Driemaal er bij ingeroepen.
C. Baarslag translation · Edition 2
In verrukking, alsof hij een hemelsch visioen aanschouwde, staarde Geoffrey op die bekoorlijke verschijning in het zachte avondlicht.
“Met uw verlof,” zeide zij, op een verlegen toon, vooruittredende om het hek te openen.
“Beatrice!”
Een flauwe kreet ontsnapte haar, en zij greep zich aan het hek vast, anders zou zij neergezonken zijn. Een oogenblik bleef zij zoo staan en zag naar zijn gelaat, dat in de schaduw verborgen was, op, met een blik vol hoop en vrees en liefde.
“Zijt gij het,” zeide zij eindelijk, “of is het weer een droom?”
“Ik ben het, Beatrice!” antwoordde hij, verbaasd.
Met een krachtige poging herstelde zij zich.
“Waarom hebt ge mij dan zoo verschrikt?” vroeg zij. “Dat was onaardig—o, ik bedoelde niet iets knorrigs te zeggen. Wat heb ik gezegd? Ik ben het vergeten. Ik ben zoo blijde dat gij gekomen zijt!” En zij bracht haar hand aan haar voorhoofd, en zag hem weder aan, zooals men een uit het graf verrezene zou aanstaren.
“Hadt ge mij niet verwacht?” vroeg Geoffrey.
“U verwacht? Neen. Niet meer dan ik verwacht zou hebben—” Eensklaps zweeg zij.
“Dat is zonderling,” hernam hij. “Wist gij dan niet dat uw vader mij hier zou noodigen? Ik ben met hem uit Londen teruggekomen.”
“Uit Londen,” herhaalde zij. “Daar wist ik niets van. Elisabeth heeft mij er niets van verteld. Dat heeft zij zeker vergeten.”
“In allen gevalle ben ik hier. En hoe gaat het u?”
“O, nu weer heel wel. Ziezoo, nu ben ik van den schrik bekomen. ’t Is niet goed iemand zoo te verschrikken, mijnheer Bingham. Laat mij het hek door, en ik zal u de hand geven—als het,” liet zij er aardig spottend op volgen, “geoorloofd is zoo’n groot man de hand te geven. Maar ik heb het u wel gezegd, niet waar?—even voordat wij verdronken. Hoe gaat het met Effie?”
“Effie is frisch en gezond,” antwoordde hij. “Maar mij dunkt dat gij er niet zoo heel goed uitziet. Uw vader heeft mij verteld dat gij dezen winter kou hebt gevat,” en Geoffrey huiverde toen hij aan de reden daarvan dacht.
“O, ik heb niets om over te klagen. Ik ben wèl en sterk. Hoe lang blijft ge hier?”
“Niet lang. Misschien tot Dinsdagochtend, misschien tot Maandag.”
Beatrice zuchtte. Geluk is van korten duur. Zij had hem hier niet gebracht; zij zou geen vinger uitgestoken hebben om hem hier te brengen, maar nu hij gekomen was, wenschte zij dat hij langer bleef.
“’t Is tijd voor het avondeten,” zeide zij; “laten we naar binnen gaan.”
Dit deden zij. Zij zaten vergenoegd bijeen. Granger was bijna luidruchtig vroolijk. ’t Is verwonderlijk welk een verschil het bezit van twee honderd pond in zijn gedrag maakte; hij scheen een ander mensch te zijn. Wel moest er honderd af om schulden te betalen, maar er schoten toch nog honderd over, en daar kon hij minstens een jaar mee toe. Elisabeth was ook minder grimmig dan gewoonlijk; de twee honderd pond hadden op haar ook invloed, en nog andere invloeden werkten heimelijk in haar arglistig hart. Beatrice wist niets van het geld, en was eenigszins stil, maar zij was ook vergenoegd; zij smaakte dat gevoel van onwezenlijk geluk, dat wij soms in een droom hebben.
Wat Geoffrey betrof, als Honoria hem had kunnen zien, zou zij verbaasd geweest zijn. In den laatsten tijd was hij een zeer stil man geweest; menigeen had hem ongezellig gevonden. Maar onder den invloed van Beatrice’s tegenwoordigheid, sprak hij met opgewektheid. Misschien wilde hij, zonder het zelf te weten, zich van zijn gunstigste zijde vertoonen, zooals ieder man natuurlijk doet in het bijzijn van de vrouw, die hij bemint. Zoo boeiend was zijn gesprek, dat zij eindelijk allen stil naar hem zaten te luisteren, en zij hadden hun tijd wel minder aangenaam kunnen doorbrengen.
Eindelijk was het avondeten afgeloopen, en Elisabeth ging naar haar kamer. Nu werd Granger ook geroepen om een ziek kind te doopen, en ging brommend heen, zoodat Geoffrey en Beatrice alleen bleven. Zij zaten aan het venster, en zagen in den stillen avond uit.
“Vertel mij nu eens van uzelven,” zeide Beatrice.
Dit deed hij. Hij verhaalde haar hoe hij stap voor stap zijn tegenwoordige hoogte bereikt had, en toonde haar aan dat hij het van dit standpunt tot den hoogsten post kon brengen. Zij zag hem niet aan, en antwoordde hem niet, maar eens, toen hij ophield, meenende dat hij genoeg over zichzelven had gesproken, zeide zij: “Ga voort; vertel mij nog wat meer.”
Eindelijk had hij haar alles verteld.
“Ja,” zeide zij, “gij hebt er het vermogen en de gelegenheid toe, en eenmaal wordt gij een der grootste mannen van onzen tijd.”
“Dat betwijfel ik,” antwoordde hij, met een zucht. “Ik ben niet eerzuchtig. Ik werk alleen om het werk zelf, niet voor wat het zal aanbrengen. Eenmaal zal ik het, geloof ik, moede worden en het laten varen. Maar zoolang ik werk, wil ik gaarne een van de eersten in mijn stand zijn.”
“O, neen,” hernam zij, “ge moet het niet opgeven; ge moet voortgaan, altijd vooruit. Beloof mij,” en daarbij zag zij hem voor de eerste maal aan—“beloof mij dat gij, zoolang gij gezondheid en kracht bezit, zult volharden totdat gij alleen staat en boven alle anderen uitblinkt. Dan moogt gij het opgeven.”
“Waarom moet ik u dat beloven, Beatrice?”
“Omdat ik het u verzoek. Eenmaal heb ik u het leven gered, mijnheer Bingham, en dat geeft mij eenig recht om u uw loopbaan aan te wijzen. Ik wensch dat de man, dien ik voor de wereld behouden heb, onder de eerste mannen van de wereld genoemd zal worden, niet om zijn rijkdom, wat maar toeval is, maar om zijn geestkracht en verstand. Beloof mij dat, en ik zal tevreden zijn.”
“Ik beloof het u,” zeide hij, “ik beloof dat ik zal trachten het tot hoog aanzien te brengen, omdat gij het mij verzoekt, niet omdat het vooruitzicht mij aantrekt:” maar terwijl hij dit zeide, werd zijn hart verscheurd. Het was bitter haar zoo over een toekomst te hooren spreken, waarin zij niet zou deelen, die voor haar iets zou zijn geheel van haar afgescheiden, zoo afgescheiden alsof zij dood was.
“Ja,” ging hij voort, “gij hebt mij het leven gered, en het is een bedroevend denkbeeld voor mij, dat ik niets doen kan om u dat te vergelden. O, Beatrice, ik wil u zeggen wat ik niemand nog ooit gezegd heb: ik ben eenzaam en ongelukkig. U uitgezonderd, geloof ik niet dat er iemand is, die werkelijk belang in mij stelt—die met mij sympathiseert. Dat zal wel mijn eigen schuld zijn, en het klinkt vernederend, en in zekeren zin zelfzuchtig, het te zeggen. Ik zou het ook aan geen andere levende ziel gezegd hebben dan aan u. Wat baat het groot te zijn, als er niemand is, om voor te werken? Het had anders kunnen zijn, maar het is een harde wereld. Als gij—als gij—”
Op dit oogenblik raakte zijn hand de hare aan: het was bij toeval, maar in de teederheid van zijn hart zwichtte hij voor de verzoeking en had hij hare hand gevat. Zacht trok zij die terug.
“Gij hebt uw vrouw, om uw vermogen met u te deelen,” zeide zij, nadat beiden een oogenblik het stilzwijgen bewaard hadden; “gij hebt Effie, om het te erven, en uw naam kunt gij aan uw vaderland nalaten.”
Nu volgde er een pijnlijk stilzwijgen.
“En gij,” brak hij het af, “wat is uw toekomst?”
Zij glimlachte weemoedig. “Vrouwen hebben geen toekomst, en verlangen er ook geen—ik, ten minste, nu niet meer, ofschoon vroeger wel. ’t Is voor haar genoeg wanneer zij, hoe weinig ook, anderen in hun leven behulpzaam kunnen zijn. Dat is haar geluk, en haar belooning is—rust.”
Juist kwam Granger weer thuis, en Beatrice stond op.
“Ze ziet wat bleek, vindt ge niet, mijnheer Bingham?” zeide haar vader. “Ik houd het er voor dat er iets is, wat haar verdriet doet. Het geval is—och, waarom zou ik het u niet vertellen, zij heeft zoo’n hoogen dunk van u, en gij zoudt een woordje kunnen zeggen om haar op te beuren—welnu, ’t is over mijnheer Davies. Ik geloof, ziet ge, dat zij veel van hem houdt, en bedroefd is omdat hij er niet voor uitkomt. Misschien heb ik het mis, maar soms denk ik dat hij het wel doen zal. Ik heb hem een gezicht zien zetten alsof hij er over dacht, hoewel het, natuurlijk, meer is dan Beatrice recht heeft te verwachten. Zij heeft niets anders te geven dan zichzelve en haar goed uiterlijk, en hij is een rijk man. Denk eens, mijnheer Bingham,” en de oude heer sloeg zijn oogen vroom ten hemel, “wat zou dat niet voor haar zijn, en voor ons allen, als het God behaagde haar zulk een kans te geven; zij zou haar leven lang rijk zijn, en in zoo’n stand! Maar ’t is mogelijk; men kan nooit weten; hij kan wel zin in haar krijgen. In allen gevalle, mijnheer Bingham, geloof ik dat gij haar wel wat kunt opbeuren; zij behoeft de hoop nog niet op te geven.”
Geoffrey kon een spotachtig lachen niet bedwingen, dat Beatrice van liefde voor Owen Davies zou kwijnen.
“Ja,” zeide hij, “dat zou zeker wel een goede partij voor haar zijn, maar ik weet niet of zij met mijnheer Davies wel overweg zou kunnen.”
“Met hem overweg kunnen! O, dat zou wel gaan; de vrouwen weten zich zoo te voegen, vooral als zij een gemakkelijk leven hebben. Hij is misschien wel wat dom, maar ik geloof toch dat zij om hem treurt, en het zou te bejammeren zijn dat zij haar leven zoo verkniesde. Hoe, gaat gij al naar bed? Goeden nacht dan—goeden nacht.”
Geoffrey ging naar bed, maar niet om te slapen. Een geruime poos lag hij wakker; allerlei gedachten hielden hem uit den slaap. Hij dacht aan den laatsten nacht, welken hij in die kleine kamer had doorgebracht, aan alles, wat hij sedert dien tijd ondervonden had, en aan de ontmoeting van heden. Kon hij, na die ontmoeting, nog langer twijfelen wat Beatrice voor hem gevoelde? Dat was moeilijk, maar toch was het nog mogelijk dat hij zich vergiste. Toen dacht hij aan hetgeen de oude Eduard hem had gezegd, en wat Granger betrekkelijk Beatrice en Owen Davies gezegd had.
Beiden hadden hun meening ruw, en zelfs zeer onkiesch uitgedrukt, maar hun meeningen stemden toch overeen, en wat meer was, er was iets waars in, en dat wist hij.
Het denkbeeld dat Beatrice met Davies zou trouwen, was, om het zacht uit te drukken, stuitend voor hem; maar had hij het recht om zich tusschen haar en zulk een wenschelijken levensstand te stellen? Dat had hij ontegenzeggelijk niet, en zijn geweten zeide het hem.
Was het bovendien geoorloofd dat die soort van band, die tusschen hen bestond, nauwer toegehaald werd? Wat zou dat geven? Verdriet, en niets anders dan verdriet, inzonderheid voor Beatrice. Hij had verkeerd gedaan hier te komen, hij had verkeerd gedaan haar hand te vatten. Hij zou het zien te herstellen op de eenige wijze, die in zijn vermogen was, alsof in zulk een geval als dat van Beatrice herstel nu mogelijk kon zijn! Hij moest uit haar leven verdwijnen en haar niet wederzien. Dan zou zij hem leeren vergeten, of ten ergste, nog slechts met een flauw gevoel van leedwezen aan hem denken. Ja, het mocht kosten wat het wilde, daar zou hij zich toe dwingen, voordat werkelijk kwaad het gevolg was. De eenige vraag was, zou hij niet verder gaan? Zou hij haar niet zeggen dat zij wel zou doen met Davies te trouwen?
Over deze moeilijke vraag peinzend, viel hij in slaap.
Wanneer menschen in Geoffrey’s ongelukkigen toestand berouw gevoelen en de dwalingen huns weegs inzien, overdrijven zij licht hun verstandige voornemens en gaan aanvallenderwijze te werk. Niet tevreden met de zaak te laten zooals zij is, moeten zij noodwendig hun nieuw gevonden kracht aan den deelgenoot hunner fout verkondigen als een onfeilbaar middel om het status quo ante te herstellen. Soms is het gevolg van dien vromen ijver dat zij verkeerd begrepen worden, of er zelfs het onheil, dat zij zoo prijzenswaardig wenschten af te wenden, door verhaasten.
Den volgenden dag was het Pinkster, en een dag, dien Geoffrey gelegenheid had om zich heel zijn volgend leven te herinneren. Aan het ontbijt waren zij allen bijeen, en kort daarna gingen zij naar de kerk, waar het te half elf uur dienst was. Bij wijze van zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen, waarmede hij zoo druk bezig was een hel op zijn eigen hand te plaveien, ging Geoffrey niet naast Beatrice zitten, maar koos een plaats aan het einde van de kerk, dichtbij de deur, waar hij zich troostte met naar haar te zien.
Het was bizonder zwoel weer, en, hoewel er niet veel zon was, zoo warm als midden in den zomer. Als zij in een vulkanische landstreek geweest waren, zou Geoffrey gedacht hebben dat zulk weer een schok van aardbeving voorafging. Maar hij wist dat het eenvoudig een van die grilligheden van het Engelsche klimaat ten koste der bevolking was. Intusschen vond hij het in de bedompte kleine kerk om te stikken, en even vóór de preek, die hij toevallig te weten was gekomen dat niet door Beatrice geschreven was, nam hij de gelegenheid waar om er ongemerkt uit te gaan. Zonder bepaald doel, drentelde hij langs het strand, waar niemand te zien was, want, zooals reeds gezegd is, Zondags sliep Bryngelly. Evenwel zag hij een man met snelle schreden aankomen, en in dien man herkende hij Owen Davies, die onder het loopen in zichzelven sprak en met zijn armen zwaaide. Geoffrey trad ter zijde, om hem voorbij te laten gaan, en terwijl hij dit deed, was hij verbaasd, en zelfs bijna verschrikt, van de verandering, die hij in hem bespeurde. Zijn vol, blozend gelaat was vermagerd, en teekende een half gemelijke, half droevige uitdrukking; er waren donkere kringen om zijn eenmaal zoo kalme, blauwe oogen, en zijn haar had wel geknipt mogen worden. Geoffrey dacht dat hij ziek was geweest. Op dit oogenblik kreeg Owen hem in het oog.
“Hoe gaat het u, mijnheer Bingham?” zeide hij. “Ik heb gehoord dat gij hier waart. Dat hebben ze mij gisterenavond aan het station verteld. Ziet ge, ’t is hier een kleine plaats, en men weet gaarne wie er zoo al komt of heengaat,” liet hij er, als tot verontschuldiging, op volgen.
Hij liep voort, en Geoffrey liep met hem mede.
“Ge ziet er niet goed uit, mijnheer Davies,” zeide hij, “zijt gij ziek geweest?”
“Neen, neen,” antwoorde hij, “ik ben heel wel; ’t is alleen mijn ziel, die ziek is.”
“Zoo!” zeide Geoffrey, die vond dat hij er werkelijk vreemd uitzag. “Misschien leeft gij te eenzelvig en zijt gij te veel alleen—dat zal u neerslachtig maken.”
“Ja, ik ben te veel alleen, omdat het niet anders kan. Wat moet iemand doen, mijnheer Bingham, als de vrouw, die hij bemint, niet met hem trouwen wil, hem niet wil aanzien, hem behandelt alsof zij hem voor de honden gevonden heeft?”
“Met een andere vrouw trouwen,” ried Geoffrey aan.
“O, dat kunt gij gemakkelijk zeggen—gij hebt nooit bemind, en weet er niet van. Ik kan met geen andere trouwen, ik wil alleen met haar trouwen.”
“Haar? Wie?”
“Wie? Wel, Beatrice—met wie anders zou een man willen trouwen, als hij haar eenmaal gezien heeft? Maar zij wil mij niet hebben; ze haat mij.”
“Waarlijk?” zeide Geoffrey.
“Ja, waarlijk, en weet ge waarom? Wil ik u zeggen, waarom? Ik zal het u zeggen,” en hij greep hem bij den arm, en fluisterde hem heesch in ’t oor: “Omdat zij u bemint, mijnheer Bingham.”
“Hoor eens, mijnheer Davies,” sprak Geoffrey, zijn arm losrukkende, “zulke malle praatjes duld ik niet. Ge zijt zeker niet bij uw zinnen.”
“Wees niet boos op mij,” hernam Davies. “Het is waar. Ik heb haar gadegeslagen, en ik weet dat het waar is. Waarom schrijft zij u elke week? Waarom onthutst zij en luistert zij als uw naam maar genoemd wordt? O, mijnheer Bingham,” ging hij op een erbarmelijken toon voort, “heb medelijden—gij hebt een vrouw, en zooveel vrouwen als gij maar wilt, wie gij het hof kunt maken—laat mij Beatrice. Als ge ’t niet doet, geloof ik dat ik krankzinnig zal worden. Ik heb haar altijd bemind, reeds toen zij nog maar een kind was, en van dag tot dag wordt mijn liefde sterker en onweerstaanbaarder. Gij kunt Beatrice slechts tot schande brengen, maar ik kan haar alles geven, zooveel als zij maar wil, alles wat haar hart begeert, en ik zal een goed echtgenoot voor haar wezen; ik zal altijd aan haar zijde zijn.”
“Ik betwijfel niet of dat zou wel heerlijk voor u zijn,” antwoordde Geoffrey; “maar vindt ge er niet iets onwaardigs in, mijnheer Davies, dat ge mij dit alles zegt? Dat moet gij Miss Granger zelve zeggen.”
“Dat weet ik wel,” hernam hij, “maar dat kan mij niet schelen. ’t Is mijn eenige kans, en wat geef ik er om of het onwaardig is? O, mijnheer Bingham, ik heb nooit een andere vrouw bemind, ik ben mijn heele leven eenzaam geweest. Sta mij nu niet in den weg. Als gij wist wat ik geleden heb, hoe ik God heb gebeden mij Beatrice te schenken, zoudt ge mij helpen. Gij zijt een van die mannen, die alles vermogen; zij zal naar u luisteren. Als gij haar zegt dat ze met mij moet trouwen, zal zij het doen, en ik zal er u mijn leven lang voor zegenen.”
Geoffrey zag met de grootste verachting op dien smeekeling neder. Er is altijd iets verachtelijks in, als de eene man de hulp van een anderen in zijn liefdeszaken inroept—dat moest hij alleen wel af kunnen. Hoeveel te meer nog is het dan niet vernederend, als de verliefde persoon hulp zoekt bij den man, dien hij voor zijn gelukkigen medeminnaar houdt?
“Ik moet u zeggen, mijnheer Davies,” hernam Geoffrey, “dat ik van dat alles genoeg heb. Het past mij niet Miss Granger te willen dwingen een aanzoek aan te nemen, dat haar, volgens uw verklaring, niet welkom is. Maar als ik er toe in de gelegenheid ben, zal ik haar zeggen wat ge mij gezegd hebt. Het overige laat ik aan uzelven over. Goeden morgen, mijnheer Davies.”
Hij wendde zich om, en liep heen, terwijl Owen hem nastaarde.
“Ik geloof hem niet,” bromde hij bij zichzelven. “Hij zal beproeven haar tot zijn minnares te maken. O, God sta mij bij—daar kan ik niet aan denken! Maar als hij het doet, en ik er achter kom, laat hij dan oppassen! Ik zal hem in ’t verderf storten, ja, in ’t verderf storten! Ik heb geld, en dus kan ik dat doen. Ha, hij denkt dat ik gek ben—ze denken altemaal dat ik gek ben, maar ik heb mij niet al die jaren voor niemendal stilgehouden. Ik kan geweld maken, als het noodig is. En als hij een schurk is, zal God mij helpen om hem te vernietigen. Ik heb God gebeden, en God zal mij helpen.”
Toen ging hij naar het kasteel terug. Owen Davies was een type van dat soort van godsdienstige menschen, die meenen dat zij den Almachtige voor hun verlangens op hun hand kunnen krijgen, als die verlangens maar door menschelijke instellingen en gebruiken gewettigd zijn.
Zoo was, binnen vier-en-twintig uur, Geoffrey’s hulp driemaal ingeroepen, om het meisje, dat hij beminde, in de armen van een echtgenoot, die haar tegenstond, te brengen. Geen wonder dat hij op dit punt bijna bijgeloovig werd.