← Table of contents
De strijd tusschen Noord en Zuid, Deel 1: Overrompeling eener plantage

XIII. Gedurende eenige uren.

Reading edition

James Burbank was ook naar de deur toegetreden. Hij verwachtte in dit oogenblik niemand.

Maar... wellicht werd hem een belangrijk bericht van Jacksonville door John Bruce vanwege zijn correspondent, den heer Harvey, aangebracht!

Een derde maal werd op de deur geklopt, thans echter met ongeduldige hand.

»Wie is daar?” vroeg James Burbank.

»Ik!” kreeg hij ten antwoord.

»Ik?... Wie is die ik?”

»Ik!”

»Gilbert!” kreet miss Alice.

Ja, zij had zich niet vergist. Haar hart had het geraden.

Gilbert te Camdless-Bay!... Gilbert te midden der zijnen, overgelukkig om eenige uren in hun midden te komen doorbrengen en natuurlijk geheel onbekend met de rampen, die hen getroffen hadden!

In een oogwenk lag de jonge man in de armen zijns vaders, die hem aan de borst klemde. Een man vergezelde hem; deze sloot zorgvuldig de deur, na een bespiedenden blik naar buiten geworpen te hebben.

Dat was Mars, de echtgenoot van Zermah, de toewijdingsvolle mesties van den jongen Gilbert Burbank.

Toen hij zijn vader omhelsd had, keerde Gilbert zich om. Hij ontwaarde toen miss Alice. Hij greep hare hand en drukte die met innige maar onweerstaanbare teederheid.

»Maar, mijne moeder?” vroeg hij. »Waar is mijne moeder?.... Is het waar, dat zij ziek, dat zij stervende is?”

»Gij weet dus, mijn zoon?....” vroeg James Burbank.

»Ik weet alles, vader!”

»Alles?... Ook de vernieling der plantage door de bandieten van Jacksonville?... Ook den aanval op Castle-House?...”

Daar had hij eensklaps de beide negers overvallen. (Bladz. 174).
Daar had hij eensklaps de beide negers overvallen. (Bladz. 174).

Daar had hij eensklaps de beide negers overvallen. (Bladz. 174).

»Ja, vader!... Maar, mijne moeder?... mijne moeder?... Zij is toch niet dood?”

»Neen, Gilbert! Neen, goede jongen. Zij is niet dood! Stel u gerust.”

De aanwezigheid van den jongen man in deze streek, alwaar hij persoonlijk zooveel gevaar liep, vond thans hare gereede verklaring, niet waar?

Ziehier, wat er gebeurd was.

Sedert den vorigen dag waren ettelijke kanonneerbooten van het eskader van den Commodore Dupont, in weerwil van den buitengewoon lagen waterstand op de bank buiten de rivier, de monding der Sint John binnengedrongen. Na eenigen tijd stroomopwaarts gestevend te hebben, waren zij genoodzaakt geweest voor eene tweede bank op vier mijlen beneden Jacksonville halt te houden en ten anker te komen. Weinige uren later was er een man aan boord van de kanonneerboot van den gezagvoerder Stevens gekomen, waarop Gilbert Burbank als eerste officier dienst deed. Die man gaf te kennen, dat hij lichtwachter op den vuurtoren van Pablo was, en deelde alles mede, wat te Jacksonville voorgevallen was, alsook den inval, waaraan Camdless-Bay blootgesteld had gestaan, de uiteenjaging der negers en den wanhopigen toestand, waarin mevrouw Burbank zich bevond.

De lezer kan oordeelen, wat er in het gemoed van Gilbert Burbank omging, toen hij het verhaal van die betreurenswaardige gebeurtenissen vernam.

Toen overviel hem een onweerstaanbare begeerte, om zijne innig geliefde moeder weer te zien.

Hij vroeg en verkreeg verlof van den gezagvoerder Stevens, om de flottilje te mogen verlaten. Hij steeg in een van die kleine vaartuigen, die gieken genoemd worden, en vergezeld van zijn getrouwen Mars, slaagde hij er in,—zooals hij althans meende,—onopgemerkt te midden der duisternis voort te spoeden. Hij voer naar den wal en verliet het vaartuigje op een halve mijl afstands van Camdless-Bay, om te vermijden in de kleine havenkom aan te leggen, die voorzeker bewaakt en bespionneerd zoude zijn.

Maar, wat hij niet wist en ook niet weten kon, was dat hij in een strik gevallen was, die hem door den laaghartigen Texar met de meeste behendigheid gespannen was.

De Spanjaard had besloten, het mocht kosten wat het wilde, dat bewijs te erlangen, hetwelk door de magistraten van Court-Justice geëischt was, het bewijs namelijk dat James Burbank, de Noordelijke, de eigenaar van Camdless-Bay, briefwisseling met den vijand onderhield. Om dan ook den jongen officier naar de plantage te lokken, had de Spanjaard een lichtwachter van den vuurtoren te Pablo, die aan hem verknocht was, opgedragen, naar de kanonneerboot van Stevens te roeien, om aan Gilbert Burbank een gedeelte der gebeurtenissen mede te deelen, die op Castle-House voorgevallen waren, maar om hem vooral op de hoogte te brengen van den onrustbarenden gezondheidstoestand zijner moeder.

Zooals wij weten, was de jeugdige luitenant vertrokken; maar wat hij alweer niet wist, was dat hij behoorlijk bespied werd, terwijl hij de Sint John oproeide. Intusschen was hij er toch in geslaagd, door vlak langs het dichte riet en de biezen, die zich op den oever der rivier bevonden, te roeien, de verspieders van den Spanjaard, die in last hadden hem te volgen, het spoor bijster te maken. Maar hadden die spionnen hem ook al niet op den oever beneden Camdless-Bay zien aan wal stappen, dan hoopten zij toch hem bij zijn terugkeer naar boord in handen te krijgen en dit niet zonder grond, daar dat benedengedeelte der rivier door hen en hunne partijgangers stipt bewaakt werd.

»Mijne moeder?... Waar is mijne moeder?” herhaalde Gilbert Burbank ongerust.

»Hier ben ik, mijn zoon, mijn Gilbert!” antwoordde mevrouw Burbank.

Zij verscheen op het portaal van de trap der hal en klom langzaam naar beneden, terwijl zij zich krampachtig aan de leuning vasthield. Beneden gekomen, viel zij uitgeput op een divan neder, maar had toch nog kracht genoeg om haren zoon, haren Gilbert, die haar met kussen overdekte, in de armen te sluiten en aan het moederlijk hart te drukken.

In hare sluimering had de zieke op de deur van Castle-House hooren kloppen. Toen had zij zich reeds opgewekt gevoeld, maar toen zij de stem van haren zoon herkend had, had zij krachten genoeg gevonden om op te staan, om naar haren Gilbert te gaan en om met hem en met al de haren te weenen en de gebeurde zaken te betreuren.

De jonge man klemde haar in zijne armen.

»Moeder!... Moeder!...” sprak hij met ontroerde stem. »Ik zie u dan toch weer!... O, wat ziet gij er lijdende uit!”

»Dat’s niets, mijn jongen,” antwoordde de ongelukkige moeder, »zie, ik leef nog en dat is het voornaamste!”

»Ja, moeder, dat is het voornaamste!... En wij zullen u door onze zorgen, door onze verpleging genezen!... Ja, dat zullen wij!... O, de ongeluksdagen zijn thans voorbij!”

»God verhoore je, mijn Gilbert!” bad mevrouw Burbank; terwijl zij het hoofd van haren zoon in hare handen omklemd hield en hem in de heldere oogen keek.

»Ja, moeder, wij zullen weldra allen vereenigd zijn!... Gij zult uwe gezondheid herwinnen!... En wat mij betreft, vrees voor mij niets!... Niemand dan Mars en ik weten dat wij hierheen gekomen zijn!...”

En terwijl hij sprak, liefkoosde hij zijne moeder, en trachtte haar door zijne vroolijke hoopvolle woorden op te beuren. Helaas, hoe zou de arme vrouw opgebeurd hebben kunnen worden. Slechts een flauwe treurige glimlach vloog over haar gelaat, terwijl zij de liefkoozingen haars zoons ontving.

Intusschen scheen Mars te begrijpen, dat noch Gilbert noch hij, de ramp, die hem en het gansche gezin getroffen had, in haren geheelen omvang kende. James Burbank en naast hem de heeren Edward Carrol en Walter Stannard stonden daar stilzwijgend en met gebukt hoofd. Miss Alice trachtte hare tranen te drogen en kon hare snikken niet bedwingen. Wat was er dan toch nog gebeurd?

»Maar... waar zou de kleine Dy zijn?” vroeg zich de trouwhartige kleurling af. »En waar Zermah? Die had moeten raden, dat haar echtgenoot op Camdless-Bay aangekomen was, dat hij binnen het woonhuis was, dat hij zijne vrouw wachtte, met ongeduld wachtte...”

Zijn hart kneep te zamen. Een onuitsprekelijke angst overviel hem. Hij keek rond, onderzocht met den blik iederen hoek der hal, en het eindelijk niet meer kunnende uithouden, vroeg hij aan master James Burbank:

»Wat is er toch, meester?”

James Burbank schudde treurig, ja wanhopig het hoofd.

In dit oogenblik wierp Gilbert, na nog eene laatste liefkoozing met zijne moeder gewisseld te hebben, een blik rondom zich.

»Waar is Dy?”... vroeg hij. »Is kleine Dy reeds te bed?... Maar, waar is mijn lief zusje dan toch?”

»En waar is mijne vrouw?” vroeg Mars.

Helaas, nu begon een verhaal van het gebeurde, dat, meermalen door snikken, door onbedwingbare snikken, door geween, door angstgegil, door wanhoopskreten afgebroken, maar ten slotte toch ten einde gebracht werd. Toen wisten de jeugdige zeeofficier en Mars alles.

Bij het voortschrijden van den oever der Sint John, van de plek af, waar hunne sloep hen wachtte, hadden de beide mannen wel bouwvallen op de plantage in het duister ontwaard. Maar zonder zich daaromtrent veel te bekommeren, hadden zij de meening gekoesterd, dat de geheele ramp zich tot een min of meer belangrijke materieele schade, onafscheidelijk verbonden aan de vrijstelling der slaven, bepaalde!... Thans evenwel was hen alles bekend. De eene miste zijn zusje; de andere miste zijne echtgenoote... En niemand kon hen zeggen, waarheen die ellendige Texar de twee onschuldige wezens in de laatst verloopen zeven dagen vervoerd had.

Gilbert keerde zich weer naar zijne moeder, knielde naast haar neder en weende bitterlijk met haar.

Mars daarentegen liep, met hevige als met bloed beloopen oogen, met hijgende borst op en neder en kon zich onmogelijk bedwingen.

Eindelijk barstte zijn toorn los.

»O, ik zal dien Texar dooden!” riep hij uit. »Ja, ik zal hem vermoorden!... Ik zal naar Jacksonville gaan... morgen... neen, dezen nacht nog... dadelijk... oogenblikkelijk...”

»Ja, kom, Mars, kom!...” antwoordde Gilbert.

James Burbank weerhield hen.

»Waar wilt gij heen?” vroeg hij.

»Naar Jacksonville!”

»Zoudt gij dan denken, mijn zoon, dat wanneer dat doenlijk ware, ik tot uwe terugkomst zoude gewacht hebben?” kreet de wanhopige vader. »Kunt gij denken, dat ik die taak aan u zou overlaten?... Neen, bij God! neen! Dan had de ellendeling al lang het kwaad, dat hij ons gedaan heeft, met zijn leven betaald!...”

»Maar... maar...” wilde Gilbert in het midden brengen.

»Maar wat, mijn zoon?”

»Die aterling kan toch niet ongestraft blijven!”

»Neen, bij God! dat zal hij niet!—Maar eerst zal hij ons moeten mededeelen, wat hij alleen weet...”

»Vader!...”

»Ja, dat gaat voor! En als ik u en Mars aanmaan om te wachten,” sprak James Burbank hoogst ernstig, »gelooft mij, dan moet er gewacht worden!”

» Welnu, het zij zoo, vader! Gij kunt gelijk hebben.”

»Ik heb gelijk, Gilbert, geloof mij!”

»Welnu, ik herhaal: het zij zoo! Wij zullen niet naar Jacksonville gaan. Maar gij zult mij toch wel veroorloven, hoop ik, om het geheele grondgebied, de geheele streek te doorzoeken, om...”

»Maar... denkt ge dan, dat ik dat niet gedaan heb?” riep master James Burbank uit.

»Daaraan twijfel ik niet, vader. Maar het zou kunnen...”

»Geen dag is er voorbijgegaan, zonder dat wij de oevers der Sint John en de eilandjes, die Texar eene schuilplaats konden aanbieden, hebben doorzocht...”

»En... hebt gij niets gevonden?”

»Niets!... Niets!... geen enkele aanwijzing, die mij op het spoor kon brengen van uwe zuster, Gilbert, van uwe echtgenoote, Mars! Hier, de heeren Edward Carrol en Walter Stannard hebben met mij gezocht; zij hebben alles ondernomen... alles gewaagd... en hunne nasporingen zoowel als de mijne zijn vruchteloos gebleven!”

»Waarom geen klacht ingebracht te Jacksonville?” vroeg de jeugdige officier.

»Te Jacksonville?...”

»Waarom dien ellendigen Texar niet voor de rechtbank vervolgd, als schuldig aan ophitsing tot plundering van Camdless-Bay, als schuldig aan ontvoering?...”

»Waarom?... Wilt ge weten waarom ik dat niet deed?” vroeg James Burbank. »Omdat Texar thans baas is; omdat ieder, die tot de eerlijke lieden behoort, voor de schurken beeft, welke aan hem verknocht zijn; omdat het grauw voor hem gestemd is; omdat ook de militietroepen zijne partij gekozen hebben...”

»O, ik zal Texar vermoorden!” herhaalde Mars, alsof zijn brein door die standvastige gedachte, die niet te verjagen was, slechts vervuld was.

»Gij kunt hem dooden,” hernam master James Burbank, »evenwel dan eerst, wanneer het tijd zal zijn. Gebeurde dat thans, dan werd de toestand slechts verergerd.”

»En, wanneer zal het tijd zijn?...” vroeg Gilbert.

»Als de federalistische troepen Florida zullen binnengerukt zijn en zij Jacksonville zullen bezet hebben.”

»En, als het dan te laat is?”

»O, Gilbert!... mijn zoon!...” kreet mevrouw Burbank met hartverscheurende stem. »Ik bid, ik smeek je, zeg dat toch niet.”

»Neen, Gilbert, zeg dat toch niet!” herhaalde miss Alice.

James Burbank greep de hand van zijn zoon.

»Gilbert, hoor mij aan!” sprak hij. »Evenals gij en Mars wildet doen, wilden wij kort recht over Texar spreken en kort en bondig met hem handelen, voor het geval hij geweigerd zoude hebben te verhalen, wat er met zijne slachtoffers gebeurd is. Maar in het belang van uwe zuster, Gilbert, in het belang van uwe echtgenoote, Mars, hebben wij voorzichtigheid moeten betrachten en onzen gerechten toorn aan die voorzichtigheid ten offer brengen. Het is toch aan te nemen inderdaad, dat de kleine Dy en Zermah in handen van Texar als gijzelaars te beschouwen zijn, waarvan hij zich een vrijgeleide maken wil, wanneer de zaken der Zuidelijken verkeerd loopen. Want die ellendeling verkeert dan in gevaar om vervolgd te worden ter zake van rebellie en van verjaging der wettige autoriteiten te Jacksonville, ter zake van opruiïng eener bende boosdoeners tegen Camdless-Bay en ter zake van brandstichting en vernieling op de plantage van een Noordelijke! Ziet, als ik die meening niet koesterde, Gilbert, zou ik dan wel met die overtuiging tot je spreken? Zou ik dan den treurigen moed, de lakenswaardige geestkracht van het wachten kunnen ontwikkelen!...”

»Zou ik dan niet bezweken, zou ik dan niet dood zijn?” zei mevrouw Burbank.

De rampzalige moeder begreep maar al te goed, dat wanneer haar zoon naar Jacksonville ging, hij zich als het ware aan Texar uitleverde. En wie zou dan het leven van een officier van de federalistische krijgsmacht hebben kunnen redden, die in de handen der Zuidelijken zoude gevallen zijn en dat nog wel in een tijdperk, dat een troepenafdeeling der Noordelijken Florida bedreigde.

Maar de jeugdige officier bezat geene zelfbeheersching meer. Hij wilde en zou vertrekken en toen Mars herhaalde:

»Ik zal Texar vermoorden!”

»Kom, laten wij vertrekken!” sprak hij.

»Ge zult niet gaan, Gilbert!”

Mevrouw Burbank was, in weerwil harer zwakte, door eene buitengewone inspanning harer wilskracht opgestaan, en plaatste zich voor de deur. Maar door die poging uitgeput, en zich niet meer overeind kunnende houden, zeeg zij op den grond neder.

»Moeder!... Moeder!...” riep de jonge man uit.

»Blijf, Gilbert!” zei miss Alice.

Gilbert Burbank boog het hoofd.

Men moest mevrouw Burbank naar hare kamer dragen, waar het jonge meisje haar bleef bewaken.

Daarna keerden James Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard naar de hal terug.

Gilbert was toen in voorovergebukte houding op den divan gezeten en hield het hoofd door beide handen ondersteund. Mars stond ter zijde en nam een diep stilzwijgen in acht.

»Nu, Gilbert, nu ge weer kalm zijt,” sprak zijn vader James Burbank, »nu ge uwe zelfbeheersching herwonnen hebt, spreek nu. Van hetgeen ge ons zeggen zult, zal de beslissing afhangen omtrent hetgeen ons te doen staat. Wij stellen onze eenige hoop in eene spoedige aankomst der federalistische troepen in het graafschap...”

Gilbert zat als wezenloos voor zich te kijken. Hij hoorde evenwel aandachtig toe.

»Hebben zij hun plan om Florida te bezetten laten varen?” vervolgde James Burbank.

»Neen, vader.”

»Waar bevinden zij zich thans?”

»Een gedeelte van het eskader is thans onder stoom en zet koers naar Sint Augustijn, om de blokkade tot naar dien kant uit te strekken.”

»Maar denkt de Commodore Dupont er niet aan?...” vroeg Edward Carrol aarzelend.

»Waaraan?”

»Om zich meester van de Sint John te maken.”

»Het benedengedeelte van den stroom is in onze macht,” antwoordde de jeugdige zeeofficier. »Onze kanonneerbooten, onder de bevelen van den Kommandant Stevens, liggen reeds in de Sint John ten anker.”

»In de Sint John?” riep master Walter Stannard uit.

»Ja, in de Sint John!”

»En zij hebben nog geene pogingen gedaan, om zich van Jacksonville meester te maken?”

»Neen.”

»Waarom niet?”

»Omdat zij bij de binnenbank gekomen, die op vier mijlen beneden de havenplaats ligt, niet verder konden.”

»Niet verder konden?” vroeg James Burbank ontsteld.

»Neen, vader.”

»De kanonneerbooten worden weerhouden door een hinderpaal en nog wel door een onoverkomelijken hinderpaal!”

»Ja, vader, weerhouden door gebrek aan water, door gebrek aan diepte. De vloed moet sterk doorzetten om te veroorloven die bank te overschrijden, en dan nog zal het zeer moeielijk zijn. Mars kent de geul volkomen en die zal ons moeten loodsen.”

»Wachten!... Steeds wachten!...” riep James Burbank wanhopig uit. »En hoe lang zullen wij nog moeten wachten? Zeg, Gilbert, hoe lang nog?”

»Hoogstens nog drie dagen, dan is het springvloed; maar.... wanneer...”

»Maar, wanneer wat? Ga voort.”

»Maar nog slechts vier-en-twintig uren, wanneer de wind draaide en uit volle zee op de riviermonding stond.”

»Dat is een kans, waarop in dit seizoen niet te vertrouwen valt,” zei Walter Stannard.

Drie dagen, of in het gunstigste geval nog vier-en-twintig uren! O, wat was dat nog eene lange tijdsruimte voor de bewoners van Castle-House!

En wanneer de geconfedereerden middelerwijl tot het besef zouden komen, dat zij de stad niet zouden kunnen verdedigen, en wanneer zij haar dientengevolge ontruimden, zooals zij de havenplaats Fernandina, het fort Clinch en zoovele andere plaatsen van noordelijk Florida en van Georgië ontruimd hadden, zou Texar dan niet met hen vluchten? En waar zou men hem dan moeten gaan opsporen?

Gingen James Burbank en Walter Stannard dagelijks nasporingen doen. (Bladz. 184).
Gingen James Burbank en Walter Stannard dagelijks nasporingen doen. (Bladz. 184).

Gingen James Burbank en Walter Stannard dagelijks nasporingen doen. (Bladz. 184).

Van een anderen kant hem in dit oogenblik gaan aanvallen, nu hij heer en meester te Jacksonville was, nu het grauw hem bij alle zijne gewelddadigheden hielp en steunde; neen, dat was en bleef onmogelijk. Daarop viel niet meer terug te komen. Dat begreep iedereen.

Master Walter Stannard vroeg toen aan Gilbert, of het waar was, dat de federalistische troepen in het noorden wederwaardigheden ondervonden hadden en wat er van de nederlaag te Bentonville aan was?

De jeugdige officier gaf een overzicht van den stand van zaken en eindigde aldus:

»De overwinning te Pea-Ridge behaald, heeft aan de troepen van Generaal Curtis veroorloofd, het terrein, dat zij kortstondig verloren hadden, te hernemen. De toestand der Noordelijken mag uitmuntend heeten en de einduitslag of beter het eindwelslagen is verzekerd. Wanneer? Ja, dat tijdstip is moeielijk te bepalen of ook maar te voorzien. Wanneer zij de voornaamste punten van Florida zullen bezet hebben, dan zullen zij de oorlogscontrabande kunnen beletten, die nu op zeer vele punten van het kustland gedreven wordt. Als dat zal kunnen geschieden, dan zullen weldra zoowel de wapens als de munitie aan de geconfedereerden gaan ontbreken. Dus dit grondgebied zal binnen kort onder de bescherming van ons eskader de rust en veiligheid herkregen hebben!... Binnen kort... Ja... over ettelijke dagen!... Maar, wat kan er in dien tusschentijd gebeuren?...”

Toen rezen hem de talrijke gevaren voor den geest, waaraan zijn zusje blootgesteld was en kwam de zucht, om heen te ijlen en haar te gaan wreken, weer zoodanig bij hem op, dat James Burbank zich genoodzaakt zag, ten einde hem van dat denkbeeld af te brengen, het gesprek weer op de oorlogvoerende partijen te brengen. Gilbert kon hen toch nog veel mededeelen van de gebeurtenissen, die noch te Jacksonville vernomen, althans niet naar Camdless-Bay overgebracht waren.

En werkelijk, er waren feiten gebeurd die van zeer groot belang waren, vooral voor de federalistisch gezinde bewoners van den Staat Florida.

De lezer zal zich herinneren, dat de Staat Tennessee, als gevolg van de overwinning te Donelson, geheel en al onder het bestuur der Unionistische regeering was teruggekeerd. Deze was er nu op bedacht, zich door de samenwerking van haar landleger en hare vloot, van den geheelen loop der Mississippi meester te maken. Dientengevolge waren de federalisten dien stroom tot bij het eiland nummer 10 afgezakt, alwaar zij met de troepen van den Generaal Beauregard, wien de verdediging van den stroom was opgedragen, in botsing zouden komen.

Reeds op den 24sten Februari waren de brigades van den Generaal Pope, die te Commercie op den rechteroever van de Mississippi ontscheept waren, er in geslaagd het legerkorps van den Generaal John Thomson terug te dringen. Het is waar, dat, toen zij in de nabijheid van het eiland nummer 10 en van het dorp New-Madrid gekomen waren, zij tegengehouden werden door een zeer sterk stelsel van redoutes of gesloten versterkingen, tot dat doel door Generaal Beauregard aangelegd.

Maar al moesten ook, sedert dat Donelson en Nashville door de Noordelijken genomen waren, al de positiën langs de rivier, boven Memphis gelegen, als verloren voor de Zuidelijken beschouwd worden, zoo konden die, meer benedenstrooms gelegen, nog verdedigd worden.

Het was dan op dit punt, dat een slag geleverd zou worden, die misschien beslissend zoude zijn.

Intusschen was de reede van Hampton Road, in de monding van de James-Rivier, het tooneel van een gedenkwaardig gevecht geweest. Bij dat gevecht kwamen de eerste staaltjes van die gepantserde vaartuigen, welker gebruik de geheele zeetaktiek veranderd en den aard van den bouw der oorlogsvaartuigen van al de maritieme rijken van de beide halfronden gewijzigd hebben, tegenover elkander.

Op den 5den Maart hadden de Monitor, een pantserschip door den Zweedschen ingenieur Erikson, en de Virginia, vroeger Merrimac genaamd, thans getransformeerd, het anker gelicht en waren vertrokken, het eerstgenoemde vaartuig van New-York en het andere van Norfolk.

Op dat tijdstip lag eene divisie federalistische vaartuigen, vereenigd onder de bevelen van den kapitein ter zee Marston, te Hampton Road, in de nabijheid van Newport-News ten anker. Die scheepsafdeeling bestond uit de zeilfregatten Congress, de Sint Laurens, de Cumberland en verder uit twee stoomvaartuigen.

Eensklaps verscheen in den morgen van den 2den Maart de Virginia, die door den kapitein der geconfedereerden Buchanan gekommandeerd werd. Gevolgd door een paar andere schepen van minder belangrijkheid, wierp dat vaartuig zich eerst op de Congress, vervolgens op de Cumberland, die hij met zijn spoor in de zijde liep, zoodat dit fregat met honderd en twintig man van zijne equipage in de diepte wegzonk, welke lieden hun graf in de golven vonden. Toen zich andermaal naar de Congress wendende, die, om het gevaar te ontkomen, op eene modderige ondiepte geloopen was, beschoot de Virginia haar met granaten, vernielde als het ware dit vaartuig door dat vuur en stak het ten slotte in brand. Alleen de nacht belette, dat ook de drie andere vaartuigen van de federalistische scheepsafdeeling vernield werden. Deze konden onder begunstiging van de duisternis de vlucht nemen en eene veilige haven opzoeken.

Men zou zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van den indruk, door die volledige overwinning van zoo’n klein gepantserd vaartuig bij dien strijd tegen de grootste oorlogsschepen van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika gevoerd, door de geheele beschaafde wereld, maar vooral in het grondgebied der oorlogvoerende partijen teweeggebracht. Bij de eene, bij de Noordelijken en hunne aanhangers, veroorzaakte zij eene diepe verslagenheid, omdat het aan een nietig vaartuigje als de Virginia mogelijk was geweest tot in de Hudsonrivier de schepen van New-York te komen rammen.

Bij de andere partij, bij de Zuidelijken, en alle slavenhoudende Staten veroorzaakte zij eene buitengewone vreugde en hoop. Men zag toch reeds in de verbeelding de zoo gehate blokkade verbroken en opgeheven en den handel weer vrij en verlevendigd langs de kusten der zoo geteisterde landstreken.

Het was inderdaad dat buitengewone succes, dat daags te voren te Jacksonville zoo luidruchtig gevierd was.

De geconfedereerden mochten nu toch hopen, dat zij voor den aanval der vaartuigen van het federalistische gouvernement veilig waren. Want onmogelijk was het toch niet, dat het eskader van den Commodore Dupont, ten gevolge van de overwinning te Hampton Roads, dadelijk naar de Potomac- of Chesapeake-monding teruggeroepen zoude worden.

Geen debarkement van vijandelijke troepen zou dan meer voor Florida te duchten zijn. De denkbeelden der slavenhoudende planters, gesteund door het meest woeste gedeelte van de bevolking der Zuidelijke Staten, zouden zonder verdere hinderpalen zegevieren!

Dat zou de bevestiging van Texar en zijne aanhangers zijn in een toestand, waarin zij zooveel kwaad doen en zooveel onheil stichten konden!

Intusschen had men zich bij de geconfedereerden te zeer gehaast om victorie te kraaien.

Want, er waren toch latere berichten, die in Noord-Florida reeds bekend waren, en die Gilbert Burbank vernomen had juist toen hij de kanonneerboot van den gezagvoerder Stevens wilde verlaten en thans tot geruststelling zijner familiebetrekkingen en vrienden kon mededeelen.

Inderdaad, den tweeden dag na het scheepsgevecht van Hampton Roads had een ander plaats, dat eene andere uitkomst had, geheel verschillend met die van het eerstgenoemde.

Aanval op het eiland No. 10 door de federalisten. (Bladz. 203).
Aanval op het eiland No. 10 door de federalisten. (Bladz. 203).

Aanval op het eiland No. 10 door de federalisten. (Bladz. 203).

In den ochtend van den 9den Maart, op het oogenblik dat de Virginia zich gereed maakte op het federalistische stoomfregat Minnesota, hetwelk deel uitmaakte van de scheepsmacht van Hampton Road, in te loopen en met zijn spoor in den grond te boren, verscheen een vijand, welks tegenwoordigheid het geconfedereerde pantserschip zelfs niet vermoed had. Het was een zonderling vaartuigje, dat zich als het ware van de flanken van het fregatschip losmaakte.

»Het is net een kaasstolp op een vlot,” zeiden de geconfedereerden.

Maar die kaasstolp was de Monitor, die door den luitenant ter zee Warden gekommandeerd werd. Dat vaartuig was naar deze wateren heengezonden, om de strandbatterijen der Potomac te beschieten en te vernielen, maar bij de uitwatering van de James-Rivier gekomen, had luitenant Warden het kanongebulder van Hampton Road vernomen en van den nacht gebruik makende, was het hem gelukt ongemerkt het strijdperk te naderen en zich achter de Minnesota verdekt op te stellen.

Op tien meter afstand van elkander gekomen, begonnen die beide geduchte oorlogsgevaarten elkander met al hun geschut te beschieten. Dat vuur duurde vier uren, maar bleef zonder uitwerking. De vaartuigen liepen elkander herhaaldelijk aan boord en poogden elkander met den ram te treffen, maar tevergeefs. De bewegingen van den bedreigde waren steeds zoo snel en zoo wel uitgevoerd, dat een gevaarlijke schok of stoot vermeden werd.

Eindelijk werd de Virginia, die slechts tot aan de waterlijn gepantserd was, daar beneden gevaarlijk getroffen. Zij dreigde te zinken en was verplicht zich door de vlucht in de richting van Norfolk te redden.

De Monitor, die zelf negen maanden later zou zinken, had zijn tegenstander volkomen overwonnen, en het was aan dat vaartuig te danken, dat het federalistisch gouvernement zijne meerderheid in de wateren van Hampton-Road kon hernemen.

»Neen, vader,” zei Gilbert Burbank, terwijl hij zijn verhaal eindigde, »ons eskader is niet naar het noorden teruggeroepen geworden. De kanonneerbooten van Stevens liggen in de Sint John voor de tweede bank ten anker.”

»Wachten!... steeds wachten!” prevelde master Walter Stannard.

»Ja, helaas... wachten... Maar, ik herhaal het u, uiterlijk over drie dagen zullen wij Jacksonville bemachtigd hebben. Wees daar verzekerd van!”

»Gij ziet dus, Gilbert,” sprak James Burbank, »dat ook gij moet wachten en dat gij naar boord van uwe kanonneerboot moet terugkeeren.”

Gilbert antwoordde daarop niet, maar boog toestemmend met het hoofd.

»Maar,” vervolgde zijn vader, »vreest gij niet dat, terwijl gij naar Camdless-Bay roeidet, gij bespied, gevolgd zijt geworden?...”

»Neen, vader,” antwoordde de jeugdige officier. »Mars en ik zijn aan aller oog ontsnapt. Daar ben ik zeker van.”

»En die man?”...

»Welke man?”

»Die u bericht is komen geven van de gebeurtenissen op de plantage, van de brandstichtingen, van de verwoestingen, van de plunderingen, van de ziekte uwer moeder. Wie is hij?”

»Dat weet ik niet.”

»Weet gij dat niet?”

»Neen. Hij heeft mij alleen gezegd, dat hij een lichtwachter van den vuurtoren van Pablo geweest is, die door de autoriteiten van zijn post ontzet en weggejaagd is. Hij kwam den kommandant Stevens verwittigen van het gevaar, dat de Noordelijk-gezinden in dit gedeelte van Florida liepen.”

»Wist hij, dat gij aan boord van de kanonneerboot waart?” vroeg James Burbank bezorgd.

»Neen, vader.”

»Niet?”

»Neen. Hij scheen zich zelfs over mijne aanwezigheid te verbazen,” antwoordde de jeugdige officier. »Maar waarom toch al die vragen, beste vader?”

»Omdat ik waarlijk ducht, dat u een valstrik door Texar gespannen is.”

»Een valstrik, vader?”

»Ja, hij doet meer dan op gissing afgaan; hij weet zeker dat ge in dienst van de federalistische krijgsmacht zijt.”

»Zou dat?... Maar dan weet hij nog niet, dat ik aan boord van een der vaartuigen van dit eskader ben...”

»Dat kan hij vernomen hebben.”

»Van wien?”

»Ja, wie weet?... Maar als hij weet, dat gij onder de bevelen van den kommandant Stevens staat... dan is het niet onmogelijk, dat hij u hierheen heeft gelokt.”

»Vrees niets, vader. Mars en ik zijn op Camdless-Bay aangekomen, zonder door iemand gezien te zijn, terwijl wij de rivier oproeiden. En wees verzekerd, dat wij onze maatregelen zullen nemen, om even onbemerkt weer heen te gaan...”

»Waarheen?” vroeg de vader met driftigen angst.

De jonge officier antwoordde niet dadelijk. Hij scheen zich te bedenken.

»Om naar boord terug te keeren, niet waar?...” vervolgde zijn vader, terwijl hij Gilberts hand greep.

»Dat heb ik u beloofd, vader,” was het kalme antwoord. »Ja, Mars en ik gaan naar boord en morgen vóór het aanbreken van den dag zullen wij daar terug zijn.”

»Hoe laat wilt gij vertrekken?”

»Als de eb ingetreden zal zijn, dat wil zeggen: tegen half drie in den ochtend.”

»Maar zou vóór dien tijd?...” begon Edward Carrol.

»Wat bedoelt gij?” vroeg James Burbank. »Spreek.”

»Zou het niet mogelijk zijn, dat de kanonneerbooten van den kommandant Stevens geen zoolang oponthoud zullen ondervinden voor de bank van de Sint John als Gilbert wel meent?”

»Ja!...” antwoordde de jeugdige officier. »Het zou voldoende zijn dat de zeewind wat aanwakkerde, om voldoend diep water op de bank te hebben.”

»Och, dat dit toch geschiede!” zuchtte James Burbank, zijn vader.

»Ja, en al moest er een storm blazen!” zei Gilbert. »Dat hij kome! Uit dien hoek zal hij welkom zijn!”

»Ja, welkom!” kreet Mars met rauwe stem.

»Dan zouden wij met die ellendelingen kunnen afrekenen,” dreigde Gilbert. »Dan...”

»Dan, dan zal ik Texar vermoorden!” brulde Mars, terwijl hij zijne woorden met een ontzettend gebaar aanvulde.

Het was toen iets over middernacht. Gilbert Burbank en Mars zouden Castle-House eerst tegen twee uren verlaten. Zij moesten toch het intreden der eb afwachten, om de flottilje van den kommandant Stevens te kunnen bereiken.

De duisternis zou dan zeer groot zijn en dan waren de kansen het allergunstigst om onbemerkt tusschen de vele vaartuigen, die de opdracht hadden de Sint John beneden Camdless-Bay te bewaken, door te sluipen.

De jeugdige officier ging toen naar de kamer zijner moeder. Toen hij binnentrad, zat miss Alice bij het hoofdeneind van het ledikant. Mevrouw Burbank, die uitgeput was door de laatste krachtsinspanning, die zij volvoerd had, was in eene soort van zeer pijnlijke verdooving geraakt, althans te oordeelen naar de snikken, die aan hare borst ontsnapten.

Gilbert wilde dien staat van verdooving, die meer aan neerslachtigheid en uitputting dan wel aan een gerust slapen te wijten was, niet storen. Hij zette zich, nadat miss Alice hem met de hand een teeken gegeven had, om niet te spreken, naast het bed neder.

Daar zaten zij te zamen en waakten stilzwijgend bij die rampzalige vrouw, die zoozeer door het ongeluk vervolgd was en misschien nog zou worden!

Hadden die twee jongelieden woorden noodig om hunne gedachten te vertolken?

De jonge man klemde haar in zijne armen. (Bladz. 195.)
De jonge man klemde haar in zijne armen. (Bladz. 195.)

De jonge man klemde haar in zijne armen. (Bladz. 195.)

Waarlijk neen; zij gevoelden dezelfde smarten, zij begrepen elkander, al uitten hunne monden geen woord, zij spraken tot elkander door het hart.

Eindelijk was het oogenblik aangebroken, om Castle-House te verlaten. Gilbert Burbank reikte aan miss Alice de hand en beiden bukten zich over mevrouw Burbank, die daar bewusteloos en met half gesloten oogen terneerlag en die twee jongelieden derhalve niet kon zien.

Toen drukte Gilbert een kus op het voorhoofd zijner moeder, waarna het jonge meisje hetzelfde op dezelfde plaats deed. Mevrouw Burbank ondervond als eene pijnlijke rilling, die haar door de ledematen voer; maar zij zag haren zoon niet heengaan, ook niet dat miss Alice hem volgde, om hem nog eens de hand te drukken en een laatst vaarwel te zeggen.

Gilbert en het jonge meisje vonden James Burbank, Walter Stannard en Edward Carrol in de hal van het heerenhuis terug, welke zij niet verlaten hadden.

Mars, die naar buiten getreden was, om den omtrek van Castle-House te verkennen, kwam in dit oogenblik terug.

»Het is tijd!” zei hij.

Gilbert keek hem als wezenloos aan. Hij was met zijne gedachten elders.

»Het is tijd om te vertrekken,” herhaalde Mars.

»Ja, Gilbert,” hernam James Burbank. »Het is tijd; draal dus niet. Vertrek...”

»Vader!...”

»Geen verteederingen, mijn zoon! Vertrek... en te Jacksonville zullen wij elkander wederzien!”

»Ja!... te Jacksonville,” antwoordde de zoon, »en morgen reeds wellicht, wanneer de vloed flink komt doorzetten en veroorloven zal, dat wij de bank overstevenen!”

»Dat God je verhoore, mijn Gilbert!”

»En wat Texar betreft...”

»Wij moeten hem levend in handen hebben! Levend!... Denk er aan, Gilbert!”

»Ja!... Levend!...”

De jonge man omhelsde zijn vader, wisselde een handdruk met zijn oom Edward Carrol, en met Walter Stannard, den vader van miss Alice.

Daarop zei hij met vastberaden stem:

»Kom Mars!”

En beiden traden naar buiten en stapten langs den rechteroever der Sint John, die daar de plantage begrensde, voort en volgden haar gedurende een half uur. Zij ontmoetten gelukkig niemand op hun weg.

Bij de plek gekomen, waar zij hunne giek tusschen de biezen verstopt hadden, stapten zij in het vaartuigje en brachten het zoo spoedig mogelijk in den vollen stroom, die hen met de meeste snelheid naar de bank in de Sint John zoude voeren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings