← Table of contents
De strijd tusschen Noord en Zuid, Deel 1: Overrompeling eener plantage

XI. De avond van den 2den Maart.

Reading edition

James Burbank, zijne beide makkers en het meerendeel der negers waren geheel tot het gevecht gereed.

Zij hadden slechts den aanval af te wachten. Alle maatregelen waren genomen, om zich eerst achter de palissadeering der omwalling, die het park omgaf, te verdedigen, vervolgens achter de muren van Castle-House, alwaar men beschutting zoude zoeken voor het geval namelijk, dat het park door de overmacht overrompeld en genomen zoude worden.

Het was omstreeks vijf uren, toen verwijderd geschreeuw, dat evenwel reeds duidelijk weerklonk, er op duidde dat de aanvallers niet meer ver af waren. Op hun getier afgaande, was het gemakkelijk te gissen, dat zij thans het geheele noordelijke gedeelte van de plantage bezetten. Op menig punt dwarrelden dikke rookwolken boven het woud, dat aan dien kant den gezichteinder begrensde.

De houtzaagmolens waren in brand gestoken, zoo ook de barakken der negers, nadat zij vooraf geplunderd waren geworden. Die arme sukkels hadden den tijd niet gehad, om hunne schamele have en goed in veiligheid te brengen en die zij nu hadden moeten achterlaten in hunne hutten, waarvan zij na hunne invrijheidstelling door schenking van den eigenaar van Camdless-Bay, ruim een dag geleden, bezitters waren geworden.

Men kan begrijpen, welke wanhoopskreten, welke kreten van woede het gehuil van den aanvallenden troep beantwoordden. Het was toch hun goed, dat daar door die onverlaten, die de plantage overvielen, vernield werd.

Het geschreeuw en getier naderde inmiddels langzamerhand Castle-House. Angstverwekkende vuurstralen verlichtten den noordelijken gezichteinder, alsof de zon in die richting bloedrood ware ondergegaan. Soms joeg de wind met een zwarten rook, een heeten luchtstroom naar den kant van het heerenhuis. Geweldige knallen, afkomstig van het brandende droge hout, dat in de timmerwerven en in de houtstapelplaatsen van de plantage opgehoopt lag, werden vernomen. Weldra duidde eene nog geweldiger losbarsting aan, dat een stoomketel van een der houtzaagmolens in de lucht gesprongen was.

In één woord, de naderende verwoesting uitte zich onder de verschrikkelijkste vormen.

James Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard bevonden zich in dit oogenblik voor de poterne der binnenomwalling. Daar verbeidden zij de laatste detachementen negers, die op het heerenhuis terugtrokken, en stelden hen doelmatig op. Men moest er op bedacht zijn, dat de aanvallers ieder oogenblik te voorschijn konden treden. Een sterker onderhouden geweervuur zou ongetwijfeld het tijdstip aankondigen, dat zij zich nog slechts op een korten afstand van de palissadeering zouden bevinden.

Zij zouden de omwalling des te gemakkelijker kunnen berennen, daar de eerste boomgroepen zich op slechts vijftig passen van de palissadeering bevonden, zoodat het hen mogelijk was gedekt te naderen en hunne kogels af te zenden nog vóór dat hunne geweren ontwaard werden.

Na een oogenblik beraadslaagd te hebben, achtten James Burbank en zijne vrienden het oogenblik gekomen, om hun personeel achter de palissadeering in veiligheid te brengen. Daar zouden diegenen der negers, die gewapend waren, minder blootgesteld zijn, wanneer zij door den hoek, gevormd door de aangepunte uiteinden van twee aan elkander grenzende palissaden, vuur zouden geven.

Wanneer de aanvallers dan zouden willen beproeven om den overgang van de ringgracht te bewerkstelligen, dan zou men wellicht er in slagen, hen met groot verlies terug te drijven.

Die maatregel werd ten uitvoer gelegd.

De negers rukten naar binnen, en de poterne zou gesloten worden, toen James Burbank nog een blik op het voorgelegen terrein willende werpen, eensklaps een man ontwaarde, die uit al zijn macht rende, alsof hij te midden der verdedigers van Castle-House eene toevlucht wilde komen nemen.

Dat was ook blijkbaar het doel van dien man. Eenige geweerschoten, op hem gelost, knalden hem achterna, zonder hem evenwel te treffen; met een sprong als het ware vloog hij het bruggetje over en bevond hij zich weldra in de omheining, waarvan de poort dadelijk achter hem gesloten, behoorlijk gegrendeld en verzekerd werd, in veiligheid.

»Wie zijt gij?” vroeg hem James Burbank.

Maar de man kon hem niet antwoorden, zoozeer was hij buiten adem van het snelle loopen.

Na een poos gewacht te hebben, ten einde hem tijd te gunnen om tot verhaal te komen, herhaalde de eigenaar van Camdless-Bay zijne vraag:

»Wie zijt gij?”

»Een der geëmployeerden van master Harvey, uwen correspondent te Jacksonville,” antwoordde de man.

»Zijt gij door mijnheer Harvey gezonden?”

»Ja, master Burbank.”

»Om eene mededeeling over te brengen?”

»Ja, en daar de rivier streng bewaakt werd, kon ik onmogelijk den kortsten weg langs de Sint John nemen.”

»Hoe hebt gij toen gedaan?”

»Ik heb mij bij de militietroepen gevoegd.”

»Bij de militietroepen? Bij de aanvallers dus?” vroeg James Burbank.

»Ja, master Burbank.”

»Maar hoe hebt gij dat kunnen doen?”

»Die troepen worden door een geheele bende plunderaars gevolgd...”

»En?”

»Ik heb mij onder hen gemengd en ben met hen meegegaan.”

»Maar, verder?”

»Verder is er niets. Toen ik hier in de nabijheid kwam en de kans schoon zag om de plaat te poetsen, heb ik dat gedaan en had slechts het gevaar van eenige achterna gezonden geweerschoten te trotseeren.”

»Ik dank u, mijn vriend, voor uw opofferend moedbetoon,” antwoordde James Burbank.

»Mij moet gij niet danken, maar master Harvey, die mij gezonden heeft.”

»Gij hebt zeker een brief van Harvey aan mijn adres?”

»Ja, master Burbank. Hier is hij.”

»Ik dank u, mijn vriend.”

James Burbank nam den brief en las dien met alle aandacht.

De heer Harvey zeide daarin, dat hij alle vertrouwen kon stellen in John Bruce, zijn bode, omtrent wiens toewijding hij verzekerd kon zijn. Na dien man in verhoor genomen te hebben, zou de eigenaar van Camdless-Bay overwegen, wat ter beveiliging zijner familieleden en zijner makkers gedaan moest worden.

Maar in dit oogenblik knetterden buiten een twaalftal geweerschoten. Daar was dus iets aan de hand en er mocht natuurlijk geen tijd verloren worden. Toen hij zich evenwel omtrent den stand van zaken vergewist had, kwam hij haastig bij John Bruce terug.

»Wat laat master Harvey door uwe tusschenkomst mij weten?” vroeg hij.

»Vooreerst, dat de gewapende troep, die de rivier overgestoken is,” antwoordde John Bruce, »om tegen Camdless-Bay op te rukken, veertien- of vijftienhonderd man sterk is.”

»Ik had hem ook op die sterkte geschat,” zei master James Burbank. »Maar verder?”

»Wat wenscht gij verder te weten, master Burbank?”

»Staat Texar aan het hoofd van dien troep?”

»Dat heeft master Harvey onmogelijk kunnen te weten komen,” antwoordde John Bruce. »Wat evenwel voor zeker aangenomen kan worden, dat is, dat Texar zich sedert vier-en-twintig uren niet meer te Jacksonville bevindt.”

»Daarachter moet weer eene nieuwe kuiperij van dien ellendeling schuilen, meent gij ook niet?” vroeg James Burbank.

»Ja, master Burbank,” antwoordde John Bruce.

»En wat denkt uw heer er van?”

»O, master Harvey deelt dezelfde meening. Daarenboven....”

»Wat wilt ge zeggen?”

»Daarenboven, master Burbank, Texar heeft niet noodig tegenwoordig te zijn om het bevel tot uiteenjaging der vrijgestelde slaven ten uitvoer te doen brengen...”

»Uiteenjaging?...”

»Ja, uiteenjaging, master Burbank, dat is tegenwoordig de gebezigde term.”

»Uiteenjaging!...” ging James Burbank vertoornd voort. »Uiteenjaging... ja door brandstichting en plundering!”

»Master Harvey is dan ook van meening...”

»Spreek vrij uit, John Bruce!”

»Dat nu het nog tijd is, gij wèl zoudt doen met uw gezin in veiligheid te stellen...”

»Hoe bedoelt gij?”

»Ik bedoel niets, master Burbank. Ik spreek slechts uit naam van master Harvey.”

»Nu, wat bedoelt master Harvey dan?”

»Dat uw gezin dadelijk Castle-House moet verlaten,” antwoordde John Bruce.

»Maar Castle-House is in staat om weerstand te bieden,” hernam James Burbank. »Ik ben vast besloten het heerenhuis niet te verlaten, dan wanneer de toestand onhoudbaar zal worden.”

»Dat is een onvoorzichtig besluit, master Burbank.”

»Dat is mogelijk; maar... ik kan niet anders handelen.—Is er overigens geen nieuws te Jacksonville?”

»Niets, master Burbank.”

»Hebben de federalistische troepen nog geene beweging naar de grenzen van Florida gemaakt?”

»Geen enkele, sedert zij de havenplaats Fernandina en de baai Sint-Mary bezet hebben.”

»Het doel van uwe zending is dus, master Bruce...?”

»Vooreerst om u mede te deelen, dat het uiteenjagen der vrijgestelde slaven slechts een voorwendsel is...”

»Een voorwendsel?...”

»Ja, een voorwendsel, om uwe plantage te kunnen verwoesten en om uwen persoon in handen te krijgen!”

»Weet gij dus niet,” drong James Burbank verder aan, »of Texar zich aan het hoofd van die bende boosdoeners bevindt?”

»Neen, master Burbank. De heer Harvey heeft al het mogelijke gedaan om dat te weten te komen, maar te vergeefs.”

»Dat is jammer.”

»Ik zelf heb, sedert ik in gezelschap van de bende plunderaars Jacksonville verlaten heb, daaromtrent niets, volstrekt niets kunnen vernemen.”

»Zijn er veel mannen van de militietroepen bij die bende aanvallers aanwezig?”

»Hoogstens een honderdtal, master Burbank.”

»Dat is niet veel.”

»Neen, maar....”

»Maar wat?”

»Dat grauw, hetwelk in hun gevolg medegekomen is, bestaat uit de ergste misdadigers van het geheele land. Texar heeft die gemeene kerels doen wapenen, en....”

»Nu, ga voort, master Bruce.”

»En het is te vreezen, dat dezen zich aan de grootste uitspattingen zullen schuldig maken. Ik herhaal het, master Burbank, dat het de meening van master Harvey is, dat gij wèl zoudt doen door Castle-House dadelijk te verlaten.”

»Dat is onmogelijk! Waar zou ik heen moeten gaan met de mijnen?”

»Gij laat mij niet uitspreken, master Burbank.”

»Welnu dan, ga voort.”

»Bij dien raad heeft master Harvey mij tevens opgedragen, u mede te deelen, dat hij zijn buiten Hampton Red ter uwer beschikking stelt.”

»Hampton Red?... Waar ligt dat?”

»Ongeveer tien mijlen bovenstrooms, op den rechteroever der Sint John. Daar zult gij althans gedurende eenige dagen in veiligheid zijn....”

»Ja.... dat zou kunnen....”

»Welnu, ik kan er uw gezin en ook u zelven, zonder dat iemand zulks gewaar zal worden, brengen, evenwel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat gij Castle-House dadelijk zult verlaten, om te voorkomen dat u de nu nog mogelijke aftocht afgesneden wordt...”

»Ik dank den heer Harvey en ook u, goede vriend...” antwoordde James Burbank.

»Dat is alles goed en wel... Maar neemt gij het voorstel aan?... Gij moet dadelijk beslissen.”

»Integendeel, master Bruce.... Zoo erg zie ik den toestand niet in.”

»Zooals gij wilt, master Burbank,” antwoordde John Bruce. »Ik blijf in ieder geval ter uwer beschikking....”

»Keert gij niet naar Jacksonville terug?”

»Neen, ik blijf bij u, voor het geval gij mijne hulp mocht behoeven.”

»Dat blijft dan afgesproken,” zei James Burbank, terwijl hij hem de hand drukte.

De aanval, die thans in werkelijkheid begon, nam de geheele aandacht van den eigenaar van Camdless-Bay in beslag.

Een vreeselijk geweervuur ontbrandde plotseling, zonder dat men de aanvallers nog kon ontwaren, die zich zorgvuldig achter de voorste rij boomen gedekt hielden. De kogels kletterden als een zware hagelslag tegen de palissadeering, zonder daaraan wel is waar groote schade aan te richten.

Ongelukkig konden James Burbank en zijne makkers dat geweervuur slechts flauw beantwoorden, daar zij ternauwernood een veertigtal vuurwapens ter hunner beschikking hadden. Maar daar zij in betere stellingen stonden en betere gelegenheid hadden om rustig te schieten, waren hunne schoten veel wisser dan die der militie-troepen, welke zich aan het hoofd der aanvalskolonne bevonden. Het gevolg daarvan was, dat een zeker getal der laatstbedoelden op de grens van het bosch getroffen werd.

Dat gevecht op een afstand duurde ongeveer een half uur en viel natuurlijk geheel in het voordeel van de verdedigers van Camdless-Bay uit.

Nu ijlden de aanvallers naar de omwalling, om haar stormenderhand te veroveren. Daar zij haar op verscheidene punten tegelijk wilden aantasten, hadden zij een voorraad planken en balken, afkomstig van de timmerwerven der plantage, die nu in brand stonden, medegenomen.

Die balken werden op twintig plaatsen tegelijk dwars over de ringgracht geworpen en veroorloofden aan de aanvallers om den teen der palissadeering te bereiken, evenwel niet zonder ernstige verliezen aan dooden en gekwetsten ondervonden te hebben.

Eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van Castle-House in brand. (Bladz. 162).
Eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van Castle-House in brand. (Bladz. 162).

Eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van Castle-House in brand. (Bladz. 162).

Toen klemden zij zich aan de palissaden vast, zij heschen elkander op; maar zij slaagden er niet in om de omwalling te overschrijden. De negers, die ten zeerste verbitterd tegen die brandstichters waren, dreven hen met waren heldenmoed terug. Het bleek evenwel bij deze gelegenheid helder als de dag, dat de verdedigers van Camdless-Bay niet op alle punten, die door den overmachtigen vijand bedreigd werden, tegelijk konden optreden.

Toch slaagden zij er in, om tot het invallen van den nacht den weerstand te rekken. Weinige hunner waren gewond geworden en dan nog niet eens ernstig. James Burbank en Walter Stannard, hoewel zij zich, om het voorbeeld van stoutmoedigheid te geven, meermalen roekeloos blootgesteld hadden, waren zelfs niet geraakt geworden.

Edward Carrol alleen werd door een kogel getroffen, die hem zeer pijnlijk het vleezige gedeelte van den schouder doorboorde. Hij was verplicht zich naar het heerenhuis te begeven, alwaar hij door mevrouw Burbank, door miss Alice en door Zermah op de meest liefderijke wijze verbonden en verpleegd werd.

Intusschen was de nacht gekomen en deze zou met zijne duisternis den aanvallers ten goede komen.

Een vijftigtal der dappersten, van die gunstige omstandigheid gebruik makende, konden tot bij de poterne naderen en begonnen dadelijk haar met bijlslagen aan te tasten. De poortbladen waren evenwel voldoende stevig en weerstonden dien aanval. Die poging zou voorzeker schipbreuk geleden hebben, en nimmer zouden die mannen hebben kunnen binnendringen, wanneer niet eene stoutmoedige daad eene bres voor hen geopend had.

En inderdaad, eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van Castle-House in brand, en de vlammen, die in dat droge hout, waaruit die gebouwen bestonden, een gereed voedsel gevonden hadden, tastten nu ook dat gedeelte der palissadeering aan, waartegen zij opgetrokken waren.

James Burbank stormde naar dat verbrande gedeelte der omwalling, niet zoozeer om het te blusschen, dan wel om het te verdedigen.

In dit oogenblik kon men bij het schijnsel der vlammen een man te midden van den rook zien springen, naar buiten ijlen en de ringgracht oversteken, langs de balken die daarover gelegd waren.

Dat was een der aanvallers, die er in geslaagd was het park, aan den kant der Sint John, door te midden der biezen te kruipen, heimelijk binnen te dringen. Zonder door iemand gezien te zijn, was hij een der stallen binnengeslopen. En daar, op gevaar af van in de vlammen om te komen, had hij eenige bossen stroo in brand gestoken, met het doel om zoodoende dat gedeelte der palissadeering door het vuur te doen vernielen.

Thans was de bres geopend en voor de aanvallers bruikbaar.

Tevergeefs poogden James Burbank en zijne makkers de opening te verdedigen en het binnendringen te beletten. Een dichte drom van aanvallers stormden er door en weldra was het park door een paar honderd hunner bezet.

Aan weerszijden vielen toen velen, want men vocht toen man tegen man. De geweerschoten weerklonken van alle kanten. Castle-House was weldra aan alle zijden ingesloten, terwijl de negers, door den overmachtigen vijand buiten het park teruggedrongen, genoopt waren de vlucht te nemen naar de bosschen, die Camdless-Bay allerwege omgaven.

Zij hadden gestreden, zoolang zij konden. Zij hadden dat met veel toewijding en met veel moed gedaan; maar nu de aanvallers binnengedrongen waren, was verdere tegenstand totaal onmogelijk, tenzij zij zich wilden laten neerhouwen. Neen, de partij stond te ongelijk!

James Burbank, Walter Stannard, master Perry en zijne opzieners, ook John Bruce, die even moedig gevochten had, en verder nog eenige negers waren eindelijk genoodzaakt geweest eene toevlucht achter de beschermende muren van Castle-House te zoeken.

Het was toen ongeveer acht uren in den avond. In het westen was de duisternis zwart. In het noorden werd de gezichteinder nog eenigermate verlicht door het schijnsel der vlammen van den brand, die op verschillende punten der plantage gesticht was.

James Burbank en Walter Stannard traden in dit oogenblik het woonhuis in allerijl binnen.

»Gij moet vluchten,” sprak de eigenaar van Camdless Bay, »dadelijk vluchten!”

»Mijn God!” kreet mevrouw Burbank.

»Hetzij die bandieten met geweld hier binnendringen,” vervolgde James Burbank, »hetzij zij buiten rondom Castle-House het oogenblik zullen afwachten, dat wij door honger en gebrek genoodzaakt zullen zijn ons over te geven; in beide gevallen blijft het gevaarlijk hier langer te verwijlen!”

»Is het inderdaad zoo ver gekomen?” vroeg mevrouw Burbank jammerend en handenwringend.

»Volgens mijn inzien, ja,” antwoordde haar echtgenoot.

»Wat moet er dan gedaan worden?”

»De sloep ligt klaar! Het is tijd om te vertrekken,” sprak de eigenaar van Camdless-Bay, zoo kalm en bedaard als de omstandigheden slechts gedoogden.

»O, God!... O, God!...” kreten de vrouwen.

»Kom, vrouwlief, moed! Alice, neem haar onder den arm en volgt Zermah met Dy naar de Ceder-Rots! Daar zult gij in veiligheid wezen, en... wanneer wij genoodzaakt worden Castle-House te ontruimen, dan zullen wij ulieden daar komen opzoeken, dan zullen wij u wel terugvinden...”

»Vader,” sprak miss Alice tot Walter Stannard, »gij gaat immers met ons mede, en gij ook mijnheer Burbank?”

»Ja!... James!...” riep mevrouw Burbank uit.

»Ik!” antwoordde de heer Burbank.

»Ja! James!... Kom met ons mede!” smeekte zijne echtgenoote.

»Ik!... Ik zou Castle-House ontruimen en in de macht van die ellendelingen laten! Nooit!... zoolang tegenstand nog mogelijk zal zijn!...”

»Maar.... James!”

»Wij kunnen nog lang in het heerenhuis stand houden!... En wanneer wij het bewustzijn zullen bezitten, dat gijlieden in veiligheid zult zijn, dan zullen wij ons sterker en krachtiger gevoelen, om de verdediging te voeren!”

»James!...”

»Ga niet voort, vrouwlief!”

»James!...” hield mevrouw Burbank handenwringend aan.

»Het kan niet; wij moeten hier stand houden!”

Een verschrikkelijk gehuil werd in dit oogenblik vernomen. De poort dreunde en weergalmde onder de bijlslagen, die haar door de aanvallers toegebracht werden. Eene bende dier plunderaars viel thans de voorpoort van Castle-House, naar den kant van de rivier gekeerd, aan.

»Kom, vertrekt!” riep James Burbank uit.

»Vertrekken!” gilden de vrouwen.

»Ja!... de nacht is reeds gevorderd. De duisternis is voldoende, men zal u thans niet ontwaren!... Kom, vertrekt!”

»O, James!...”

»Gij verlamt door te blijven onze pogingen... In Gods naam, vertrekt dan toch!”

Na veel wijfelens, gaven de vrouwen eindelijk aan dien aandrang gehoor.

Zermah stapte vooruit en hield de kleine Dy bij de hand. Mevrouw Burbank moest zich geweld aandoen, om zich aan de armen van haren echtgenoot te ontrukken. Zoo ging het ook met miss Alice, die een toevlucht aan de borst van haren vader gezocht had.

Beiden verdwenen langs de trap, die naar de benedenverdieping geleidde, alwaar de ingang was van de tunnel, die naar de Marino-Kreek voerde.

»En thans,” sprak James Burbank, terwijl hij zich tot master Perry, tot de opzichters en tot de weinige negers wendde, die hem niet verlaten, maar met hem den terugtocht naar het heerenhuis aangenomen hadden. »En thans, vrienden, zullen wij ons tot onzen laatsten snik verdedigen!”

Aan weerszijden vielen toen velen; want men vocht toen man tegen man. (Bladz. 162).
Aan weerszijden vielen toen velen; want men vocht toen man tegen man. (Bladz. 162).

Aan weerszijden vielen toen velen; want men vocht toen man tegen man. (Bladz. 162).

Allen stapten met hem de groote trap van het woonhuis op en namen stelling bij de ramen van de eerste verdieping. Van daar beantwoordden zij de honderden geweerschoten, die op het voorfront van Castle-House gelost werden en waarvan de kogels tegen de arduinsteenen gevels knetterden. Hunne schoten waren lang zoo talrijk niet als die der aanvallers, maar daarentegen waren die schoten juister gemikt en werden op een vrij dichten drom afgevuurd, zoodat menigeen van den woesten troep getroffen nederviel.

De belegeraars van Castle-House zagen dan ook ras in, dat het zaak voor hen was, de poort open te krijgen, door bijlslagen of door vuur. Ditmaal was er niemand om voor hen eene bres te openen, die toegang tot het heerenhuis kon geven. Wat daar buiten tegen eene houten palissadeering met welslagen ondernomen was geworden, zou hier schipbreuk lijden tegenover die vuurvaste muren.

Intusschen naderden toch een twintig vastberaden kerels, die zich zooveel mogelijk tegen de kogels der verdedigers dekten en van den duisteren nacht gebruik maakten, het perron. De deur werd toen meer krachtdadig aangetast, en zij mocht wel sterk en stevig heeten, nu zij aan die tallooze bijlslagen en piekstooten weerstand bood.

Die poging kostte evenwel het leven aan verscheidene der aanvallers; want door de aangebrachte schietgaten was het mogelijk een kruisvuur op het aangevallen punt te richten.

Eene omstandigheid kwam in dit oogenblik den toestand nog verergeren. De munitievoorraad spoedde ten einde. James Burbank, zijne vrienden, zijne opzichters en de negers, die met geweren gewapend waren, hadden gedurende de drie uren, dat die aanval duurde, het grootste gedeelte der voorradige patronen verbruikt. En hoe zou men nog langer weerstand kunnen bieden, althans wanneer de verdediging nog langer gerekt moest worden, wanneer de laatste patronen verschoten zouden zijn?

Zou men dan Castle-House moeten ontruimen en in handen van die misdadigers laten?

Maar die zouden er slechts puinhoopen van laten overblijven!

En toch, er bleef niets anders te doen over, wanneer de aanvallers er in slaagden, de deur, die reeds wankelde, open te breken. James Burbank begreep den toestand maar al te goed; toch wilde hij nog wachten. Kon toch niet ieder oogenblik eene afleiding geschieden, waarvan dan partij te trekken zoude zijn?

Thans had men niet meer voor het lot van mevrouw Burbank, noch voor haar dochtertje, de kleine Dy, noch voor miss Alice Stannard te vreezen! En, mannen waren het aan zich zelven verplicht tot het uiterste weerstand te bieden aan dat samenraapsel van moordenaars, brandstichters, dieven en plunderaars.

»Wij hebben nog patronen voor een uur!” riep James Burbank uit. »Vrienden, die moeten wij eerst verschieten en doelmatig verschieten, alvorens Castle-House te ontruimen!”

Maar nauwelijks had James Burbank dien volzin geëindigd, toen de doffe knal eener ver verwijderde losbranding vernomen werd.

»Een kanonschot!” riep hij uit.

Een tweede losbranding liet zich andermaal en ook evenals de eerste in westelijke richting hooren. Blijkbaar kwam zij van de overzijde van de rivier.

»Een tweede kanonschot!” zei master Walter Stannard.

»Luisteren!... Wij moeten luisteren!” zeide master James Burbank.

Een derde schot, dat door eene windvlaag naar Castle-House overgebracht werd, klonk duidelijker dan de beide vorige losbarstingen.

»Zou dat een sein zijn?” vroeg master Walter Stannard.

»Welk sein?”

»Misschien om de aanvallers naar den rechter-rivieroever terug te roepen?”

»Wie zal dat kunnen zeggen?”

»Misschien gebeurt daar iets...”

»Dat denk ik ook,” zei master Perry, »en...”

»En... wat? Spreek vrij uit, Perry!” zei master James Burbank.

»En als die drie kanonschoten niet te Jacksonville gelost zijn,” vervolgde de administrateur, »dan...”

Maar hij kon niet eindigen. Ieder had zijne gedachte geraden.

»Dan zijn zij door de federalistische vaartuigen gelost!” riep James Burbank uit.

»Zou de flottilje van den Commodore Dupont eindelijk de monding van de Sint John bemachtigd hebben en thans de rivier opstevenen?” vroeg Walter Stannard.

Alles wel beschouwd, was het volstrekt niet onmogelijk, dat die vlootvoogd thans meester van de rivier, althans van het benedengedeelte van haar stroombekken was.

Toch was dat het geval niet.

Die drie kanonschoten waren van de landingsbatterij te Jacksonville gelost geworden. Dat bleek al spoedig; want het bleef bij die drie losbrandingen.

Er had dus geen gevecht plaats tusschen de vaartuigen der Noordelijken en de troepen der geconfedereerden, hetzij op de Sint John, hetzij in de vlakten van het graafschap Duval.

Weldra bleef er geen twijfel meer over, dat het een sein tot terugroeping was voor de opperhoofden van het detachement militietroepen. Toen toch master Perry een der zij-schietgaten genaderd was, riep hij eensklaps uit:

»Zij trekken af!... Zij trekken af!...”

Niemand had te vragen wie aftrok. Die uitkomst kwam te zeer met aller wenschen en verwachtingen overeen om niet terstond voor onbetwistbaar waar aangenomen te worden.

James Burbank en zijne makkers traden dadelijk op het middenvenster toe en openden dat.

De bijlslagen weerklonken niet meer op de deur. De geweerschoten knalden niet meer en men bespeurde geen enkele der aanvallers meer. Wel werd nog geschreeuw en gehuil vernomen, maar klaarblijkelijk verwijderde zich dat al meer en meer.

Er was dus iets gebeurd, hetgeen de aan het roer zijnde autoriteiten van Jacksonville genoopt had dien geheelen troep op den anderen rivieroever van de Sint John terug te roepen. Ongetwijfeld was men met elkander overeengekomen, dat drie kanonschoten zouden gelost worden, wanneer de eene of de andere beweging van het noordelijk smaldeel de stellingen der geconfedereerden mocht bedreigen.

De aanvallers hadden dan ook plotseling hunne laatste poging om Castle-House te bemachtigen gestaakt.

Thans volvoerden zij door de verwoeste velden van de plantage, langs dien weg, die nog door de vlammen van de gepleegde brandstichtingen verlicht werd, den terugtocht, en een uur later bereikten zij de plaats, waar hunne sloepen en vaartuigen op twee mijlen beneden Castle-Bay, hen wachtten en staken zij de rivier over.

Hunne kreten verzwakten weldra in de verte en verstomden eindelijk geheel. Op het luidruchtig geschreeuw en het geknetter van het geweervuur volgde thans eene diepe stilte. Het was alsof het de stilte des doods was, die op de plantage heerschte.

Het was toen ongeveer half tien des avonds. James Burbank en zijne makkers daalden naar de hal, op de benedenverdieping gelegen, af. Daar vonden zij Edward Carrol, op een divan uitgestrekt liggen. Hij was slechts licht gekwetst en gevoelde zich maar wat zwak door het bloedverlies.

Men vertelde hem wat er voorgevallen was en dat Castle-House ten gevolge van het sein, van den kant van Jacksonville uitgegaan, voor het oogenblik althans niets meer van de bende van Texar te vreezen had.

»Ja, ik hoop zoo,” zei James Burbank, »maar intusschen heeft het ruwe geweld en de vreeselijkste willekeur hier huis gehouden.”

“Gij verlamt door te blijven onze pogingen.... In Gods naam vertrek dan toch.” (Bladz. 164).
“Gij verlamt door te blijven onze pogingen.... In Gods naam vertrek dan toch.” (Bladz. 164).

“Gij verlamt door te blijven onze pogingen.... In Gods naam vertrek dan toch.” (Bladz. 164).

»Denk daar nu niet aan!” sprak Edward Carrol.

»Die Texar, die ellendeling, heeft besloten, dat mijne bevrijde negers verspreid en uiteengejaagd zouden worden. En ziet, zij zijn heinde en ver verspreid! Hij wilde uit wraakzucht de plantage verwoesten, en ziet, er blijven slechts puinhoopen over!”

»James,” antwoordde master Walter Stannard, »grooter onheilen en rampen hadden ons kunnen overkomen. Niemand onzer is bij de verdediging van Castle-House omgekomen; alleen Edward Carrol is licht gekwetst. Uwe echtgenoote, uwe dochter en de mijne hadden in handen van die onverlaten kunnen vallen. En wat ware dan hun lot geweest! En ziet, zij bevinden zich in veiligheid!”

»Gij hebt gelijk, Stannard, en dat God geloofd en geprezen zij!” zei James Burbank plechtig.

»Ja, dat God geloofd en geprezen zij!” herhaalden allen met aandoening en dankbaarheid.

»Overigens,” ging James Burbank voort, »wat op bevel van Texar uitgevoerd is, zal niet ongestraft blijven. Ik zal wel zorgen, dat er over het vergoten bloed recht gesproken worde!...”

»Wellicht is het thans te betreuren,” zei Edward Carrol, »dat mevrouw Burbank, miss Alice, de kleine Dy en Zermah Castle-House verlaten hebben.”

»Wat bedoelt gij?” vroeg James Burbank.

»Ja, ik weet wel, dat onze toestand toen vrij benard was... Toch zou ik het thans wenschelijk achten, dat zij weer bij ons waren.”

»Morgen, vóór dat de dag nog aangebroken zal zijn, ga ik naar haar toe,” antwoordde James Burbank.

»Dat is een goed voornemen,” zei Walter Stannard.

»Zij moeten in doodelijke ongerustheid verkeeren,” vervolgde James Burbank. »Ik kan hen dan geruststellen. Ik zal dan beslissen of zij naar Camdless-Bay teruggevoerd zullen kunnen worden, of dat zij nog eenige dagen op Ceder-Rots zullen moeten verblijven!”

»Ja, niets mag met overhaasting geschieden,” antwoordde master Walter Stannard. »Misschien is alles nog niet ten einde... en zoolang Jacksonville zich nog in de macht van Texar bevindt, hebben wij nog alles te duchten.”

»Daarom zal ik zoo voorzichtig mogelijk te werk gaan,” hernam James Burbank.

En zich tot master Perry, den administrateur, wendende, vervolgde hij:

»Zorg er voor, Perry, dat morgenochtend vóór het aanbreken van den dag een vaartuig gereed ligt.”

»Goed, master Burbank,” antwoordde Perry. »Hoeveel roeiers wenscht gij?”

»Ik geloof aan één man genoeg te hebben, om...”

Een angstverwekkende kreet, een wanhopig hulpgeschreeuw werd er in dit oogenblik vernomen en brak den volzin van James Burbank af.

Die kreet kwam van den kant van het grasperk in den tuin, hetwelk zich voor het heerenhuis uitstrekte.

Weldra werden deze woorden duidelijk vernomen:

»Vader!... Vader!...”

»God!... het is de stem mijner dochter!” riep master Walter Stannard uit.

»O, God!... Een nieuw ongeluk!...” was de kreet van James Burbank.

Hij vloog naar de deur, opende die en allen stormden naar buiten.

Miss Alice stond daar op weinige passen afstand van het woonhuis bij mevrouw Burbank, die op den grond uitgestrekt lag.

Noch Zermah, noch de kleine Dy bevonden zich bij haar.

»Mijn kind?... Waar is mijn kind?” riep James Burbank in den grootsten angst uit.

Bij het hooren van die stem richtte mevrouw Burbank zich op.

Zij kon niet spreken... Met angstig gebaar strekte zij de hand naar den kant van de rivier uit.

»Ontvoerd!...” sprak zij met schorre stem.

»Ontvoerd?” vroeg de vader, schier waanzinnig van ontzetting.

»Ja,” knikte zijne vrouw.

»Door wien?”

»Door... Texar!...” antwoordde miss Alice.

En bij het uitspreken van die woorden zeeg het jonge meisje naast mevrouw Burbank op den grond neder.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings