← Table of contents
Beatrice

Uitleggingen.

C. Baarslag translation · Edition 2

Omstreeks twee uur stond Geoffrey op, en kwam met eenige hulp van zijn WelEerwaarden gastheer in zijn kleeren. Toen gebruikte hij een luncheon, en terwijl hij dat deed, stortte Granger zijn hart voor hem uit.

“Mijn vader was een pachter in Herefordshire, mijnheer Bingham,” zeide hij, “en in dien stand werd ik opgevoed. Mijn vader maakte goede zaken, zooals in die dagen een vlijtig man doen kon. Wat meer is, hij won wat geld als veekooper, en ik geloof dat dit zijn hoofd een weinig op hol bracht; ten minste, hij wilde ‘een heer van mij maken,’ zooals hij het noemde. Dus werd ik, toen ik achttien jaar was, weggestuurd om predikant te worden, of ik er lust in had of niet. Goed, ik werd predikant, en vier jaar lang had ik een hulppredikersplaats in een dorp, Kington genaamd, in Herefordshire, geen slecht plaatsje—misschien kent gij het wel. Terwijl ik daar was, ging mijn vader, die buiten zichzelven geraakte, aan ’t speculeeren. Hij liet een rij villa’s te Leominster bouwen, ten minste, hij leende een zaakwaarnemer het geld om ze te bouwen, en toen ze gebouwd waren, wilde niemand ze huren. Die villa’s hadden mijn vader geruïneerd. Ik heb na dien tijd geen villa kunnen zien zonder er van te griezelen, mijnheer Bingham. En kort daarop stierf hij, een bankroet zoo nabij als iemands neus dichtbij zijn mond is.

“Daarna werd mij deze predikantsplaats aangeboden van niet meer dan £ 150, en als een gek nam ik die aan. De oude predikant, mijn voorganger, was door de geringe bezoldiging geruïneerd, evenals zij mij ruïneert, en had een eenige dochter nagelaten. Met die dochter trouwde ik, en zij was een lieve vrouw; zij had veel van mijn Beatrice, maar zij was niet zoo verstandig. Ik weet niet waar Beatrice’s verstand van daan komt,—van mij niet, daar geef ik mij niet voor uit. Mijn vrouw was van goede geboorte, van een oude Cornwallsche familie, maar zij had nergens een heenkomen, en ik geloof, dat zij maar met mij trouwde, omdat zij niet wist wat zij anders beginnen moest, en omdat zij aan de oude plaats gehecht was. Zij nam mij, als ’t ware, op den koop toe, om er te blijven. Nu, het ging alles vrij goed, tot elf jaar geleden, toen onze zoon geboren werd, hoewel ik niet geloof dat wij elkander ooit recht verstonden. Na dien tijd kreeg zij haar gezondheid niet terug, en zeven jaar geleden is zij gestorven. Ik herinner mij, dat het op een avond was, die bizonder veel overeenkomst had met gisterenavond—eerst mist en toen storm. Het knaapje stierf eenige jaren later. Ik dacht dat het Beatrice’s hart gebroken zou hebben, zij is nooit weer hetzelfde meisje geweest, maar altijd vol rare begrippen, waarmee ik mij niet kan vereenigen.

“En wat ik hier voor een leven heb, mijnheer Bingham, als ik u dat vertelde, zoudt gij het niet gelooven. Niet alleen dat de bezoldiging zoo schraal is, maar er zijn hier zooveel Dissenters, en tienden zijn er niet te krijgen. Als ik niet zoo wat aan de boerderij deed, wat ook niet veel geeft, en het salaris van Beatrice als onderwijzeres, waarvoor zij een akte heeft, er bij had, zou ik al lang in het armenhuis zijn, en soms denk ik, dat het daar toch wel op zal uitloopen. Ik heb aleens een commensaal moeten nemen om toch maar rond te komen, en dat zal ik wel weer moeten doen.

“En nu moet ik naar mijn boerderij terug: de oude zeug moet jongen, en ik wil eens zien hoe het met haar gaat. God geve dat zij er weer dertien krijgt! Ik zal de vigilante bestellen om hier tegen vijf uur te wezen, ofschoon ik vóór dien tijd terug zal zijn—dat wil zeggen, ik heb Elisabeth gezegd, dat zij het doen zou. Zij is uitgegaan, om eenige bezoeken voor mij af te leggen en te zien of zij niet een paar pond kan innen van de tienden, die mij sinds drie maanden verschuldigd zijn. Als iemand die kan binnenkrijgen, is het Elisabeth. Adieu, als ge met Beatrice wilt spreken, die is opgestaan en daarbinnen. Gij zult elkaar wel bevallen. Zij is een raar meisje, die Beatrice; haar begrippen gaan mijn verstand te boven, en het was kluchtig dat zij u zoo vasthield, maar dat was zeker een beschikking van de Voorzienigheid. Tot weerziens, mijnheer Bingham,” en dit zonderling exemplaar van een predikant verdween, na Geoffrey de ooren doof gepraat te hebben.

Het was half drie, en de dokter had gezegd dat hij Miss Granger om drie uur kon spreken. Hij wenschte dat het al drie uur was, want hij was zijn eigen gedachten en gezelschap moede, en natuurlijk verlangend om de kennis met het zonderlinge meisje, dat zulk een diepen indruk op hem had gemaakt en ten slotte zijn leven gered had, te hernieuwen. Het was doodstil in huis; Betty, de dienstmaagd, was in de keuken bezig, de dokters waren beiden weg, en Elisabeth en haar vader waren uit. Het weer had uitgeraasd; er was dien dag geen wind, en de zonnestralen, die door het open venster schoten, deden Geoffrey verlangen in de vrije lucht te zijn. Hij had geen boek om te lezen, en telkens kwam die echtelijke twist hem weder in de gedachten.

Dat hij zulke scènes te verduren had, viel Geoffrey hard. Hij kon voor zichzelven niet langer de waarheid verhelen—hij had op zijn huwelijksdag zijn geluk begraven. Als hij op vroegere jaren terugzag, herinnerde hij zich welk een geheel ander leven hij zich had voorgesteld. In die dagen was hij de kromme sprongen der jeugd moede; zelfs de gunst, die een knap, geestig en aangenaam jonkman, met groote verwachtingen, gewoonlijk bij de dames vindt, had op zes-en-twintigjarigen leeftijd niets aantrekkelijks meer voor hem. Dus had hij er wel ooren naar, toen zijn oom, Sir Robert Bingham, die naar de zeventig liep, een wenk gaf dat het voor Geoffrey wel goed zou zijn zich te vestigen, en hem aan Lady Honoria voorstelde.

Lady Honoria was toen achttien jaar en een schoonheid van het wel wat strakke, beeldachtige type, dat mannen tot op vijf- of zes-en-twintigjarigen leeftijd aantrekt, en dan begint te vervelen, zoo niet tegen te staan. Daarbij was zij schrander en belezen, en maakte aanspraak op poëtisch talent, zooals dames, die niet bizonder door Apollo begunstigd zijn, soms doen—vóórdat zij getrouwd zijn. Koel en afgemeten was zij altijd; niemand kon zeggen dat Lady Honoria ooit de perken der striktste welvoeglijkheid overschreed; maar Geoffrey schreef dit toe aan een zachte en gepaste zedigheid, die mettertijd wel zou veranderen. Zij veinsde ook een onschuldige onbekendheid met zoo iets prozaïsch als geldzaken, die hem zoowel misleidde als bekoorde. Slechts eenmaal vóór hun trouwen, sprak zij over hun middelen om huis van te houden, en dat was om te zeggen dat zij blijde was dat zij zoo arm zouden zijn, totdat die lieve oom Sir Robert stierf (hij had hun een jaargeld van vijftienhonderd pond beloofd, en zij hadden te zamen nog zeven honderd) omdat zij daardoor des te meer alles voor elkander zouden zijn.

Eindelijk was de gelukkige dag aangebroken, en die reine maagdelijke ziel kwam in Geoffrey’s bezit. Een week, of iets langer misschien, ging het vrij goed, en toen begon de teleurstelling. Van lieverlede, maar zeker, bespeurde hij dat zijn vrouw ijdel, zelfzuchtig en verkwistend was, en, wat het ergste van alles was, dat zij zich zeer weinig aan hem gelegen liet zijn. De eerste schok was toen hij, vier of vijf dagen na hun trouwdag, toevallig ontdekte dat Honoria nauwkeurig bekend was met elke bizonderheid van Sir Robert Bingham’s bezitting, en hoe jong zij ook was, reeds een plan had gemaakt om er na den dood van den ouden man meer voordeel van te trekken.

Zij gingen in Londen wonen, en daar bleek het hem, dat Lady Honoria, hoewel veel te koel en te voorzichtig om iets te doen waardoor zij in ’t allerminst in opspraak kon komen, toch niet weinig op bewondering gesteld was. Altijd was er een troep jongelieden om haar heen. Daar waren er onder, die hij zeer gaarne mocht lijden; maar over ’t geheel zou hij toch liever ongetrouwd gebleven zijn en in zijn club met hen omgegaan hebben. Dat leven in de gezelschapswereld ging ook met zwaarder uitgaven gepaard dan hij bekostigen kon. En zoo vervloog Geoffrey’s droom van huwelijksgeluk allengs in rook. Maar gelukkig voor hem bezat hij een zekere mate van beredeneerdheid en billijkheid. Hij zag bijtijds in, dat de schuld niet geheel en al aan zijn vrouw lag, die in haar soort niet slecht was. Maar haar soort was zijn soort niet. Zij was getrouwd om in een ruimer sfeer te leven, waar zij, vrij kon voldoen aan de neigingen, die in haar aard lagen en door opvoeding aangekweekt waren; en van haar kant meende zij dat hij haar alleen ten huwelijk had gevraagd omdat zij de dochter van een pair was.

Lady Honoria was, evenals menige andere vrouw van haar stempel, de vrucht der opvoeding van een overbeschaafde eeuw. Die oorspronkelijke deugden en dat aangeboren gevoel, waarop haar echtgenoot vertrouwd had het geluk van hun huwelijksleven te kunnen bouwen, bestonden eenvoudig niet in haar. Gevoeligheid was door opvoeding in haar hart onderdrukt; sedert vele geslachten, had men dit een lastige en verontrustende eigenschap in een vrouw gevonden. Wat die oude deugden betrof, zooals liefde voor kinderen en gewone huiselijke plichten, die vond zij slechts vervelend. Over ’t geheel, hoewel scherp van tong, werd zij zelden driftig, want haar ondeugden waren, evenals haar deugden, van negatieven aard; maar de toorn, waarin zij ontstak, toen zij de zekerheid had dat zij moeder zou worden, was iets, dat haar echtgenoot nimmer vergat en ook nimmer weder zou willen zien. Eindelijk werd het kind geboren, waarvoor Geoffrey ten minste zeer dankbaar was.

“Neem het weg. Ik wil het niet zien,” zeide Lady Honoria tot de geërgerde baker, toen het kleine schepseltje haar gebracht werd.

“Geef het mij maar, baker—ik wil het wel zien,” zeide haar echtgenoot.

Van dat oogenblik af schonk Geoffrey al de liefde van zijn gekrenkt hart aan zijn dochtertje, en met het verloopen der jaren werden zij elkander zeer dierbaar. Maar een kind kan niet het eenige gezelschap van een naar geest en lichaam krachtig man zijn. Waarschijnlijk zou dit Geoffrey mettertijd gebleken zijn, en zou hij misschien een andere, minder wenschelijke leefwijze aangenomen hebben, als een onverwachte gebeurtenis dit niet voorkomen had. Op zijn ouden dag werd Geoffrey’s oom, Sir Robert Bingham, het slachtoffer van de listen eener gelukzoekster en trouwde met haar. Kort daarna stierf hij, en acht maanden later werd er een zoon na het overlijden van den vader geboren.

Daardoor was Geoffrey geruïneerd.

Zijn jaargeld hield op, en weg waren zijn vooruitzichten. Hij hield echter het hoofd omhoog, zooals een moedig man onder zulk een slag doet, gaf zijn vrouw te verstaan, dat hij nu moest werken om den kost te verdienen, en verzocht haar den slagboom, die tusschen hen was, op te heffen en hem haar hulp en sympathie te schenken. Zij beantwoordde dit met tranen en verwijtingen. Het eenige, wat haar diep trof, het eenige, wat zij vreesde en haatte, was de armoede, en alles wat armoede voor vrouwen van haar rang en haar aard beteekende. Maar er was niet aan te verhelpen; het fraaie huis in Bolton Street moest verwisseld worden met een bovenverdieping bij Edgware Rood. Lady Honoria gevoelde zich ongelukkig; ja, als zij niet veel meer of minder voorname familie had bezeten, waar zij soms weken of maanden achtereen uit logeeren kon gaan, zou haar veranderd leven bijna niet om uit te houden voor haar geweest zijn.

Maar, wat zonderling was, Geoffrey gevoelde zich gelukkiger dan hij sedert zijn huwelijk geweest was. Hij ging moedig aan ’t werk, en voor ieder man, die geestkracht bezit, is werken een bron van geluk. ’t Is wel geen bizonder aangename bezigheid, den geheelen dag in gerechtshoven door te brengen, en menigen nacht met bijna vergeten rechtsgeleerde studiën en het uitpluizen van de ingewikkeldheden der rechtspleging. Maar zijn vader, een jongere broeder van Sir Robert, was zaakwaarnemer geweest, en hoewel hij dood was en alle rechtstreeksche betrekking met de firma had opgehouden, was er nog een andere oom in, en de compagnons vergaten Geoffrey niet in zijn moeilijkheden.

Zij zonden hem zooveel werk als zij konden, zonder hun vasten advocaat voor ’t hoofd te stooten, en hij deed het goed. Toen kreeg hij allengs een algemeene geoefendheid door het opstellen van akten voor advocaten, die een zaak in handen hadden. Dat gaf wel geen voordeel, maar elke zaak gaf vermeerdering van kennis, en, wat meer is, bekendheid, en zoo kwam het dat binnen twee jaar na zijn finantieelen tegenslag Geoffrey Bingham in de gerechtshoven een niet onopgemerkt persoon was.

“Wie is dat toch, dien wij hier zoo dikwijls zien?” vroeg een voornaam lid van de rechtbank aan een ander, toen hij, op den laatsten dag der zitting, die het begin van deze geschiedenis voorafging, Geoffrey door de gang zag loopen.

“Bingham heet hij,” was het antwoord. “Hij is pas sedert kort in de praktijk, maar hij zal het ver brengen. Hij heeft een goed huwelijk gedaan, met de dochter van den ouden Garsington, weet gij, een knappe vrouw.”

“Dat hij het ver zal brengen, is hem wel aan te zien,” beaamde de ander, en van nu af aan was dat het algemeen gevoelen.

Want, zooals Beatrice gezegd had, Geoffrey was een man, wien het op zijn voorhoofd te lezen stond, dat hij naam zou maken. Het kon bijna niet missen of hij moest slagen in alles wat hij ondernam.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings