De eerste verdieping bij Edgware Road.
C. Baarslag translation · Edition 2
Geoffrey’s reis naar de stad was niet van de aangenaamste. Om te beginnen, deed Effie niet anders dan schreien omdat zij niet langer bij “tantetje,” zooals zij Beatrice noemde, mocht blijven, en wilde zich niet laten troosten. Het vooruitzicht van weer naar haar moeder en Anne te gaan, had voor Effie niets wat haar toelachte. Geoffrey zelf had veel om over na te denken, en die gedachten waren juist niet van opbeurenden aard. Hij haalde zich de gebeurtenissen van de laatste weken voor den geest, hij herinnerde zich hoe hij Beatrice’s gelaat het eerst in den mist bij de Roode Rotsen had gezien, en hoe haar schoonheid hem getroffen had. Toen dacht hij aan het avontuur van hun schipbreuk en den wanhopigen moed, waarmede zij zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare. Hij dacht ook aan dat tooneel, toen hij den volgenden dag in de kamer was gekomen, waar zij sliep, toen die zonnestraal, die van haar borst op de zijne trilde, een gevoel in hem had gewekt alsof voortaan zijn lot en dat van het slapende meisje één waren, en zij ontwaakt was met die zonderlinge begroeting op haar lippen. Terwijl Effie in den hoek tegenover hem zich in slaap snikte, riep hij zich elke fase, elk tooneel van hun toenemende vertrouwelijkheid te binnen, totdat het overzicht uitliep op zijn raadselachtige ervaring van den vorigen nacht en de herinnering aan Beatrice’s afscheidswoorden.
Geoffrey was in ’t minst niet bijgeloovig; van zijn jongelingsjaren af, was hij bekend geweest als iemand van een gezond verstand en min of meer tot ongeloovigheid geneigd. Maar aan verstand en scherpzinnig doorzicht paarde hij verbeeldingskracht, wat eigenlijk ook niets anders is dan een voorstellingsvermogen van het verstand. Had hij die niet bezeten, dan zou hij waarschijnlijk, bij voorbeeld, op het punt van godsdienst, een twijfelaar geweest zijn, en dat was hij niet. Wat nu zijn ervaring in den vorigen nacht, en in ’t algemeen die zonderlinge, bijna onnatuurlijke sympathie met dat jonge meisje betrof zeide hem zijn gezond verstand dat dit alles maar gekheid was—het gevolg van dagelijkschen omgang met een lief gezichtje, en niets meer.
Maar hier kwamen zijn doorzicht en voorstellingsvermogen tusschenbeide en hielden hem duidelijk voor, dat het geen gekheid was, dat hij zich niet maar alleen als een zotskap had aangesteld tegenover een hysterisch of misschien een minziek meisje. Zij zeiden hem, dat iets wat raadselachtig is, daarom nog geen onwaarheid behoeft te zijn. Zij wezen er op, dat er vele verborgenheden en krachten rondom en boven ons zijn, onzichtbaar als een electrische stroom, ontastbaar als het licht, maar toch bestaande, en in staat zich onder zeker zeldzame en gunstige omstandigheden te openbaren.
En was het niet mogelijk, dat zulke toestanden zich vereenigden in een meisje, wier lichamelijke schoonheid slechts door de schoonheid harer ziel overtroffen werd? Het was geen antwoord, te zeggen dat de meeste vrouwen zulk een meer dan aardsch gevoel, als in zijn hart gewekt was, konden inboezemen, of dat de meeste mannen daar niet vatbaar voor waren. Heeft de mensch geen vermogens en aandoeningen, die het gedierte des velds ontzegd zijn, en kunnen er geen mannen en vrouwen zijn, in dit opzicht even ver boven hun medemenschen verheven als boven de dieren?
Maar het zwakke punt van zulke raadselachtige gevallen is, dat zij nergens heen leiden en feitelijk aan de levensomstandigheden niets veranderen. Men kan, bij voorbeeld, in een gerechtshof geen raadselachtigheden aanvoeren; dus liet hij de bespiegelende beschouwing van het vraagstuk varen, als boven zijn sfeer, en beschouwde het uit een praktisch oogpunt, alleen om het even moeilijk te vinden.
Hoe zonderling het moge schijnen, Geoffrey wist tot op dit oogenblik niet recht, welke plaats hij in Beatrice’s hart, of zij in het zijne, bekleedde. Hij was niet verliefd op haar, ten minste, niet op zulk een wijze als hij dit, over ’t geheel lastige, gevoel had leeren kennen. In allen gevalle, ging hij van de stelling uit, dat hij het niet was. Dit wilde hij in het daglicht niet erkennen, hoewel hij het in de wakend doorgebrachte uren van den nacht ten volle erkend had. Maar hij kon niet loochenen, dat zij zich zoo met zijn leven vereenzelvigd had, dat er toen, en nog maanden naderhand, behalve als hij sliep, of in uren van sterke geestinspanning geen enkel half uur verliep zonder dat hij aan Beatrice dacht. Alles wat schoon, of grootsch, of verheven was, herinnerde hem aan haar—en was dat niet het grootste compliment, dat hij haar maken kon? Als hij naar heerlijke muziek luisterde, sprak de stem van Beatrice uit de tonen; als een schoon dichtstuk of een goed geschreven roman hem trof, was Beatrice er in zijn geest bij, om het genot met hem te deelen. Dat alles was voorzeker lief en aardig, maar onder onze maatschappelijke instellingen niet anders dan lastig voor een getrouwd man.
En nu was hij van Beatrice gescheiden, en moest weder aan zijn dagelijkschen arbeid gaan, veraangenaamd door Honoria’s klachten over hun armoede. Dit denkbeeld was smartelijk voor Geoffrey’s hart, maar zijn verstand zeide hem, dat het zoo het best was. Er stak dan ook eigenlijk geen kwaad in, er waren geen liefdestooneelen geweest, geen kussen, geen woorden, die niet herroepen konden worden; wat er was, lag onder de oppervlakte verborgen, en zoolang de schijn maar opgehouden werd, was alles goed. Ongetwijfeld was dat huichelarij, maar huichelarij is een der steunpilaren van de beschaving, en wat komt het er op aan wat het hart zegt, als de lippen maar zwijgen?
Sterven door droomen! Neen, daar zou Beatrice wel niet van sterven, en hij zeker ook niet. Waarschijnlijk zou zij ten slotte met dien vleeschklomp, Owen Davies, trouwen. Het was wel niet aangenaam daaraan te denken, het was zelfs verschrikkelijk, maar als zij hem zijn gevoelen vroeg, zou hij, “als vriend,” haar zeggen dat dit het beste was, wat zij doen kon. Dat was, natuurlijk, ook weer huichelarij; de lippen zouden zeggen wat het hart niet meende; maar als het hart in opstand komt tegen het verstand, moet het onderdrukt worden. Ongelukkig is het hart zoo sterk!
Eindelijk kwamen zij te Londen aan, en volgens afspraak, wachtte Anne, de Fransche bonne, hen aan het station op, om Effie naar huis te brengen. Geoffrey merkte op, dat zij er zwieriger en minder dan ooit naar zijn smaak uitzag. Zij omhelsde Effie echter met een vertoon van hartelijkheid, die door het kind nauwelijks beantwoord werd, en gaf intusschen knipoogjes aan den conducteur, die met het afnemen der kaartjes belast was. Hoewel het nog vroeg in het jaar was voor zwaren mist, was Londen toch in duisternis gehuld. Het was dien ochtend te Bryngelly mistig weer geweest, en dat was verder op den dag erger geworden; maar in Londen was het zoo donker als de nacht, hoewel het pas vier uur was. Gelukkig is Edgware Road, waar Geoffrey woonde, niet ver van het Paddington-station, en na persoonlijk den cab-voerman het adres opgegeven te hebben, liet hij de zorg voor Effie en de bagage aan Anne over, en ging met een gerust hart langs den spoorweg door den Tunnel naar de Inns of Court.
Kort nadat hij op zijn kamers was aangekomen, meldde zich daar niet, volgens afspraak, zijn oom aan—die, zooals hij, vernam, ongesteld was geworden—maar een der compagnons. Tot zijn groot genoegen, bleek hem toen dat Beatrice het aan het rechte einde had gehad met te vooronderstellen dat er een geestverschijning vertoond was; de jongen, die een lid van zijn teen miste, was gevonden, en had het geheele akelige komediespel door een reet van de jaloezie gezien; bovendien was de waarheid hem ontwrongen, en hij zou bij de terechtzitting als getuige opkomen—ja hij had reeds een voorloopige verklaring afgelegd.
Ook was, uit vergelijking met andere stukken, door den voormaligen procureursklerk geschreven, gebleken dat die van dezelfde hand waren als het testament. Het eenige bezwaar was dat de Procureur-Generaal en Mr. Candleton, de President van het Kanselarij-Gerechtshof, geen van beiden in de stad waren, zoodat dien avond geen conferentie mogelijk was. Beiden werden echter nog dienzelfden avond laat terug verwacht, de Procureur-Generaal uit Devonshire en Mr. Candleton van het Vasteland; dus werd bepaald, daar de zaak de eerste op de rol was, dat de conferentie den volgenden ochtend te tien uur zou plaats hebben.
Thuis gekomen, vernam Geoffrey dat Lady Honoria zich kleedde, en de boodschap had gelaten dat hij dit ook spoedig moest doen, omdat er een heer bij hen kwam dineeren. Derhalve ging hij naar zijn kamer, aan het andere einde der eerste verdieping—om van kleeding te verwisselen. Alvorens zich naar de eetkamer te begeven, ging hij echter Effie—die wel reeds naar bed was, maar nog niet sliep—goeden nacht zeggen, en vroeg haar hoe laat zij thuis gekomen was.
“Twintig minuten over vijven, paatje,” zeide Effie fluks.
“Twintig minuten over vijven! Je wilt toch niet zeggen dat je over dat kleine eind een uur onderweg bent geweest? Moest de cab dan stilhouden om den mist?”
“Neen, paatje maar—”
“Maar wat, lieve?”
“Anne heeft me gezegd dat ik het niet mocht vertellen.”
“Stoor je er maar niet aan wat Anne gezegd heeft,—ik zeg je dat je het wel vertellen moet.”
“Anne heeft nog een heelen tijd staan praten met den man, die de kaartjes aannam.”
“O, zoo!” zeide hij.
Op dit oogenblik kwam de kamermeid binnen, om te zeggen dat Lady Honoria en de “heer” hem aan tafel wachtten. Geoffrey vroeg haar zoo ter loops hoe laat de jongejuffrouw Effie was thuisgekomen.
“Zoo wat half zes, mijnheer. Anne zei dat de cab niet voort kon, door den mist.”
“Goed. Zeg mevrouw dat ik dadelijk kom.”
“Paatje,” zeide het kind, “ik heb mijn gebedje nog niet opgezegd. Moeder kwam niet, en Anne zei dat bidden maar allemaal gekheid was. Tantetje liet mij altijd mijn gebedje opzeggen.”
“Ja, lieve, en dat zal ik ook doen. Kom, ga op mijn schoot op je knietjes liggen, en zeg het op.”
Te midden van haar gebedje—dat Effie zich niet zoo goed meer herinnerde als zij wel had kunnen doen—kwam de kamermeid terug.
“Met uw verlof, mijnheer, haar Ladyschap—”
“Zeg haar Ladyschap dat ik kom, en dat zij maar beginnen moet, als zij zoo’n haast heeft! Ga voort, lieve.”
Toen kuste hij haar, en legde haar weder te bed.
“Paatje,” zeide Effie, toen hij heenging, “zal ik tantetje Beatrice nooit weerzien?”
“Ik hoop van ja, lieve.”
“En zult u nooit weer van haar hooren? U verlangt zeker ook wel haar te zien? Zij hield zooveel van u.”
Geoffrey kon het niet langer uithouden. De waarheid is altijd scherper als zij uit een kindermond komt. Met een haastig goeden nacht snelde hij de kamer uit.
In de kleine gezelschapskamer vond hij Lady Honoria, zeer net gekleed, en ook haar vriend, die Dunstan heette. Geoffrey kende hem terstond als een zeer rijk man, van geringe geboorte en van nog minder opvoeding, maar een schitterend licht in de kliek der Garsingtons. Dunstan wilde zich in hoogere kringen dringen, en hij meende dat Lady Honoria, ondanks haar bekrompen middelen, hem daartoe behulpzaam kon zijn. Daarom was hij dien avond bij haar.
“Hoe gaat het u, Geoffrey?” zeide zijn vrouw, naar hem toe tredende, om hem met den vredekus te begroeten. “Ge ziet er goed uit. Maar wat hebt ge ontzagelijk lang werk gehad om u te kleeden. Die arme mijnheer Dunstan rammelt van den honger. Ge kent mijnheer Dunstan, geloof ik, wel. Doe maar op, Mary.”
Geoffrey maakte zijn verontschuldigingen dat hij zoo laat kwam, en gaf mijnheer Dunstan—St. Dunstan, zooals hij algemeen genoemd werd—beleefd de hand. Zoo was hij betiteld wegens zijn eenigszins clericaal voorkomen, en als een spottende toespeling op zijn niet geheel vlekkeloozen naam. Toen gingen zij aan tafel.
“Jammer dat er geen dame voor u is, Geoffrey, maar het heeft u in den laatsten tijd niet aan gezelschap van dames ontbroken. A propos, hoe vaart Miss—Miss Granger? Zoudt gij het wel gelooven, mijnheer Dunstan? mijn ergerlijke heer gemaal heeft de laatste maand doorgebracht in het gezelschap van een der bekoorlijkste meisjes, die ik ooit gezien heb. En knap dat zij is! Zij kent Latijn, en weet van de rechtsgeleerdheid en van alles. Zij begon met zijn leven te redden; ge moet weten dat zij samen met een bootje omgeslagen zijn. Is dat niet romantisch?”
St. Dunstan vond het een gepaste aardigheid hierop te zeggen dat mijnheer Bingham een geluksvogel was, die van zulk een buitenkansje dan ook zeker wel gebruik had weten te maken; en met een diepen zucht, liet hij er op volgen dat nog nooit een mooi meisje zijn leven had gered, zoodat hij voortaan voor haar zou leven enz. enz.
Geoffrey, die niet kon aanhooren dat Beatrice het onderwerp van zulke flauwe scherts was, viel zonder veel complimenten in.
“Zeg, lieve,” sprak hij zijn vrouw toe, “wat hebt gij al dien tijd gedaan?”
“Om u getreurd, Geoffrey, en mij intusschen uitstekend vermaakt. Wij hebben een heerlijken tijd gehad, niet waar, mijnheer Dunstan? Ge moet weten dat mijnheer Dunstan ook bij de familie gelogeerd heeft.”
“Hoe kon dat anders, gij waart er immers, Lady Honoria?” zeide de Sint, op zijn manier van galant zijn, die, om de waarheid te zeggen, stuitend was voor haar, wie het gold, want zij was toch in allen gevalle een beschaafde vrouw.
“De Garsingtons hebben de groote zaal en hun gezelschapskamer opnieuw laten meubileeren,” ging zij voort. “Het kost achttien honderd pond, maar ’t is dan ook allerkeurigst geworden.”
“Zoo!” antwoordde Geoffrey, die van meening was dat Lord Garsington wel wat van zijn schulden had mogen betalen, eer hij achttien honderd pond aan nieuwe meubelen besteedde.
Nu begonnen de Sint en Lady Honoria een levendig en langdurig gesprek te voeren over de andere logeergasten, waar Geoffrey nauwelijks naar luisterde. Hij vond het aan tafel zitten zeer vervelend, en droeg van zijn kant weinig tot de gezelligheid bij.
Toen zijn vrouw de kamer verlaten had, moest hij toch wat zeggen, dus spraken zij over het jagen. De Sint was min of meer een sportman, en hij beschreef Geoffrey een paar geweren van een nieuw model, die hij voor de geringe som van honderd veertig guinjes gekocht had, en die hij hem bizonder aanbeval.
“Ja,” antwoordde Geoffrey, “die zullen wel zeer goed zijn, maar, ziet ge, ze zijn mij te duur. Ik kan zooveel geld niet uitgeven voor een paar geweren.”
“O, is het anders niet,” hernam zijn gast, “dan wil ik u deze wel verkoopen, en ge kunt ze betalen wanneer het u schikt. Maar wat kan het mij ook schelen, ik heb geweren genoeg. Ik wil royaal zijn en ze u cadeau geven. Als ik niet royaal kan zijn, zou ik niet weten wie!”
“Ik dank u, mijnheer Dunstan,” antwoordde Geoffrey koel, “maar ik ben niet gewoon zulke geschenken van mijn vr—— van mijn bekenden aan te nemen. Wilt gij een glas sherry?—niet? Zullen wij dan maar weer naar Lady Honoria gaan?”
Dit gezegde sloeg den plompen Sint, die het echter niet kwaad gemeend had, geheel ter neder; en een oogenblik later had Geoffrey er spijt van. Maar hij was in een verdrietige en wrevelige luim. Waarom bracht zijn vrouw zulke menschen in zijn huis? Kort daarna nam hun gast afscheid. Hij vond Bingham een verwaanden kwast, en gevoelde dat hij niet tegen hem bestand was. “En ik geloof dat hij geen duizend pond ’s jaars heeft,” redeneerde hij bij zichzelven, “en zijn vrouw alleen heeft een titel, hij niet. Daarom is hij zeker met haar getrouwd. Zij is een veel beter soort dan hij, maar ik kan uit haar toch ook niet recht wijs worden—men kan niet heel ver met haar komen. Maar zij is de dochter van een Pair, en wel waard de kennis met haar aan te houden, doch als ik weet dat Bingham thuis is, kom ik niet.”
“Wat hebt ge mijnheer Dunstan toch gezegd, dat hij zoo spoedig heengegaan is?” vroeg Lady Honoria.
“Wat ik hem gezegd heb? och, dat weet ik niet. Hij bood mij een paar geweren aan, en toen heb ik gezegd dat ik geen geschenken van mijn bekenden aannam. Waarlijk, Honoria, ik laat u in uw leefwijze geheel vrij, maar ik begrijp niet hoe ge met zoo iemand als dien mijnheer Dunstan kunt omgaan.”
“Denkt ge dat ik met hem omga?” zeide zijn vrouw. “Denkt ge dat ik niet weet wat dat voor een man is? Maar wie arm is, moet niet te kieskeurig zijn. Al is hij een vlegel, hij heeft toch dertig duizend pond ’s jaars, en een bekende, die zoo’n inkomen heeft, is niet te versmaden. ’t Is te erg van u, Geoffrey,” ging zij, met toenemende wreveligheid, voort, “als ge weet, dat ik mij in ons ellendig, armoedig leven moet schikken, dat ge elke gelegenheid waarneemt om u onaangenaam te maken bij de menschen, die ik raadzaam acht bij ons te noodigen. Pas ben ik uit een aangename omgeving in deze nare woning terug, of het eerste wat ge doet, is twist te zoeken. Mijnheer Dunstan heeft loges in verscheidene van de beste schouwburgen, en hij heeft er mij een aangeboden zoo dikwijls ik er gebruik van wilde maken—en nu is dat, natuurlijk, uit. ’t Is te erg van u, zeg ik!”
“’t Is werkelijk zonderling, Honoria,” hernam haar echtgenoot, “te zien welke verplichtingen ge maakt, uit zucht naar vermaakt. ’t Is vernederend voor u, van dien man loges aan te nemen.”
“Gekheid. Ik maak er volstrekt geen verplichting door. Als hij mij een loge geeft, stelt hij er een eer in, mij in die loge te komen aanspreken, en dan zijn vrienden te zeggen dat hij met Lady Honoria Bingham sprak. ’t Is een ruil: ik wil naar den schouwburg gaan; hij wil in goede gezelschappen komen—daar hebt ge ’t precies. Zoo iets gebeurt dagelijks. Als ge dan het ware van de zaak wilt weten, Geoffrey,” ging zij voort, met een gezicht alsof zij op het punt was in tranen van toorn uit te barsten, “ik kan niet als de vrouw van een kantoorklerk leven. Ik moet wat vermaak, iets tot veraangenaming van mijn leven hebben, eer ik een oude vrouw word. Als dat u niet bevalt, waarom hebt ge mij dan tot dit ellendig huwelijk verlokt, eer ik oud genoeg was om beter te weten, of waarom verdient ge geen geld genoeg om mij in staat te stellen mijn stand op te houden?”
“Daar hebben wij het al dikwijls over gehad, Honoria,” zeide Geoffrey, met moeite zijn bedaardheid behoudende; “en nu is er iets anders, waarover ik u wensch te spreken. Weet ge wel, dat Anne van avond langer dan een half uur aan het Paddington station gebleven is, om met een van de spoorwegbeambten te staan vrijen, in plaats van Effie naar huis te brengen, zooals ik haar bevolen had? Dat neem ik haar zeer kwalijk. Zij is niet te vertrouwen; door haar onachtzaamheid zal het kind eenmaal een ongeluk krijgen. Kunt ge haar niet wegzenden en een andere kindermeid nemen?”
“Neen, dat kan ik niet. Zij is het eenige gemak, dat ik heb. Waar vind ik een andere vrouw, die zoo goed japonnen kan maken als zij?—ze wint mij wel honderd pond in het jaar uit—en het kan me niet schelen, al vrijde zij met vijftig spoorwegbeambten. Gij hebt dat praatje zeker van Effie gehoord; het kind moest een pak slaag hebben voor haar verklikken—en het zal wel niet eens waar zijn.”
“Effie zal voorzeker geen pak slaag krijgen,” antwoordde Geoffrey, op strengen toon. “Ik waarschuw u, dat het ieder, die haar met een vinger aanraakt, slecht zal bekomen.”
“O, heel goed, bederf het kind maar. Ga uw eigen gang maar, Geoffrey! In allen gevalle, blijf ik niet langer om beleedigende taal aan te hooren. Goeden nacht,” en zij ging heen.
Geoffrey stak een cigarette op. “Een aangename tehuiskomst!” dacht hij. “Honoria zal zooveel geld hebben als zij maar kan uitgeven—al zou ik mij doodwerken, zij zal het hebben. Welk een leven, welk een leven! Zou Beatrice haar man ook zoo behandelen, als zij er een had?”
Hij lachte om de ongerijmdheid van dit denkbeeld, wierp met een wrevelig gebaar zijn cigarette in het vuur, en ging naar zijn kamer, om te beproeven of hij slapen kon, want hij was zwaar vermoeid.