V. De Zwarte Kreek.
Reading edition
Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dageraad, wandelde een man op den oever van een der kleine eilandjes, welke als verloren te midden van die lagune der Zwarte Kreek bestaan.
Dat was Texar.
Niet ver van hem, slechts op weinige passen van hem verwijderd, was een Indiaan in de squif gezeten, die den vorigen dag bij het stoomschip Shannon aangelegd had. Het vaartuigje scheen pas aangekomen, maar ook weer gereed te zijn de lagune in of de rivier op te stevenen.
Die Indiaan—zal het nog wel noodig zijn hem te noemen?—was Squambô.
Na eenige malen heen en weer gedrenteld te hebben, bleef Texar voor een magnolia-boom stilstaan, greep een der benedentakken, boog dien tot zich en plukte een blad met stengel af. Daarna haalde hij een klein briefje uit zijn notitieboekje, dat slechts drie of vier woorden, met inkt geschreven, bevatte. Hij rolde dat briefje tot den kleinst mogelijken vorm op en verborg het toen tusschen de onderhuid van het magnolia-blad. Dat werd zeer behendig verricht, en wel zoodanig, dat aan het uiterlijke van dat blad niet te bespeuren was, dat daarin iets verborgen was.
»Squambô!” riep Texar toen.
»Meester?” vroeg de Indiaan.
»Ga, gij weet wel waarheen.”
Bij die woorden reikte Texar hem het magnolia-blad aan.
Squambô nam het aan en legde het in het voorste gedeelte van de squif neder. Daarop nam hij plaats bij den achtersteven, greep zijn pagaai, sloeg dien te water, rondde met zijn vaartuigje weldra de eindpunt van het eilandje en verdween eindelijk in een bochtig vaarwater, te midden van het dichte gewelf, hetwelk de loofkruinen der boomen over de lagune vormden.
Die lagune vormde een labyrinth, een waar doolhof van kanalen, die met een uitgestrekt netwerk te vergelijken was. Zij was gevuld met een zwart gekleurd water, niet ongelijk aan dat van de uitgeveende turfgronden in Drenthe.
Niemand zou in dit doolhof den weg hebben kunnen vinden, tenzij hij door langdurige ervaring eene grondige kennis opgedaan zoude hebben van de vaarwaters en doorgangen van dat diepe uitwateringsbekken, waarin de neventakken van de Sint John zich uitstorten.
Maar Squambô aarzelde geen oogenblik.
Hij stuurde stoutmoedig zijne squif naar plekken, waar het oog geen doorvaart kon ontwaren. De lage takken, die hij ophief, om den doortocht te erlangen, hernamen achter hem hun vorigen stand, en niemand zou hebben kunnen vermoeden, dat een vaartuig daar ter plaatse voorbij gestevend was.
Zoo vervolgde de Indiaan zijn weg en stevende door die lange bochtige kanalen, die soms niet eens zoo breed waren als die voren in de polders gegraven, om het naburige land droog te leggen. Eene groote menigte van watervogels vloog bij zijne nadering op. Glibberige alen, met verdachte koppen, die aan slangen deden denken, schoten onder de struikwortels, die boven water uitstaken.
Squambô, als echte Indiaan, vreesde dat schuifelend gedierte niet, evenmin de krokodillen, die in de modder lagen te slapen en die hij wekken kon, door ze met zijn pagaai of met de kiel van zijn vaartuig aan te raken. Hij stevende steeds vooruit en wanneer hem de ruimte ontbrak om te kunnen pagaaiën, dan greep hij een staak, waarmede hij zijn vaartuigje dan voortboomde.
In weerwil dat het reeds volle dag was, in weerwil dat het nachtelijk duister bij het schitteren der eerste stralen van de opkomende zon verdwenen was, zoo was het toch onmogelijk de dagvorstin onder dat ondoordringbaar dak van loof te ontwaren. Zelfs bij den meest schellen zonneschijn, zelfs wanneer dat hemellichaam in het zenith stond, was het onmogelijk dat een enkele lichtstraal tot op de oppervlakte van het zwarte water doordrong.
Het was alsof die moerassige streek slechts een halfduister noodig had, zoowel voor het kruipend gedierte, hetwelk in dat smerige water rondwriemelde, als voor de waterplanten, die op hare oppervlakte dreven.
Zoo stevende Squambô gedurende ruim een half uur van het eene eilandje naar het andere. Toen hij stil hield, was zijn vaartuigje bij een der meest verwijderde hoeken der kreek aangekomen.
Bij die plek, waar het moerassige gedeelte der lagune eindigde, stonden de boomstammen minder dicht bij elkander en waren de boomkruinen minder ondoordringbaar. Hier en daar waren dan ook enkele lichtstralen te ontwaren.
Iets verder strekte zich een uitgestrekt weiland uit, hetwelk met wouden omzoomd was. Het waterpas van den bodem van dat weiland was weinig boven de oppervlakte van de Sint John verheven. Ternauwernood groeiden vijf of zes alleenstaande boomen er op. Wanneer de voet zich op dien moddergrond neerzette, ondervond hij een gevoel, alsof hij op eene veerkrachtige matras trad. Eenige sassafras-struiken, met hun mager loof en hunne kleine violetkleurige bessen, teekenden grillige arabesken op het groene grastapijt.
Na zijn squif aan een stronk op den oever vastgemeerd te hebben, sprong Squambô aan wal. De nachtelijke nevelen begonnen op te trekken. Het weiland, dat geheel verlaten was, begon langzamerhand uit den mist te voorschijn te treden. Te midden der vijf of zes boomen, welker omtrekken in slechts onzekere beelden te bespeuren waren, stond een magnoliaboom van middelmatige ontwikkeling.
De Indiaan trad op dien boom toe en bereikte hem binnen weinige minuten. Bij hem gekomen, deed hij, wat hij Texar had zien doen; hij greep een der benedentakken en boog dien naar zich toe. Maar in stede van er een blad van te plukken, bevestigde hij het blad, hetwelk hij van zijn meester ontvangen had, er aan vast. Toen hij daarmede klaar was, liet hij den tak weer los, die zijn vorigen stand hernam en dat blad te midden der duizenden anderen van den boom als verloren voerde.
Squambô keerde toen naar zijn vaartuigje weder en stevende naar het eilandje terug, waar Texar hem wachtte.
Die Zwarte Kreek, naar hare donkerkleurige wateren aldus genoemd, besloeg een uitgestrektheid van ongeveer vijf- of zeshonderd bunders. Zij werd door de Sint John gevoed en vormde eene soort van archipel, die volkomen ondoordringbaar was voor hem, die er de doolwegen en de kronkelende vaarwaters niet van kende. Het getal eilandjes, hetwelk op hare oppervlakte werd aangetroffen, bedroeg zeker een honderdtal. Om de gemeenschap daartusschen daar te stellen, bestonden geene bruggen of veren. Neen, slechts enkele lange dooreengevlochten lianen, eene soort van slingerplanten, overspanden het vaarwater, slechts enkele hooge takken kruisten zich boven de ontelbare waterspruiten, welke die eilandjes van elkander scheidden. Dat was alles. Niets meer. En, het moet erkend worden, dat deze verbindingsmiddelen niet zeer geschikt waren, om de gemeenschap druk te doen zijn.
Een dezer eilandjes, nagenoeg in het midden van het stelsel gelegen, was door zijne uitgestrektheid van een twintigtal bunders en door zijne verhevenheid van vijf of zes voeten boven den gemiddelden waterstand zoowel van de Sint-John als van den Atlantischen Oceaan, als het voornaamste aan te merken.
In een lang vervlogen tijdvak, had dit eilandje tot emplacement gediend van een klein fort, een soort blokhuis, dat thans uit een militair oogpunt verlaten was en welks slooping aan den tand des tijds overgelaten was, zooals de officiëele uitdrukking luidt. Zijne palissadeering, die reeds half verrot was, stond nog onder de hooge boomen, onder de magnolia’s, de cypressen, de steeds groenende eiken, de zwarte noteboomen, de zuidelijke pijnboomen, die met hunne lange festoenen van cobea’s en andere eindelooze slingerplanten doorvlochten en getooid waren.
Binnen de omwalling ontwaarde het oog eindelijk onder de dichte loofkruinen van dat geboomte de geometrische lijnen van dat kleine fort of beter gezegd: van dien observatiepost, die nimmer voor meer geschikt geweest was, dan tot opneming van een detachement van een twintigtal manschappen. Smalle schietgaten waren in die houten muren der palissadeering ingesneden. De graszoden daken dekten de gebouwen met een dikke laag aarde, die bestemd was om de kogels der aanvallers op te vangen.
In het innerlijke bevonden zich eenige kamers, welke het centrale reduit uitmaakten en aan een magazijn grensden, waarin vroeger de levensmiddelen en de munitiën, voor de bezetting benoodigd, opgeborgen waren.
Om binnen dat reduit van het fortje te geraken, moest men eerst langs eene smalle poterne door de walgang dringen, daarna de esplanade of binnenplaats overschrijden, die met eenige boomen beplant was, en eindelijk een tiental treden opstappen, die in den grond uitgestoken waren en door balken gesteund werden. Dan vond men de eenige deur, die tot het innerlijke van het reduit toegang verleende, en die was nog, om de geheele waarheid te zeggen, slechts eene oude embrasure of kanonschietgat, hetwelk tot dat doeleinde gewijzigd was.
Dat was het gewone verblijf, of beter de gewone schuilplaats van Texar, die niemand kende.
Daar leefde hij, verscholen voor iedereen, met dien Squambô, die aan den persoon van zijn meester zeer verknocht was. Deze en vijf of zes slaven, die daar ook verblijf hielden, waren niet veel beter dan Texar.
Zoo als men ziet, lag dat eilandje van de Zwarte Kreek nog al verwijderd van de rijke ondernemingen, die op de beide oevers der Sint John aangetroffen werden. Onmogelijk zouden Texar en zijne makkers, hoe weinig eischend zij ook waren, daar hebben kunnen bestaan. Zij bezaten slechts eenige huisdieren en verder eenige roeden bouwgrond, waarop zij pataten, maniokwortels, komkommers teelden, en waarop zich eenige vruchtboomen, die evenwel schier verwilderd waren, verhieven. Dat was alles. Het is waar, zij konden in de nabijgelegen wouden jagen en in de kanalen en bochten der lagune visschen, hetgeen in ieder seizoen kon geschieden; maar dat alles was onvoldoende, om hun bestaan te rekken, en dus moesten daartoe andere middelen te baat genomen worden, middelen, waarvan Texar en Squambô alleen het geheim bezaten.
Wat de veiligheid van het blokhuis betrof, die was door zijne ligging te midden van die onbereikbare schuilplaats verzekerd. Daarenboven, wie zou getracht hebben dat nest aan te vallen, en waarom zou zoo iets geschieden? In ieder geval zou iedere verdachte nadering dadelijk verraden worden door het geblaf der honden, op het eilandje aanwezig. Dat waren woeste speurhonden, vroeger door de Caraïben ingevoerd, die weleer gebruikt waren geworden door de Spanjaarden, om de gevluchte slavennegers op te sporen.
Ziedaar eene beschrijving van het verblijf van Texar, dat hem ten volle waardig was.
Texar was iemand van omstreeks dertig jaren. Hij was van middelmatige gestalte, maar van een stevig gestel, een gestel, dat gehard was geworden door dat leven in de open lucht, door dat leven vol avonturen, hetwelk hij sedert zijne kindsheid geleid had. Hij was van Spaansche afkomst, en die afkomst was in allen deele in hem herkenbaar. Hij had zwart en ruw hoofdhaar, dikke wenkbrauwen, zwartgroene oogen, een breeden mond met dunne naar binnen gekeerde lippen, alsof zij met een sabelhouw gespleten waren, een korten dikken neus met neusgaten als die van een wild dier. Zijn geheel uiterlijk duidde op een heftig, maar tevens listig karakter.
Vroeger droeg hij een vollen baard, maar nadat deze door een geweerschot bij het een of andere gevecht tot in de huid geschroeid was, schoor hij zich, hetgeen de scherpheid en hoekigheid zijner gelaatstrekken nog meer deed uitkomen.
Die gelukzoeker had zich een twaalftal jaren geleden hier in Florida komen vestigen en zijn intrek genomen in dat verlaten fortje, dat niemand ter wereld hem betwistte.
Vanwaar kwam hij? Dat wist niemand en daaromtrent vertelde hij nooit iets.
Wat was nopens zijne vroegere levenswijze bekend? Ook hoegenaamd niets.
Er waren er, die beweerden,—en die hadden het bij het rechte eind,—dat hij slavenhaler geweest was en dat hij geheele scheepsladingen van negers in de havenplaatsen van Georgië, Florida en van Noord- en Zuid Carolina had aan den wal gebracht. Had hij bij dien afschuwelijken menschenhandel eenig vermogen vergaard? Dat bleek niet. Zooveel is zeker, dat hij niet de minste achting genoot, zelfs niet in dat land, waar toch menschen van zijn allooi bij de vleet voorkwamen.
Intusschen, al moest het erkend worden, dat Texar volstrekt niet in een reuk van heiligheid in de streken stond, zoo belette zulks niet, dat hij toch veel invloed in het geheele graafschap, maar voornamelijk te Jacksonville uitoefende. Het is waar, dat dit op het minst aanbevelingswaardige gedeelte der bevolking van die hoofdplaats geschiedde, maar die invloed was onmiskenbaar en daarom juist des te gevaarlijker.
Hij begaf zich zeer dikwijls naar die hoofdplaats voor zaken, waarover hij met niemand sprak. Hij had daar vele vrienden onder de half blanken en onder de meest verfoeielijke wezens der stad. Men heeft dit reeds kunnen ontwaren, toen hij in gezelschap van een half dozijn kerels van zeer verdacht allooi van Sint Augustijn aan boord van de stoomboot Shannon wederkeerde.
Zijn invloed strekte zich over eenige kolonisten in de streken van het Sint John-gebied uit. Hij bezocht dezen meermalen, en wanneer men hem geen bezoek terugbracht, dan was dat, omdat niemand zijne schuilplaats in de Zwarte Kreek kende. Maar dat belette niet, dat hij tot verscheidene ondernemingen op de beide oevers der rivier toegang had.
De jacht was natuurlijk een voorwendsel van die bijeenkomsten en die betrekkingen, die zoo spoedig aangegaan worden tusschen lieden van dezelfde zeden, van dezelfde gebruiken en van denzelfden smaak.
Die invloed had van een anderen kant in de laatste jaren zeer gewonnen, ten gevolge der heerschende meeningen, tot welker vurigste voorvechter Texar zich opgeworpen had.
Nauwelijks had de slaven-quaestie eene scheuring tusschen de beide helften van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika teweeggebracht, of de Spanjaard had zich als de hardnekkigste, als de meest vastbeslotene der voorstanders van de slavernij opgeworpen. Zooals hij dat luide uitbazuinde, kwam daarbij bij hem geen eigenbelang in het spel, daar hij slechts een half dozijn negers in eigendom bezat. Maar hij verklaarde het grondbeginsel van eigendom te willen verdedigen. Met welke middelen evenwel? Ja, het moet gezegd worden, door beroep te doen op de meest verfoeielijke van alle hartstochten, door de hebzucht van de lage volksklasse op te zweepen, door haar tot plundering, tot brandstichting, zelfs tot moord aan te zetten jegens de bewoners of kolonisten, die de meer edelaardige denkbeelden der Noordelijken deelden.

Begaf zich naar het fortje, stapte de poterne door en de trap van het blokhuis op. (Bladz. 70).
En thans strekten de plannen van dien gevaarlijken gelukzoeker tot niets minder dan tot omverwerping van het gezag der bestaande civiele autoriteiten te Jacksonville, ten einde de vertegenwoordigers van dat gezag, die hem te gematigd in hunne staatkundige denkbeelden waren, te vervangen door de meest geestdriftvolle aanhangers der zijne. Wanneer hij zoodoende door oproer en muiterij meester van het graafschap zou zijn geworden, zou hij den tijd gekomen achten, om aan zijne personeele wraaknemingen den vrijen teugel te vieren.
Uit het vorenstaande zal de lezer gemakkelijk begrepen hebben, welke belangen James Burbank en eenige andere eigenaren van ondernemingen bij de bestaande omstandigheden hadden, om de handelingen van zoo’n kerel, die reeds in gewone tijden door zijne slechte geaardheid te duchten was, van zeer nabij gade te slaan. Uit dien toestand waren aan den eenen kant een ingekankerde haat, en aan den anderen kant een diep ingeworteld wantrouwen ontstaan, die door de aanstaande gebeurtenissen nog zouden toenemen.
Er kwam nog iets bij, namelijk dat, onder hetgeen men omtrent het verleden van Texar, sedert hij het baantje van slavenhandelaar had laten varen, meende te weten, zeer verdachte daadzaken voorkwamen. Alles scheen er toch op te wijzen dat hij, bij den laatsten inval van de Seminool-Indianen, in geheime betrekking tot hen gestaan had. Had hij hun de aanslagen aangeduid, die zij moesten uitvoeren? Of had hij hen de plantages aangewezen, die aangevallen moesten worden?
Had hij hen hulp verstrekt bij het leggen van hinderlagen of bij het doen van aanvallen?
Vele omstandigheden droegen er toe bij, om iedere twijfel dienaangaande te doen verdwijnen, en zelfs ten gevolge van een der laatste aanslagen van die Indianen, zagen de magistraten zich genoodzaakt den Spanjaard gerechtelijk te vervolgen, hem gevangen te nemen en voor de rechtbank te brengen. Maar Texar beriep zich op een alibi—een reddings-systeem, dat hem later ook dienen zou,—en hij leverde het bewijs, dat hij onmogelijk had kunnen deelnemen aan den aanval op eene pachthoeve in het graafschap Duval, omdat hij zich in datzelfde oogenblik te Savannah in den Staat Georgië bevonden had, op ruim veertig mijlen ten noorden en buiten de grenspalen van Florida gelegen.
Gedurende de daaropvolgende jaren werden verscheidene zeer belangrijke diefstallen gepleegd, hetzij op nabijgelegen ondernemingen, hetzij op reizigers, die op den openbaren weg in Florida aangevallen waren. Was Texar medeplichtig aan of bewerker van die misdaden? Hoe het ook zij, men verdacht hem zeer; maar alweer door gebrek aan bewijzen, moest men er van afzien het schuldig uit te spreken.
Eindelijk deed zich eene gelegenheid voor, waarbij men dacht den misdadiger, die tot heden onaantastbaar geweest was, op heeter daad betrapt te hebben. Het was juist voor die zaak, dat hij daags te voren voor den rechter van instructie te Sint-Augustijn opgeroepen was.
Die zaak was namelijk deze: Toen James Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard op een avond zoo omstreeks tegen zeven uren, nu ongeveer acht dagen geleden, van een bezoek op eene naburige onderneming naar Camdless-Bay terugkeerden, vernamen zij angstgegil, hetwelk tot hen doordrong. Zij haastten zich naar de plek te ijlen, vanwaar die kreten kwamen, en bereikten zoo de gebouwen van eene alleenstaande pachthoeve.
Die gebouwen stonden in brand. De pachthoeve was vooraf door een bende boosdoeners, die zich verstrooid hadden, geplunderd geworden. De misdadigers konden niet verre zijn; men kon nog twee van die schurken ontwaren, die trachtten door het woud te ontvluchten.
James Burbank en zijne vrienden zetten die kerels, welke juist in de richting van Camdless Bay vluchtten, onmiddellijk en zonder aarzeling na. Die poging was evenwel tevergeefs. De brandstichters, door de terreinhindernissen te midden van dat woeste bosch begunstigd, slaagden er in te ontkomen.
Intusschen hadden de heeren Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard een hunner zeer goed kunnen herkennen en die eene was de Spanjaard.
Bovendien, eene andere bewijsvoerende omstandigheid sloot zich daarbij aan, namelijk toen die kerel bij een der krommingen van de woudgrens bij Camdless-Bay verdween, liep hij Zermah, die daar voorbijkwam, bijna tegen het lijf aan. De mestiesche vrouw schrikte hevig, maar zij herkende hem. Volgens haar was het wel degelijk Texar, die daar in alle haast vluchtte.
Zooals men wel begrepen zal hebben, baarde die zaak groot opzien in het graafschap.
Een diefstal gevolgd door brandstichting, is wel de misdaad, welke de kolonisten, die over eene groote uitgestrektheid van het grondgebied meestal eenzaam wonen, het meest duchten. Master James Burbank aarzelde dan ook geen oogenblik, om met eene formeele aanklacht op te treden.
Ten gevolge van zijne pertinente aanwijzingen, konden de autoriteiten niet anders doen, dan rechtsingang tegen Texar verleenen.
De Spanjaard werd te Sint-Augustijn voor den recorder gedaagd, om tegenover de getuigen gehoord en bij ontkentenis met hen geconfronteerd te worden.
James Burbank, Walter Stannard, Edward Carrol en Zermah verklaarden eenparig, dat zij Texar herkend hadden in den kerel, die de in brand staande pachthoeve ontvluchtte. Volgens hen was hier geene vergissing mogelijk. Texar was een der euveldaders bij die misdaad.
Maar van zijn kant had de Spanjaard een zeker aantal tegengetuigen naar Sint-Augustijn doen oproepen. Dezen nu verklaarden formeel, dat zij zich dienzelfden avond, toen de misdaad bedreven werd, in gezelschap van Texar in de »tienda” de Torillo te Jacksonville bevonden hadden. Die tienda was eene slecht befaamde kroeg, die als zoodanig bij iedereen bekend was. Texar zou dat krot gedurende den geheelen avond niet verlaten hebben.
Eene nog meer bevestigende bijzonderheid werd er bij gevoegd, namelijk dat Texar, juist op het oogenblik dat de misdaad gepleegd werd, een twist had met een der gasten van die kroeg van Torillo, welke twist door bedreigingen gevolgd en met slagen geëindigd was, waarvoor ongetwijfeld klachten tegen hem zouden ingebracht worden.
Tegenover deze getuigenissen, die men niet wantrouwen kon, omdat zij door personen afgelegd werden, die den Spanjaard geheel vreemd waren, zag de magistraat van Sint-Augustijn zich verplicht de rechtsvervolging te staken en den beschuldigde vrij en frank te laten gaan.
De alibi was dan ook ditmaal ten voordeele van dezen vreemdsoortigen kerel ten volle bewezen geworden.
Het was na die rechtszaak, dat Texar in gezelschap van zijne getuigen van Sint-Augustijn, den zetel der arrondissements-rechtbank, in den avond van den 7den Februari terugkeerde. Men weet, welke houding hij aan boord van de Shannon, terwijl die boot den stroom afstoomde, aangenomen had.
Toen later de squif, door Squambô gevoerd, hem opgenomen had, was hij naar het verlaten fortje teruggekeerd, alwaar hij, zooals wij weten, moeielijk te volgen ware geweest.
Wat dien Squambô betreft,—waarover wij toch ook een enkel woord dienen te zeggen,—dat was een schrandere en listige Seminool-Indiaan, die de vertrouweling van Texar geworden was. Deze had hem, juist bij het einde dier laatste expeditie van die inboorlingen binnen het grondgebied van Florida, waarbij zijn naam zoo ten rechte gecompromitteerd was geworden, in dienst genomen.
De Spanjaard kon natuurlijk in den geestestoestand, waarin hij zich tegenover James Burbank bevond, aan niets anders denken, dan zich door alle mogelijke middelen te wreken. En nu, door de gebeurlijkheden, die door den oorlog dagelijks konden in het leven geroepen worden, zou Texar, wanneer hij er in slaagde, het bestaande bestuur te Jacksonville omver te werpen, voor Camdless-Bay zeer gevaarlijk worden en derhalve zeer te duchten zijn.
Het is waar, dat de geaardheid van master James Burbank hem niet gedoogde voor iemand van zulk gehalte te beven; maar dat nam niet weg, dat mevrouw Burbank redenen te over meende te hebben, om voor haren echtgenoot en voor allen, die haar lief waren, te vreezen.
En wanneer die eerlijke familie nu nog had geweten, dat Texar vermoedde, dat Gilbert Burbank dienst had genomen in de gelederen van de strijdmacht der Noordelijken, dan zou zij voorzeker in onophoudelijke angsten geleefd hebben.
Hoe had die kerel die bijzonderheid toch vernomen? Gilbert was toch in stilte heengegaan en zijn vertrek was voor een ieder geheim gehouden. Daarop is geen antwoord te geven. Voorzeker had hij hen, die hij haatte, laten bespieden, en hij was gewoon, zooals wij wel later zullen zien, zich van spionnen te bedienen.
En inderdaad, zou men niet moeten duchten, nu Texar vermeende dat de zoon van master James Burbank in de gelederen der federalisten, onder de bevelen van den Commodore Dupont diende, dat hij zou pogen den jeugdigen officier een strik te spannen? Ja, dat zeker. Ook dat, wanneer hij er in slagen mocht, hem op het Floridasche grondgebied te lokken, hij zoude trachten zich van zijn persoon meester te maken, om hem aan de Zuidelijke autoriteiten over te leveren. Men begrijpt welk lot Gilbert zoude wachten, wanneer hij zich in handen zoude bevinden van die slavenhouders, die door den voorspoed der Noordelijken ten zeerste verbitterd waren.
Zoo stond de staat van zaken op het oogenblik, dat dit verhaal begint.
Zoo was de toestand der federalisten, die tot dicht bij de zeegrenzen van Florida genaderd waren.
Zoo was de toestand van master James Burbank te midden van het graafschap Duval.
Zoo was de positie van Texar niet alleen te Jacksonville, maar in de geheele uitgestrektheid van het slavenhoudende grondgebied van Florida.
Wanneer de Spanjaard er in slaagde, de bestaande regeering omver te werpen of hare macht te verlammen, dan zou het voor hem eene zeer gemakkelijke taak zijn, om de dweepzieke bevolking, die tot de grootst mogelijke woede ten opzichte van de tegenstanders van de slavernij opgezweept zoude zijn, aan te zetten zich op Camdless-Bay te werpen.

Beiden waren gezeten in een der pleizier-vaartuigen van Camdless-Bay. (Bladz. 72).
Een uur ongeveer nadat hij Texar verlaten had, was Squambô weer op het centraal-eilandje terug. Hij trok zijne squif op de oeverhelling, begaf zich naar het fortje, stapte de poterne door en de trap van het blokhuis op.
»Hebt gij gedaan, wat ik u bevolen had?” vroeg Texar hem.
»Ja, meester.”
»En.... niets?”
»Neen, niets.”