen, de machinekamer, de railways, die van den omtrek van het landgoed naar de kleine havenplaats uitstraalden, de karrenwegen,—dat alles was uit een practisch oogpunt bewonderenswaardig gebouwd en aangelegd.
Met een enkelen oogopslag zag men, dat een Amerikaan van het Noorden die werken uitgedacht, overwogen en uitgevoerd had. Slechts de voornaamste etablissementen van Virginia of van Noord- of Zuid-Carolina hadden met de onderneming te Camdless-Bay kunnen wedijveren.
Zooals men weet, zijn de katoensoorten van Georgië en Florida de meest gewilde op de stapelmarkten van dat product in Europa en in Amerika. Dat hebben zij te danken aan de lengte en het zijdeachtige van hunnen vezel. De katoenvelden, met hunne regelmatig in rijen en op bepaalde afstanden geplante struiken, welker loof van eene zachtgroene kleur is en welker gele bloemen eene maluwachtige tint verraden, stelden dan ook een der voornaamste inkomsten van de onderneming daar.
Tegen het tijdstip van den oogst, overdekten die velden, welke ieder eene oppervlakte van een paar bunders hadden, zich met hutten, waarin dan de slaven met vrouwen en kinderen woonden, wien het binnenbrengen van het product opgedragen was.
Die arbeid bestond vooreerst in het plukken der zaaddoozen, om dezen daarna te ontdoen van haren wolligen inhoud. Dit laatste was een zeer teedere arbeid, daar vooral de vezel niet mag verbroken worden.
De verkregen katoen werd dan eerst in de zon gedroogd, daarna door middel van getande raderen en rollen in molens gezuiverd en eindelijk onder hydraulische persen te zamen geperst, om in balen met ijzeren banden omgeven, verpakt en zoo in de magazijnen opgeschuurd te worden. Het product was dan geheel tot verzending gereed. De zeilschepen of stoomvaartuigen konden dan die katoenbalen bij de kaden van de haven van Camdless-Bay komen inladen.
Met de katoen, teelde James Burbank ook koffie en suikerriet. Hier ontwaarde men tuinen, die duizend tot twaalfhonderd koffiestruiken bevatten, die vijftien tot twintig voet hoogte bereikten. Hun bloesem heeft wel iets van de Spaansche jasmijn, maar hun geur is zachter en oneindig fijner. Hunne vruchten of beter bessen, die wel ietwat op kleine kersen gelijken, zijn in rijpen toestand donkerrood van kleur en bevatten de beide zaden of welbekende boonen, met de platte zijden tegen elkander gedrukt. Die bessen behoeven slechts gedroogd, daarna van de roode en vervolgens van de hoornschil ontdaan te worden, waarna de boonen in zakken verpakt worden en zoo ter verzending gereed zijn. Elders zag men uitgestrekte velden, die met moerassen konden vergeleken worden, welke met duizenden en duizenden van die rietstengels overdekt waren, welke van negen tot achttien voeten hoog worden en welker bloempluimen zich onder den invloed van den wind als de vederbossen van een op marsch zijnd cavalerie-korps bewegen. Dat suikerriet was het voorwerp van bijzondere zorg te Camdless-Bay; want de geoogste stengels leverden de suiker onder den vorm van eene vloeistof, welke in de raffinaderijen, die in de Zuidelijke Staten groote vorderingen gemaakt hebben, tot de meest volmaakte geraffineerde suiker herschapen werd. Als bijproducten werden stroopsoorten gewonnen, die tot het vervaardigen van tafia, of van rum, of van rietwijn gebezigd werden. Eene andere likeur werd verkregen door het suikervocht te vermengen met het sap van ananassen of oranjeappels.
Hoewel die koffie-teelt en die suikerfabricatie, bij den katoen-aanplant vergeleken, slechts eene tweede plaats innamen, zoo leverden zij toch belangrijke inkomsten op.
Verder bestonden nog op de onderneming te Camdless-Bay eenige bunders, beplant met cacaoboomen, anderen beplant met Turksche tarwe, met jamswortelen, met pataten, met indisch koren, met tabak; terwijl eene vrij aanzienlijke uitgestrektheid aan de rijstteelt afgestaan was. Dit alles bij elkander leverde ook nog een belangrijk contingent aan de inkomsten van James Burbank.
Maar eene andere exploitatie geschiedde naast de opgenoemde die niet minder winsten afwierp dan de katoen-teelt. Dat was de ontginning van de onuitputtelijke wouden, waarmede het grootste gedeelte van de oppervlakte der plantage overdekt was. Zonder te gewagen van de opbrengst der kaneelboomen, peperstruiken, oranjeboomen, citroenboomen, olijfboomen, vijgeboomen, mangaboomen, broodboomen, zonder ook te spreken van de opbrengst van de Europeesche vruchtboomen, die in Florida uitstekend gedijen, wenschen wij hier meer de aandacht te vestigen op de houtsoorten, die in de wouden voortkwamen en geregeld uitgekapt werden. Welk een rijkdom aan campèchehout, aan gazuma’s, aan Mexicaansche olmen, welke thans voor zoo verschillende zaken gebezigd worden, aan baobab’s, aan koraalhout met zijn bloedroode takken en bloemen, aan altijd groenende eiken, aan pijnboomen der zuidelijke streken, die zoo geschikt zijn zoowel voor timmerwerk als voor scheepsmasten en ra’s, aan pavieren, eene soort van geelbloeiende kastanjeboom, aan zwarte notenboomen, aan pachirieren, welker zaaddoozen de zonnewarmte doet openbarsten met een ratelend geluid, alsof vuurpijlen uit elkander springen, aan zonneschermvormige pijnboomen, aan tulpboomen, aan dennensoorten, aan ceders, maar vooral aan cypressen, eene boomsoort, die zoo talrijk op het Floridasche schiereiland voorkomt, dat zij er bosschen vormt, die eene lengte van zestig tot honderd mijlen bereiken.
James Burbank had verscheidene belangrijke houtzagerijen op verschillende punten van zijne onderneming moeten oprichten. Afdammingen, opgeworpen in verscheidene beken, welke schatplichtig aan de Sint John zijn, hadden haren kalmen loop in watervallen veranderd, en die watervallen verleenden op breede schaal de noodige werkkracht om die zaagmolens in beweging te stellen, welke die boomstammen in balken, delen en planken moesten veranderen, en die jaarlijks aan honderden schepen bevrachting verschaften.
Bovendien moeten nog uitgestrekte vette weilanden vermeld worden, waarin paarden, muildieren en groote kudden runderen graasden, welker opbrengst in alle landbouwkundige benoodigdheden voorzag.
Wat het pluimgedierte betreft, hetwelk de bosschen bewoonde of in de velden en de vlakten rondhuppelde, dat behoorde tot de meest uiteenloopende soorten, en men zou zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van hunne voorttelingskracht daar op dat landgoed te Camdless-Bay, die evenwel in niets verschilde van die, welke door geheel Florida waargenomen werd.
Boven de bosschen zweefden arenden met witte koppen, die eene breede vlucht hadden, en wier scherpe kreet op het fanfaar-geschetter eener gebarsten trompet geleek; valken van eene buitengewone wreedaardige woestheid; reusachtige roerdompen met lange bekken, scherp als bajonetten.
Tusschen de hooge biezen van den rivieroever en onder het ineengestrengeld loof der reusachtige bamboestruiken leefden rose-roode of scharlakenroode flamingo’s; geheel witte ibissen, die men zou meenen, dat van het een of ander Egyptisch monument weggevlogen waren; pelikanen van buitengewone grootte, duizenden en nog eens duizenden zeezwaluwen van allerhande soort; krabbenvangers, versierd met groene kuif en kleed; vuurroode pluvieren met bruin donzigen hals en met witte stippen gevlekt; Amerikaansche goudvogels; gevlekte ijsvogels met vergulden weerschijn; eene geheele wereld van duikereendjes, waterhoenders, »widgeons,” eene soort van fluiteenden, van talinkjes, grauwe pluvieren, zonder nog te rekenen de ontelbare stormvogels, stormduikers, schaarbekken, marlpriemen, zeeraven, meeuwen en stroostaarten, die gewoonlijk door een windvlaag tot binnen de monding der Sint John gejaagd werden, waarbij dan zelfs vliegende visschen waargenomen werden, die door de lekkerbekken op hoogen prijs gesteld worden.
In de lage weilanden werden ontelbare troepjes van gewone snippen, watersnippen en rietsnippen aangetroffen, zoo ook wulpen, gemarmerde poelsnippen, sultane-kippen, met gevederte dat tegelijkertijd rood, blauw, groen, geel en wit is, »colins-ouis”, eene patrijssoort, duiven met sneeuwwitte kopjes en vuurroode pootjes.
Eindelijk had men er natuurlijk ook viervoetige dieren, waarvan wij slechts eenige eetbare soorten zullen opsommen, zooals: vliegende eekhorentjes, langgestaarte tapijnen, eene diersoort, welke het midden houdt tusschen het konijn en den haas in Europa, geheele troepen damherten; eindelijk nog raccoons of Amerikaansche waschbeeren, schildpadden, en ichneumons of spoorwezels.
Dat waren de vertegenwoordigers van het dierenrijk op dat fraaie landgoed van Camdless-Bay.
Dat daar in die weelderige natuur de vergiftige slangen niet ontbraken, zal wel niet behoeven verzekerd te worden.
Wanneer wij van de vertegenwoordigers van het dierenrijk spraken, dan was dat natuurlijk ongerekend de negers, zoowel mannelijke als vrouwelijke, die op de plantage hunne diensten te verrichten hadden. En daarin hadden wij ongelijk; wij hadden hen onder de diersoorten moeten brengen; want wat maakte die monsterachtige instelling der slavernij toch van al die menschelijke wezens anders dan dieren, die als slachtvee of als trekossen gekocht of verkocht werden?
Hoe kwam het toch dat master James Burbank, die een aanhanger was der anti-slavenleerstellingen, die een Noordelijke was, die alles van de overwinning der Noordelijken verwachtte, aan de slaven zijner plantage de vrijheid nog niet gegeven had?
Zou hij aarzelen dit te doen, wanneer de omstandigheden zich daartoe gunstig voordeden? Neen voorzeker; dat niet!
En dat was nog slechts eene quaestie van weken, van dagen misschien, daar het federalistisch leger reeds eenige punten van een der aangrenzende Staten bezet had en eene expeditie naar Florida voorbereidde.
Intusschen had James Burbank toch reeds alle maatregelen te Camdless-Bay getroffen, die het lot zijner slaven konden verbeteren. Op het landgoed waren ongeveer zevenhonderd zwarten van beider geslacht aanwezig. Die lieden waren zindelijk in barakken gehuisvest, die zorgvuldig onderhouden werden. Zij waren goed en doelmatig gevoed, en het werk, dat zij te verrichten hadden, was naar den aard hunner krachten geregeld.
De hoofdbestuurder en de onderbestuurders der plantage hadden stipt bevel, om hen met rechtvaardigheid en zachtheid te behandelen. Het natuurlijk gevolg daarvan was, dat de verschillende diensten veel beter uitgevoerd werden dan elders het geval was, hoewel de lijfstraffen sedert lang te Camdless-Bay buiten werking gesteld waren.
Deze opvatting van toestanden stelde eene scherpe tegenstelling daar met hetgeen op de andere Floridasche plantages geschiedde, en, zooals wel te begrijpen is, werd die opvatting niet dan met leede oogen door de buren van James Burbank aangezien. Daaruit ontstond—zooals men wel uit het vervolg van dit verhaal zien zal—een zeer gespannen toestand, vooral in het tegenwoordige tijdperk, waarin de slavenquaestie door de wapens zoude worden beslecht.
Het talrijke personeel van de plantage was in gezonde en goed ingerichte hutten gehuisvest.
Bij vijftigtallen gegroepeerd, vormden die hutten een tiental gehuchten, die ook wel barakken genoemd werden en langs de oevers van stroomend water opgericht waren.
Daar leefden die zwarten met hunne vrouwen en kinderen. Ieder gezin werd zooveel mogelijk bij dezelfde velden, bij dezelfde boschperceelen of bij dezelfde werkinrichting ten arbeid gesteld, zoodanig dat de leden van dat gezin niet gedurende de werkuren van elkander verspreid waren.

De squif schoot langs zijde. (Bladz. 15).

Aan het uiteinde van de pier stonden twee zwarten te wachten. (Bladz. 16.)
Een onderbestuurder stond aan het hoofd van elk dier gehuchten en was er in waarheid de hoofdman van, eigenlijk de burgemeester van die kleine gemeente, welke aan de hoofdplaats van het kanton onderhoorig was. Die hoofdplaats was het privaat-domein van Camdless-Bay, hetwelk door eene omheining van hooge palissaden omgeven was. Die palissaden, welke van zware boomstammen vervaardigd waren, die zorgvuldig tegen elkander gevoegd en rechtstandig geplant waren, stonden halfverscholen onder het loof van den weelderigen Floridaschen plantengroei.
Te midden van dat afgesloten terrein verhief zich de woning van de familie Burbank.
Die woning, die het midden hield tusschen een heerenhuis en een kasteel, had den naam van Castle-House ontvangen en verdiende dien ten volle.
Camdless-Bay behoorde sedert vele jaren aan de voorouders van James Burbank.
In een vroeger tijdvak, toen de verwoestende invallen der Indianen te duchten waren, hadden de grondbezitters hun woonhuis moeten versterken. Het was nog zoo heel lang niet geleden, dat generaal Jessup Florida tegen de Seminolen te verdedigen had. Gedurende een lang tijdperk hadden de kolonisten vreeselijk vanwege die stroopers te lijden gehad. Niet alleen stonden zij aan ontvreemding en aan diefstallen bloot, maar veelvuldige moorden werden toen in hunne woningen gepleegd, die daarna in brand gestoken werden.
Zelfs de steden werden meermalen overvallen en met plundering bedreigd.
Op vele plaatsen worden nog bouwvallen aangetroffen als onwraakbare bewijzen van de wreedaardige en bandelooze handelwijze van die bloeddorstige Indianen. Op een kleinen afstand van Camdless-Bay, op nog geen vijftig mijlen, in de nabijheid van het gehucht Manderijn, wijst men den reiziger nog het »bloedige huis” aan, waarin een kolonist, master Motle genaamd, met zijne vrouw en zijne drie nog jeugdige dochters door die bandieten gescalpeerd en daarna op de meest wreedaardige wijze vermoord waren.
Maar thans was de uitroeiingsoorlog tusschen de blanke en de roode menschen geëindigd. De Seminolen waren ten lange laatste afdoende overwonnen geworden en hadden eene toevlucht moeten zoeken in de dichte bosschen aan gene zijde van de Mississippi. Men verneemt tegenwoordig niets meer van hen. Slechts eenige hunner benden, die aan de algemeene slachting zijn ontkomen, zwerven nog in de moerasachtige streken van Zuid-Florida rond. Het land heeft dus niets meer van die woeste, wreede inboorlingen te duchten.
Maar men begrijpt, dat de woningen der kolonisten in dat tijdperk zoodanige ingericht werden, dat zij tegen een plotselingen aanval der Indianen genoegzame veiligheid aanboden, ja zelfs in staat waren een beleg te doorstaan, in afwachting van de vrijwilligersbataljons, die in de naburige steden en dorpen bij zulke gelegenheden werden opgeroepen.
En zoo was het ook met het kasteel van Castle-House geschied.
Castle-House was op eene geringe terreinverheffing, te midden van een afgezonderd park, hetwelk eene oppervlakte van ruim drie bunders besloeg, gebouwd. Dat park rondde zich op een afstand van een paar honderd yards van den oever der Sint John-rivier af. Een vrij diepe gracht omgaf dat park, terwijl eene hooge omheining van stevige palissaden dat verdedigingsstelsel vervolledigde. Een bruggetje over de singelgracht was de eenige toegang tot die stelling. Achter het kasteel overdekten verscheidene fraaie boomgroepen de hellingen van den heuvel, waarop het verrees, en vormden een prachtigen steeds groenen gezichteinder. Een frissche laan van bamboestruiken, die hunne fijne topeinden hoog in de lucht in ogiefvormige figuren kruisten, vormde een lang gewelf, dat zich van de ontschepingsplek bij de kleine havenkom van Camdless-Bay tot bij de eerste grasperken uitstrekte.
Binnen de omheining was de geheele ruimte tusschen de boomen door steeds groene graszoden ingenomen, waarin breede wandellanen en paden gesneden waren, die door witgeverfde staketsels omzoomd waren en op een met wit zand bedekt plein voor het voorfront van Castle-House te zamen liepen.
Dat kasteel, hetwelk vrij onregelmatig van constructie was, bood in het geheel van zijne bouworde zeer veel onverwachts en in zijne bijzonderheden niet minder grilligheden aan. Maar voor het geval dat de aanvallers de palissadeering van het park bemachtigd hadden, zou het in zich zelve eenig verdedigingsvermogen bezeten hebben en—wat vooral belangrijk was—een beleg van eenige uren hebben kunnen uithouden.
De vensters der benedenverdieping waren door middel van ijzeren stangen getralied. De hoofddeur, namelijk die in het voorfront, kon in waarheid eene valpoort van een vestingfront genoemd worden. Op sommige punten was op den bovenkant der gevelmuren eene soort van bastionvormige peperbussen in marmersteen naar buiten gebouwd, die de verdediging zeer vergemakkelijkten, daar zij gedoogden de aanvallers in de flank te kunnen beschieten.
Om kort te gaan, nam men alles te zaam, zijne toegangen die tot het strikt noodzakelijke beperkt waren, zijn centralen toren, die het geheel beheerschte en waarboven de sterrenvlag der Vereenigde Staten van Noord-Amerika in den wind golfde, de rijen van schietgaten, die in sommige muren gebroken waren, de schuine helling zijner muren bij hun grondvlak, zijne hoogverheven daken, zijne veelvuldige uitsteeksels, de dikte zijner muren, waarin hier en daar embrasuren aangelegd waren, dan geleek dit woonhuis meer op een versterkt kasteel, dan op een buitengoed of op eene tot weelde ingerichte woning.
Zooals reeds gezegd is, was men genoodzaakt geweest die bouworde aan te nemen ter wille van de veiligheid van hen, die Castle-House ten tijde der woeste invallen van de Indianen op het grondgebied van Florida bewoonden. Er bestond zelfs een tunnel, een soort van onderaardsche gang, die onder de palissadeering en de ringgracht doorvoerde en zoo het hoofdgebouw in gemeenschap stelde met een klein haft van de Sint John-rivier, de Marinokreek genaamd. Die tunnel was bestemd om in den uitersten nood de vlucht te kunnen nemen.
Voorzeker, in den tegenwoordigen tijd waren de Seminool Indianen, die van het Floridasche schiereiland bijna geheel verjaagd waren, sedert een twintigtal jaren niet meer te duchten. Maar wist men wat de toekomst verborgen hield?
Het is waar, van den kant der Indianen dreigde geen gevaar meer; maar wie weet of het niet van den kant van landgenooten zou kunnen komen?
Stond James Burbank niet als Noordelijke geheel geïsoleerd te midden van die Zuidelijke Staten, en was hij daardoor niet blootgesteld aan alle kansen van den burgeroorlog, die tot heden zoo hardnekkig bloederig gevoerd was geworden en tot zoovele gevallen van weerwraak aan weerskanten aanleiding gegeven had?
Maar die noodzakelijkheid om op de veiligheid van Castle-House bedacht te zijn, had aan de gezellige en doelmatige inrichting van het innerlijke van het woonhuis niet geschaad. De zalen waren ruim, de vertrekken weelderig en keurig verdeeld. De familie Burbank genoot er, te midden van eene heerlijke ligging, alle gemakken, alle genoegdoeningen, welke de weelde verschaffen kan, wanneer zij bij hen, die haar bezitten, aan een waren kunstzin gepaard gaat.
Achter het kasteel strekten zich in het afgesloten park, prachtige tuinen uit tot bij de palissadeering, welker palen verdwenen onder een dek van slingerplanten, waaronder de ranken van de passiebloem en te midden waarvan duizenden colibri’s, die vliegende juweel-vogeltjes, fladderden. Geheele boschjes van oranjeboomen, olijfboomen, vijgeboomen, granaatboomen, pontederiaplanten met hare azuren bloembouquetten, geheele groepen van magnolia’s, welker kelken met hunne tint van oud ivoor de heerlijkste geuren verspreidden, geheele struiken van sabal-palmen, welker waaiervormige bladeren door de bries bewogen werden, geheele festoenen van coboca’s met hare violetkleurige bloemen, geheele boschjes van tupea’s, met groene rosetvormige bloemen, van yukka’s, welker zaaddoozen een geklikklak als van gescherpte sabels doen hooren, van rooskleurige rododendrons, van myrten en van pompelmoezen, in één woord: van alle gewassen, die in eene luchtstreek voortgebracht kunnen worden, welke aan de keerkringslanden grenst, waren dan ook in die tuinen, in die perken, in die bloembedden, tot streeling zoowel van den reuk als van het oog, aanwezig.
Bij de grens van de omheining, onder het loofgewelf der cypressen en der baobabs, waren de stallen, de rijtuigloodsen, de hondenhokken, de melkinrichting en de hoenderhokken verscholen. Dank zij de ver uitgespreide takken en het dichte loof van die boomen, waardoor de dagvorstin zelfs op deze breedte niet vermocht door te dringen, hadden de huisdieren niets te lijden van de zonnehitte, terwijl daarenboven stroomend water, afgeleid uit naburige beken en riviertjes, er eene aangename en gezonde frischheid onderhield.
Zooals men ziet, was dit particulier eigendom, geheel en al ten gebruike van de bewoners van Camdless-Bay, een bewonderenswaardig geënclaveerd gedeelte van de uitgestrekte onderneming van master James Burbank. Noch het spektakel der katoenmolens, noch het geknars der houtzaagmolens, noch het gebons van de bijlslagen op de boomstammen, noch een enkel der geluiden, zoo eigen aan eene zoo belangrijke onderneming, konden zich aan de binnenzijde der palissadeering doen hooren.
Slechts de duizenden vertegenwoordigers van de Floridasche vogelenwereld konden over die omheining heen vliegen. Maar die gevleugelde zangers, waarvan het gevederte met de schitterende bloemen van deze zone wedijverden, werden even gulhartig welkom geheeten als de geuren, waarmede de bries bezwangerd werd, als zij de weilanden en de wouden met haren adem kuste.
Zoo was Camdless-Bay, de plantage van James Burbank. En inderdaad, zij mocht onder de rijkste ondernemingen van oostelijk Florida gerekend worden.