← Table of contents
Beatrice

Wat Beatrice gedroomd had.

C. Baarslag translation · Edition 2

Geoffrey lag op de sofa en zag naar den zonneschijn, en luisterde naar het getik van de pendule, terwijl hij zich al die gebeurtenissen voor den geest riep, totdat zij op het tooneel van dien ochtend uitliepen.

“’t Is niet langer te dulden,” zeide hij eindelijk. “Zij maakt mijn leven ellendig. Als het niet om Effie was, op mijn woord, ik zou—Drommels, ’t is drie uur; ik ga naar Miss Granger. Zij is in allen gevalle een vrouw met een hart, hoewel een vrijgeest—wat zeer dwaas van haar is,” liet hij er op volgen, terwijl hij langzaam van de sofa opstond.

Met moeite, want hij was stijf en pijnlijk, strompelde hij de lange, smalle kamer door en de deur uit, die op een kier stond. De deur aan de overzijde was ook open. Hij klopte zacht aan, en toen hij geen antwoord kreeg, stiet hij die verder open en zag naar binnen, meenende dat hij zich misschien in de kamer vergist had. Op een sofa, die omstreeks twee derden van het vertrek in de lengte besloeg, lag Beatrice te slapen.

Zij was in een soort van peignoir van een eenvoudige blauwe stof gewikkeld, en haar krullend haar golfde langs haar borst en schouders. Haar lief gelaat, waarvan de bleekheid nog des te meer uitkwam door de schaduw van de lange, donkere wimpers, en tegen de frissche roode kleur der lippen, was naar hem toegekeerd. Een der blanke handen hing bijna tot op den grond neder, en onder den sluier van het goudkleurig haar bewoog haar boezem zacht in haar slaap. Zóó schoon was zij in haar rust, dat hij bijna met ontzag staan bleef, met een gevoel alsof een aanwezige macht zijn hart in bedwang hield. ’t Is gevaarlijk zulk een stille schoonheid te aanschouwen en dat in bedwang houden van het hart te gevoelen. Een waarlijk verstandig man, die het gevoelt, zou gevlucht zijn, wetende dat het zaad, in zulke oogenblikken gezaaid, kan ontkiemen om eenmaal bittere vruchten voort te brengen. Maar Geoffrey was niet verstandig—wie zou het ook geweest zijn? Hij bleef op die slapende schoonheid staren totdat haar beeld zich zoo vast in zijn hart prentte, dat het door alle latere jaren, met al hun verschillende gemoedsbewegingen, niet was uit te wisschen.

En terwijl hij daar in diepe stilte stond te staren, maakte een angstig voorgevoel zich van hem meester.

De zonnestraal, die in de kamer viel, week voor de schaduw van een voorbijtrekkende wolk. Een oogenblik trilde het zonlicht op zijn borst, scheen terug op de hare, en verdween, en toen het wegstierf, was het hem alsof hij wist dat voortaan, voor leven en dood, zijn lot en dat van dat slapende meisje één waren. Het was slechts een oogenblikkelijke aandoening, reeds verdwenen bijna voordat hij er de dwaasheid van begrepen had. Maar in later dagen herinnerde hij zich wat hij toen gevoeld had.

Juist op dat oogenblik opende Beatrice de oogen. Haar droomerige blik viel op hem, meer alsof zij door hem heen en voorbij hem, dan naar hem zag. Toen richtte zij zich een weinig op, en strekte beide armen naar hem uit.

“Zoo zijt gij dan eindelijk bij mij gekomen,” sprak zij. “Ik wist wel dat gij komen zoudt en heb op u gewacht.”

Hij gaf geen antwoord; hij wist niet wat hij zeggen zou; hij dacht eigenlijk dat zij droomde. Een poos staarde Beatrice hem nog even afgetrokken aan, totdat zij eensklaps schrikte en het bloed haar naar het voorhoofd stroomde.

“Wel, mijnheer Bingham,” zeide zij, “zijt gij het werkelijk? Wat heb ik gezegd? O, vergeef het mij, wat het ook was. Ik heb geslapen, en zoo’n zonderlingen droom gehad, en in mijn slaap gesproken.”

“Maak u niet ongerust, Miss Granger,” antwoordde hij, zich eensklaps herstellende; “gij hebt niets verschrikkelijks gezegd, alleen dat gij blij waart mij te zien. Waar hebt ge van gedroomd?” Zij zag hem twijfelachtig aan; misschien klonken zijn woorden niet volkomen waar.

“Het zal, geloof ik, beter zijn dat ik het u vertel, nu ik u reeds zooveel gezegd heb,” hernam zij. “Bovendien was het een zeer zonderlinge droom, en als ik aan droomen geloofde, zou hij mij bang gemaakt hebben, maar dat doe ik gelukkig niet. Ga zitten, dan zal ik ’t u vertellen, eer ik het vergeten ben. ’t Is geen lang verhaal.”

Hij nam den stoel, dien zij hem aanwees, en zij begon op den toon van iemand, nog geheel onder den indruk der herinnering van wat hij gedroomd heeft.

“Ik droomde dat ik in een ruimte stond. Ver rechts van mij af, was een groote lichtbol, en links was een andere bol, en ik wist dat die bollen Leven en Dood waren. Van den bol rechts, naar den bol links, heen en terug, werd gestadig een gouden schietspoel geschoten, waarin twee oogen gezet waren, en ik wist dat dit de schietspoel was, waarmede het Noodlot het lot der menschen weeft. Daar vloog de schietspoel weer, en liet een langen zilveren draad na, en de oogen in de spoel waren uw oogen. Weer vloog de schietspoel door de ruimte, en ditmaal waren haar oogen als mijn oogen en de draad, dien zij achterliet, was van vrouwenhaar gevlochten. Halverwege tusschen de bollen van Leven en Dood brak mijn levensdraad af, maar de schietspoel vloog door en verdween. Een oogenblik hing de draad in de lucht, en toen stak er een wind op en blies hem weg, zoodat hij als de draad van een spinneweb zweefde, totdat hij op uw zilveren levensdraad stiet en, zich er omheen begon te winden. Onder dat omwinden werd hij grooter en zwaarder, en eindelijk was hij zoo dik als een groote haarvlecht, en begon de zilveren draad onder zijn zwaarte te buigen, zoodat ik zag dat die spoedig moest breken. Terwijl ik in verbazing afwachtte wat er gebeuren zou, gleed een witte hand, die een mes hield, langzaam langs den zilveren draad neder en sneed de omwindsels van vrouwenhaar af, die langzaam wegzweefden als, een door het zonlicht bestraald wolkje, totdat zij zich in het duister verloren. Maar de zilveren draad, die uw levensdraad was, sprong trillend op, en maakte een zuchtend geluid.

“Nu scheen ik te slapen, en toen ik wakker werd, dreef ik op zulk een mistige zee als wij gisterenavond gezien hebben. Ik had het land geheel uit het gezicht verloren, en ik kon mij niet herinneren hoe de sterren er uitzagen, of hoe ik had leeren sturen, of begrijpen waar ik heen moest. Ik riep de zee aan en vroeg haar naar de sterren, en de zee antwoordde:

“‘De hoop heeft haar gewaad verscheurd, en er zijn geen sterren meer.’

“Ik riep weder, en vroeg het land waarheen ik gaan moest, en het land gaf geen antwoord, maar de zee antwoordde ten tweede male:

“‘Kind van den nevel, zwerf in den nevel om, en zoek in duisternis licht.’

“Toen weende ik, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd had en ik in duisternis licht moest zoeken. En terwijl ik nog weende, zag ik u uit de zee oprijzen, en gij kwaamt naast mij in de boot zitten. Ik had u vroeger nooit gezien, en toch gevoelde ik dat ik u altijd gekend had. Gij spraakt niet, en ik sprak ook niet, maar ge zaagt in mijn hart, en daar zaagt ge mijn droefheid. Toen zag ik in uw hart, en las wat daarin geschreven stond. Het was dit:

“‘Vrouw, die ik gekend heb voordat het verleden begon, en die ik zal kennen, wanneer de toekomst geëindigd is, waarom weent gij?’

“En ik antwoordde: ‘Ik ween omdat ik op de wateren der aarde verdwaald ben, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd heeft, en ik in eeuwigdurende duisternis moet zoeken naar licht, dat er niet is.’ Toen zeide uw hart: ’Ik zal u het licht laten zien,’ en gij boogt u voorover en raaktet mijn borst aan.

“En eensklaps gevoelde ik een doodsbenauwdheid, en daarop was de lucht vol engelen met groote vleugels, die den mist oprolden als een laken en den sluier van den nacht wegtrokken, en daar, met haar voeten op den bol en haar met sterren omringd hoofd in het firmament, stond de hoop en ademde vrede en schoonheid. Zij zag naar het noorden en het zuiden en het oosten en het westen, en zij zag naar omhoog door het hemelgewelf, en waar zij haar oogen wendde, verdween de duisternis, hield de droefheid op en uit het verdorvene ontstond het reine. Terwijl ik aanbiddend op dit heerlijk schouwspel staarde, sprak de zee weer, ditmaal ongevraagd:

“‘in duisternis hebt gij licht gevonden, zoek wijsheid in den dood.’

“Toen verscheurde de hoop weder haar sterrenkleed, en de engelen trokken den sluier over de oogen van den nacht neder, en de zee verzwolg mij, en ik zonk tot in den diepsten afgrond van den lichamelijken dood. En daar, in de gewelven des doods, bleef ik, eeuw op eeuw, totdat ik eindelijk u zag komen, en op uw lippen was het woord van wijsheid, dat alle dingen helder maakt, maar wat het was, kan ik mij niet herinneren. Toen strekte ik mijn hand naar u uit, om u te begroeten, en ontwaakte, en dat is nu mijn geheele droom.”

Zij hield op, met wijdgeopende oogen, alsof zij dit geestelijk visioen nog op de aarde zocht; haar borst zwoegde en haar lippen waren half geopend.

“Groote Hemel!” riep hij uit, “wat moet gij een verbeelding hebben, om zoo iets te droomen!”

“Verbeelding;” zeide zij, op haar natuurlijken toon, “heb ik niet, mijnheer Bingham. Die placht ik te hebben, maar ik heb ze verloren, toen ik—alles verloor. Kunt gij mijn droom uitleggen? Dat kunt ge, natuurlijk niet; ’t is niets anders dan onzin—zooals alle droomen zijn.”

“Het moge onzin wezen, en dat is het ook wel, maar ’t is schoone onzin,” antwoordde hij.

“Nu ja, droomend is men misschien verstandiger dan wakend, en onzin is mogelijk beter dan geleerde gesprekken, voor zooverre wij weten. Maar genoeg daarvan. Ik weet niet waarom ik u eigenlijk dien droom verteld heb; maar hij kwam mij zóó als werkelijk voor, dat ik er door ontroerd was. Dat komt er van als men uit zijn gewone sleur gaat door drie kwart verdronken te zijn. Op den bodem der zee vindt men rare dingen, zooals gij weet. Intusschen hoop ik, dat gij spoedig geheel hersteld zult zijn. Ik geloof niet dat ge lust zult hebben weer met mij uit varen te gaan, mijnheer Bingham.”

Dit gaf hem, als ’t ware, in den mond haar iets galants te zeggen, maar Geoffrey gevoelde dat, als hij het deed, het te ernstig zou zijn, dus weerstond hij de verzoeking.

“Wat zal ik u daarop antwoorden, Miss Granger?” zeide hij. “Hoe kan een man woorden vinden, om een dame, die den vorigen avond zijn leven heeft gered, bijna ten koste van het hare, te zeggen wat er in hem omgaat?”

“Het was niets,” hernam zij kleurende, “ik hield u vast, anders niet, meer uit instinct dan om eenige beweegreden. Ik dacht, geloof ik, dat ge zoudt blijven drijven en ik op u een steunpunt zou hebben.”

“De zaak is te ernstig, Miss Granger, voor beleefde jokkernij. Ik weet, dat gij mijn leven gered hebt. Ik weet niet hoe ik u daarvoor genoeg kan danken.”

“Bedank mij dan in ’t geheel maar niet, mijnheer Bingham. Waarom zoudt ge mij bedanken? Ik deed niets anders dan wat ik wel verplicht was te doen. Ik zou veel liever sterven dan een makker in den nood te verlaten; sterven moeten wij allen, maar beschaamd te sterven zou verschrikkelijk zijn. Gij weet, het spreekwoord zegt, dat, als men iemand uit het water haalt, men hem later kwaad doet; men zegt het ook wel andersom. Maar ik zal u niet licht kwaad doen, dus maak ik mij daar niet ongerust over. Het was een akelige gewaarwording; gij waart bewusteloos, dus kunt gij niet weten welk een zonderling gevoel het was op die glibberige rots te liggen en die groote witte golven in de duisternis op ons af te zien bruisen, met niets anders dan de zwarte lucht boven ons en de zee om ons heen, en daartusschen de dood. Ik ben vele jaren eenzaam geweest, maar ik geloof dat ik vroeger nooit begrepen heb wat eenzaamheid eigenlijk was. Ziet gij,” liet zij er op volgen, “ik dacht dat ge dood waart, en aan een lijk heeft men niet veel gezelschap.”

“Het zou toch nog akeliger eenzaam geweest zijn, als wij verdronken waren,” zeide hij.

“Zoudt gij dat denken?” hernam zij vragend. “Ik zie niet recht in, hoe gij dat bewijst. Als gij gelooft wat ons geleerd is, zooals gij, meen ik, doet, dan zoudt gij, waar gij u ook bevondt, gezelschap in overvloed vinden, en als gij, zooals ik, aan niets gelooft, welnu, dan zoudt gij geslapen hebben, en in den slaap heeft men aan niets behoefte.”

“Geloofdet gij aan niets, toen ge daar op de rots laagt te wachten om te verdrinken, Miss Granger?”

“Aan niets!” antwoordde zij; “het zijn alleen zwakke menschen, die in den uitersten nood openbaring vinden. Als de openbaring ooit komt, dan moet zij uit het hart ontstaan en niet uit vrees. Ik geloofde aan niets, en ik was voor niets bevreesd dan alleen voor de benauwdheid van den doodstrijd. Waarom zou ik bevreesd zijn? Gesteld dat ik dwaal, en dat er hiernamaals iets is, kan ik het dan helpen dat ik niet geloof? Wat heb ik gedaan, om bevreesd te zijn? Zoover ik weet, heb ik nooit opzettelijk iemand leed gedaan, en als ik kon gelooven, zou ik het doen. Ik wenschte dat ik maar gestorven was,” ging zij hartstochtelijk voort; “dan was nu alles uit. Ik ben de wereld moede, ik ben het werken en afhankelijkheid en al de kleine kwellingen, die het leven zoo vervelend maken, moede. Ik ben hier niet noodig, ik heb niets waarvoor ik leef, en ik zou maar liever dood willen zijn.”

“Eenmaal zult ge er anders over denken, Miss Granger. Er is veel, waar een vrouw zooals gij voor leven kan—in allen gevalle hebt gij uw werk.”

Zij lachte bitter. “Mijn werk! Als gij wist hoe dat was, zoudt ge er mij niet over spreken. Elken dag rol ik mijn steen den heuvel op, en elken nacht schijnt hij weer naar beneden te rollen. Maar gij hebt nooit onderwijs gegeven op een dorpsschool. Hoe kunt gij er van weten? Ik werk den geheelen dag, en ’s avonds moet ik misschien tafellakens verstellen, of—wat denkt ge wel?—mijn vaders preeken schrijven. Het klinkt zonderling, niet waar, dat ik preeken moet schrijven? Maar het is toch zoo. Nu schrijf ik er weer een voor aanstaanden Zondag. Het maakt voor hem weinig verschil hoe de preek is, als hij ze maar lezen kan, en natuurlijk zeg ik er niets in, wat iemand aanstoot kan geven, en ik geloof ook niet, dat men er veel naar luistert. In Bryngelly gaan weinig menschen naar de kerk.”

“Hebt ge dan nooit tijd voor uzelve?”

“O, ja, soms wel, en dan ga ik in mijn bootje varen, of ik lees, en dan gevoel ik mij bijna gelukkig. ’t Is eigenlijk zeer verkeerd en ondankbaar van mij dat ik zoo spreek. Ik heb meer voorrechten dan negen tienden van de wereld, en die behoorde ik mij ten nutte te maken. Ik weet niet waarom ik zoo gesproken heb, en dat wel tegen u, dien ik gisteren voor ’t eerst gezien heb. Met geen levende ziel heb ik ooit zoo gesproken, dat verzeker ik u. ’t Is evenals de geschiedenis van den man met de tooverroede, die hier verleden jaar geweest is. Op de rots staat een huisje—het behoort aan mijnheer Davies, die op het kasteel woont. Er is geen drinkwater in de nabijheid, en een nieuwe huurder maakte er veel beweging over. Dus zette mijnheer Davies mannen aan ’t werk, die dag in dag uit aan het graven waren, maar zij konden geen water vinden. Eindelijk haalde de huurder een oud man uit een ver afgelegen kerspel, die zeide dat hij met een tooverroede water kon vinden. Hij was een raar oud man, met een kruk, en hij kwam met zijn tooverroede, en strompelde voort, totdat de roede eindelijk vanzelf in den grond stak, vlak bij de achterdeur van den bewoner—tenminste, zooals de zoogenaamde toovenaar zeide. In allen gevalle gingen zij daar graven, en binnen tien minuten stieten zij op een bron, die zoo sterk opborrelde dat het huis er door overstroomd werd. En wat denkt ge dat het was? Niets anders dan brak water. Gij zijt de man met de tooverroede, mijnheer Bingham; gij hebt mij aan het spreken gebracht, en ik heb veel te veel gezegd, en wat alles behalve aardig was. Gij moet mij wel voor een naar en slecht meisje houden, en dat ben ik ook. Maar ’t is zoo’n verlichting zijn hart eens uit te storten. Ik hoop, mijnheer Bingham, dat ge zult inzien—kortom, dat ge mij niet verkeerd begrijpen zult.”

“Miss Granger,” antwoordde hij, “er bestaat tusschen ons iets, dat ons altijd aanspraak geeft op wederzijdsche achting en vertrouwen—de band van leven en dood. Zonder u, zou ik hier nu niet zitten om uw vertrouwelijke mededeelingen aan te hooren. Ge moogt mij zeggen, dat een niet meer dan natuurlijke aandrift u bewogen heeft om te doen wat gij gedaan hebt. Ik weet beter. Het was uw wil, die uw natuurlijke aandrift tot zelfbehoud overwon. Maar ik zal er niets meer van zeggen dan alleen dit: Als ooit een man door banden van dankbaarheid en achting aan een vrouw gebonden was, dan ben ik het aan u. Ge behoeft niet te vreezen dat ik uw vertrouwen zal misbruiken of er een verkeerde uitlegging aan zal geven.” Dit zeggende, stond hij op, en boog voor haar. “Miss Granger, ik beschouw het als eer, welke mij is aangedaan door iemand, die ik voortaan boven alle vrouwen moet vereeren. Het leven, dat ge mij teruggegeven hebt, en het verstand, waardoor het geleid wordt, ben ik aan u verschuldigd, en die schuld zal ik niet vergeten.”

Zij luisterde naar die krachtige en ernstige stem, die later in de rechtzaal en het Parlement zoo bekend werd, en zijn woorden wekten een nieuw gevoel van genoegen in haar. In zijn oogen was zij meer dan een schoon meisje, dat alleen om haar schoonheid bewonderd en vereerd werd, en met fierheid gevoelde zij haar zedelijke zegepraal.

“Weet ge wel,” zeide zij, de oogen tot hem opslaande, “dat ge mij trotsch maakt,” en zij stak hem de hand toe.

Hij vatte die, bukte zich er overheen en drukte er even zijn lippen op. Het was niet mogelijk daar een verkeerde uitlegging aan te geven, en hoewel zij een weinig kleurde—want geen man had nog ooit de toppen harer vingers gekust—zag zij er dan ook niets anders dan een hulde in.

En zoo bezegelden zij hun verbond van zuivere vriendschap eens en voor altijd.

Nu volgde er een oogenblik stilzwijgen, dat door Geoffrey werd afgebroken.

“Miss Granger,” zeide hij, “wilt ge mij vergunnen u een kleine zedepreek te houden?”

“Ga uw gang” antwoordde zij.

“Goed. Als zij u niet bevalt, moet ge het mij niet kwalijk nemen, en houd mij niet voor een wijsneus, als ik u zeg wat uw gebreken zijn, zooals ik die in uw woorden lees. Gij zijt trotsch en eerzuchtig, en de perken, waarbinnen gij u genoodzaakt ziet te leven, zijn u te eng. Gij hebt geleden, en de les van het lijden—nederigheid—nog niet geleerd. Gij hebt u tegen het Lot verzet, en het Lot drijft u voort als het schuim der zee, dat door den storm wordt voortgezweept, maar gij zwicht onwillig. In uw wrevel hebt gij uw toevlucht tot studie genomen, en die heeft u den laatsten stoot gegeven, want die heeft u er toe gebracht alles wat gij niet begrijpen kunt, als niet bestaande te verwerpen. Omdat uw begrensd verstand het oneindige niet kan begrijpen, omdat er op al uw gebeden geen antwoord is gekomen, omdat gij ellende ziet en er het doel niet van kunt doorgronden, omdat gij lijdt en geen rust gevonden hebt, hebt gij gezegd dat er niets anders dan toeval is en zijt ge een atheïst geworden, als zoovele anderen. Is dat niet waar?”

“Ga voort,” antwoordde zij, haar hoofd op haar borst buigende, zoodat haar lang, golvend haar bijna haar gelaat verborg.

“Het schijnt wel wat zonderling,” hernam Geoffrey, met een korten lach, “dat ik, met al mijn gebreken, mij verstout u een zedeles te geven, maar gij zult zelve het best weten hoe nabij of hoe ver van de waarheid ik ben. Dit wil ik u zeggen: Ik heb vijf-en-dertig jaar geleefd, en veel gezien, en getracht er veel uit te leeren; en ik weet, dat, als wij niet zelven de kans laten voorbijgaan, de wereld ons mettertijd geeft wat ons toekomt—al is dat meestal ook niet veel. Als gij geschikt zijt om te heerschen, zult gij eenmaal heerschen; zijt gij het niet, dan moet gij uw ongeschiktheid erkennen en tevreden zijn. Zooveel wat de tijdelijke dingen betreft. En wat nu de geestelijke dingen betreft, ben ik zeker—hoewel men, natuurlijk, niet gaarne veel over zulke zaken spreekt—dat als ge er maar lang genoeg in den een of anderen vorm naar zoekt, gij ze zult vinden, al is het ook niet zulk een vorm als meestal door een bizonderen godsdienst erkend wordt. Maar opzettelijk een muur op te richten tusschen onszelven en het ongeziene, en dan te klagen dat de weg versperd is—dat is eenvoudig kinderachtig.”

“En als die muur nu al opgericht is, mijnheer Bingham?”

“De meesten onzer hebben dat eenmaal gedaan,” antwoordde hij, “en een weg er om heen gevonden.”

“En als hij zich uitstrekt van horizon tot horizon, en hooger is dan de wolken, wat dan?”

“Dan moet men vleugels vinden om er overheen te vliegen.”

“En waar kan een aardsche vrouw zulke geestelijke vleugels vinden?” vroeg zij, en, zij liet het hoofd nog dieper op haar borst zinken om haar verlegenheid te verbergen. Want zij herinnerde zich wel gehoord te hebben van zwervers op de donkere paden van menschelijken hartstocht, die eensklaps in strijd met hun eigen ziel waren gekomen en dat de wreede paden van aardsche liefde den voet, die ze betreedt, nog naar de poorten des hemels kunnen leiden.

En terwijl zij zich deze schoone fabelen herinnerde, hoewel zij geen ondervinding van liefde had en er weinig van wist, werd Beatrice eensklaps stil. Geoffrey gaf haar ook geen antwoord, ofschoon hij daarvoor niet had behoeven te schromen.

Zij bespraken immers een zuiver abstract vraagstuk!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings