IV. De Familie Burbank.
Reading edition
Het was iets over zeven uren, toen master James Burbank en Edward Carrol de treden van het perron opstegen, waarop de voornaamste deur van Castle-House, naar den kant van de Sint-John rivier, toegang verleende. Zermah, die het kleine meisje bij de hand hield, volgde hen onmiddellijk. Weldra bevonden zij zich in de hall, eene soort van groote vestibule, welker achtergedeelte, koepelvormig afgerond, de dubbele omwenteling van de groote trap bevatte, welke naar de bovenverdiepingen voerde.
Mevrouw Burbank bevond zich daar in gezelschap van den heer Perry, die de geheele administratie van de plantage voerde.
»Is er geen nieuws van Jacksonville gekomen?” vroeg James Burbank aan zijne echtgenoote.
»Neen, manlief.”
»Zijn er geen tijdingen van Gilbert?”
»Toch... er is een brief!”
»God zij gedankt! Waar is hij?”
»Ziehier.”
James Burbank nam den brief en brak hem, na zijne vrouw en ook de kleine Dy, zijne dochter, hartelijk gekust te hebben, open.
Die brief was niet geopend geworden gedurende de afwezigheid van James Burbank. De omstandigheden in aanmerking genomen, waarin hij, die hem geschreven had, en ook zijne familie in Florida zich bevonden, had mevrouw Burbank het geraden geacht, dat haar echtgenoot het eerst van den inhoud kennis nam.
»Die brief is ongetwijfeld niet met de gewone postgelegenheid gekomen?” vroeg James Burbank bezorgd.
»O, neen, mijnheer Burbank,” antwoordde Perry.
»Dat zou van den kant van Gilbert te onvoorzichtig zijn,” vulde mevrouw Burbank aan.
»Wie heeft zich met de bezorging belast?”... vroeg de echtgenoot
»Een man uit Georgië, op wiens toewijding onze jonge luitenant vertrouwen meent te kunnen stellen.”
»Wanneer is deze brief aangekomen?”
»Wanneer?”
»Ja, op welken dag? Gisteren of vandaag?”
»Gisteren.”
»En de man?”
»Wien bedoelt gij?”
»De man, de bode, welke dien brief gebracht heeft?”
»O, die is denzelfden avond weer vertrokken.”
»En is hij voor zijn dienstbetoon goed beloond geworden?”
»Ja, manlief; maar niet door ons...”
»Niet door u?”
»Neen, maar door Gilbert. Zoo zei hij en daarom wilde hij niets van ons ontvangen.”
»Dat is zonderling,” zei James Burbank peinzend.
De hall was door twee helder brandende lampen verlicht, die op eene marmeren tafel voor een breeden divan stonden. James Burbank nam bij die tafel plaats, terwijl zijne echtgenoote en zijne dochter naast hem gingen zitten. Edward Carrol had, nadat hij zijne zuster de hand gedrukt had, in een leuningstoel plaats genomen. Zermah en Perry stonden dicht bij de trap. Zij waren genoegzaam vertrouwd met de familie Burbank, dan dat hunne tegenwoordigheid bij het lezen van dien brief aan onbescheidenheid zou kunnen worden toegeschreven.
James Burbank had hem geopend en bekeek hem.
»Hij dagteekent reeds van den 3den Februari,” zei hij.
»Reeds vier dagen oud!” antwoordde Edward Carrol. »Dat is lang in de tijdsomstandigheden, die wij doorleven.”
»Lees dan toch!” zei mevrouw Burbank.
»Ja, lees dan toch, papa!... lees dan toch!” zei het kleine meisje, trillend van ongeduld, hetgeen voor haren leeftijd zeer begrijpelijk was.
Ziehier, wat die brief inhield:
»Aan boord van de Wasbah, ter ankerplaats te Edisto, den 3den Februari 1862.
»Waarde Vader!
»Ik begin met u een kus toe te zenden voor mijne dierbare moeder, voor mijne kleine zuster en voor u. Ik vergeet daarbij mijn oom Carrol niet. En om niets te verzuimen, zend ik tevens aan de goede Zermah de meest liefderijke groeten van haren echtgenoot, van mijn braven en toegenegen Mars.

Jacksonville.
»Wij beiden zijn zoo gezond mogelijk en lijden slechts aan eene gemeenschappelijke kwaal, namelijk aan de begeerte om bij ulieden te zijn! De vervulling dier begeerte zal wel niet lang meer uitblijven, hopen wij, al zou Perry ons ook daarom moeten vloeken, hij onze waardige administrateur, die, daar hij de meest verstokte voorstander der slavernij is, daarom als een razende moet aangaan, nu de Noordelijken zoo’n voortgang maken...”
»Ziezoo,” zei Edward Carrol, »dat is voor u Perry. Daar kunt gij het vooreerst mede doen!”
»Ieder heeft zijne eigene meeningen daaromtrent,” antwoordde Perry, op den toon van iemand, die volstrekt niet genegen is de zijne prijs te geven.
James Burbank vervolgde:
»Deze brief zal u overhandigd worden door een man, omtrent wien ik verzekerd ben. Vreest derhalve dienaangaande niets. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat het smaldeel van den Commodore Dupont zich van Port Royal en de nabijgelegen eilanden meester gemaakt heeft. De Noordelijken dringen de Zuidelijken dus langzamerhand achteruit. Het komt mij dan ook als zeer waarschijnlijk voor, dat het federalistisch gouvernement trachten zal de voornaamste havenplaatsen van Florida, zoowel langs den Atlantischen Oceaan als langs de golf van Mexico, in handen te krijgen. Men praat veel over een krijgstocht, die Dupont en Sherman tegen het einde van deze maand denken te ondernemen.
»Zeer waarschijnlijk zullen wij dan de baai van Sint Andrews bezetten. Dat is volgens mij het meest geschikte punt, om van daaruit den Floridaschen Staat binnen te dringen.
»Hoe ongeduldig ben ik, waarde vader, om dien krijgstocht aan boord van onze zegevierende flottilje mede te maken. De toestand mijner verwantschap te midden dier bevolking van heftige aanhangers der slavernij beangstigt mij steeds. Maar het oogenblik nadert al meer en meer, dat wij openlijk de beginselen kunnen doen zegevieren, welke steeds op de plantage van Camdless-Bay voorgezeten hebben en daar nimmer verloochend zijn.
»O, kon ik toch een uitstapje maken. Een slippertje, zooals wij hier zeggen, al ware het slechts voor vierentwintig uren; hoe zou ik mij haasten, om u te komen opzoeken!
»Maar neen, dat zou te onvoorzichtig handelen zijn, zoowel voor u als voor mij. Beter is het nog wat geduld te oefenen. Nog eenige weken en dan zullen we allen te Castle-House vereenigd zijn!
»En nu ik zal gaan eindigen, vraag ik mij af, of ik niemand vergeten heb, toen ik u opdroeg mijne groeten over te brengen. En, waarlijk, ik vergat mijnheer Walter Stannard en mijne bekoorlijke Alice, die ik zeer ongeduldig ben om terug te zien! »Doet mijne hartelijke groeten aan haren vader, maar... geef aan haar toch nog iets meer.
»Ik noem mij met den meesten eerbied en hartelijke liefde, uwe u liefhebbende zoon:
»Gilbert Burbank.”
Toen hij met lezen ophield, legde James Burbank den brief op tafel neder. Zijn echtgenoote greep het papier en bracht het aan de lippen. Daarna volgde de kleine Dy, die een klinkenden zoen op de handteekening van haren broeder drukte.
»Brave kerel!” zei Eduard Carrol.
»En brave Mars!” vulde mevrouw Burbank aan, terwijl zij Zermah aankeek, die het kleine meisje in hare armen sloot en onstuimig aan haar hart drukte.
»Zeg, manlief,” vervolgde mevrouw Burbank, »weet ge wat ge doen moest?”
»Als gij het mij zeggen zult, zal ik het weten, vrouwlief.”
»Gij moest aan Alice mededeeling doen,” ging de liefhebbende moeder voort, »dat wij een brief van Gilbert ontvangen hebben.”
»Juist, dat is eene goede gedachte,” antwoordde James Burbank. »Ik zal haar schrijven....”
»Schrijven?...”
»Of beter... binnen eenige dagen moet ik toch naar Jacksonville gaan en zal dan Walter Stannard ontmoeten. Sedert Gilbert dezen brief geschreven heeft, zijn waarschijnlijk nadere berichten omtrent den voorgenomen krijgstocht ontvangen. O, dat zij toch spoedig mogen komen, onze Noordelijke vrienden, en dat ons schoon Florida toch weer spoedig onder de vlag der Unie moge gesteld worden! Want onze toestand zoude ten lange laatste eindigen met eenvoudig onhoudbaar te worden!”
En inderdaad sedert het oorlogsgewoel al meer en meer het zuiden naderde, onderging de openbare meening in Florida eene onmiskenbare wijziging ten opzichte van de quaestie, welke de Vereenigde Staten zoo wreed verscheurde. Tot op dat tijdstip had zich de slavernij niet buitengewoon ontwikkeld in die vroegere Spaansche kolonie, die de beweging niet met dezelfde geestdrift, als in de Staten Virginia, Noord- en Zuid-Carolina, Georgië of Alabama het geval was, gevolgd had. Maar heethoofdige volksmenners hadden zich weldra aan het hoofd der voorstanders van de slavernij geplaatst. Die lieden, die steeds tot muiterij en opstand gereed waren, hadden niets te verliezen, daarentegen alles te winnen, wanneer de zaken in de war liepen en troebelen uitbraken. Zij beheerschten de autoriteiten te Sint Augustijn, maar vooral te Jacksonville, waar zij bij het afzichtelijkste gedeelte der bevolking steun zochten.
En daarom kon de toestand van James Burbank, wiens afkomst en denkbeelden niet onbekend waren, op een gegeven oogenblik zeer onrustbarend worden.
Het was ongeveer twintig jaren geleden, toen master James Burbank, na den Staat New Jersey verlaten te hebben, alwaar hij nog eenige grondeigendommen bezat, zich met zijne vrouw en zijn zoon, toen nog slechts vier jaren oud, te Camdless-Bay was komen vestigen. Men weet, hoe de plantage was vooruitgegaan, dank zij zijner oordeelkundige bedrijvigheid, alsook dank zij den krachtigen bijstand, dien Edward Carrol, zijn zwager, hem geboden had.
Hij gevoelde dan ook eene onwrikbare aanhankelijkheid voor dat grondbezit, hetwelk hij van zijne voorouders geërfd had. Daar was zijn tweede kind, de kleine Dy, geboren, vijftien jaren nadat hij zijn intrek op Castle-House genomen had.
Master James Burbank was toen zes en veertig jaren oud. Hij was een man van een ijzersterk gestel, die aan den arbeid gewoon was en zich niet spaarde, wanneer het gold het goede voorbeeld te geven. Men wist dat hij een geestkrachtvol karakter had. Hij was zeer aan zijn eenmaal opgevatte meeningen gehecht, en deinsde er niet voor terug die openlijk te verkondigen. Zijne gestalte was lang, zijn hoofdhaar begon nauwelijks te grijzen, zijn gelaat vertoonde een ernstigen trek, maar ademde toch welwillendheid en stootte volstrekt niet terug. Evenals de Amerikanen der Noordelijke Staten, droeg hij een kinbaard, zonder knevels of bakkebaarden en stelde zoo het type daar van den echten Yankee van Nieuw-Engeland.
Hij was op de geheele plantage, hoe uitgestrekt ook, bemind; want hij was goedig. Men gehoorzaamde hem gaarne; want hij was rechtvaardig. Zijne zwarten waren innig aan hem verknocht en hij wachtte, evenwel niet zonder ongeduld, dat de omstandigheden hem gedogen zouden, hen van het slavenjuk te kunnen bevrijden.
Zijn schoonbroeder, die ongeveer zijn leeftijd bereikt had, was hoofdzakelijk met de comptabiliteit van Camdless-Bay belast. Edward Carrol leefde in alles in de beste verstandhouding met hem, en deelde zijne meeningen ten opzichte van de slavenquaestie volkomen.
Er was dus slechts de administrateur Perry, die te midden van die kleine wereld te Camdless-Bay een ander gevoelen toegedaan was. Maar men moet daarom niet gelooven, dat die waardige man de slaven mishandelde. Integendeel, hij zorgde goed voor hen en stelde alle pogingen in het werk, om hen in hun toestand zoo gelukkig mogelijk te maken.
»Maar,” verkondigde hij, »er zijn streken in de warme landen, waar de veldarbeid slechts door de zwarten kan verricht worden. En nu zouden zwarten, die geene slaven waren, geen zwarten meer zijn!”
Dat was zijne theorie, zijne meening, die hij bij iedere gelegenheid, welke zich voordeed, hardnekkig volhield. Men liet hem gaarne redekavelen, zonder veel naar hem te luisteren. Maar, toen het wapengeluk de tegenstanders der slavernij toelachte, hield master Perry niet met raaskallen op.
»Men zal mooie dingen op Camdless-Bay zien gebeuren,” zei hij, »wanneer master Burbank zijn negers de vrijheid zal verleend hebben.”
Maar, zooals gezegd is, het was een best, zelfs een uitstekend mensch, en daarbij moedig ook. Toen toch James Burbank en Edward Carrol deel hadden uitgemaakt van dat detachement der militie, hetwelk de »minutemen” genoemd werd—minuut-menschen, om aan te duiden, dat zij iedere minuut, ieder oogenblik gereed moesten staan om uit te rukken—had hij zich zonder aarzelen bij hen aangesloten, om de laatste overgebleven benden der Seminool-Indianen te bevechten.
Mevrouw Burbank droeg toen ten tijde hare jaren met eere. Men zou nimmer gezegd hebben, dat zij reeds negen en dertig was. Zij was nog zeer schoon. Ongetwijfeld zou hare dochter haar gelijken.
James Burbank had in haar eene liefhebbende en aantrekkelijke levensgezellin gevonden, aan wie hij een groot gedeelte van het geluk, hetwelk hij gesmaakt had, verschuldigd was. De edelmoedige vrouw leefde slechts voor haren echtgenoot, voor hare kinderen, die zij in de volste beteekenis des woords aanbad, en omtrent welker toekomst zij de levendigste ongerustheid gevoelde in de gegeven omstandigheden, waardoor de burgeroorlog tot in Florida zou overgebracht worden.
Ja, zij had Diana, of beter Dy, zooals het vroolijke en beminnelijke meisje gewoonlijk genoemd werd, op Castle-House bij zich; maar Gilbert daarentegen was er niet. Die bevond zich te midden van het volle oorlogsgewoel. En dat was oorzaak, dat de liefderijke moeder onophoudelijke doodsangsten doorstond en zij zich niet in staat gevoelde, die steeds en altijd te bemantelen.
Gilbert was een jongeling, die toen vier en twintig jaren oud was, en bij wien men de edele eigenschappen en hoedanigheden van zijn vader terugvond. Hij was evenwel iets meer mededeelzaam van karakter, terwijl hij lichamelijk met meer bevalligheid en aantrekkelijkheid bedeeld was. Bovendien was hij een stoutmoedige kerel, die zijne zenuwen door alle mogelijke lichaamsoefeningen gestaald had. Hij was even behendig ruiter als bekwaam zeevaarder en ervaren jager. Tot grooten schrik zijner moeder had hij veelal de uitgestrekte wouden en moerassen van het graafschap Duval tot tooneel zijner jachtbedrijven gekozen. Ook met de veelvuldige kreken en zeemondingen van de Sint John was hij bekend, en meermalen had hij zijne tochten tot bij de Pablo-monding uitgestrekt.
Gilbert gevoelde zich dan ook natuurlijk geheel aangetrokken tot het soldatenleven, toen de eerste schoten bij het uitbreken van dien onzaligen secessie-oorlog gewisseld werden, en was tot het doorstaan van de vermoeienissen, aan dat leven verbonden, geheel en al geschikt. Hij begreep, dat zijn plicht hem in de gelederen der federalistische troepen riep en aarzelde niet. Hij verzocht om te mogen vertrekken. En James Burbank dacht er geen oogenblik aan, om den wensch zijns zoons te weerstreven, hoeveel verdriet zijne echtgenoot ook over het genomen besluit mocht ondervinden en hoevele gevaren de toestand ook mocht aanbieden. Hij dacht evenals zijn zoon, dat plicht gebood en dat plicht boven alles moet gaan.
Gilbert vertrok dus naar het noorden; maar zijn heengaan werd zoo geheim mogelijk gehouden. Wanneer men toch te Jacksonville vernomen zoude hebben, dat de zoon van James Burbank bij het leger der Noordelijken in dienst getreden was, zou dat voorzeker represaille-maatregelen tegen Camdless-Bay uitgelokt hebben. De jonge man had aanbevelingsbrieven medegekregen voor vrienden, die zijn vader in den Staat New Jersey behouden had. Daar hij steeds een zekere voorkeur voor het zeemansleven aan den dag gelegd had, verschafte men hem spoedig eene verbintenis op de federalistische vloot.
In dien tijd kwam men in dienst snel vooruit, en daar Gilbert tot hen behoorde, die niet van luilakken houden, baande hij zijn weg. Daarenboven had het gouvernement van Washington het oog op dien jongen man gevestigd, die bij het uitbreken der vijandelijkheden geen oogenblik geaarzeld had, om zijne diensten aan te bieden. Bij den aanval op het fort Sumter had Gilbert het geluk gehad bijzonder uit te munten. Hij was op de Richmond, toen dit schip in de Mississippi-monding door de Manassas aan boord geloopen werd, en hij bracht in ruime mate het zijne er toe bij, om het veroverde vaartuig te ontdoen van de entertrossen en haken en het te hernemen.
Na die verrichting werd hij, hoewel hij niet afkomstig was van de zeevaartkundige inrichting te Annapolis, evenmin als al die geïmproviseerde officieren, welke aan den handel ontleend waren, tot adelborst bevorderd. In dezen nieuwen graad kwam hij bij het smaldeel van den Commodore Dupont aan en woonde het schitterende wapenfeit van het nemen van het fort Hatteras, daarna het bezetten der Sea Islands bij.
Hij was nu luitenant ter zee aan boord van een der kanonneerbooten van den Commodore Dupont, die zich gereed maakten om de toegangen tot de Sint John te bemachtigen.
Ja, dit jongmensch was ook ongeduldig om dien onzaligen en bloedigen broederoorlog een einde te zien nemen. Hij beminde toch en werd weder bemind!
Wanneer zijn diensttijd om zoude zijn, zou hij naar Camdless-Bay vliegen, alwaar hij met de dochter van een der beste vrienden zijns vaders in het huwelijk zoude treden.
Master Walter Stannard behoorde niet tot de klasse der kolonisten van Florida. Hij was als weduwnaar, evenwel niet geheel zonder vermogen, bij den dood zijner gade achtergebleven en had zich geheel en al willen wijden aan de opvoeding zijner dochter. Hij woonde te Jacksonville en had derhalve de rivier slechts vier of vijf mijlen op te varen, om zich naar Camdless-Bay te begeven. In de laatste vijftien jaren was er geen week voorbijgegaan, dat hij geen bezoek aan de familie Burbank gebracht had. Men zou dus gerust kunnen beweren, dat Gilbert Burbank en Alice Stannard te zamen opgevoed waren.
Vandaar dan ook dat men reeds sedert langen tijd plannen van een huwelijk tusschen de jongelieden gevormd had. Die plannen hadden nu tot eene beslissing geleid, die het geluk van beiden moest verzekeren.
Hoewel Walter Stannard van zuidelijke afkomst was, zoo was hij toch, evenals meerdere zijner medeburgers in Florida, een bepaald tegenstander van de slavernij. Maar hij en zijne medestanders waren niet talrijk genoeg, om aan de groote meerderheid der kolonisten en der bewoners van Jacksonville, welker denkbeelden steeds scherper aan den dag kwamen en zich al meer en meer voor de zaak der afscheiding uitspraken, het hoofd te kunnen bieden. Daaruit volgde, dat die eerlijke lieden door de volksmenners in het graafschap, door de half-blanken en vooral door de heffe des volks, die tot alle buitensporigheden en uitspattingen in staat was, met vertoornden blik nagekeken werden.
Walter Stannard was een Amerikaan, van Nieuw Orleans geboortig. Mevrouw Stannard, van Fransche afkomst, was op jeugdigen leeftijd gestorven, maar had de edele hoedanigheden, welke het Fransche ras zoo eigen zijn, op hare dochter overgedragen.
Toen het oogenblik van vertrek voor Gilbert gekomen was, had Alice eene groote geestkracht aan den dag gelegd. Zij was het, die toen mevrouw Burbank getroost en gerustgesteld had. Hoewel zij Gilbert evenzeer beminde als hij haar liefhad, hield zij niet op zijne moeder er op te wijzen, dat het zijn plicht was om te vertrekken, dat het zijn plicht was om voor zulk eene menschlievende zaak te strijden. Strijden voor die zaak, was strijden voor de bevrijding van een geheel menschenras.
Miss Alice was toen negentien jaren oud. Het was een blond jong meisje met bijna zwarte oogen, met eene warme en levendige huidtint, met eene bevallige gestalte en met lieve en voorname gelaatstrekken. Zij was wellicht een weinig ernstig, maar daarbij toch zoo bewegelijk van uitdrukking, dat de minste glimlach voldoende was om haar fraai gelaat te doen uitkomen.
En nu nog de schildering van een paar anderen.
Waarlijk, de kennismaking met de familie Burbank zou onvolkomen zijn, wanneer men naliet de beide dienstboden Mars en Zermah met een paar penseelstreken te vermelden.
Zooals men uit den brief van Gilbert gezien heeft, was deze niet alleen vertrokken. Mars, de echtgenoot van Zermah, had hem vergezeld. De jonge man zou geen meer verknochten makker hebben kunnen aantreffen dan die slaaf van Camdless-Bay, die vrij was, zoodra hij het grondgebied der anti-slaven-gezinde Staten betreden had. Maar Gilbert was steeds voor Mars zijn jonge meester en hij had hem niet willen verlaten, hoewel het federalistische gouvernement reeds lang overgegaan was tot het vormen van neger-bataljons, waarin hij natuurlijk een plaats had kunnen vinden.
Mars en Zermah behoorden niet door hunne geboorte tot het zuivere negerras. Zij waren beiden mestiezen. Zermah had tot broeder dien heldhaftigen slaaf, Robert Small genaamd, die vier maanden later in de baai zelve van Charlestown aan de geconfedereerden een stoomscheepje, bewapend met twee kanonnen, zou ontnemen, om het als hulde aan de federalistische vloot aan te bieden.
Zermah was dus van goed ras; maar Mars ook. Het was een gelukkig huisgezin, dat gedurende de eerste jaren van hun huwelijk, zich meermalen door den hatelijken slavenhandel in hun geluk bedreigd had gezien. Het was zelfs ten gevolge van zulk een oogenblik, waarbij zij door de wisselvallige kansen van eene verkooping gescheiden zouden worden, dat zij te Camdless-Bay in het personeel der plantage waren opgenomen geworden.
Ziehier onder welke omstandigheden dat plaats had.
Zermah was thans een-en-dertig jaren oud, Mars vijf-en-dertig jaren. Zij waren zeven jaren vroeger getrouwd, toen zij aan een zekeren kolonist toebehoorden, Tickborn genaamd, wiens onderneming een twintig mijlen hoogerop en bovenstrooms van Camdless-Bay gelegen was. Die kolonist had sedert jaren in drukke betrekking gestaan met Texar. Deze laatste bracht veelvuldige bezoeken op de plantage van den eerstgenoemde, alwaar hij steeds goed ontvangen werd. Dat kan geen bevreemding baren, daar Tickborn iemand was, die hoegenaamd geene achting in het graafschap genoot. Zijn bevattelijkheid was gering, en daar zijne zaken in de war geraakten, was hij verplicht eene partij zijner slaven te verkoopen.

Daarop nam hij plaats bij den achtersteven, greep zijn pagaai. (Bladz. 58.)
Juist tegen dat tijdstip had Zermah, die, evenals het overige slavenpersoneel van de plantage Tickborn, zeer mishandeld was geworden, een armzalig klein wezen ter wereld gebracht, dat haar bijna dadelijk ontnomen was geworden. Terwijl zij de straf onderging voor de eene of andere misdaad of verzuim, dat zij niet begaan had, of waaraan zij niet schuldig was, stierf haar kind in hare armen. Dat men oordeele welke droefheid de arme Zermah bezielde, maar ook welken toorn Mars voelde opwellen!
Maar wat konden die rampzaligen tegen een meester uitrichten, aan wien hun vleesch, hetzij levend hetzij dood, toebehoorde? Hij had het immers gekocht!
Bij dat verdriet zou een nog veel verschrikkelijker gevoegd worden. En inderdaad, den morgen volgende op den dag dat hun kind gestorven was, waren Zermah en Mars ten verkoop aangeslagen geworden. Maar... de troost om zich bij een anderen meester weer bij elkander aan te treffen, zouden zij zeker niet hebben mogen smaken. Er had zich toch een man voorgedaan, die Zermah wilde koopen; maar Zermah alleen, hoewel hij geene plantage bezat. Een gril voorzeker! En die man was Texar. En zijn vriend Tickborn was op het punt de vereischte koopakte op te maken, toen in het laatste oogenblik door een nieuwen kooper een opbod gedaan werd.
Die nieuwe kooper was master James Burbank, die bij dien verkoop der slaven van Tickborn tegenwoordig was. Hij gevoelde zich zeer bewogen met het lot der arme mestiesche vrouw, die tevergeefs bad en smeekte, dat men haar toch niet van haren echtgenoot zoude scheiden.
James Burbank had juist eene min voor zijn dochtertje noodig. Toen hij vernam, dat eene der slavinnen van Tickborn, wier kind pas gestorven was, in de gewenschte omstandigheden verkeerde, had hij slechts ééne gedachte, namelijk die om haar te koopen. Maar innig bewogen door de tranen van Zermah, aarzelde hij niet om voor haren man en haar een veel hoogeren prijs te loven dan tot nu toe geboden was.
Texar kende master James Burbank, die hem reeds verscheidene malen van zijn landgoed als een man van zeer verdachte reputatie verjaagd had. Dat was dan ook de oorzaak van den haat, dien Texar aan de geheele familie op Castle-House toedroeg.
Texar poogde tegen zijn rijken concurrent op te bieden; maar dat ging niet. Hij hield evenwel vol, zoodat de prijs tot het dubbele steeg van dien, welken Tickborn voor de beide mestiezen, voor man en vrouw, gevraagd had. Dat diende tot niets dan om James Burbank te noodzaken zooveel duurder te betalen. Eindelijk werd hem het paar toegewezen.
Dus, niet alleen zouden Mars en Zermah niet van elkander gescheiden worden, maar zij zouden in dienst komen bij den meest edelaardigen van alle kolonisten van geheel Florida.
Dat was waarlijk eene verzachting in hun leed. Zij zagen dan ook met een zeker gevoel van veiligheid de toekomst, die zich zoo verschrikkelijk voorgedaan had, tegemoet.
Zermah was zes jaar later op het toppunt harer schoonheid als mestiesche vrouw. Zij bezat eene geestkrachtvolle geaardheid, daarenboven een hart, dat geheel aan hare meesters gewijd was. Zij was meer dan eens in de gelegenheid geweest,—en zou in het vervolg ook nog in de gelegenheid komen,—om hun hare dankbare toewijding te bewijzen en te toonen. Mars was ten volle die vrouw waardig, waaraan de liefderijke daad van James Burbank hem voor immer vastgeklonken had. Hij was een opmerkenswaardig type van dit Afrikaansche ras, hetwelk zich op zoo breeden voet met het Kreoolsch bloed gekruist heeft. Hij was lang, uiterst stevig gebouwd en bezat een moed, die gerust bij iedere gelegenheid op de proef gesteld kon worden. Daardoor was hij in staat gesteld, om zijn meester de meest belangrijke diensten te bewijzen.
Die twee nieuwe dienaren, welke aan het personeel der plantage van Camdless-Bay toegevoegd waren, zouden evenwel niet als gewone slaven behandeld worden. Door hunne goedhartigheid en hunne schranderheid waren zij al heel gauw op hunne juiste waarde geschat geworden.
Mars werd in het bijzonder voor den dienst van den jeugdigen Gilbert bestemd.
Zermah werd natuurlijk de min, de voedstermoeder van de lieve kleine Diana.
Die schikkingen eigenden zich in het bijzonder, om die twee zoo innig mogelijk in de vertrouwelijke intimiteit der familie Burbank binnen te voeren.
Zermah gevoelde daarenboven al heel spoedig eene moederlijke liefde voor dat jonge meisje in haar hart opwellen, eene liefde, die zij niet meer voor haar eigen overleden kindje kon koesteren. Dy betaalde haar die liefde met woekerwinst uit, en de kinderlijke liefde van de eene beantwoordde ten volle aan de moederlijke liefde van de andere. Was het wonder, dat mevrouw Burbank de meest vriendschappelijke en meest dankbare gevoelens voor die twee mestiezen koesterde?
Dezelfde edelaardige band was tusschen Gilbert Burbank en Mars ontstaan.
De mesties was behendig en krachtig. Door zijn voorbeeld en onderwijs had hij er veel toe bijgebracht, om zijn jeugdigen meester eene zekere behendigheid in alle lichaamsoefeningen te verleenen. James Burbank wenschte zich zelven dan ook geluk, dat hij dien persoon aan zijn zoon verbonden had.
Dus de toestand en de levensvoorwaarden van Zermah en van Mars waren nimmer zoo gelukkig geweest.
Zij zouden nimmer vergeten, wat zij bij dien Tickborn geleden hadden, ook niet, dat zij op het punt geweest waren in handen van een man als Texar te geraken.

Niemand zou in dit doolhof den weg hebben kunnen vinden. (Bladz. 59.)