III. Hoe het met den secessie-oorlog staat.
Reading edition
Eenige woorden zijn noodig over den secessie-oorlog, waarmede deze geschiedenis zoo innig samenhangt.
Laten wij eerst en vooraf als uitgemaakt vaststellen, dat, zooals de Graaf van Parijs, vleugel-adjudant van den generaal Mac Clellan, in zijne merkwaardige Geschiedenis van den burger-oorlog in de Vereenigde Staten van Noord Amerika geschreven heeft, deze oorlog veroorzaakt werd noch door eene tarievenquaestie, noch door eene veete gesproten uit een verschil van afkomst tusschen de Noordelijken en de Zuidelijken. Het Anglo-Saksische ras regeerde tegelijkertijd over het geheele grondgebied der Vereenigde Staten. Een handelsquaestie heeft ook geene aanleiding tot dien vreeselijken strijd tusschen broeders gegeven. »Niet anders dan de slavernij, die in de eene helft der republiek bloeide en in de andere helft afgeschaft was, heeft twee groepen in het leven geroepen, die elkander vijandig waren. Die slavernij had ten zeerste de zeden der bewoners gewijzigd, alwaar zij voortheerschte, hoewel zij daarbij voor het uiterlijke den regeeringsvorm onaangetast liet. Zij was het, die niet het voorwendsel of de gelegenheid aan de hand gaf, maar de eenige oorzaak was van de tweespalt, die den burger-oorlog tot onvermijdelijk gevolg had.”
In de Slavenstaten bestonden drie klassen. Geheel op de laagste sport vier millioen negers, die hunne vrijheid kwijt waren; maar het derde gedeelte der bevolking uitmaakten. Op de bovenste sport stond de kaste der eigenaars, die betrekkelijk weinig onderwezen, maar rijk en van zelfgenoegzaamheid doortrokken waren. Dezen hadden het bestuur der openbare zaken geheel en al tot zich getrokken. Tusschen die twee bestond de rumoerige, de luie, de ellendige klasse der half-blanken. Dezen verklaarden zich, tegen alle verwachting in, voor het behoud der slavernij, grootendeels uit vrees dat de negerklasse bij invrijheidstelling tot hun peil zou kunnen stijgen.
Het Noorden moest dus als vijandig beschouwen niet alleen de rijke grondbezitters, maar ook de half-blanken, die vooral buiten de steden te midden der slavenbevolking woonden.
De strijd, welke zich ontspon, was dan ook vreeselijk. Hij verwekte zelfs te midden der huisgezinnen zoodanige oneenigheden, dat men broeders zag strijden, de een onder de vanen der geconfedereerden, de andere onder die der federalisten. Om het even, een groot volk mocht en kon niet aarzelen, om de slavernij met wortel en tak uit te roeien. Reeds in de vorige eeuw had de beroemde Franklin de afschaffing van die mensch-onteerende instelling geëischt. In 1807 had Jefferson het congres aanbevolen »om een handel te verbieden, welks verdwijning door de moraliteit, door de eer en door de dierbaarste belangen van het land gevorderd werd.”
Het Noorden had dus recht, toen het tegen het Zuiden oprukte, om het ten onder te brengen. Daarenboven, een meer innige band zou tusschen al de elementen der republiek geboren worden, door de vernietiging van de zoo noodlottige en zoo bedreigingsvolle leer, dat ieder burger eerst en vooral gehoorzaamheid verschuldigd was aan den Staat waartoe hij behoorde en eerst daarna en dus eerst in de tweede plaats aan het algemeen belang der Amerikaansche federatie.
Nu was het juist in den Staat Florida, dat de eerste quaestiën betreffende de slavernij en den slavenhandel geopperd werden. In het begin der XIXde eeuw had een Indiaansch opperhoofd, een mesties van oorsprong, Oscéola genaamd, eene boschnegerin, of duidelijker uitgedrukt: eene voortvluchtige negerslavin, tot vrouw genomen. Deze was geboren in dat moerassige gedeelte van het Floridasche grondgebied, hetwelk Everglades geheeten wordt. Deze vrouw werd op een vroegen morgen als voortvluchtige slavin gevat en met geweld weggevoerd. Oscéola, die niet verkoos zich bij zulk een handeling neer te leggen, riep zijne Indianen te wapen en begon met hen den eersten veldtocht tegen het slavenstelsel. Hij delfde evenwel het onderspit, werd gevangen genomen en stierf in de kasematten van de versterking, waarin men hem opgesloten had. Maar de oorlog was daarmede niet uit, hij werd integendeel met de meeste verbittering voortgezet, en, zooals de geschiedschrijver Thomas Higginson zich uitdrukt: »de somme gelds welke tot het voeren van dien strijd benoodigd was, overtrof ruim driemalen die, welke in vroegere jaren aan Spanje voor den aankoop van Florida betaald was.”
Ziedaar de beginpunten van dien secessie-oorlog. Wij deelen ook den staat van zaken mede gedurende de maand Februari van het jaar 1862, het tijdstip waarop James Burbank en zijn huisgezin zóó schrikkelijk den weeromstuit dier gebeurtenissen zouden ondervinden, omdat wij het belangrijk genoeg achten daarvan het onderwerp van dit verhaal te maken.

Ieder gezin werd zooveel mogelijk bij dezelfde velden ten arbeid gesteld. (Bladz. 23).
Op den 16den October 1859 maakte de heldhaftige kapitein John Brown aan het hoofd van een kleinen troep voortvluchtige slaven, zich meester van Harpers-Ferry in den Staat Virginia. De bevrijding uit het slavenjuk van de kleurlingen was zijn doel. Dat beleed hij, dat verkondigde hij openlijk. Eindelijk werd hij door de militie-compagnieën, welke tegen hem afgezonden waren, overwonnen, gevangen genomen en op den 2den December 1859 te Charlestown met zes zijner makkers opgehangen.
Een conventie kwam op den 20sten December 1860 in Zuid-Carolina bijeen, verklaarde zich permanent en nam het besluit van secessie, of van afscheiding van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika met geestdrift aan.
In het daarop volgende jaar werd Abraham Lincoln op den 4den Maart 1861 tot president van de republiek benoemd. De Zuidelijke Staten beschouwden die verkiezing als eene bedreiging tegen de slaven-instelling.
Op den 11den April 1861 viel het fort Sumter, een der sterkten, die den toegang tot de reede van Charlestown verdedigden, in handen der Zuidelijke troepen, die door generaal Beauregard aangevoerd werden.
Noord-Carolina, Virginia, Arkansas en Tennessee schonken onmiddellijk na dat wapenfeit hunne adhaesie aan het besluit tot afscheiding.
Het federalistisch Gouvernement riep toen een leger van vijf-en zeventig duizend vrijwilligers onder de wapenen.
Maar in de allereerste plaats hield men zich onledig, met Washington, de hoofdstad der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, tegen een onverhoedschen aanslag vanwege de geconfedereerden te beveiligen.
Men vulde de arsenalen van het Noorden, die zich in berooiden toestand bevonden, terwijl die van het Zuiden onder het bestuur van den president Buchanan overvloedig voorzien waren. Het oorlogsmaterieel werd ten koste van de grootste geldelijke opofferingen en dank zij der grootste inspanning gecompleteerd.
Eindelijk verklaarde Abraham Lincoln de havenplaatsen der Zuidelijken in staat van blokkade.
De eerste oorlogsfeiten vielen in Virginia voor. Mac Clellan drong de opstandelingen in westelijke richting terug. Maar op den 21sten Juli werden de federalistische troepen onder de bevelen van Mac Dowel te Bull Run geslagen en zetten zij hunne bandelooze vlucht tot bij Washington voort.
Waren de Zuidelijken niet meer voor de veiligheid van Richmond, hunne hoofdplaats, beducht, thans was het de beurt der Noordelijken, om voor het behoud der hoofdplaats van de Amerikaansche republiek te vreezen.
De federalistische troepen werden weinige maanden later andermaal bij Ball’s Bluff geslagen.
Gelukkig werd aan deze noodlottige voorvallen een tegenwicht verschaft door verschillende krijgstochten, waardoor het fort Hatteras en Port-Royal-Harbour in handen der Noordelijken geraakten.
Op het einde van het jaar 1861 werd de algemeene bevelvoering over de troepen der Unie opgedragen aan den Generaal-majoor Georges Mac Clellan.
Intusschen hadden gedurende dit jaar zich kapers, door de Zuidelijke Staten uitgerust, in alle zeeën der beide halfronden vertoond. Deze kapers genoten eene welwillende ontvangst in de havenplaatsen van Frankrijk, Engeland, Spanje en Portugal. Dit kon als een grove misslag aangerekend worden; want het toekennen aan de secessionnisten van de rechten eener oorlogvoerende partij had tot uitslag, dat de kaapvaart aangemoedigd en de duur van dien vreeselijken burgeroorlog verlengd werd.
Alsnu volgden de oorlogsfeiten ter zee, die eene merkwaardige plaats in de geschiedenis dier dagen verworven hebben.
Vooreerst het kaperschip Sumter, waarover de beroemde kapitein Semmes het bevel voerde. Dan de verschijning van het ramschip Manassas. Op den 12den October 1861 werd het zeegevecht bij den ingang tot de vaarwaters van de Mississippi-mondingen geleverd. Op den 8sten November daarop volgende werd de Trent, welk vaartuig de commissarissen der geconfedereerden aan boord had, door den kapitein Wilkes der Noordelijken genomen. Maar de Trent was een Engelsch schip, voer onder Engelsche vlag, zoodat dit feit de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in die kritieke tijdsomstandigheden in groot gevaar bracht in een oorlog met Groot-Brittanje gewikkeld te worden.
Middelerwijl leverden de tegenstanders en de aanhangers der slavernij elkander bloedige gevechten met afwisselend geluk en ongeluk. Het terrein van den oorlog werd tot in den Staat Missouri uitgebreid.
Lyon, een der voornaamste Generaals van de Noordelijken, sneuvelde, hetgeen den terugtocht der federalistische troepen op Rolla en het voortdringen van Price aan het hoofd van het leger der geconfedereerden in noordelijke richting ten gevolge had. Op den 21sten October leverde men slag te Frederictown, op den 25sten te Springfield en op den 27sten bezette Generaal Fremont aan het hoofd van de federalistische troepen laatstgenoemde stad.
Op den 19den December bleef het gevecht te Belmont, waar de wederzijdsche troepen door de Generaals Grant en Polk aangevoerd werden, onbeslist. Eindelijk kwam de winter, welke in die streken van Noord-Amerika zoo gestreng kan wezen, een einde aan de krijgsverrichtingen maken.
De eerste maanden van het jaar 1862 werden besteed tot het treffen van maatregelen om den veldtocht te vervolgen en werden daarbij aan weerskanten de grootste ijver en de verreikendste inspanning aan den dag gelegd.
In het Noorden nam het congres een wetsvoorstel aan, waarbij eene lichting van vijfmaal honderd duizend vrijwilligers onder de wapenen geroepen werd. Men zou het later daarbij niet laten, daar het getal strijders der abolitionnisten vóór het einde van den reuzenstrijd het cijfer van een millioen te boven gingen. Men schreef daarenboven eene leening uit van vijf honderd millioen dollars. Groote legers werden in het leven geroepen, waaronder dat der Potomac. De Generaals, die aan het hoofd van die legers geplaatst werden, waren: Banks, Butler, Grant, Sherman, Mac Clellan, Meade, Thomas, Kearney en Halleck. Dit zijn slechts de namen van de voornaamsten en van de meest beroemden. Alle wapens en diensten werden voltallig gemaakt. De infanterie, de cavalerie, de artillerie, de genie werden allen nagenoeg op dezelfde wijze in divisiën ingedeeld. Met eene onbeschrijfelijke voortvarendheid werd er allerwege gewerkt, om het benoodigde oorlogs-materieel te vervaardigen, zooals: Minié- en Colt-karabijnen, getrokken kanonnen volgens de stelsels van Parrot en Rodman, kanonnen met gladde ziel en Columbiads-geschut volgens het stelsel Dahlgren, houwitser-kanonnen, revolver-kanonnen, Shrapnel-granaten, belegeringsparken, enz. enz. Men regelde de diensten der militaire telegraphie en der militaire luchtvaart, ook den reporters-dienst der groote dagbladen, de transportdienst, welke door twintig duizend karren, door vier en tachtig duizend muildieren getrokken, verricht zou worden. Men bracht de noodige hoeveelheden levensmiddelen te zamen, die onder het bestuur van den directeur der intendance gesteld werden. Men vervaardigde nieuwe grondvormen van ramschepen, die de »rams” van kolonel Ellet genoemd werden; ook »gun-boats,” die den naam van kanonneerbooten van den Commodore Foote erlangden. Deze laatstgenoemden verschenen voor de eerste maal bij een zeeoorlog.
Bij de Zuidelijken werd niet minder ijver en geestdrift ontwikkeld.
Er bestonden vele kanongieterijen in New-Orleans, bij voorbeeld te Memphis. Er werden smederijen te Tredogar, in de nabijheid van Richmond aangetroffen, alwaar Parrot- en Rodman-kanonnen vervaardigd werden. Maar dat kon onmogelijk bij den bestaanden staat van zaken voldoende wezen. Het gouvernement der geconfedereerden deed toen bestellingen in Europa. Luik en Birmingham verzonden geheele scheepsladingen met wapenen, voornamelijk kanonstukken volgens het stelsel van Armstrong en Whitworth. De blokkadebrekers, die katoen tegen spotprijs kwamen laden in de havenplaatsen der Zuidelijken, konden geene vracht dan in ruil van oorlogsmateriëel verkrijgen.
Het leger werd vervolgens uitgerust en georganiseerd. De Generaals der Zuidelijken waren Johnston, Lee, Beauregard, Jackson, Critenden, Floyd, Pillow, enz. Aan de vier honderd duizend vrijwilligers, die voor hoogstens drie jaren en voor minstens een jaar onder de wapenen geroepen waren, voegde men korpsen ongeregelde troepen toe, zooals: militietroepen en guerilla-benden. Dat alles werd op den 8sten Augustus 1861 door het Separatistisch Congres met eene onbeschrijfelijke geestdrift aan den president Jefferson Davis toegestaan.
Alle die voorbereidende maatregelen beletten evenwel niet, dat de strijd hervat werd, zoodra het tweede gedeelte van den eersten winter om was. Van het geheele grondgebied, waarop slaven gehouden werden, was nog slechts Maryland, West-Virginia, eenige gedeelten van Kentucky, het grootste gedeelte van Missouri en een zeker getal plaatsen op de kuststreek door de federalistische troepen bezet.
De vernieuwde vijandelijkheden begonnen het eerst in het oostelijk gedeelte van Kentucky. Op den 7den Januari had Generaal Garfield de geconfedereerde troepen te Middle-Creek geslagen. Op den 20sten daarop volgende delfden zij andermaal het onderspit te Logan-Cross of Mill-Springs. Op den 2den Februari scheepte Generaal Grant zich in met twee divisiën op eenige groote stoombooten van Tennessee, die door de gepantserde flottilje van den Commodore Foote ondersteund werden. Op den 6den reeds viel het fort Henry hem in handen. Zoo werd een schakel van de keten verbroken, »waarop,” zooals de geschiedschrijver van dien burgeroorlog verklaart, »het geheele stelsel van verdediging van zijn tegenstander Johnston steunde.”
Geheel Cumberland en de hoofdplaats van den Staat Tennessee werden toen onmiddellijk en binnen korten tijd door de federalistische troepen bedreigd. Johnston poogde dan ook zijne geheele macht om het fort Donelson te concentreeren, ten einde een steviger steunpunt te hebben bij den verdedigenden oorlog, welken hij wenschte te voeren.
Tegen datzelfde tijdstip zakte eene andere expeditie, welke bestond uit een korps van zestien duizend manschappen, onder de bevelen van Generaal Burnside, uit een flottilje van vier en twintig stoomschepen, die behoorlijk ten aanval bewapend waren, en uit vijftig transportvaartuigen, de Chesapeake af en stak op den 12den Januari van Hampton Roads in zee. In weerwil dat die scheepsmacht door hevige stormen geteisterd werd, stevende zij de toegangen van Pamlico-Sound binnen, om zich van het eiland Roanoke meester te maken en de kust van Noord-Carolina tot werkeloosheid en onmacht te doemen.

Castle-House. (Bladz. 27.)
Het eiland was evenwel versterkt. Het toegangs-kanaal werd ten westen verdedigd door eene afdamming van gezonken scheepsrompen. Batterijen en veldverschansingen beletten den toegang. Vijf of zes duizend man, gesteund door een flottilje van zeven kanonneerbooten stonden gereed, om iedere poging tot ontscheping tegen te gaan.
Maar, in weerwil van dat alles, en in weerwil van den moed der verdedigers, in de dagen van den 7den en 8sten Februari ten toon gespreid, viel dat eiland in handen van Burnside, die daarbij twintig kanonnen buit maakte, terwijl hij meer dan tweeduizend man krijgsgevangen maakte.
Daags daarna waren de federalistische troepen meester van Elisabeth City en van de geheele kust van Albermarle Sound, dat wil zeggen van het noorder gedeelte van die binnenzee.
En eindelijk, om deze beschrijving van den toestand tot op den 6den Februari te besluiten, moeten wij nog spreken van dien Generaal der Zuidelijken, van dien gewezen professor in de scheikunde, van Jackson, van dien puriteinschen soldaat, die den Staat Virginia verdedigde.
Nadat Generaal Lee naar Richmond teruggeroepen was, voerde hij het bevel over het Zuidelijke leger. Hij verliet op den 1sten Januari Winchester met zijne tienduizend man, trok het Alleghanies-gebergte over om Bath, aan den Ohio-spoorweg gelegen, te bezetten; maar hij werd door het ruwe weder overwonnen. Sneeuwstormen dreigden zijn leger te vernietigen, zoodat hij verplicht werd naar Winchester terug te keeren, zonder zijn objectief bereikt te hebben.
En nu wat betreft de Zuidelijke kusten en meer in het bijzonder van af den Staat Carolina tot aan Florida, ziehier wat er gebeurd was:
De Noordelijken bezaten gedurende de tweede helft van het jaar 1861 genoeg snelvarende schepen, om het noodige politie-toezicht in die zeeën uit te oefenen, hoewel zij zich niet hadden kunnen meester maken van het beruchte kaperschip Sumter, dat in Januari 1862 Gibraltar aandeed, om de Europeesche wateren te kunnen afschuimen. De Jefferson Davis, die voor de federalistische schepen de wijk moest nemen, wilde zich te Sint Augustijn in Florida in veiligheid stellen, maar verongelukte op het oogenblik, toen zij het vaarwater wilde binnenstevenen.
Bijna terzelfder tijd bemachtigde de Anderson het kaperschip Beauregard.
Maar in Engeland werden nieuwe schepen ter kaapvaart ingericht en gewapend.
Toen vaardigde de president Abraham Lincoln eene proclamatie uit, waarbij de blokkade ook over de kusten van Virginia en over die van Noord-Carolina en zelfs de fictieve blokkade, dat wil zeggen de blokkade op papier, over eene uitgebreidheid van vierduizend vijfhonderd kilometers kustlijn uitgestrekt werd. Om die uitgestrektheid evenwel gade te slaan, had men slechts twee smaldeelen, waarvan het eene de Atlantische kusten, het andere die in de golf van Mexico moest blokkeeren.
De geconfedereerden poogden het eerst op den 12den October de mondingen van den Mississippi-stroom met de Manassas,—het eerste schip, hetwelk gedurende dezen oorlog geblindeerd of gepantserd werd, te bevrijden. Het oorlogsschip werd daarbij door een flottilje branders gesteund. Maar hoe goed ook gesmeed en voorbereid, de aanslag gelukte niet. Het korvetschip Richmond ontsnapte aan het gevaar en kon zich op den 29sten December veilig terugtrekken. Daarentegen slaagde de kleine stoomer Sea Bird er in, eene federalistische goelet in het gezicht van het fort Monroe te bemachtigen.
Intusschen werd het noodig gerekend een punt te bezetten, hetwelk tot operatie-basis kon dienen voor de kruistochten op den Atlantischen Oceaan. Het federalistisch Gouvernement besloot toen tot de bemachtiging van het fort Hatteras, hetwelk den toegang of zeeëngte van dien naam beheerschte en waarlangs de blokkadebrekers veelal hunnen weg namen. De bemachtiging van dat fort was geen gemakkelijke taak. Het hoofdwerk werd door een vierkante redoute gesteund, welke fort Clarke heette. Een duizendtal vrijwilligers en het 7de regiment van Noord-Carolina waren met de verdediging belast.
Maar om het even; het federalistisch smaldeel, bestaande uit twee fregatten, drie korvetten, een adviesvaartuig en twee groote stoombooten, ankerden op den 27sten October voor de zeeëngte. De Commodore Stringham en de Generaal Butler leidden den aanval. Eerst werd de redoute Clarke genomen. Het gevecht duurde voort en eindelijk heesch het fort Hatteras, na langen tijd weerstand geboden te hebben, de witte vlag.
De Noordelijken hadden die operatie-basis voor den geheelen duur van den secessie-oorlog verworven.
In November werd het eiland Santa Rosa, ten oosten van Pensacola, eene onderhoorigheid van de Floridasche kust in de golf van Mexico, in weerwil van den meest hardnekkigen tegenstand, door de Zuidelijken geboden, eindelijk door de federalistische troepen genomen.
Toch scheen het bezit van het fort Hatteras niet voldoende voor de leiding der verdere krijgsoperatiën. Andere punten op de kusten van Zuid-Carolina, van Georgië en van Florida moesten noodzakelijk in bezit genomen worden. Twee stoomfregatten, de Wasbah en de Susquehanna, drie zeilfregatten, vijf korvetten, zes kanonneerbooten, verscheidene adviesvaartuigen, vijfentwintig kolenschepen, beladen met brandstof en met de noodige levensmiddelen en munitiën, twee en dertig stoomschepen met vijftienduizend zeshonderd manschappen aan boord, aangevoerd door Generaal Sherman, werden onder de bevelen van den Commodore Dupont gesteld.
Die flottilje lichtte het anker op den 25sten October en vertrok van het fort Monroe. Na een vrij hevigen storm in volle zee ter hoogte van kaap Hatteras doorstaan te hebben, kwam zij de toegang-vaarwaters van Hilton-Head, tusschen Charlestown en Savannah, verkennen.
Daar wordt de baai van Port-Royal aangetroffen, destijds een der voornaamsten van de Amerikaansche confederatie, alwaar de Generaal Rippley de landmacht der Zuidelijken aanvoerde. De twee forten Walker en Beauregard bestreken den ingang van de baai en waren op vierduizend meters van elkander gelegen. Acht stoombooten werkten tot de verdediging mede; maar wat haar bijna onneembaar maakte, was de zandbank, die er voor ligt en waarop eene vreeselijke branding staat. Die maakte haar schier ontoegankelijk.
Op den vijfden November was het zeegat of beter het vaarwater, hetwelk toegang tot de baai verleende, afgebakend. Dupont drong, na eenige kanonschoten met de forten gewisseld te hebben, er in door, zonder evenwel in de mogelijkheid te zijn, de troepen van Sherman aan wal te zetten.
In den voormiddag van den 7den viel hij het fort Walker en daarna het fort Beauregard aan. Hij overstelpte die sterkten onder een hagelslag als het ware van zijne zwaarste bommen en granaten. Tegen zulk een vuur was niets bestand. De forten werden verlaten en de federalistische troepen namen er bijna zonder gevecht bezit van. Zoo kwam Sherman in het bezit van dat punt, hetwelk voor het vervolg der krijgsoperatiën zoo belangrijk zoude zijn.
Dat was de Slaven-Staten in het hart zelve aantasten. De naburige eilanden vielen nu voor en na in handen van de Noordelijken, zelfs het eiland Tybec en het daarop gelegen fort Puloski, hetwelk de monding der Savannah-rivier beheerschte.
Toen het jaar ten einde liep, was Dupont meester van de vijf groote baaien van North-Edisto, van Sint-Helena, van Port-Royal, van Tybec en van Warsaw, alsook van dien geheelen krans van eilandjes, welke langs de kusten van Carolina en Georgië gezaaid liggen. Een laatste succes, op den 1sten Januari 1862 behaald, gedoogde den Commodore om de uitbreiding der versterkingswerken der Zuidelijken op de oevers der Coosaw te beperken.

James Burbank had den brief geopend en bekeek hem. (Bladz. 44).
Zoo was dus de toestand der oorlogvoerende partijen bij het begin van de maand Februari des jaars 1862. Daaruit is duidelijk de voortgang van het federalistisch gouvernement naar het zuiden te ontwaren, nu het tijdperk naderde, dat de schepen van den Commodore Dupont en de troepen van den Generaal Sherman Florida bedreigden.