De ster in ’t opkomen.
C. Baarslag translation · Edition 2
Zooals wel te verwachten was, bleek de gedenkwaardige rechtzaak van Parsons en Douse het keerpunt in Geoffrey’s loopbaan te zijn, die van nu aan glansrijk was. Reeds den volgenden ochtend, toen hij op zijn kamers in de Inns of Court kwam, vond hij daar twee akten, die nog maar de voorloopers waren van een gestadigen toevloed van winstgevende zaken. Nu oogstte Geoffrey de vruchten in van den ijver, waarmede hij zich aan zijn rechtsgeleerde studiën had gewijd, sedert hij geheel op zijn eigen wieken moest drijven, en die hem zoowel tot een doorkneed wetgeleerde als een welsprekend advocaat hadden gemaakt. Weldra had hij zooveel werk als hij maar af kon. Wanneer de Fortuin eenmaal haar goede gaven schenkt, doet zij het met milde hand.
Drie weken na het rechtsgeding van Parsons en Douse, stierf Geoffrey’s oom, de zaakwaarnemer, en liet hem, tot zijn verrassing, twintig duizend pond na, “meenende,” zooals hij in zijn testament zeide, dat drie dagen voor den dood van den erflater gemaakt was, “dat die som hem helpen zou om in zijn vak vooruit te komen.”
Nu zij eenmaal tot het besef was gekomen, dat haar echtgenoot een man was, wien het in de wereld voorspoedig kon gaan, nam Honoria een geheel anderen toon jegens hem aan. Zij werd zelfs vriendelijk, en een paar malen bijna teeder. Toen Geoffrey haar van de twintig duizend pond vertelde, straalde haar gelaat van genoegen.
“Dan zullen wij nu weer in Bolton Street kunnen wonen,” zeide zij, “en het treft juist zoo gelukkig dat het huis te huur staat. Dat heb ik gezien.”
“Ja,” antwoordde hij, “daar kunnen we weer gaan wonen, zoodra ge maar wilt.”
“En kunnen we rijtuig houden?”
“Neen, nog niet; daar verdien ik nog niet genoeg voor. Het volgend jaar, als ik het beleef, zult ge een rijtuig kunnen krijgen. Begin nu niet weer ontevreden te worden, Honoria. Ik heb £ 150 te missen, en als ge met mij mee naar een juwelier wilt gaan, kunt ge die besteden zooals ge wilt.”
“O, wat vind ik u lief!” zeide zijn vrouw.
Dus gingen zij naar den juwelier, en Lady Honoria kocht sieraden voor een bedrag van £ 150, nam ze mee naar huis, en bewonderde ze met een teedere verrukking, zooals een vrouw van een ander soort haar eerstgeboren kind bewonderd zou hebben. Zoo dikwijls hij een som geld had, die hij kon missen, ging Geoffrey aldus met haar naar den juwelier of de modiste, en stond er onverschillig bij, terwijl zij voor dat bedrag kocht. Lady Honoria was recht in haar schik. Het kwam niet bij haar op dat hij in zekeren zin wraak op haar nam, en dat zij door elk blijk van vreugde, die zij bij zulke gelegenheden gaf, zich des te meer zijn verachting op den hals haalde.
Dat waren gelukkige dagen voor Honoria! Zij verheugde zich over dien hernieuwden rijkdom als een schooljongen over het ingaan van zijn vacantie, of een verkleumd zwerver over den zonneschijn. In dien nacht van armoede, had zij zich zoo ongelukkig gevoeld als haar koele aard slechts vergunde, en nu was zij weer gelukkig, volgens haar begrip van geluk. Want opvoeding, beschaving—wat gij maar wilt—alles was bij Honoria vervangen door den afgodsdienst van rijkdom, of liever, van al datgene wat rijkdom geeft. Dat was haar genot; haar schoonheid, die aan het verwelken was, kwam terug; zij zag er vijf jaar jonger uit. En intusschen sloeg Geoffrey haar met toenemende verachting gade.
Eens kwam het tot een uitbarsting. Het huis in Bolton Street was gemeubileerd; hij had haar daarvoor vijftien honderd pond gegeven, en met wat zij bezaten, kon zij het daar zeer goed mee doen. Zij verhuisden er heen, en Honoria had, nu zij in haar vorige stand hersteld was, zich een genoegzamen voorraad daarbij passende toiletten en kostbaarheden aangeschaft. Op zekeren dag viel het haar in ’t oog, dat Effie eigenlijk een mooi kind was, en dat zij, behoorlijk gekleed, in de gezelschapskamer wel een aardig figuur zou maken. Dus bestelde zij een “lief” costuum voor haar—hoe het was, zullen mijn lezeressen zich misschien beter kunnen voorstellen dan ik het beschrijven kan, maar het bestond voornamelijk uit fluweel en kant. Geoffrey had daar niets van gehoord, maar op zekeren Zaterdagnamiddag wat vroeger dan gewoonlijk thuiskomende, vond hij het kind tentoongesteld voor een kamer vol gezelschap, en gekleed in een allerwonderlijkst costuum, dat haar, wat niet onnatuurlijk was, bizonder beviel. Hij zeide op dat oogenblik niets, maar toen eindelijk het gezelschap vertrokken was, vroeg hij wie Effie zóó had opgeschikt.
“Dat heb ik gedaan,” antwoordde Lady Honoria, “en het heeft aardig geld gekost, dat kan ik u verzekeren. Maar ik kan niet hebben dat het kind zoo eenvoudig voor den dag komt, dat staat niet goed.”
“Dan moet zij maar boven blijven,” zeide Geoffrey gemelijk.
“Hoe bedoelt ge dat?”
“Ik bedoel dat ik haar niet zoo opgedrild wil zien. Dat past niet voor haar leeftijd. Zij heeft nog tijd genoeg om ijdel te worden.”
“Ik begrijp u waarlijk niet, Geoffrey. Waarom zou het kind niet fraai gekleed gaan?”
“Waarom niet? Groote Hemel! Honoria, denkt ge dat ik Effie wil zien opgroeien om zoo te worden als gij?—om een beuzelachtig leven van niets anders dan het vermaak najagen te leiden, en een afgod van weelde te maken? Ik zou haar liever”—hij wilde er bijvoegen, “dood zien,” maar bedwong zich, en zeide—“voor haar brood zien werken. Kleed uzelve zoo zwierig als ge wilt, maar laat het kind met vrede.”
Lady Honoria was woedend, maar zij was ook een weinig bevreesd. Nooit had zij haar echtgenoot zoo hooren spreken, en in zijn toon was iets, wat zij niet recht begreep. Nog minder begreep zij hem, toen hij haar den daaropvolgenden Maandag zeide, dat hij vijftig pond te missen had, die zij kon besteden zooals zij verkoos, haar toen naar een modewinkel vergezelde, en koel glimlachte terwijl zij voor die som kant en borduursels kocht. Honoria dacht, dat het een vergoeding voor zijn scherpe woorden was, en een vergoeding was het ook, maar voor hemzelven, en in een andere beteekenis. Telkens gaf hij haar op die wijze geld. Geoffrey had daarbij een gevoel als een man, die een schuld van eer aflost. Zij had hem gedurig hun armoede verweten, en voor elk verwijt wilde hij haar overstelpen met alles, wat haar ziel verrukte. Hij wilde haar rijkdom laten zwelgen, evenals Koningin Tomyris, in de ure harer zegepraal, den dooden Cyrus menschenbloed deed zwelgen.
Het was een zonderlinge wijze van wraakneming, waar Lady Honoria niets tegen had; maar hoewel zij er niets van gevoelde, had Geoffrey er toch veel heimelijke voldoening van. Hij was ook nieuwsgierig om te zien of de zucht naar weelde van zulk een vrouw geen grenzen had, of zij niet eindelijk oververzadigd zou worden. Maar voor zulk een proefneming was Lady Honoria al zeer slecht geschikt. Zij gaf niet het minste blijk dat zij oververzadigd was, hetzij van opschik en kostbaarheden, of van vermaken. Een weelderig leven was haar element, en dat werd zij evenmin moede als men zou kunnen verwachten dat een visch het water, of een arend het luchtruim moede werd.
De winter ging voorbij en maakte plaats voor de lente. Op zekeren dag in April gaf Geoffrey, die uit overtuiging een gematigd liberaal was, te kennen, dat hij zich candidaat voor het Parlement wilde stellen, in het belang der Unionisten. Er was een zetel open gekomen voor de vertegenwoordiging van een der districten onder het gebied van de hoofdstad. Toevallig kende hij den leider der Unionistische partij zeer goed. Zij waren vrienden geweest sedert zij samen hadden schoolgegaan, en toen dit Parlementslid een schitterende redevoering van Geoffrey in het Gerechtshof had gehoord, was hij op den inval gekomen, dat zijn oude schoolmakker juist de man was, in wien een zwakke partij een krachtigen steun zou vinden.
Het gevolg was dat Geoffrey verzocht werd of hij zich candidaat wilde stellen, en hij antwoordde dat hij het twee dagen in bedenking moest nemen. Die twee dagen wilde hij eigenlijk hebben om Beatrice te schrijven en antwoord van haar te ontvangen. Hij stelde een bijna bijgeloovig vertrouwen in haar oordeel, en wilde niet gaarne handelen zonder haar gevoelen gevraagd te hebben. Na het voor en tegen gewogen te hebben, was zijn eigen meening dat hij wèl zou doen zich candidaat te stellen. Waarschijnlijk zouden er wel niet genoeg stemmen op hem uitgebracht worden, en het zou hem vijf honderd pond kosten. Maar daarentegen zou het zijn naam zeker bekend maken als politicus, en hij was nu op weg om zulk een ruim inkomen te verdienen, dat hij die som er wel aan kon wagen. Het eenige groote bezwaar, dat hij zag, was, dat als hij verkozen werd, hij den geheelen dag en ’s nachts ook zou moeten werken. Welnu, hij was sterk, en hoe meer werk hij had, des te beter—dat zou zijn gedachten afleiding geven.
Beatrice’s antwoord kwam. Haar zienswijze kwam met de zijne overeen; zij ried hem aan de gelegenheid te baat te nemen, en wees hem er op, dat er, met zijn toenemende vermaardheid als rechtsgeleerde, geen staatspost was, waarnaar hij niet kon dingen, als hij eenmaal bewezen had een bekwaam Parlementslid te zijn. Geoffrey las dien brief door, en schreef zijn vriend onmiddellijk, dat hij de candidatuur aannam.
De volgende veertien dagen waren een zware tijd voor hem, maar Geoffrey was een even goed spreker op de tribune als in het Gerechtshof, en bovendien had hij er den onwaardeerbaren slag van, zich naar zijn toehoorders te kunnen voegen. Bij de stemwerving voor hem bleek het, dat de zaak der partij niet zoo hopeloos stond als men gedacht had. Zoowel de Unionisten als de Separatisten betoonden veel belangstelling in de verkiezing; van weerszijden werd beweerd, dat de stemming in hun voordeel zou uitvallen, en de Home Rule-partij spande al haar krachten tegen hem in. Brieven van groote autoriteiten werden gedrukt en verspreid. Iersche Parlementsleden, pas uit de gevangenis ontslagen, traden te voorschijn om hun grieven op te sommen. Er werd zelfs van gesproken, dat een hunner zich in de gevangeniskleeding op de tribune zou vertoonen—kortom, elke verkiezingsmachine bij de politieke wetenschap bekend, werd door alle partijen in werking gebracht.
Lady Honoria was eerst vrij onverschillig geweest, maar nu het eenmaal zoover gekomen was, zag zij in spanning den uitslag te gemoet. In dien verkiezingsstrijd was iets, dat haar persoonlijk een streelend gevoel van gewicht gaf. Op den dag der stemopneming reed zij den geheelen dag in een open rijtuig, onder een lichtblauwe parasol, met Effie (die zich niet weinig verveelde) naast zich, en twee edele Lords op de voorste bank. Het gevolg daarvan was, dat een zekere afdeeling van de pers verklaarde, dat de uitslag alleen te danken was aan de kuiperijen van een voorname en schoone vrouw. Men zeide zelfs, dat zij, evenals een andere dame van rang uit vroeger tijd, een slager gekust had, om zijn stem te winnen. Maar wie dat beweerden, kenden Lady Honoria niet; zij was niet in staat een slager, of wien ook, te kussen. Zoo iets viel niet in haar smaak.
Ten slotte werd Geoffrey verkozen met een meerderheid van tien stemmen. Den volgenden avond nam hij in het Lagerhuis zitting, onder luide toejuiching der Unionisten. In den loop der avond-debatten zinspeelde een regeeringslid op zijn verkiezing als een bewijs van de zegepraal der Unionistische beginselen. Daarop antwoordde een lid der Separatistische oppositie dat dit volstrekt het geval niet was, dat het “van algemeene bekendheid was dat de verkiezing van het geëerde lid was toe te schrijven aan de buitengewone bekwaamheid, door hem in den loop der stemwerving aan den dag gelegd, als ’t ware, geholpen door behendig aangewenden aristocratischen vrouwelijken invloed.” Dit was een kiesche zinspeling op Lady Honoria en haar blauwe parasol.
Toen Geoffrey en zijn vrouw, na den uitslag der stemopneming, naar Bolton Street terugreden, had er een klein voorval plaats. Geoffrey beval den koetsier aan het eerste telegraafkantoor stil te houden; daar stapte hij uit en telegrafeerde aan Beatrice: “Verkozen met tien stemmen.”
“Aan wie hebt ge geseind, Geoffrey?” vroeg Lady Honoria.
“Aan Miss Granger,” antwoordde hij.
“Ei! Ge houdt dus nog correspondentie met dat schooljuffertje?”
“Ja, dat doe ik. Ik wenschte dat ik meer zulke correspondenten had.”
“Zoo! Ge zijt gemakkelijk te voldoen. Ik vond haar een van de onaangenaamste meisjes, die ik ooit ontmoet heb.”
“Dat bewijst dan niet veel voor uw smaak, Honoria.”
Zijn vrouw zeide verder niets, maar zij had er haar eigen gedachten over. Het lag niet in Honoria’s karakter jaloersch te zijn; daartoe was zij te koel en te onverschillig. Maar het beviel haar niet, dat een andere vrouw invloed had op haar echtgenoot, die, zooals zij nu begon te erkennen, een der uitstekendste mannen van zijn tijd was, en ook wel een van de rijkste en machtigste zou kunnen worden. Zij alleen had recht op hem, geen andere vrouw. Zij was niet gek, en zij zag wel, dat er tusschen die twee een groote vertrouwelijkheid moest bestaan. Anders zou hij er niet aan gedacht hebben, Beatrice op zulk een oogenblik te telegrafeeren.
Binnen een week na zijn verkiezing hield Geoffrey een redevoering. Het was geen lange, en ook niet over een zeer gewichtig punt; maar zij was zeer goed in haar soort, goed genoeg dat er woordelijk een verslag van werd gegeven, en wie er naar geluisterd hadden, erkenden dat zij te doen hadden met een nieuw man, die eenmaal een groot man zou worden.
De nu volgende maanden werkte Geoffrey zoo hard als iemand zelden werkt. Den geheelen dag was hij op zijn kamers of in het Gerechtshof, en ’s avonds zat hij in het Lagerhuis. Maar hoe weinig tijd hij ook voor zijn akten beschikbaar had, de belangen zijner cliënten verzuimde hij niet, en ook vond hij nog tijd om aan Beatrice te schrijven. Hij ging zelden uit, en behalve wanneer het voor zaken was, ging hij met weinigen om. Hij werd al meer en meer stil en teruggetrokken, zoodat hij eindelijk den naam kreeg van koel en stuursch te zijn. Maar dat was hij toch niet. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn werk, met het vast besluit het tot den hoogsten trap te brengen. Hij wist, dat hij er weinig om geven zou als hij dien bereikt had, maar in het streven daarnaar vond hij een aangenamen prikkel.
Geoffrey was geen eerzuchtig man. Hij kende de dwaasheid van eerzucht te goed, en het einde er van stond hem altijd voor oogen. Dikwijls dacht hij, dat, als hij zijn lot had kunnen kiezen, hij gevraagd zou hebben naar een landelijke woning met een goeden tuin, vijfhonderd pond ’s jaars, en iemand om lief te hebben. Maar misschien zou hij zijn landelijke woning spoedig moede geweest zijn. Hij werkte om zijn gedachten te smoren, en in zekere mate gelukte hem dat ook. Maar hij had een gevoelig hart, en het verlangen naar sympathie, dat zijn geheime zwakheid was, kon hij niet smoren, hoewel zijn trotschheid niet gedoogde het te laten blijken. Wat gaf hij om zijn zegepralen, als hij niemand had om ze met hem te deelen? Alles, wat hij er van kon mededeelen, waren de vruchten, en die gaf hij mild genoeg. Voor zijn eigen genoegen besteedde Geoffrey weinig. Een zeker deel van zijn winst spaarde hij op, en het overige werd uitgegeven. In zijn huis waren vroolijke partijen aan de orde van den dag, maar de heer des huizes nam er weinig deel aan.
En wat was het geval? Hoe langer hij van Beatrice gescheiden bleef, des te sterker verlangde hij naar haar gezelschap. Wat hij ook deed, het baatte niet; hij kon dat lief gezichtje niet uit zijn gedachten zetten; het trok hem aan als de magneet de naald. Zijn voorspoed bracht hem geen geluk aan, behalve in dien zin dat hij geen geldzorgen had.
Menschen van een grover zedelijk gehalte kunnen ware voldoening smaken in wereldsche zegepralen, en eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven zij! Maar een man als Geoffrey leert spoedig, dat dit ook ijdelheid is. Integendeel, hoe meer hij zijn geest inspande, des te meer maakte weemoedigheid zich van hem meester. Als hij naar een dokter gegaan was, zou deze hem misschien gezegd hebben, dat zijn lever niet in orde was, en dat was ook wel mogelijk. Maar daar zou de zaak niet mee verholpen zijn. “Welk een wereld!” zou hij uitgeroepen hebben, “welk een wereld om in te leven, als iemands geluk van zijn lever afhangt!” Hij had zich de ongelukkige gewoonte eigen gemaakt alles van de zwartste zijde te zien; het verdrietige viel hem altijd in ’t oog.
Het was geen vreemd geval. Groote geesten zijn zelden gelukkig. Dat kunnen alleen eenvoudige, bekrompen zielen zijn. Maar een groote geest ziet te ver, en raadt te veel naar wat hij niet ziet. Hij ziet vooruit en aanschouwt het einde van zijn arbeid; hij ziet om zich heen, en huivert van de ellende eener zwoegende en worstelende wereld; het schouwspel van het beklagenswaardige bedelaarskind, dat op waggelende voetjes om brood smeekt, doorboort hem het hart. Hij kan zich niet troosten met de gedachte dat het kind maar niet geboren moest zijn, of dat hij, door zijn laatsten shilling te geven, de klasse, die het heeft voortgebracht, feitelijk toch niet zou helpen.
En boven het schitterend licht van aardsche vreugde en den donkeren walm van aardsche ellende, ziet hij het plechtig uitspansel, dat de toekomst van zijn geslacht bedekt houdt. Want voor zulk een man heeft ook de godsdienst zijn verschrikking zoowel als zijn hoop, des te meer naarmate het donkerder in zijn ziel wordt. Wat ligt daar achter dat geheimzinnig gewelf, waarvan hij het einde met elken dag nader komt, waarvan de poorten misschien nu reeds voor hem geopend worden? Honderd stemmen antwoorden, maar geen twee zijn het eens. Honderd handen wijzen honderd wegen van kennis aan—en halverwege verdwaalt hij er op. En onveranderlijk blijft dat strak overwelvend geestelijk uitspansel, waar geen lichtstraal door het nachtelijk duister heen dringt, en al nader en nader brengen zijn vermoeide voeten hem tot den westelijken gezichteinder.
’t Is bedroevend en ’t is verkeerd, maar het is niet geheel en al zijn schuld; veeleer is het de schuld van de eeuw, van overbeschaving, van een overdreven streven naar wijsheid. Kweek den onderzoekenden geest aan, en zijn banden worden hem te eng. De geest wil een hooger vlucht nemen, hij wil zien, maar het vleesch drukt hem neder, en in alle vleesch is weinig licht. Soms echter, in een onnatuurlijk hooge gedachtensfeer zwevende, meent hij een blik te slaan in een beangstigende toekomst, of misschien in de hopelooze duisternis van een oneindigen nacht.
O, benijdenswaardig is dat eenvoudig geloof, dat niet vraagt, niet onderzoekt! Daardoor alleen is vrede te vinden, en voor hen, die het dwazelijk vaarwel zeggen en er menschelijke wijsheid voor in de plaats stellen, zal het menschelijk lot weldra een langdurige vrees zijn. Wetenschappelijk ontwikkeld, en zwoegend onder den last van kennis, zullen zij hun oude goden verwerpen, en geen positief weten zal hun troost aanbrengen. De wetenschap, die hier en daar de donkerheid van het lot met haar electrisch licht bestraalt, geeft zich voor een leidstar uit. Maar zij is geen leidstar, zij is slechts een flikkerlicht. Bidden wij om duisternis, meer duisternis, opdat voor ons verblind gezicht haar licht niet slechts strekken moge om ons te doen zien, wat de Hoop den doodsteek geeft.
Zoo zocht ook Geoffrey een toevlucht voor zijn geestelijke eenzaamheid, maar zonder er een te vinden. De sympathie, waarnaar zijn hart haakte, en die hij niet had kunnen vinden bij de vrouw, die zijn levensgezellin geworden was, had hij gevonden bij Beatrice, nadat hij door het huwelijk een onoverkomelijken scheidsmuur tusschen hen had gesteld. En toch verlangde hij zoo sterk naar haar gezelschap, dat het hem verontrustte. Hij had wel brieven van haar, maar wat zijn brieven! Een aanraking van een geliefde hand is wel duizend brieven waard. Te midden van al den roem, dien hij behaalde, was Geoffrey in zijn hart ongelukkig; en evenwel scheen het hem toe, dat, als hij Beatrice maar weer aan zijn zijde kon hebben, al was ’t slechts als vriendin, hij rust en vergenoegdheid had kunnen vinden.
Wanneer iemand zijn hart zóó op één doel heeft gezet, is zijn verstand spoedig overtuigd, dat het onschuldig, zelfs wenschelijk is, en meestal zullen de omstandigheden ook wel meeloopen om hem gelegenheid te geven, tot zijn ongeluk, dat zoo vurig begeerde doel te bereiken.