← Table of contents
De strijd tusschen Noord en Zuid, Deel 1: Overrompeling eener plantage

I. Aan boord van de stoomboot »Shannon”.

Reading edition

Florida, die langwerpige strook gronds, welke zich als een overgroote splinter tusschen den Atlantischen Oceaan en den Mexicaanschen zeeboezem uitstrekt, en die in 1819 bij de groote Amerikaansche federatie ingelijfd was geworden, werd eenige jaren later tot bondgenootschappelijken Staat verheven.

Door die inlijving was het grondgebied der Groote Republiek met zeven en zestig duizend vierkante mijlen vergroot geworden. Maar de Floridasche ster schittert slechts met een glans van den tweeden rang aan het firmament der zeven en dertig sterren, welke op de vlag der Vereenigde Staten van Noord-Amerika prijken.

Dat Florida is slechts een smalle lage landtong. Hare geringe breedte belet aan de rivieren, welke het landschap besproeien, zich over eenige lengte van belang te ontwikkelen en eenige gewichtigheid te erlangen. Hierop maakt evenwel de Sint John eene gunstige uitzondering.

Met eene zoodanige geringe terreinsverheffing als Florida bezit, hebben de rivieren en beken te weinig verval om een sterken stroom te verkrijgen.

De streek bevat geene bergen; slechts eenige reeksen van die »blufs” of heuvels, welke in het centrum en het noordelijk gedeelte van de Vereenigde Staten zoo veelvuldig aangetroffen worden.

Wat den vorm van het land betreft, men zou dien kunnen vergelijken met een castorstaart, die in de zee zou hangen, hebbende ten oosten den Atlantischen Oceaan en ten westen de Golf van Mexico.

Florida heeft dus geene grensburen, tenzij de Staten Georgië en Alabama, die er in het noorden aan grenzen. Die grens vormt als het ware eene breede landengte of beter landbasis, waardoor het schiereiland aan het vasteland verbonden is.

Om kort te gaan, Florida doet zich voor als een bijzonder land, als een vreemdsoortig land zelfs. Daar brengen de bewoners wel het hunne toe bij. Zij zijn toch voor een derde Spanjaarden, voor een ander derde Amerikanen, en voor het laatste derde Indianen. Deze laatsten behooren tot den Seminolen-stam en verschillen zeer veel van hunne rasgenooten uit het Far West.

De bodem is vrij droog, zandig en bijna geheel omzoomd door duinen, die achtereenvolgens door den Atlantischen Oceaan op de zuidkust opgeworpen zijn. In het noordelijk gedeelte is de streek bewonderenswaardig vruchtbaar.

Die streek verdient den naam van Florida volkomen. Hare flora is er prachtig, krachtig en van eene buitengewoon weelderige verscheidenheid. Dat wordt ongetwijfeld daardoor veroorzaakt, dat die streek door de Sint John besproeid wordt. Die stroom ontwikkelt zich op breeden voet van het zuiden naar het noorden over eene uitgestrektheid van twee honderd vijftig mijlen, waarvan er honderd en zeven tot aan het Georges-meer gemakkelijk bevaarbaar zijn. De lengte, welke de andere rivieren des lands missen, ontbreekt der Sint John niet, die dat aan hare hoofdrichting van zuid naar noord te danken heeft. Talrijke rio’s en beken voeren haar heur water toe en vormen menigvuldige kreken en haften op de beide oevers.

De Sint John is dus de slagader des lands. Zij, met hare levenwekkende wateren, vervult waarlijk de rol van ader, die het bloed door het aardlichaam rondvoert.

Op den 7den Februari van het jaar 1862 stevende de stoomboot Shannon de Sint John af. Zij zou tegen vier uren ’s avonds bij het kleine gehucht Picolata aanleggen, na de hooger gelegen aanlegplaatsen der rivier en de verschillende forten van de graafschappen Sint Jan en Putnam aangedaan te hebben. Eenige mijlen lager zoude het vaartuig op het grondgebied van het graafschap Duval aankomen, hetwelk zich tot aan het graafschap Nassau uitstrekt, welk laatste door de rivier van denzelfden naam begrensd wordt.

Picolata bezit uit zich zelve hoegenaamd geene belangrijkheid. Maar hare omstreken bevatten rijke indigo-plantages, vruchtbare rijstvelden, weelderige katoen- en suikerrietvelden, en onmetelijke cypressenbosschen.

De bevolking ontbreekt er dan ook geenszins in den omtrek.

Hare ligging daarenboven verleent haar een zeker handelsverkeer, waardoor koopwaren en reizigers hunnen uitweg daarheen zoeken. Niet ver daarvan verwijderd—een twaalftal mijlen—wordt Sint-Augustijn aangetroffen, een der voornaamste steden van Florida, die op de oostkust, aan den Atlantischen Oceaan gelegen, en door het langwerpige eiland Anastasia tegen de hooggaande deining uit volle zee beschut, als de beste havenplaats in deze streken te beschouwen is. Een bijna rechte weg verbindt Picolata met Sint-Augustijn.

Dien dag trof men in de nabijheid der aanlegplaats te Picolata een grooter aantal reizigers aan dan gewoonlijk. Eenige vlugge rijtuigen, eenige »stages”, een soort vervoermiddel met acht zitplaatsen, hetwelk met vier of zes muildieren bespannen is, die als dollen over dien weg, welke door het moerassige land heenvoert, rennen, hadden die reizigers van Sint-Augustijn aangevoerd. Het was zaak het aanleggen der stoomboot niet mis te loopen, wilde men eene vertraging van minstens acht en veertig uren vermijden, om de steden, dorpen, gehuchten en forten stroomafwaarts gelegen te bereiken.

Inderdaad, de vaart van de Shannon was geen dagelijksche dienst om de gemeenschap tusschen de beide oevers der Sint John te onderhouden. Op dat tijdstip bestond er nog geene concurrentie en was die boot de eenige om dien dienst te volvoeren. Men moest dus te Picolata zijn op het oogenblik, dat zij aanlegde, anders was het mis. De rijtuigen hadden dan ook reeds een uur te voren de passagiers afgezet.

In dit oogenblik bevonden zich een vijftigtal reizigers op het aanleghoofd van Picolata. Men had kunnen opmerken, dat dezen zich in twee groepen verdeelden. Was het eene belangrijke handelszaak, die hen te Sint-Augustijn te zamen had gebracht, of wel eene staatkundige beraadslaging?

Wat er van zij, zooveel is zeker, dat gerust beweerd kon worden, dat de goede verstandhouding onder hen ontbrak. Zij waren als vijanden te zamen gekomen, als vijanden gingen zij weer van elkander. Dat kon men genoegzaam aan de blikken gewaar worden, die zij op elkander wierpen, aan den afstand, dien de beide groepen onderling handhaafden, aan eenige onvoegzame woorden, die weerklonken en waarvan de tartende bedoeling voor niemand verborgen bleef.

Intusschen werd een schril gefluit vernomen, dat bovenstrooms de lucht als het ware verscheurde. Weldra verscheen de Shannon bij de ombuiging van een hoek op den rechter-rivieroever, op een afstand van een halve mijl van Picolata. Dikke stoomwolken ontsnapten uit hare beide schoorsteenen en dwarrelden door de kruinen van het zware geboomte, die door den sterken wind heftig heen en weer geschud werden.

De naderende romp der boot werd voor het oog al grooter en grooter. De eb begon door te staan. De stroom der rivier, die sedert drie of vier uren ten gevolge van den vloed tegen was geweest, was nu gunstig en voerde de wateren der Sint John thans naar hare zeemonding af.

De scheepsklok werd eindelijk vernomen. De raderen, die thans achteruit sloegen, stuitten de vaart der Shannon, die het landhoofd op zijde schoot en daaraan met trossen vastgemeerd werd.

De inscheping geschiedde toen met een zekere haast. Een der twee groepen stapte de loopplank over, zonder dat de andere haar poogde voorbij te ijlen. Dat was ongetwijfeld daaraan toe te schrijven, dat deze nog een of twee passagiers wachtte, die niet op tijd waren en die gevaar liepen de boot te missen.

Twee of drie mannen verlieten dan ook de groep, om tot op een punt van de kade van Picolata te gaan, vanwaar men den weg naar Sint-Augustijn overzien kon. Vandaar keken zij, blijkbaar in de meest ongeduldige stemming, oostwaarts op.

En dat ongeduld had zijne oorzaak; want de gezagvoerder van de Shannon, die reeds op de brug tusschen de beide raderkasten stond, riep:

»Aan boord!... Aan boord!...”

»Nog een paar minuten, kapitein,” vroeg een der mannen van dat gedeelte van de groep, hetwelk op het landhoofd was blijven staan.

»Ik kan niet wachten, heeren!”

»Slechts eenige minuten!”

»Eenige minuten?... Gij spreekt er gemakkelijk over!”

»Slechts twee, kapitein!”

»Neen, geen enkele!”

»Slechts een oogenblik!”

»Neen, onmogelijk! De eb is ingetreden; als ik nog draal, tref ik geen diep water genoeg op de bank van Jacksonville aan.”

»Daarenboven,” merkte een der passagiers op, »er bestaat geen enkele reden waarom wij aan de grillen van de te laat komenden zouden moeten onderworpen worden!”

Hij die zoo sprak, behoorde tot de eerste groep, die reeds bij de roef van het achterschip der Shannon plaats genomen had.

»Dat is ook mijne meening, master Burbank,” antwoordde de gezagvoerder. »De dienst gaat voor alles... Kom, heeren, aan boord; want ik laat de meertrossen innemen!”

Reeds hadden een paar matrozen der stoomboot een boom gegrepen, om haar van het landhoofd af te duwen, en reeds liet de stoomfluit een schrillen gil hooren, toen een kreet weerklonk.

»Daar is Texar!... Daar is Texar!...”

Een rijtuig, dat in vollen ren voortjoeg, werd bij de ombuiging van de kade van Picolata ontwaard en naderde snel. Weinige seconden later stonden de muildieren, welke de bespanning uitmaakten, bij het landhoofd stil. Een man steeg er uit. Zij, die tot op den weg gegaan waren, om naar hem uit te kijken, stapten haastig naar hem toe, waarna allen de loopplank der boot overschreden en zich inscheepten.

»Een oogenblik later,”... sprak een uit de groep.

»Nu, wat zou een oogenblik later?” vroeg de nieuw aangekomene.

»Dan waart ge niet meegegaan.”

»Dat zou jammer geweest zijn,” was het bedaarde antwoord.

»Ja, zeer jammer, en niet alleen jammer, maar ook teleurstellend.”

»Zeker; want er zouden twee dagen hebben moeten verloopen,” vervolgde een ander, »alvorens gij hadt kunnen vertrekken naar... Ja, waarheen? Wij zullen het weten, als ge het ons zult willen zeggen.”

»Wanneer de kapitein naar dien onbeschoften James Burbank geluisterd had,” viel een derde in, »dan zou de Shannon zich nu reeds op een kwart mijl beneden Picolata bevinden!”

»Nogmaals, dat zou jammer zijn,” antwoordde de nieuw aangekomene.

Texar had zich, vergezeld van zijne vrienden, naar het voorschip begeven. Hij vergenoegde zich master James Burbank, van wien hij slechts door de breedte der brug gescheiden was, aan te kijken. Neen, hij sprak geen enkel woord; maar de blik, dien hij op hem wierp, was voldoende om te doen begrijpen, dat er een onverzoenlijke haat tusschen die beide mannen bestond.

Wat James Burbank betrof, deze draaide Texar, na hem vlak in het aangezicht gekeken te hebben, den rug toe en nam plaats bij het achtergedeelte der roef, alwaar zijne makkers reeds gezeten waren.

»Wat ziet die Burbank er ontevreden uit!” zei een van de makkers van Texar.

»Hetgeen trouwens te begrijpen is,” antwoordde een ander.

»Zijne leugens hebben hem niet gebaat en de recorder heeft zijne valsche getuigenissen alle recht laten wedervaren.”

»Maar de recorder heeft hem niet gevonnist...”

»Dat is waar, Texar.”

»Welnu, met dat vonnissen belast ik mij,” zei Texar.

De meertrossen waren middelerwijl losgegooid. Het voorschip was door middel van lange boomstaken van het landhoofd afgeduwd geworden, de schepraderen der boot volvoerden eenige omwentelingen, en weldra gleed de Shannon snel met den stroomdraad, waarbij zij door de ingetreden eb krachtig geholpen werd.

De beide oevers der Sint John gleden als met verbazende snelheid voorbij.

De lezer weet misschien, hoe de stoombooten, die bestemd zijn op de Amerikaansche rivieren en meren dienst te verrichten, er uitzien. Het zijn ware huizen met verscheidene verdiepingen, die met breede terrassen bekroond zijn. Zij worden beheerscht door beide schoorsteenen der machine, en door een tweetal masten, die de hoofdtouwen te dragen hebben, waaraan de spinnekoppen bevestigd zijn, welke de zonnetenten uitgespreid moeten houden.

Die stoombooten zijn op de Mississippi ware vlottende paleizen, die ieder de geheele bevolking van een vrij groot gehucht zouden kunnen bevatten. Voor den dienst op de Sint John en voor de Floridasche steden waren zulke paleizen niet noodig. Neen, de Shannon was slechts een vlottend hôtel, hoewel zij zoowel door hare innerlijke inrichting als door haar uiterlijk de meeste overeenkomst had met de Kentucky’s en met de Dean Richmonds.

Het weer was prachtig. Het donkerblauwe uitspansel was met eenige lichte nevelvlokjes gevlekt, die hier en daar, langs het hemelgewelf verspreid, zweefden. Het luchtgestel gedurende de maand Februari is in de bedoelde streken der Nieuwe Wereld, gelegen onder den dertigsten graad noorderbreedte, bijna zoo warm als dat van de streken der Oude Wereld, op de grenzen der Sahara, die snikheete woestijn, gelegen. Toch temperde een zachte bries, welke de zeewind van den Atlantischen Oceaan toevoerde, dat klimaat eenigermate en belette, dat het er onverdragelijk heet werd.

Het meerendeel der passagiers van de Shannon was dan ook op het dek gebleven, om, tegelijk met de frischheid van het windje, de doordringende geuren te genieten, welke het uit de oever-bosschen tot hen overbracht. De schuin neerschietende stralen van de dagvorstin konden hen onder het afdak der uitgespannen zonnetenten, die door de luchtverplaatsing, door de snelheid der boot teweeggebracht, als punka’s heen en weer bewogen werden, niet bereiken.

Texar had met vijf of zes zijner makkers, die met hem aan boord gekomen waren, goedgevonden naar de »dining-room” te gaan, die in het benedenschip gelegen was. Daar bevochtigden zij hunne keelen, die aan de sterke dranken der Amerikaansche bar’s gewoon geraakt waren, met boordevolle glazen gin, bitter en Bourbonwhiskey. Het waren, om kort te gaan, ruwe kerels, die in hun uiterlijk niets voornaams vertoonden, meer met lederen dan met lakensche kleeding gekleed waren, uiterst onbeschaafd en onbehouwen in hunne uitdrukking en dan ook eerder moesten geacht worden tot de oudere dan wel tot de Floridasche steden te behooren.

Texar scheen eenig recht van meerderheid op hen uit te oefenen, hetgeen waarschijnlijk zijn oorsprong zoowel in de geestkracht van zijn karakter als in de belangrijkheid van zijn maatschappelijken toestand of van zijn vermogen had. Toen dan ook Texar den mond niet opende, bewaarden zijn volgelingen allen een stipt stilzwijgen en benuttigden de gelegenheid om den tijd, dien zij niet met praten doorbrachten, aan drinken te besteden.

Eindelijk ontviel evenwel aan Texar, die met verstrooiden blik een der dagbladen ingezien had, welke op de tafels der dining-room ter lezing lagen:

»Dat alles is oude kost!”

»Nogal begrijpelijk,” antwoordde een zijner makkers.

»Hoe zoo?”

»Gij hebt eene courant in de hand, welke drie dagen oud is.”

»En in drie dagen gebeurt zooveel,” viel een ander van het gezelschap in.

»Vooral sedert hier in de buurt gevochten wordt,” vulde een ander aan.

»Hoe staat het met den oorlog?” vroeg Texar.

»Wat ons meer in het bijzonder betreft, Texar, ziehier de staat van zaken: het federalistisch gouvernement zou zich, zooals algemeen beweerd wordt, onledig houden met het uitrusten van eene expeditie naar Florida. Het gevolg daarvan is, dat wij ieder oogenblik een vijandelijken inval vanwege de Noordelijken te verwachten hebben.”

»Is dat zeker?”

»Och, kom...” wilde er een tusschenbeide brengen.

»Dat kan ik niet zeggen,” ging de berichtgever voort; »maar het gerucht er van heeft te Savannah geloopen, en ik heb het ook te Sint-Augustijn hooren bevestigen.”

»Welnu, laat die federalisten maar komen, nu zij met aanmatiging verkondigen, dat zij ons onderwerpen willen!” riep Texar uit, terwijl hij met de vuist zoo op de tafel sloeg, dat flesschen en glazen rinkelend opsprongen. »Ja, laat ze maar komen! Zij zullen dan ontwaren, of de slaven-eigenaars van Florida genegen bevonden zullen worden, om zich door die abolitionnistische dieven te laten uitschudden en bestelen!”

Dat antwoord zou eene tweeledige inlichting verschaft hebben aan hen, die niet op de hoogte waren der gebeurtenissen, waarvan Noord-Amerika op dat tijdstip het tooneel was. Namelijk, vooreerst dat de secessie of afscheidingsoorlog, die feitelijk verklaard was door het kanonschot hetwelk op den 11den April 1861 op het fort Sumter gelost werd, toen in zijn hevigst tijdperk was; want hij strekte zich toen bijna tot aan de uiterste grenzen der Zuidelijke Staten uit; en eindelijk dat Texar aanhanger van het stelsel van den slavenhandel was en gemeene zaak maakte met de overgroote meerderheid van de bevolking der slavendistrikten.

En juist bevonden zich dien dag aan boord van de Shannon verscheidene vertegenwoordigers van de beide partijen in elkanders tegenwoordigheid.

De inscheping geschiedde toen met een zekere haast. (Bladz. 4).
De inscheping geschiedde toen met een zekere haast. (Bladz. 4).

De inscheping geschiedde toen met een zekere haast. (Bladz. 4).

Was eene vrouw op het punt die trap af te dalen. (Bladz. 10).
Was eene vrouw op het punt die trap af te dalen. (Bladz. 10).

Was eene vrouw op het punt die trap af te dalen. (Bladz. 10).

Aan den eenen kant: Noordelijken, anti-slavenhouders, abolitionnisten of federalisten, zooals zij gedurende dien oorlog gewoonlijk genoemd werden; aan den anderen kant: Zuidelijken, slavenhouders, slavenhalers, secessionnisten of geconfedereerden.

Texar en zijne tochtgenooten stonden een uur later, nadat zij meer dan voldoende hunnen dorst gelescht hadden, van hunne zitplaatsen op, om zich naar het bovendek der Shannon te begeven.

Men was reeds de Trent-kreek en de Zes-Mijlen-kreek voorbijgestoomd. De eerste dier haftvormingen verleende toegang aan het water tot aan de grens van een dicht cypressenbosch; de andere tot het uitgestrekte moeras, de Zes-Mijlen-kreek genaamd, welker naam den omvang dier moerassige oppervlakte aangeeft.

De stoomboot stevende toen tusschen twee oevers, overdekt met prachtige bosschen van Virginische tulpenboomen, van magnolia’s, van pijnboomen, van cypressen, van altijd groenende eikenboomen, van Adams-naaldboomen en van vele andere, die zich even prachtig voordeden en welker stammen te midden van verwilderde azalea-struiken en van onuitwarbare slingerplanten niet te bespeuren waren. Soms bij het voorbijstevenen van de kreek-mondingen, waardoor de water-toevoer naar de moerasachtige vlakten van de graafschappen Sint Jan en Duval plaats heeft, werd eene sterke muskuslucht, die den dampkring als het ware verontreinigde, ontwaard. Die doordringende geur was niet afkomstig van sommige boomen of struiken, welker uitwasemingen in dit luchtgestel zoo onaangenaam scherp kunnen zijn, maar wel van de alligators, die bij het luidruchtig voorbijstevenen van het stoomschip in allerijl eene toevlucht zochten te midden der lange biezen en andere grasgewassen, welke de boorden van de rivier overdekten.

Wijders ontwaarde men velerlei soorten van vogels, zooals bonte spechten, jacamars, reigers, roerdompen, duiven met witte koppen, orpheeën, spotvogels en meer anderen met uiteenloopend gevederte. Daaronder was voornamelijk de kat-vogel, die met zijne buiksprekersstem alle mogelijke geluiden, die hij waarnam, nabootst, zelfs die van den kraaghaan, welke een gekraai uitstoot met metaalachtigen klank, schetterend als het getoet eener trompet en wat op een afstand van vier of vijf mijlen vernomen wordt.

Toen Texar de laatste trede van de kajuitstrap opgestegen was om op het dek op een vouwstoeltje plaats te nemen, was eene vrouw op het punt om die trap af te dalen, welke ook naar het salon der boot voerde. Zij trad haastig terug, toen zij zich tegenover dien man geplaatst zag. Dat was eene mestische vrouw, die bij de familie Burbank in dienst was. Haar eerste gebaar was dat van een niet te onderdrukken walging, toen zij zich plotseling in tegenwoordigheid van dien aartsvijand van haren meester bevond. Zonder zich te bekreunen over den giftigen blik, dien Texar haar toewierp, sprong zij op zijde. Hij trok de schouders verachtelijk op en keerde zich tot zijne makkers.

»Ja, dat is Zermah,” riep hij uit, »een der slaven van dien James Burbank, die er op snoeft geen aanhanger van de slavernij te zijn!”

Zermah antwoordde niet.

Zoodra de toegang tot de kajuitstrap vrij was, daalde zij naar het salon van de Shannon af, zonder het minste gewicht aan die gesproken woorden te hechten.

Texar van zijn kant begaf zich naar het voorschip van de stoomboot, zette zich daar neder, stak eene sigaar aan en scheen zich, zonder verder eenige aandacht aan zijne tochtgenooten, die hem gevolgd hadden, te schenken, geheel en al te verdiepen in de nauwgezette waarneming van den linkeroever der Sint John, die daar de grens van het graafschap Putnam uitmaakte.

Middelerwijl ging ook het gesprek op het achterschip van de Shannon zijn gang.

Natuurlijk was ook daar de oorlog het onderwerp van het gesprek.

Nadat Zermah zich naar het salon begeven had, was master James Burbank alleen gebleven met de twee vrienden, die hem naar Sint Augustijn vergezeld hadden. De een was zijn zwager, de heer Edward Carrol, de andere was een Floridiaan, die te Jacksonville woonde en master Walter Stannard heette. Ook zij spraken met eene zekere opgewondenheid over den bloedigen strijd, waarvan de uitslag eene quaestie van leven of dood voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika was. Maar zooals men wel uit het vervolg van dit verhaal zal ontwaren, oordeelde James Burbank, met het oog op de mogelijke gevolgen, geheel anders dan Texar over dien oorlog.

»Ik heb haast,” zei hij, »om te Camdless Bay terug te zijn.”

»Dat wil ik wel gelooven,” antwoordde Walter Stannard.

»Wij zijn twee dagen geleden vertrokken,” ging master Burbank voort. »Wellicht zijn tijdingen van den oorlog ingekomen.”

»Dat kan wel.”

»Misschien zijn Dupont en Sherman reeds meester van Port Royal en in het bezit van de eilanden van Zuidelijk Carolina.”

»In ieder geval kan dat niet lang uitblijven,” betuigde Edward Carrol, »en het zou mij wel verwonderen, wanneer de president Lincoln er niet toe overging om den oorlog naar Florida over te brengen.”

»Waarlijk, het zal niet te vroeg zijn!” hernam James Burbank. »Ja! het is meer dan tijd om den wil van de Unie aan al die Zuidelijken van Georgië en Florida, die meenen, dat hunne Staten door den grooten afstand onbereikbaar zijn, te beteekenen. Gij ziet tot welken graad van onbeschoftheid die straffeloosheid kerels van het gehalte van Texar kan vervoeren. Hij gevoelt, dat hij ondersteund wordt door de slavenhouders der streek, en hij hitst hen op tegen ons mannen van het Noorden, welker toestand al moeielijker en moeielijker wordt en de wisselingen van den oorlog in hooge mate ondervinden!”

»Gij hebt gelijk, master James,” hernam Edward Carrol, »het is noodig dat Florida zoo spoedig mogelijk onder de autoriteit van het wettig gezag te Washington terugkeere!”

»Ja, dat is noodig!” bevestigde Walter Stannard met nadruk.

»Ik ben dan ook ongeduldig,” ging Edward Carrol voort, »om het federalistische leger te zien opdagen, om er de wet te komen stellen, anders zullen wij verplicht zijn onze plantages te verlaten.”

»Volgens mij, waarde Burbank,” antwoordde Walter Stannard, »kan dat nog slechts eene quaestie van eenige dagen zijn. Voorgisteren, toen ik Jacksonville verliet, begonnen de gemoederen zich te verontrusten over de plannen, die aan den Commodore Dupont toegeschreven worden, namelijk om de bank der Sint John te overschrijden. En dat heeft aanleiding gegeven tot het uiten van bedreigingen jegens hen, die andere denkbeelden toegedaan zijn dan zij, die aanhangers der slavernij zijn. Ik vrees...”

»Vreest gij?... Maar, wat?”

»Ik vrees, dat door een oproer de autoriteiten der stad zullen verjaagd worden en dat het bestuur in handen zal vallen van kerels van de ergste soort.”

»Dat zou mij niets verwonderen,” antwoordde master James Burbank. »Wij moeten er dan ook op bedacht zijn, dat wij bij het naderen van het federalistische leger ernstige, ja kwade dagen zullen te doorworstelen hebben.”

»Zullen die niet te vermijden zijn?”

»Neen, dat is volgens mij onmogelijk!”

»Die gedachte is toch ontmoedigend,” sprak Walter Stannard. »Zoowel te Jacksonville als op andere punten van Florida, bevinden zich verscheidene edele kolonisten, die eenstemmig met ons over het vraagstuk van de slavernij denken. Zij zijn evenwel te weinig talrijk, om zich tegen de buitensporigheden der secessionnisten te kunnen verzetten. Voor onze veiligheid mogen wij slechts op de aankomst van het federalistisch leger rekenen, waarbij gerust de wensch mag gevoegd worden dat, wanneer tot militaire interventie besloten is, zij zoo spoedig mogelijk uitgevoerd worde.”

»Ja, waarlijk,” antwoordde master James Burbank, »ik deel hetzelfde gevoelen, en met u uit ik den wensch: dat zij komen! dat zij spoedig mogen komen, master, om ons van dat slechte gespuis te verlossen!”

Men zal weldra zien, of die mannen van het noorden, welker familie- of vermogen-belangen hen noodzaakten, wilden zij te midden eener slavengezinde bevolking kunnen leven, zich naar de zeden van het land te schikken, redenen hadden om zoo te spreken, redenen hadden om alles te duchten.

Alles wat James Burbank en zijne vrienden van den oorlog dachten, was zuiver waar. Het federalistisch gouvernement bereidde eene expeditie voor, die de onderwerping van Florida in opdracht zoude hebben. Het gold niet zoozeer zich van dien Staat meester te maken of hem door de militaire macht te doen bezetten, dan wel om alle toegangen tot dat gewest te sluiten voor de smokkelaars, welker handwerk daarin voornamelijk bestond om de maritieme blokkade te verbreken, zoowel om de binnenlandsche producten uit te voeren, als om wapenen en munitie in te voeren.

De Shannon waagde zich er dan ook niet meer aan, om de zuidelijke kusten van Georgië, die in de macht der troepen van de Noordelijken waren, aan te doen. Het vaartuig ging uit voorzichtigheid niet verder dan de grens, dat wil zeggen weinig buiten de riviermonding van de Sint John, tot bij de noordelijke punt van het eiland Amalia, tot bij de havenplaats Fernandina, alwaar de spoorwegbaan van Cedar Keys een aanvang neemt en het Floridasche schiereiland in schuine richting doorsnijdt, om bij de golf van Mexico te eindigen. Wanneer de Shannon verder dan het eiland Amalia en de rio Sint Mary gestevend ware, zou zij gevaar geloopen hebben, door de schepen genomen te worden van het federalistische smaldeel, hetwelk dat gedeelte van het kustland onverpoosd bewaakte.

Uit het medegedeelde volgt derhalve, dat de passagiers der stoomboot voornamelijk uit Floridianen bestonden, die door hunne zaken niet genoodzaakt werden zich buiten de grenzen van Florida te begeven. Allen waren inwoners van de steden, dorpen en gehuchten, welke op de oevers van de Sint John verrezen of op de oevers van hare bijrivieren. Voor het meerendeel behoorden zij te huis hetzij te Sint Augustijn, hetzij te Jacksonville. Bij die verschillende plaatsen konden zij op de landhoofden ontschepen, die bij de aanlegplaatsen opgericht waren, of konden zich van die houten staketsels bedienen, van die »piers”, welke volgens Engelsch model gebouwd waren, en de ontschepingsvaartuigen der rivier noodeloos maakten.

Een der passagiers van de stoomboot zou haar evenwel middenstrooms verlaten. Zijn voornemen was het vaartuig te verlaten, zonder te wachten, totdat het een der voorschriftmatige aanlegplaatsen zou aangedaan hebben. Hij wilde ontschepen op een gedeelte van den oever, alwaar geen dorp, geen gehucht, zelfs geen enkele alleenstaande woning, zelfs geen jagers- of visschershut in het gezicht was.

Die passagier was Texar.

Tegen zes uren in den avond liet de Shannon drie scherpe stooten van hare stoomfluit vernemen. Hare raderen werden bijna onmiddellijk daarop gestopt, terwijl het vaartuig zich met den stroom liet mededrijven, die op dit gedeelte van de rivier volstrekt niet snel is.

Het bevond zich toen dwars van de Zwarte Kreek.

Die kreek is zeer diep in den linkeroever van de Sint John ingesneden, terwijl een kleine rio, welke geen naam draagt, maar den voet van het fort Steilman bespoelt, er in uitwatert. Deze rivierarm vormt de grensscheiding tusschen de graafschappen Putnam en Duval. Hare smalle monding wordt geheel en al bedekt door een gewelf van zware takken, welker loof zich als een dicht netwerk ineenstrengelt. Die sombere lagune is als het ware geheel en al onbekend aan de lieden van de omstreken. Niemand heeft ooit gepoogd daarin door te dringen, en niemand wist derhalve, dat zij tot verblijfplaats strekte aan dien Texar. Die onbekendheid werd veroorzaakt, doordat de oever van de Sint John bij de monding der Zwarte Kreek geene opening vertoont, zoodat hij zich als onafgebroken voordoet.

Bij zoo’n staat van zaken, moest men dan ook uiterst bekend met het vaarwater van die donkere kreek zijn, om er zich bij het vallen van den nacht, die in deze gewesten zeer spoedig intreedt, met eene sloep in te wagen.

Op het eerste schrille gefluit van de Shannon was dadelijk een kreet, die tot drie malen toe herhaald werd, tot antwoord gegeven. Daarop werd men eerst het flikkerend licht van een vuur tusschen de biezen van den oever gewaar, hetwelk evenwel spoedig in beweging geraakte.

Dat was het bewijs dat eene sloep vooruitstevende, om bij de boot aan te leggen.

Toen dat vaartuig dichterbij gekomen was, bemerkte men dat het slechts een »squif” was, een kleine notendop van boomschors vervaardigd, die door een enkele pagaai voortbewogen en bestuurd werd. Het vaartuigje naderde snel en weldra was het nog slechts op eene halve kabellengte van de Shannon verwijderd.

Texar naderde toen de valreepsopening in de verschansing van het voorschip, en van zijn hand een soort scheepsroeper makende:

»Aoh!” praaide hij.

»Aoh!” kreeg hij tot antwoord terug.

»Ben jij het, Squambô?”

»Ja, meester!”

»Leg aan boord!”

De squif schoot langs zijde. Bij het schijnsel van de seinlantaarn, welke aan den voorsteven vastgehecht was, kon men den man zien die het vaartuigje stuurde. Het was een Indiaan met verward zwart haar, die tot aan het middel naakt was. Het was, te oordeelen naar den romp, die daar onder de lichtstralen van de seinlantaarn zichtbaar was, een stevige pootige vent.

Texar keerde zich in dit oogenblik tot zijne makkers en drukte hen de hand, terwijl hij hen een beteekenisvol »tot weerziens” toeriep. Daarna daalde hij, na nog een dreigenden blik naar de zijde van master Burbank geworpen te hebben, de valreeptrap af, welke achter de kast van het bakboordrad geplaatst was en vervoegde zich bij den Indiaan Squambô.

Na weinige omwentelingen harer raderen, had de stoomboot zich van de squif verwijderd, en niemand aan boord kon gissen, dat het lichte vaartuigje eene toevlucht zou gaan zoeken onder het donkere loof van den oever.

»Een schurk minder aan boord!” zei toen Edward Carrol, zonder er zich in het minst om te bekreunen, of hij door de makkers van Texar gehoord werd.

»Ja,” antwoordde James Burbank, »een schurk, die tevens een gevaarlijk boosdoener is.”

Zijne reisgenooten keken hem vragend aan.

»Dienaangaande bestaat bij mij niet de geringste twijfel, hoewel de ellendeling er altijd in geslaagd is, zich door inderdaad onverklaarbare alibi’s uit den pekel te redden.”

»In ieder geval,” zei master Walter Stannard, »wanneer dezen nacht eene misdaad in de omstreken van Jacksonville bedreven wordt, dan zal men hem niet kunnen beschuldigen, niet waar? daar hij de Shannon verlaten heeft!”

»Ik wil er geen eed op doen, dat hij onschuldig zoude zijn!” antwoordde master James Burbank. »Wanneer men mij verzekerde, dat men hem op dit oogenblik, waarin wij te zamen spreken, heeft zien stelen en moorden op vijftig mijlen hiervandaan, bij voorbeeld in het noorden van Florida, zou ik waarachtig niet verwonderd zijn.”

»Dat is sterk!” riepen eenige der omstanders.

»Ik moet er bijvoegen,” ging James Burbank voort, »dat, wanneer hij er in slaagde het bewijs te leveren, dat hij niet de bedrijver der misdaad was, mij dat, na alles wat met hem gebeurd is, evenmin zoude verwonderen. Maar wij doen dien kerel te veel eer aan, door ons zoolang met hem bezig te houden.”

»Dat is waar.”

»Keert gij naar Jacksonville terug?”

»Dezen zelfden avond.”

»Wacht uwe dochter u?”

»Ja, en ik ben inderdaad ongeduldig om bij haar te zijn.”

»Dat begrijp ik,” antwoordde James Burbank. »Maar tegen wanneer denkt gij bij ons te Camdless Bay te komen?”

»Over eenige dagen.”

»Kom zoo gauw als gij zult kunnen, waarde Stannard.”

»Dat zal ik voorzeker doen, master James Burbank.”

»Gij weet, wij staan aan den vooravond van zeer ernstige gebeurtenissen, die bij de nadering der federalistische troepen nog ernstiger zullen worden. Ik vraag mij dan ook vol bezorgdheid af, of uwe dochter Alice en gij niet beter in veiligheid bij ons in onze woning te Castle-House zoudt zijn, dan te midden van die stad, alwaar de Zuidelijken in staat geacht kunnen worden tot de ergste uitspattingen over te slaan.”

»Mooi gezegd; maar, waarde Burbank, gij vergeet dat ik zelf een Zuidelijke ben.”

»Ongetwijfeld zijt gij dat, Stannard, maar gij denkt en handelt, alsof gij een Noordelijke waart!”

»Ik zal uwe woorden in gezette overweging nemen, master Burbank. Eene dadelijke beslissing kan ik evenwel niet nemen.”

Een uur later stevende de Shannon onder den aandrang der eb, die al sneller en sneller doorstond, het kleine gehucht Manderijn, hetwelk op een kleinen steeds groenen heuvel gelegen was, voorbij. Ongeveer vijf of zes mijlen lager hield het stoomschip bij den rechter-oever der rivier stil.

Daar was eene inschepings-kade aangelegd, waaraan de schepen vastmeeren konden, om zoo op de gemakkelijkste wijze te kunnen lossen en laden. Iets meer bovenstrooms was een bevallige pier van hout gebouwd, die in de buiging van twee gebogen ijzeren stangen door middel van twee metalen kabels opgehangen was.

Dit was de ontschepingsplaats van Camdless Bay.

Aan het uiteinde van de pier stonden twee zwarten te wachten. Zij waren van brandende lantaarns voorzien, want de nacht was zeer donker.

James Burbank nam afscheid van master Walter Stannard, en besteeg, gevolgd door Edward Carrol, de pier.

Achter hem kwam de mestische vrouw Zermah, die reeds van uit de verte eene fijne kinderstem beantwoordde:

»Daar ben ik, Dy!... Daar ben ik!”

»Waarlijk?” riep het kind.

»Ja, waarlijk!” antwoordde Zermah.

»En is papa er ook?”

»Ja, papa is er ook!”

De lantaarns verwijderden zich en de Shannon stoomde verder en stak de rivier naar den linker-oever over. Drie mijlen voorbij Camdless Bay, maar bij den anderen oever der rivier, stopte zij bij het landhoofd van Jacksonville, om daar het meerendeel harer passagiers te ontschepen.

Daar stapte ook Walter Stannard, tegelijkertijd met drie of vier van die lieden, welke Texar, die anderhalf uur vroeger, toen de Indiaan Squambô hem met zijne squif van boord afhaalde, verlaten had, aan wal. Toen bleef er hoogstens nog een dozijn reizigers aan boord van de stoomboot over. Een gedeelte daarvan had tot bestemmingsplaats een klein gehucht, Pablo genaamd, hetwelk bij den vuurtoren verrezen was, die bij de mondingen der Sint John opgericht was. Een ander gedeelte zoude zich naar het eiland Talbot begeven, hetwelk in volle zee, dwars van de bedoelde mondingen gelegen is. Een ander gedeelte eindelijk zou de reis tot de havenplaats Fernandina voortzetten.

De Shannon ging dus voort met de wateren van den stroom met hare schepraderen te zweepen. Een uur later was zij zonder ongevallen over de bank gestoomd en weldra bij de bocht van de Trout-Kreek, alwaar de Sint John hare reeds sterk bewogen wateren in de deininggolven van den Atlantischen Oceaan stort, verdwenen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings