XIV. Op de Sint John.
Reading edition
De oppervlakte van den stroom was eenzaam in dit gedeelte van zijn loop.
Geen enkel lichtje verscheen op den tegenovergestelden oever. De lichten van Jacksonville werden gedekt door den hoek of elleboog, dien de kreek van Camdless-Bay daar vormde, terwijl de oever zich in noordelijke richting afrondde. Alleen hun schijnsel werd boven dien hoek ontwaard en tintte eenigermate de onderste wolkenlaag.
Hoewel de nacht zeer donker was, kon toch de giek gemakkelijk koers in de richting van de bank houden. Daar geen nevel of waterdamp zich van de oppervlakte der Sint John ontwikkelde, zou het gemakkelijk zijn de giek te volgen, ja te vervolgen, wanneer eenig vaartuig der geconfedereerden haar opgewacht had, wat Gilbert en zijn reisgenoot, zooals wij weten, niet te duchten meenden te hebben.
Beiden bewaarden een diep stilzwijgen. Zij zouden den stroom wel hebben willen oversteken, in plaats van hem af te roeien, om Texar tot binnen Jacksonville te gaan opzoeken en hem in het wit der oogen te zien.
Zij zouden daarna de Sint John weer kunnen opvaren, om al hare oeverwanden, al hare kreken, al hare eilandjes te doorzoeken, en wie weet? waarschijnlijk zouden zij slagen, waar master James Burbank slechts teleurstellingen gevonden had.
Zoo dachten zij, terwijl de stroomdraad hun vaartuig medevoerde. En, alles wel bedacht, was het toch verstandiger maar te wachten en die wraakoefening en die nasporingen uit te stellen.

Op tien meters afstands van elkander gekomen, begonnen die beide geduchte oorlogsgevaarten elkander te beschieten. (Bladz. 206).
Wanneer de federalistische troepen in Florida de baas zouden zijn, dan zouden Gilbert Burbank en Mars met veel meer kans van slagen tegenover dien ellendigen Spanjaard kunnen optreden. Daarenboven, de plicht gebood om op de flottilje van den kommandant Stevens terug te zijn, vóórdat de dag aanbrak. Wanneer toch de vloed flink doorkwam en de mogelijkheid voor de kanonneerbooten, om de bank over te stevenen, zich vroeger instelde dan aangenomen of verondersteld werd, dan was het noodzakelijk dat de jeugdige officier bij het te verwachten gevecht op zijn post was, dan was het noodig dat Mars present was, om de oorlogsvaartuigen te loodsen door de eenig bruikbare geul, waarvan hij de breedte en diepte bij alle waterstanden, bij eb of bij vloed of bij de hoogwater- of laagwaterkenteringen kende.
Mars was op de achterplecht der giek gezeten en hanteerde zijne pagaai met kracht en behendigheid. Bij hem zat Gilbert, die de rivieroppervlakte met zorgzamen blik zoowel boven- als benedenstrooms gadesloeg, om bijtijds iederen hinderpaal te kunnen aanduiden, hetzij een drijvenden boomstam, die met het vaartuig in botsing zou kunnen komen, hetzij eene sloep, waarvan de opvarenden nog meer te duchten konden zijn.
Na zich in schuine richting van den rechteroever verwijderd te hebben, om het midden van de geul te kunnen volgen, zou het lichte schuitje slechts den stroomdraad te volgen hebben, om in het goede vaarwater te blijven, en daar zou eene enkele handbeweging van Mars met zijne pagaai langs stuurboord of bakboord voldoende zijn, om in de gewenschte richting te blijven.
Het zou voorzeker veel verkieselijker geweest zijn, zich niet van den oever, die met zwaar en somber geboomte begroeid en met reusachtig hoog riet omzoomd was, te verwijderen. Wanneer zij onder de beschutting der groote takken en der dichte loofkruinen zich evenwijdig aan den oever bewogen hadden, dan zouden zij minder gevaar loopen ontwaard te worden. Maar, iets benedenstrooms van de plantage, vormde de Sint John een scherpen elleboog, waarop de stroom der rivier brak en naar de overzijde zette. Daar bij dien hoek bestond eene zeer sterke wieling, die het voortroeien van de giek oneindig meer vermoeiend gemaakt en haren gang ook merkbaar vertraagd zoude hebben.
Mars, die dan ook hoegenaamd niets verdachts op de oppervlakte der rivier bespeurde, beijverde zich om het midden van den snellen stroom te bereiken, die hen vlug naar de riviermonding zou voeren. De afstand van af de kleine havenkom van Camdless-Bay tot aan de plek, waar de flottilje van den kommandant Stevens buiten de bank ten anker gekomen was, werd gerekend vier of vijf mijlen te bedragen; en met behulp van de krachtig doorslaande eb en van de krachtsinspanning van Mars, die zijne pagaai verbazend repte, was die afstand in kleine twee uren tijds af te leggen. Zij zouden dus aan boord der kanonneerboot terug zijn vóórdat het aanbreken van den dag het varen op de Sint John gevaarlijk kon maken.
Gilbert Burbank en Mars bevonden zich dan ook een klein kwartieruurs na hun vertrek in het midden van den stroom. Daar bemerkten zij, dat hunne snelheid wel is waar aanmerkelijk was, maar ook dat de richting van dien stroom hen naar Jacksonville voerde. Wie weet; misschien hield Mars geheel onbewust naar dien kant aan, alsof hij onder den invloed eener onweerstaanbare aantrekkingskracht stond. Toch moest dat gevloekte oord gemeden worden, omdat het te voorzien was, dat de toegangen tot die havenplaats in de gegeven tijdsomstandigheden beter bewaakt zouden zijn dan eenig ander gedeelte van de Sint John.
»Recht vooruit, Mars! Recht vooruit!” vergenoegde zich de jeugdige zeeofficier te zeggen.
En de giek bleef den stroomdraad op een kwartmijl van den linkeroever der rivier volgen.
In de haven van Jacksonville was het noch somber noch stil. Integendeel; talrijke lichten bewogen zich op de kaden of schitterden in de vaartuigen, terwijl zij op de oppervlakte van het water weerkaatsten. Eenigen hunner zelfs verplaatsten zich met snelheid, alsof eene bedrijvige waakzaamheid, die zich over een uitgestrekten straal uitbreidde, georganiseerd werd.
Terzelfder tijd duidden gezangen, met woeste kreten vermengd, er op, dat de ergerlijke tooneelen van uitspattingen en brasserijen steeds de rust der stad verstoorden. Geloofden Texar en zijne aanhangers dan nog steeds aan de nederlaag der Noordelijken in den staat Virginia? Meenden zij nog, dat het mogelijk ware, dat de federalistische flottilje den terugtocht zoude aannemen?
Of—en dat was wel het meest aanneembare—benuttigden zij hunne laatste dagen van macht, om zich aan alle mogelijke buitensporigheden, te midden van eene lagere volksklasse, die dronken van wiskey en gin was, over te geven?
Maar om het even, de giek volgde middelerwijl den stroomdraad met spoed, en Gilbert kon met reden hopen, dat hij weldra het grootste gevaar achter den rug zoude hebben, als zij maar Jacksonville voorbijgestevend zouden zijn.
Maar wat was dat?... Plotseling gaf de jeugdige zeeofficier aan Mars een teeken om stil te houden....
Hij wreef zich de oogen en keek daarna scherp uit.
Op minder dan een mijl afstands beneden de haven van Jacksonville, bespeurde hij een lange lijn van zwarte punten, als het ware eene reeks van rotsklippen, op de oppervlakte van de rivier van den eenen oever tot den anderen gezaaid.
Dat was eene lijn van sloepen, die daar ter plaatse voor een licht werpanker lagen en de geheele Sint John afdamden. Die vaartuigen zouden blijkbaar niet bij machte zijn, om de kanonneerbooten tegen te houden, wanneer dezen er in slaagden over de bank te komen, en zij zouden verplicht zijn alsdan de wijk te nemen; maar voor het geval dat federalistische sloepen pogen zouden de rivier op te stevenen, zouden zij wellicht krachtigen weerstand kunnen bieden, wanneer de doortocht met geweld beproefd zoude worden.
Daarom hadden die vaartuigen die afdamming gedurende den nacht gevormd. Allen lagen stil dwars in de Sint John, hetzij zij zich op de hun aangewezen plaats door middel van hunne roeiriemen hielden, hetzij zij voor hunne dreggen ten anker lagen.
Hoewel onze beide zeelieden daarvan bij de heerschende duisternis niets konden ontwaren, konden zij toch verzekerd zijn, dat zich een groot aantal mannen aan boord van die vaartuigen bevond, die behoorlijk gewapend waren, om zoowel verdedigender- als aanvallenderwijze te werk te kunnen gaan.
Gilbert Burbank maakte intusschen de opmerking, dat die reeks van vaartuigen de rivier nog niet afdamde, toen hij de Sint John opgestevend was, om naar Camdless-Bay te gaan. Die voorzorgsmaatregel was dus eerst genomen, toen de giek reeds voorbij was. Dat was zeer waarschijnlijk geschied met het oog op een mogelijken aanval, waarvan evenwel geen sprake was, toen onze jeugdige marine-officier de flottilje van den kommandant Stevens verlaten had.
De opvarenden van de giek waren nu verplicht het midden der rivier te verlaten, om zich zooveel mogelijk onder de takken en het loof van het hooge geboomte van den rechteroever te verschuilen. Misschien zou het nietige vaartuigje onbemerkt blijven, wanneer het zich een weg door de dichte biezen zou kunnen banen.
In ieder geval bestond geen ander middel om die afdamming van de Sint John te vermijden.
»Tracht te roeien zonder gedruisch te maken, Mars,” zeide de jeugdige zeeofficier.
»Ja, master Gib.”
»Totdat wij de lijn dier afsluitingsvaartuigen achter den rug zullen hebben.”
»Goed, master Gib.”
»Gij zult waarschijnlijk tegen wielingen op te werken hebben.”
»Dat denk ik ook, master Gib.”
»Dan zal ik ook een pagaai ter hand nemen en u helpen, Mars!”
»Dat zal wel niet noodig zijn, master Gib!” grinnikte de kleurling.
»Anders, reken op mij.”
»Niet noodig.”

Plotseling gaf de jeugdige zeeofficier aan Mars een teeken om stil te houden. (Bladz. 215).
En de giek met vaste hand een halve wending latende maken, voerde hij haar snel naar den kant van den rechteroever, dien hij bereikte, toen zijn vaartuigje nog slechts op een afstand van drie honderd meters van de afsluitingslijn gekomen was.
Daar de giek niet bespeurd was geworden, terwijl zij de rivier dwars overstak,—en toen kon zij ontwaard zijn geworden,—kon men het tot de onmogelijkheden rekenen, dat zij thans bemerkt zoude worden, nu zij onder de schaduwrijke oevers voortstevende en zij zich in het donker daarvan als het ware verloor. Het was zoo goed als zeker, dat zij door de afsluitingslinie zou kunnen sluipen, althans wanneer deze niet aan den oever aansloot, hetgeen niet waarschijnlijk was. Daarentegen bestond er in de vaargeul van de Sint John zeer veel gevaar, en zou het meer dan onvoorzichtig, ja roekeloos moeten heeten, die te blijven volgen.
Men bevond zich in eene dikke duisternis, die nog zwaarder gemaakt werd door de dichte gordijn van zwaar geboomte met volle loofkruin, dat op den oever verrees.
Mars pagaaide met kracht en zorgde ervoor, tegen geene boomstronken aan te varen, welker toppen hier en daar boven de wateroppervlakte uitstaken. Ook vermeed hij zorgvuldig met zijn schepper of pagaai luidruchtig in het water te plassen, hoewel hij nogal in de noodzakelijkheid kwam om krachtsinspanning aan te wenden, ten einde den weerstand van een tegenstroom of van eene draaiwieling te breken en te overwinnen.
In die gegeven omstandigheden zou Gilbert Burbank op zijn tocht eene vertraging van ruim een uur ongetwijfeld ondervinden. Maar, alles wel beschouwd, kon het hem niets schelen of het dan dag zoude zijn. Hij zou dan dicht genoeg bij de ankerplaats der kanonneerbooten van den kommandant Stevens zijn, om niets meer van de kwaadwilligen van Jacksonville te duchten te hebben.
Het vaartuigje was zoo omstreeks vier uren ter hoogte van de sloepen gekomen, die de afsluitingslinie vormden. Zooals Gilbert Burbank voorzien had, was, op grond van de geringe diepte der rivier in dit gedeelte der vaargeul, de doorvaart langs den oever geheel en al onbewaakt en vrij. Een paar honderd voeten verder stak eene landpunt zeer ver in de Sint John uit en vormde eene kaap, die met zware bamboestruiken en dicht ineen gestrengelde wortelboomen begroeid was.
Het was thans zaak die kaap te ronden. Zij vertoonde zich naar den bovenstroomschen kant zeer somber en bedekt. Naar den benedenstroomschen kant evenwel, werd het beschermende loofdak plotseling afgebroken. De kuststrook daalde al meer en meer, naarmate zij de monding van de Sint John naderde, en ging in een onuitwarbaar net van kreken, poelen, plassen en moerassige strooken over, hetwelk een uiterst laag en onbedekt strand vormde.
Het was bijgevolg niet onmogelijk, dat een zwart en bewegelijk punt, zooals de giek vormde, die te klein was om te gedoogen dat die twee mannen daarin konden liggen om zich te verbergen, bespeurd werd door het een of andere vaartuig, dat ter hoogte van die kaap rondzwierf.
Voorbij die vooruitstekende punt liet zich de tegenstroom van de wieling niet meer gevoelen. Integendeel, daar schoot hij met kracht langs den oever vooruit zonder de vaargeul te volgen.
Gelukte het de giek die kaap zonder ongeval te ronden, dan zou zij met de meest mogelijke snelheid naar de bank gevoerd worden, alwaar zij dan in zeer weinig tijds op de ankerplaats van den kommandant Stevens zoude aankomen.
Mars stuurde dus het vaartuigje met de grootste voorzichtigheid langs den oever. Hij gleed, hij sloop als het ware voort. Zijne oogen poogden de duisternis te doorboren. Hij scheerde den oever van zoo nabij mogelijk en kampte met de wieling, die als tegenstroom aan deze zijde van de kaap nog zeer sterk was. De pagaai boog en zwiepte onder den druk zijner gespierde armen, bij het te water slaan van dat roeiwerktuig. Intusschen zat Gilbert Burbank naar den bovenstroomschen kant van de Sint John, vanwaar hij dacht dat het gevaar zoude opduiken.
Zoo naderde de giek middelerwijl die landpunt. Nog eenige weinige minuten, dan zou zij het uiteinde er van, dat zich als eene lange zandtong in de rivier uitstrekte, bereikt hebben. Het vaartuigje was er nog slechts vijf-en-twintig of dertig meters van verwijderd, toen Mars eensklaps ophield met roeien.
»Wat is er?” vroeg de jeugdige zeeofficier.
»Shut!” blies de kleurling meer dan hij sprak.
»Zijt ge vermoeid?” vervolgde Gilbert Burbank.
»Shut!”
»Wilt ge, dat ik u vervang?”
»Shut! master Gib.”
»Maar, wat is er dan toch, Mars?”
»Shut! Thans geen woord!” antwoordde de kleurling.
Terzelfder tijd wendde hij de giek met driftige pagaaislagen, en stuurde haar in schuine richting, alsof hij haar op den oever op het droge wilde zetten. Dicht bij de kustlijn gekomen, greep hij een der over het water afhangende takken; toen hij die bereiken kon, trok hij zich daaraan voort en deed zoo het vaartuigje onder een dicht loofdak verdwijnen.
Een oogenblik later sloeg hij een eind touw om een der steltwortels van een rysophoor en lag de giek eindelijk onbewegelijk stil, en bewegingloos zaten Gilbert Burbank en Mars daar te midden van eene zoo diepe duisternis, dat zij elkander niet konden zien.
Die geheele manoeuvre had geen tien seconden geduurd, zoo vlug was alles in zijn werk gegaan.
De jeugdige zeeofficier greep toen zijn makker bij den arm en was op het punt hem de verklaring van zijne plotselinge handelwijze te vragen, toen Mars met den arm naar het gebladerte wees en op een beweegbaar punt duidde, dat zich op het minst donkere gedeelte van de wateroppervlakte vertoonde.
»Wat is dat?” vroeg hij zoo zacht mogelijk aan het oor van zijn makker.
»Kijken!” antwoordde deze even zacht fluisterend.
Wat zij daar zagen, was eene sloep, die door vier mannen geroeid werd en na de landspits gerond te hebben, de rivier langs den oever boven de kaap opstevende.
De beweging van dat vaartuig was duidelijk. Daarin kon men zich niet vergissen.
Gilbert Burbank en Mars hadden toen een en dezelfde gedachte, namelijk: vóór alles en in weerwil van alles naar boord van de kanonneerboot terug te keeren. Wanneer hun vaartuigje ontdekt werd, zouden zij niet aarzelen om aan wal te springen. Zij zouden dan tusschen de boomen van het woud doorsluipen; zij zouden dan voortvluchten langs den oever, tot zij ter hoogte van de bank gekomen zouden zijn. Daar zouden zij dan wachten tot de dag aanbrak. Zij zouden dan seinen geven aan de meest nabij geankerde kanonneerboot, en werden die niet bespeurd....
»Welnu,” sprak Mars, »dan springen wij in de rivier en zwemmen naar de ankerplaats. Niets eenvoudiger dan dat!” Zeker was het eenvoudig, maar de uitvoering?
Zooveel is onbetwistbaar, dat die mannen vastbesloten waren, alles te doen, om op hunnen post terug te zijn.
Maar.... de mensch wikt en God beschikt.
Een kort oogenblik later zouden zij de ervaring opdoen, dat iedere terugtocht ook over land afgesneden was.
Toen de sloep, welke zij ontwaard hadden, dan ook op een afstand van hoogstens twintig voet genaderd was tot de plek waar zij onder het dichte loof met hun vaartuig verscholen lagen, werd er een gesprek gevoerd door de lieden, die haar roeiden met een half dozijn andere kerels, waarvan men de omtrekken tusschen het geboomte op den oevernok kon ontwaren.
»Ohoi!” praaiden de sloeproeiers.
»Ohoi!” werd er van den wal geantwoord.
»Het zwaarste werk is verricht.”
»Dat dunkt mij ook.”
»Drommels!” werd er van den rivierkant geroepen. »Het was een taai stuk werk met de zwaar doorstaande eb tegen den stroom op te roeien.”
»Dat zal het wel geweest zijn.”
»Bijna zoo zwaar, als een vaartuig tegen eene stroomversnelling op te voeren.”
»Gaat gij nu ten anker?”
»Waar?”
»Hier bij deze plek, waar wij op deze kaap eindelijk ontscheept zijn?”
»Ja, dat zullen wij doen.”
»Maar, alsjeblieft gauw.”
»Wij moeten eerst in de tegenstrooming van de wieling zijn.”
»Zeer juist.”
»Dan maken wij het uiteinde van de afsluitingslinie uit en kunnen die afdoende bewaken.”
»Goed! Intusschen zullen wij den oever in het oog houden....”
»Perfect!”
»En tenzij die schoften zich door het moeras baan breken....”
»Dat kunnen zij niet.”
»Welnu, dan is het niet mogelijk, dat zij ons ontsnappen....”
»Als dat maar niet reeds geschied is?”
»Te drommel, neen, dat is onmogelijk!”
»Waarom niet?”
»Wel, omdat zij tot laat op de plantage zullen gebleven zijn.”
»Dat kan wel.”
»Blijkbaar zullen zij bij het intreden van de eb in hun vaartuig gestapt zijn, om bij het aanbreken van den dag aan boord terug te zijn.”
»Zoo stel ik mij ook voor, dat zij gehandeld zullen hebben.”
»Daar zij wel zullen inzien, dat door de afsluitingslinie niet heen te sluipen is, zullen zij dat langs den oever pogen te doen. Gij zult zien, dat ik gelijk heb.”
»Jawel; maar wij zijn er om hen bij den kraag te vatten!”
»Ja, wij zijn er!”
Dat gesprek, die duidelijke volzinnen gaven genoegzaam aan wat er gebeurd was.
Het vertrek van boord van Gilbert Burbank en van Mars was bekend geworden. Geen twijfel kon daaromtrent bestaan. En al was het hun ook bij hun tocht naar Camdless-Bay, terwijl zij de rivier oproeiden, gelukt om aan de vaartuigen, die uitgezonden waren om hun den pas af te snijden, te ontkomen, zoo zou het thans, nu de geheele rivier afgesloten was en men hun terugkeer bespiedde, uiterst moeielijk, ja onmogelijk zijn om de ankerplaats der kanonneerbooten van den kommandant Stevens te bereiken.
Bij het overzien van den toestand bleek het, dat de giek gevangen zat tusschen de mannen van de sloep en tusschen diegenen hunner makkers, die op de landspits ontscheept waren en den rivieroever daar bewaakten. De ontvluchting was dus onmogelijk zoowel langs de rivier, als langs den smallen oever, die zich tusschen de Sint John en de moerassen der kuststreek uitstrekte.
Gilbert Burbank had dus vernomen, dat zijn tocht langs de Sint John verraden was. Intusschen was het toch mogelijk, dat men niet wist, dat zijn makker en hij op de plantage Camdless-Bay aan wal geweest waren. Misschien wist men niet eens, dat een hunner de zoon van James Burbank was, dat de een een federalistische marine-officier, de ander een federalistische matroos was. Helaas, zoo was het niet. Zij zouden dienaangaande spoedig ontgoocheld worden. De jeugdige luitenant kon weldra niet meer twijfelen omtrent het gevaar, dat hem bedreigde, toen hij de volgende volzinnen vernam van het gesprek, hetwelk hervat werd.
»Ohoi!”
»Ohoi!”
»Weest waakzaam en goed opgepast!” riep men van den kant van den wal.
»Jawel, jawel!” werd er geantwoord.
»Een federalistisch officier is een goede buit, dat weet ge!”
»Vooral, wanneer die officier de eigen zoon van een dier gevloekte Noordelijken is!”
»Die zich in ons schoon Florida gevestigd hebben!”
»Denk er om, dat deze goed betaald zal worden!”
»En zeer goed zelfs, daar Texar er veel belang bij schijnt te hebben!”
»Ik hoop zoo. Hoe meer dollars, hoe liever!”
»Het zou toch mogelijk kunnen zijn, dat wij ze heden nacht niet te pakken krijgen....”
»Waarom niet?”
»Zij kunnen zich in den een of anderen schuilhoek van den oever verstopt hebben!”
»Nu, dat zal hen niet veel geven. Als het dag wordt, zullen wij al de schuilhoeken zoo doorzoeken, dat....”
»Dat een waterrat ons niet ontsnappen zal.”
»Juist! Denk er evenwel aan....”
»Waaraan?”
»Dat wij uitdrukkelijk bevel hebben, hen levend in handen te krijgen!”
»Mooi!... Dat is afgesproken!”
»Perfect!... maar laten wij ook afspreken, dat voor het geval zij op den oever aangehouden worden, wij ulieden slechts te praaien zullen hebben, om hen aan boord te nemen, en hen naar Jacksonville over te voeren!”
»Afgesproken! Dat kan te gemakkelijker, daar wij hier ten anker zullen blijven liggen, wanneer wij niet genoodzaakt zullen worden hen op de rivier na te jagen!”
»Goed zoo!... Wij zijn dwars over den oever geposteerd, zoodat geen muis door kan!”
»Nu, goed geluk!”
»Dankje. Ik voor mij, ik zou liever in eene heerlijke kroeg van Jacksonville zitten!”
»Ik ook!... maar als wij die twee schoften maar niet laten ontsnappen! En wij hen aan handen en voeten gebonden aan Texar kunnen overleveren!... dan... dan kunnen wij de kroegen bezoeken, zooveel wij willen!”
Daarop verwijderde de sloep zich op een afstand van twee roeiriemslengten. Vervolgens werd het geluid van een ketting vernomen, die van een spil afliep. Dat duidde er op, dat een anker uitgeworpen werd en dit den grond geraakt had.
Wat de mannen betreft, die den oeverrand bezetten, dezen spraken niet meer, maar men vernam toch het geluid hunner passen op het afgevallen droog gebladerte, dat den grond bedekte.
De vlucht was dus zoowel aan den kant van den wal als langs de rivier totaal onmogelijk.
Daarover zaten Gilbert Burbank en Mars te peinzen. Geen hunner had zich eene beweging veroorloofd noch een enkel woord durven spreken. Niets verraadde dan ook de aanwezigheid van de giek, welke onder het sombere loofdak, dat inderdaad eene gevangenis geworden was, verscholen lag. Ja, eene gevangenis; want het was onmogelijk die schuilplaats te verlaten.
Maar al nam men ook al aan, dat het vaartuig gedurende den nacht niet ontdekt werd, hoe zou Gilbert Burbank kunnen hopen, dat het bij het aanbreken van den dag niet bespeurd zoude worden?
En nu was de gevangenneming van den federalistischen officier niet alleen een dreigend gevaar voor zijn leven,—dat hij als goed soldaat gaarne opgeofferd zoude hebben,—maar wanneer men zoude kunnen bewijzen dat hij op Camdless-Bay gedebarkeerd, dat hij op Castle-House geweest was, dan zou zijn vader andermaal in verzekerde bewaring genomen worden, dan zou zonder vrees voor tegenspraak het heulen van master James Burbank met de federalisten als afdoende bewezen, beweerd kunnen worden. Ja, dat bewijs had den Spanjaard ontbroken, toen hij den eigenaar van Camdless-Bay voor den eersten keer van landverraad beschuldigde. Maar thans zou hij het in handen hebben, wanneer Gilbert Burbank, de zoon van zijn gezworen vijand, in zijne macht zoude zijn!
En wat zou dan van mevrouw Burbank worden?
En wat van zijn zusje, de kleine Dy? En wat van Zermah? Wanneer de vader, de broeder, de echtgenoot niet meer in staat zouden wezen om hunne nasporingen voort te zetten?
In een ondeelbaar oogenblik vertoonden zich al die gevolgen met de bliksemsnelheid der gedachten in het brein van den jeugdigen marine-officier.
Dus, alles wel beschouwd, bleef hen voor het geval, dat zij beiden gevangen genomen werden—en dat geval was zeer waarschijnlijk—slechts één kans over, namelijk dat de federalisten Jacksonville zouden ingenomen hebben, vóórdat Texar in staat zoude zijn kwaad te kunnen stichten.
Wellicht zouden zij nog tijdig genoeg verlost worden, om te verhoeden, dat het vonnis, hetwelk zij onmogelijk ontgaan konden, ten uitvoer gelegd zoude worden. Ja, dat was hunne geheele, hunne eenige hoop!
Maar, hoe zou men er in slagen, de aankomst van den kommandant Stevens met zijn kanonneerbooten in de bovenrivier te verhaasten? Hoe moest de flottilje over de bank der Sint John geraken, wanneer gebrek aan diep water dat belette?
Wie zou dat smaldeel door de veelvuldig kronkelende geul van het vaarwater loodsen, wanneer Mars, die de taak van loods moest vervullen, in krijgsgevangenschap der Zuidelijken zoude geraken?
Gilbert Burbank moest dus het onmogelijke beproeven en wagen om, voordat de dag aanbrak, aan boord zijner kanonneerboot terug te zijn. Maar, daartoe moest hij zonder verwijl vertrekken, vluchten kunnen zonder een oogenblik verloren te laten gaan.
Maar... was dat doenlijk? Kon Mars de giek niet door eene plotselinge wending, in schuine richting door de tegenstrooming van de wieling, hare vrijheid hergeven? En al werden zij ook al bespeurd, dan zouden de lieden van de bewakingssloep verplicht zijn, tijd te laten verloren gaan, hetzij door het ophalen van hun anker, hetzij door het laten slippen van den ankerketting. Zouden zij daardoor niet zoo’n voorsprong kunnen verkrijgen, dat zij spoedig buiten bereik zouden zijn?
Neen! Neen! Dat ware alles in de waagschaal stellen. Ja erger, dat ware alles verderven. Dat wist de jeugdige marine-officier maar al te goed. Mars kon met zijne eenige pagaai geen wedstrijd aangaan met de vier roeiriemen van de sloep. De giek zou, terwijl zij pogen zou langs den rivieroever voort te spoeden, al ras ingehaald zijn. Door zoo te handelen, liep men het gevaar zeker en onbetwistbaar in den mond.

Wat zij daar zagen, was eene sloep, die door vier mannen geroeid werd. (Bladz. 219).
»Maar... wat dan toch te doen?”
Dat vroegen zich de twee in nood verkeerende schepelingen af.
»Moeten wij wachten?” prevelde Gilbert Burbank besluiteloos.
Mars trok de schouders op, alsof hij zeggen wilde:
»Ik laat de beslissing aan master Gib over.”
De dag zou spoedig aanbreken. Het was reeds half vijf. Een lichtende band werd reeds boven den oostelijken gezichteinder waargenomen. Dat was de naderende dageraad.
Men moest noodzakelijk tot een besluit komen, en ziehier waarbij Gilbert zich meende te moeten bepalen:
Hij boog zich naar Mars over en fluisterde dien zoo zacht mogelijk in het oor.
»Wij kunnen onmogelijk langer hier wachten,” zei hij. »Wij zijn beiden met een revolver en een sabel gewapend. In de sloep bevinden zich slechts vier man.”
»Dat is twee tegen een,” grinnikte Mars.
»Ja, maar wij zullen het voordeel der overvalling kunnen laten meetellen. Dat zal de partij meer gelijk maken.”
»Dat’s waar.”
»Gij brengt de giek met eenige krachtige pagaaislagen dwars door de wieling en stuurt haar vlak op de sloep aan. Deze, die ten anker ligt, zal de aanvaring en het aan boord klampen niet kunnen ontwijken. Wij zullen die menschen overvallen, wij zullen op hen inhouwen, voordat zij tijd zullen hebben tot bezinning te komen. Daarna zullen wij zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen zoeken. Vervolgens zullen wij, alvorens de oeverbewakers aan den wal alarm zullen hebben kunnen maken, de bank en daarmede de kanonneerbooten bereikt hebben.”
»Ja, master Gib,” grinnikte de lotgenoot van den jeugdigen marine-officier.
»Hebt gij begrepen, Mars?”
De kleurling gaf geen antwoord, maar greep zijn sabel, die hij uit de scheede trok en zoo bij zijn revolver aan zijn buikriem bevestigde. Toen hij daarmede klaar was, maakte hij het touw los, waarmede de giek aan den boomtak vastgemaakt was, en greep zijne pagaai om hem met kracht te water te slaan.
Maar juist op het oogenblik, dat hij daarmede wilde beginnen, werd hij door Gilbert Burbank weerhouden.
»Wacht nog een oogenblik,” fluisterde deze, terwijl hij den schouder van den kleurling met de hand aanraakte.
Eene onverwachte omstandigheid bracht hem er toe zijne beschikkingen dadelijk te wijzigen.
Met het eerste daglicht begon zich een dikke nevel over de oppervlakte van de Sint John te verspreiden. Men zou gezegd hebben, dat een onmetelijke maar vochtige wattenvlok zich over het water ontwikkelde, die het daarbij met hare voortschrijdende spiraalvormige krullen aanraakte, en voortgestuwd door eene zachte bries langzaam van uit zee opkomende, naar het bovengedeelte der rivier voortbewoog.
Wanneer zij nog een kwartier wachtten, dan zoude zoowel Jacksonville op den linkeroever der rivier, als de boomgroepen op den rechteroever verdwenen zijn in dien nevel, die in deze streken gewoonlijk ietwat geelachtig van kleur is en met een karakteristieken geur bedeeld is, en dan de geheele vallei van het stroomgebied van de Sint John vervult.
Was dat niet de redding, die daar den jeugdigen marine-officier en zijn makker aangeboden werd?
Waarom zouden zij niet van dien nevel pogen gebruik te maken, om onzichtbaar en onbemerkt door de mazen van het net te sluipen, wat hen omstrikt hield, in stede van een ongelijken strijd aan te gaan, waarin beiden toch het onderspit konden delven? Gilbert Burbank meende ten minste, dat dit het beste zou zijn. Daarom weerhield hij Mars, toen deze de giek plotseling wilde laten vooruitschieten en haar van den oever laten verwijderen. Integendeel moest men dezen thans zeer voorzichtig en in alle stilte naderen, en daarbij de sloep mijden, welker omtrekken, thans reeds zeer onduidelijk, weldra geheel verdwenen zouden zijn.
Maar toen begonnen de stemmen elkander weer te praaien. Van den oever hoorde men het langgerekte scheepsgeroep:
»Ohoi!”
»Ohoi!” werd er van de sloep geantwoord.
»Opgepast met den mist!”
»Jawel!”
»En uitkijken! Dat is de boodschap!”
»Jawel!.... Wij gaan ons anker winden en dichter bij den oever halen.”
»Goed. Maar blijf ook in verbinding met de andere vaartuigen van de afsluitingslinie.”
»Opperbest!”
»En, als gij er ontmoet, beveelt hen aan, om heen en weer te kruisen, totdat de nevel opgetrokken zal zijn.”
»Jawel! Jawel! Vreest niet en waakt gij van uwen kant, dat die schoften niet over land ontkomen! Dat zou niet onmogelijk zijn, niet waar?”
»Zeker niet. Maar weest gerust; wij hebben het terrein goed bezet en doen de kijkers goed open.”
Klaarblijkelijk werden die maatregelen, die als het ware door de omstandigheden geboden werden, genomen. Een zeker aantal sloepen zouden zich beijveren, van den eenen rivieroever tot den anderen te kruisen. Dat begreep Gilbert Burbank; hij aarzelde dan ook niet.
De giek, die in de grootste stilte door Mars bestuurd en gevoerd werd, verliet het loofdak, waaronder zij verscholen was geweest, en stevende door de wieling, welke daar bij die kaap gevormd werd.
De mist verdichtte zich al meer en meer, hoewel hij het zwakke bleeke licht van den aanbrekenden dag niet weerhield, maar toch aanmerkelijk temperde. Dat licht was niet ongelijk aan het schijnsel, hetwelk men bespeurt, wanneer eene lamp in eene hoornen lantaarn brandt. Men zag niets meer, zelfs niet binnen een kring van slechts weinige meters straal.
Wanneer de giek gelukkig genoeg was niet tegen de sloep, die zich meer in het midden der rivier bevond, aan te varen, dan bestonden er zeker kansen, dat zij ongemerkt zou doorsluipen. En inderdaad, het gelukte haar dat vijandelijke vaartuig te mijden, terwijl de mannen daarop bezig waren met het anker lichten en het geratel van den ketting bij het binnenpalmen, de plaats die vermeden moest worden, vrij nauwkeurig aanduidde.
De giek passeerde dus, waarna Mars gelegenheid had zijne pagaai met meer kracht te kunnen hanteeren, waardoor meer vaart kon gemaakt worden.
Het moeielijkste was, een doelmatigen koers te volgen zonder in de geul van het midden der rivier terecht te komen. Men moest integendeel op een kleinen afstand van den rechter rivieroever houden en daaraan nagenoeg evenwijdig blijven. Maar niets was er om Mars te midden van dien dikken nevel te geleiden; niets dan het gekabbel en geruisch van het voortstroomende water, hetwelk den oever schuurde. Men voelde eerder dan men zag, dat het dag werd. Het werd meer en meer licht boven de nevelmassa, hoewel die zich nog zeer dik op de oppervlakte der rivier vertoonde.
De giek dwaalde zoo gedurende een half uur, om het zoo uit te drukken, op Gods genade. Soms verscheen er plotseling en op het onverwachtst een ijle omtrek. Men kon in de meening verkeeren dat het eene sloep was, die door de straalbreking buitengewoon vergroot werd, een natuurverschijnsel, dat bij mist op volle zee veelvuldig waargenomen wordt. Inderdaad, ieder voorwerp dat zich alsdan eensklaps en zonder voorbereiding aan het oog voordoet, vertoont zich dan uiterst vreemdsoortig en verwekt den indruk, alsof het buitengewone afmetingen verkregen heeft. Dit deed zich op dien tocht veelvuldig voor.

Verscheidene vogelparen met eene onmetelijke vlucht verschenen ook. (Bladz. 230).
Gelukkig, dat wat Gilbert Burbank voor eene sloep aanzag, niets anders was dan òf eene boei, die het vaarwater in de geul moest aanwijzen, òf een rotstop, die boven water uitstak, of een boomstam, die daarheen dreef, of een paal, die in den rivierbodem geheid was, maar zijn hoofd in het neveldak stak.
Verscheidene vogelparen, met eene onmetelijke vleugelvlucht, verschenen ook. Zag men hen ook al ternauwernood in den nevel verschijnen en verdwijnen, dan hoorde men toch den doordringenden kreet, dien zij in het luchtruim lieten weerklinken. Andere vlogen van de oppervlakte der rivier zelve op, wanneer de nadering van de giek hen op de vlucht dreef. Het was onmogelijk te bepalen of zij op den oever op slechts weinig passen afstand gingen rusten, of dat zij in de Sint John onderdoken, om zich aan de onbescheiden blikken van de opvarenden van het vaartuigje te onttrekken.
Daar evenwel de eb steeds flink doorstond, was Gilbert Burbank er zeker van, dat de giek, door den stroom medegevoerd, de ankerplaats der kanonneerbooten onder de bevelen van den kommandant Stevens al meer en meer naderde. Maar hoewel nog flink, zoo was die ebstroom toch reeds zooveel verzwakt, dat onze jeugdige marine-officier het er voor houden moest, dat zijn vaartuig de afsluitingslinie, door de vijandelijke sloepen gevormd, nog niet voorbijgestevend was. Integendeel, hij meende alle redenen te hebben om te gelooven, dat hij zich nu juist op dezelfde hoogte bevond en dat derhalve het gevaar groot was, van plotseling op een dier sloepen te stooten.
Dus was ieder gevaar nog lang niet voorbij. Het bleek integendeel al heel spoedig, dat de giek nog nimmer in grooter gevaar verkeerd had dan thans.
Mars hield dan ook gedurende korte tusschenpoozen op met roeien, waarbij hij dan, om steeds gereed te zijn in de een of andere richting te kunnen wenden, zijne pagaai boven de watervlakte verheven hield. Het geluid van roeiriemen werd nu eens heel dichtbij, dan weer iets verder af, maar toch steeds in de onmiddellijke nabijheid vernomen. Verscheidene kreten werden op die sloepen voortdurend uitgestooten en door anderen beantwoord. Dat geschiedde natuurlijk om met elkander in verbinding te blijven. Hier en daar doken in het ijle van den nevel vormen op, welker omtrekslijnen als gedoezeld schenen. Dat waren vaartuigen, die voortgleden en vermeden moesten worden.
Plotseling openden zich ook de dampen, alsof een onmetelijke blaasbalg zijne horizontale luchtkolom in hunne massa gedrongen had. Dan verruimde zich de gezichtskring tot op een afstand van eenige honderden meters.
Gilbert Burbank en Mars poogden alsdan hun stand op de rivier te verkennen. Maar die opklaring van den nevel ging weer even spoedig voorbij als zij gekomen was, en de giek was weer verplicht zich geduldig aan den stroomdraad over te geven.
Zoo was het eindelijk vijf uren geworden.
Gilbert Burbank rekende, dat hij thans nog twee mijlen van de ankerplaats der kanonneerbooten verwijderd was. En inderdaad, de bank in de rivier was nog niet bereikt. Zij zouden die bank gemakkelijk herkend hebben aan het meerdere geluid en geweld van den stroom, aan de kabbelingen van het water, waaromtrent zeelieden als Gilbert en Mars zich niet vergissen konden.
Wanneer de bank overschreden zoude zijn, dan zou Gilbert Burbank zich betrekkelijk in veiligheid gerekend hebben, want het was niet waarschijnlijk dat de sloepen zich op zoo’n verren afstand van Jacksonville en tot onder het geschutvuur der kanonneerbooten zouden gewaagd hebben.
Beiden luisterden dus aandachtig en bogen zich voorover, om de oorschelp zoo nabij mogelijk aan de wateroppervlakte te brengen. Hun zeer geoefend oor had nog niets kunnen opvangen. Het kon bijna niet anders of zij moesten hetzij ter rechter- hetzij ter linkerzijde op een dwaalspoor geraakt zijn.
Zou het niet de beste partij zijn, die genomen kon worden, om namelijk in eene richting schuins met den stroom voort te stevenen, om zoo een der oevers te bereiken?
Of ware het beter, stil te blijven wachten, totdat de nevel opgetrokken zoude zijn, om dan weer, natuurlijk na zich behoorlijk verkend te hebben, in den goeden koers voort te roeien?
Dit laatste werd als het best uitvoerbare geacht; vooral nu men ontwaarde, dat de dampen naar hoogere luchtlagen begonnen op te stijgen. De zon, die men als het ware daar boven voelde, trok hen aan en verwarmde hen. Men kon waarlijk de oppervlakte van de Sint John over eene groote uitgestrektheid en zelfs voordat het uitspansel duidelijk zichtbaar werd, zien te voorschijn treden.
Het was te voorzien, dat de gordijn, die hun blik als het ware gevangen had gehouden, zoude vaneenscheuren en dat de gezichteinder uit den nevel zoude te voorschijn treden. Misschien zou dan Gilbert Burbank de kanonneerbooten ontwaren, die achter de bank op een mijl afstands daarvan ten anker lagen, en het zou mogelijk zijn die oorlogsvaartuigen te bereiken.
In dit oogenblik werd een sterk watergeklots vernomen, en bijna tegelijkertijd begon de giek te draaien, alsof zij in een soort maalstroom geraakt was.
Vergissing was onmogelijk.
»De bank!” riep Gilbert uit.
»Ja, de bank!” herhaalde Mars opgetogen.
»En eenmaal daarover!...”
»Dan zijn wij op de ankerplaats!”
»Goddank!”
»Goddank!”
Zoo klonken beider stemmen tegelijkertijd.
Mars had zijn pagaai gegrepen en poogde nu de giek in de gewilde richting te houden.
Eensklaps greep Gilbert Burbank hem bij den schouder en noodzaakte hem het pagaaien te staken. Hij had in een der nevelbanken, die nog over de rivier zweefden, een vaartuig ontwaard, dat met snelheid voortgeroeid werd en denzelfden koers volgde als de giek.
Hadden de mannen, die zich in dat vaartuig bevonden, de giek bespeurd? En wilden zij haar den doortocht betwisten?
»Over bakboord wenden!” zei de jeugdige marine-officier.
Mars gehoorzaamde, en weinig pagaaislagen waren voldoende om de gewenschte wending te doen uitvoeren.
Maar van dien kant werden stemmen vernomen, welke elkander luidruchtig praaiden. Ongetwijfeld bevonden zich op dit gedeelte van de rivier verscheidene sloepen, die in verband met elkander kruisten.
Eensklaps en alsof zij door een onmetelijken luchtdruk weggeveegd werden, verdwenen de neveldampen en vielen als fijn verdeelde waterstofdeeltjes op de oppervlakte der Sint John neder.
Gilbert Burbank kon den kreet, die hem ontsnapte, onmogelijk weerhouden.
De giek bevond zich te midden van een dozijn sloepen, welke in opdracht hadden dit gedeelte van de vaargeul, welke zich door de bank in zeer bochtige en schuine richting slingerde, te bewaken.
»Daar zijn ze!... Daar zijn ze!”
Dat waren de kreten, die tusschen de sloepen gewisseld werden en waarmede de opvarenden de vluchtelingen begroetten.
»Ja, hier zijn wij!” antwoordde de jeugdige marine-officier op dien kreet.
»Ja, hier zijn wij!” herhaalde Mars even uitdagend.
»Revolver en sabel in de hand, Mars!”
»En er op in, ja master Gib!”
Maar.... twee tegen dertig! Was die strijd mogelijk?

In een ondeelbaar oogenblik hadden drie of vier sloepen de giek aan boord geklampt. (Bladz. 234).
In een ondeelbaar oogenblik hadden drie of vier sloepen de giek aan boord geklampt. Eenige schoten knalden. Dat waren slechts de revolvers van Gilbert Burbank en van Mars, die zich in het gevecht hooren lieten. De tegenpartij maakte van geen vuurwapenen gebruik, omdat last was gegeven de vluchtelingen levend gevangen te nemen. Drie of vier opvarenden der sloepen werden gedood of gewond. Maar, was het wonder, dat Gilbert en zijn makker in dien ongelijken strijd het onderspit delfden?
De jeugdige officier werd, in weerwil van zijn schier ontembaren tegenstand, gekneveld en daarna in een der sloepen overgedragen.
»Vlucht.... Mars!... Vlucht!”
Dat waren de laatste woorden, die hij zijnen wakkeren matroos nog vermocht toe te roepen. Een oogenblik later lag hij met een prop in den mond en aan handen en voeten geboeid op den bodem eener sloep.
Mars had de aanbeveling van zijn officier niet noodig gehad.
Met een flinken sabelslag ontdeed hij zich van den man, die hem gegrepen had, en alvorens een ander had kunnen bijspringen om hem tegen te houden, was de koene echtgenoot van Zermah in de rivier gesprongen.
Alle pogingen om hem op te visschen waren tevergeefs. De kleurling was te midden van de kolken der bank verdwenen. Bij het intreden van den vloed toch kookt en woelt het op die ondiepten en verandert de anders zoo kalme stroom gewoonlijk in woedende stortvloeden.
Men moest het er voor houden, dat Mars verdronken was.