← Table of contents
Beatrice

Een regenachtige ochtend.

C. Baarslag translation · Edition 2

De slag van de dichtvallende deur had niet alleen Beatrice doen ontwaken; ook Elisabeth en Granger waren er wakker van geworden. Elisabeth zat in bed overeind, door de duisternis heen, te zien wat er gebeurd was; haar blik viel op Beatrice’s bed—zeker—zeker—

Elisabeth stapte het bed uit, sloop als een kat de kamer door en voelde met haar hand op het bed. Beatrice was daar niet. Snel trok zij de blinden open, om bij het weinige licht, dat zij doorlieten, de kamer te doorzoeken. “Beatrice,” riep zij, “waar ben je?”

Geen antwoord.

“Aha,” zeide Elisabeth; “ik begrijp het. Eindelijk—eindelijk!”

Wat zou zij doen? Zou zij haar vader roepen en haar openlijk te schande maken? Neen. Beatrice zou wel terugkomen. Het was genoeg dat zij het wist; daar kon zij, als het noodig was, gebruik van maken. Zij wilde haar zuster niet in ’t verderf storten dan tot zelfverdediging, of liever uit eigenbelang. Nog minder wilde zij Geoffrey kwetsen, tegen wien zij geen wrok had. Dus ging zij de gang in, kwam terug, kroop weer in bed, als een slang in haar hol, en lag op de loer.

Granger, die, toen hij den slag hoorde, meende dat de voordeur was opengewaaid, stond op, en stak een kaars aan, om er naar te gaan zien.

Maar van dit alles wist Geoffrey niets, en Beatrice, natuurlijk, nog veel minder.

Zij lag bewusteloos in zijn armen; haar hoofd rustte op zijn schouder, haar golvend haar hing langs zijn zijde bijna tot aan zijn knie. Hij tilde haar op, raakte met zijn lippen haar voorhoofd aan, en legde haar op het bed. Wat te doen? Haar tot bewustzijn terugbrengen? Neen, dat durfde hij niet—hier niet. Terwijl zij zoo lag, was haar hulpeloosheid haar bescherming; maar als de bewustelooze gedaante weer een levende en minnende vrouw was, hier, en zoo—o, wat dan? Hij durfde haar niet aanraken of naar haar zien, voordat hij zijn besluit had genomen. Hier moest zij niet blijven, en daar zij niet in staat was heen te gaan, moest hij haar wegbrengen, en dat wel oogenblikkelijk. Hoe ver Geoffrey overigens ook, naar den maatstaf van strenge deugd gemeten, te kort schoot, dit zal altijd voor hem pleiten.

Hij deed de deur open, en tegelijk meende hij iemand door het huis te hooren loopen. En dat was ook zoo; het was Granger in de huiskamer. Toen hij niets meer hoorde, begreep Geoffrey dat het de wind geweest moest zijn, en op den tast liep hij naar het bed, waar Beatrice doodstil lag. Een oogenblik kwam de ontzettende vrees bij hem op dat zij misschien werkelijk dood was. Hij had wel gehoord van slaapwandelaars, die, als zij plotseling uit hun onnatuurlijken slaap wakker gemaakt worden, slechts ontwaken om te sterven. Dat kon ook met haar het geval zijn. Snel legde hij zijn hand op haar borst. Ja, haar hart klopte nog—wel flauw, maar toch klopte het. Zij was dus alleen maar bezwijmd. Nu draalde hij niet langer, sloeg zijn arm om haar heen, en tilde haar van het bed op, alsof zij een kind was. Beatrice was geen spichtig opgeschoten meisje, maar een volwassen, flink ontwikkelde vrouw. Hij voelde haar zwaarte niet; zij scheen hem zoo licht als een veer toe. Sluipend, als iemand, die op een nachtelijken moord uitgaat, stapte hij met haar naar de deur en de gang in. Toen ondersteunde hij haar met den eenen arm, en deed met de linkerhand de deur dicht. Steelsgewijze liep hij in de duisternis den gang door, zonder dat zijn bloote voeten op den houten vloer gedruisch maakten, totdat hij aan den zijgang kwam.

Hij wierp er een angstigen blik in, en wat hij zag, deed het bloed in zijn aderen stollen, want geen acht passen van hem af was Granger, met een blaker in de hand. Wat moest hij beginnen? Naar zijn kamer terugkeeren was onmogelijk—die van Beatrice te bereiken, evenzeer. Daar schoot het hem als een lichtstraal te binnen, dat de ledige kamer geen twee passen van hem af was. Eén schrede, en hij was er. O, waar was de kruk? O, als de kamer eens gesloten was! Gelukkig was dit niet zoo. Hij stapte binnen, deed de deur dicht, en stond er hijgend achter.

Het lichtschijnsel kwam nader. Genadige Hemel! hij was gezien—de oude man zou binnenkomen. Wat kon hij zeggen? De waarheid, dat was het eenige; maar wie zou zulk een verhaal gelooven? Kon hij verwachten, dat het geloof zou vinden bij een vader, die een man in het holle van den nacht als een dief achter een deur zag staan, met zijn dochter bewusteloos in zijn armen? Hij had er reeds aan gedacht regelrecht naar Granger toe te gaan, maar dat denkbeeld had hij als hopeloos opgegeven. Hoe zou hij gelooven, dat zijn dochter zoo opeens een slaapwandelaarster was geworden? Voor de eerste maal in zijn leven, was Geoffrey doodelijk bevreesd; zijn haar rees te berge, zijn hart kromp ineen, en het klamme zweet brak hem uit.

“’t Is raar,” hoorde hij den ouden man bij zichzelven mompelen, “ik had er bijna op kunnen zweren dat ik iets wits die kamer zag binnengaan. Waar is de kruk? Als ik aan spoken geloofde—hei, daar waait mijn kaars uit! Ik zal een lucifer gaan halen. Zonder licht ga ik daar niet binnen.”

Voor ’t oogenblik waren zij gered. De tocht, die door het slecht sluitende venster kwam, had het licht uitgeblazen.

Na een oogenblik gewacht te hebben, om Granger tijd te laten naar zijn kamer te gaan, kwam Geoffrey veilig de kamer uit. Gelukkig gaf Beatrice nog geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Nog eenige snelle schreden, en hij was aan de deur van haar eigen kamer. Maar nu beving hem een nieuwe vrees. Als Elisabeth ook eens door het huis liep, of alleen maar wakker was? Hij dacht er over, Beatrice aan de deur neder te leggen en haar daar te verlaten, maar dit denkbeeld liet hij varen. Ten eerste, zou haar vader haar kunnen zien, en hoe zou zij dan kunnen verklaren dat zij daar lag? En al vond haar vader haar niet, dan zou de koude zeker kwade gevolgen voor haar hebben. Neen, hij moest het wagen, en dat wel zonder aarzelen, hoewel hij liever tegenover een geschutvuur gestaan zou hebben. De deur stond gelukkig op een kier. Geoffrey stiet ze met zijn voet open, trad binnen, en stiet ze met zijn voet weer dicht. Plotseling bedacht hij, dat hij nooit in die kamer was geweest en niet wist wat het bed van Beatrice was. Hij liep naar het eerste het beste; een zware ademhaling zeide hem dat dit het verkeerde was. In zooverre, ten minste, gerustgesteld dat Elisabeth sliep, liep hij door de donkere kamer naar het tweede bed. Hij legde Beatrice er op, en trok de dekens, die opengeslagen waren, over haar heen. Toen nam hij de vlucht.

Aan de deur zag hij Granger met zijn licht verdwijnen en hoorde hem de deur van zijn kamer dichtdoen. Daarna was hij, naar ’t hem toescheen, met twee stappen in de zijne.

Hij barstte in een akelig gelach uit; zijn zenuwen waren hevig geschokt. Het geheele tooneel had iets tragisch-komisch. Als zijn politieke tegenstanders, die hem reeds zulk een bitteren haat toedroegen, hem eens zoo van de eene deur naar de andere hadden zien sluipen, met een bewustelooze vrouw in zijn armen—wat zouden zij wel gezegd hebben?

Hij hield met lachen op; de vlaag was voorbij—het was niet om te lachen. Toen dacht hij aan dien anderen nacht, voordat hij naar Londen terug was gegaan. Het zaad, in dat zonderling uur gestrooid, had gebloeid en vruchten voortgebracht. Wie zou het mogelijk geacht hebben, dat hij Beatrice zoo tot zich had kunnen trekken? Hij had het moeten weten. Als het mogelijk was dat dezelfde woorden, waarin zij haar gevoel uiting had gegeven, juist op hetzelfde oogenblik hem ook in de gedachten waren gekomen, zooals in dien nacht, wat was dan niet mogelijk? Ja, hij had het moeten weten! Het eenige, wat hij in zijn voordeel kon aanvoeren, was dat zijn zelfbedwang hem niet begeven had.

Maar hoe zou het met Beatrice gaan? Zou zij weer tot haar bewustzijn komen? Hij dacht het wel, het was maar een bezwijming. Doch als zij uit haar bezwijming ontwaakte, wat zou zij dan doen? Niets onbezonnens, hoopte hij. En wat zou van dat alles het einde zijn? Wie kon dat zeggen? Hoe gelukkig dat haar zuster zoo gerust sliep. Want hij had het niet op Elisabeth begrepen—hij wantrouwde haar.

Wel mocht hij haar wantrouwen! Elisabeth’s slaap was als die van een wezel. Zij lachte op dit oogenblik ook, niet luid, maar lang; het was de lach van iemand, die aan de winnende hand is.

Zij had hem zien binnenkomen met zijn vracht in zijn armen; zij had hem naar haar bed zien komen en zwaar ademgehaald, om hem te waarschuwen, dat hij zich vergist had. Zij had hem Beatrice op het bed zien leggen; zij had hem hooren zuchten en zien heengaan; niets was haar opmerkzaamheid ontsnapt. Zoodra hij zich uit de kamer verwijderd had, was zij opgestaan en naar Beatrice’s bed geslopen, en bespeurende dat zij in een bezwijming lag, had zij haar maar stil laten liggen, wetende dat er geen gevaar bij was. Elisabeth was volstrekt niet zenuwachtig. Toen had zij geluisterd, totdat eindelijk een diepe zucht aanduidde dat haar zuster weder uit haar bewusteloosheid bijkwam. Kort daarna bleek haar uit Beatrice’s lange en zachte ademhaling, dat haar bezwijming in slaap was overgegaan.

De nacht ging voorbij, en eindelijk scheen het daglicht door het venster. Elisabeth, nog altijd op de loer—want zij wilde geen enkel tooneel van een drama, zoo boeiend op zichzelf en zoo gewichtig voor haar belangen, missen, zag haar zuster eensklaps overeind in haar bed zitten en de handen tegen het voorhoofd drukken, alsof zij zich een droom zocht te binnen te roepen. Toen hield Beatrice de handen voor de oogen, en zuchtte diep. Nu zag zij op haar horloge, stond op, dronk een glas water, en kleedde zich.

“Zij gaat uit, om haar minnaar te ontmoeten,” dacht Elisabeth, toen zij haar een ouden grijzen regenmantel met kap zag omslaan, want buiten was het nat. “Ik zou er wel bij willen zijn, om dat ook te zien, maar ik heb al genoeg gezien.”

Zij geeuwde, en deed alsof zij wakker werd. “Ga je in dien stortregen uit, Beatrice?” vroeg zij, met geveinsde verbazing.

“Ja, ik heb slecht geslapen en moet wat frissche lucht scheppen,” antwoordde Beatrice, onthutsende en kleurende. “Dat komt zeker van den storm.”

“Heeft het zoo gestormd?” zeide Elisabeth, weder geeuwende. “Daar heb ik niets van gehoord—maar terwijl men slaapt, gebeuren er zooveel dingen, waarvan men op het oogenblik niets weet,” voegde zij er slaperig bij, als iemand, die zoo maar losweg iets zegt. “Zorg dat je tijdig genoeg terug bent om van mijnheer Bingham afscheid te nemen; hij vertrekt met den eersten trein, zooals je weet—maar misschien ontmoet je hem wel op je wandeling,” en den schijn aannemende alsof zij nu eerst recht wakker werd, richtte zij zich in haar bed overeind, en vestigde een doorborenden blik op haar zuster.

Beatrice gaf geen antwoord; die blik joeg haar schrik aan. O, wat was er gebeurd? Of was alles een droom? Had zij gedroomd dat zij met Geoffrey van aangezicht tot aangezicht in zijn kamer had gestaan, voordat een diepe duisternis haar had overvallen? Of was het een ontzettende waarheid?—en als het een waarheid was, hoe kwam zij dan weer hier? Zij ging naar de provisiekast, nam een stuk brood en at het, want zij had nog een gevoel van flauwheid. Toen gevoelde zij zich beter en ging uit, den kant van het strand op.

Het was een gure ochtend. De storm was bedaard; het woei nu nog slechts bij vlagen, met zware regenbuien. De zee was grauw en onstuimig; de branding sloeg met donderend geraas op het strand, en kolommen schuim stoven over de gezonken rotsen. De geheele aarde scheen een woestenij, en het middelpunt van al haar leed was in het gebroken hart van dit meisje.

Geoffrey was ook op. Hoe hij het overige van dien nacht had doorgebracht, behoeven wij niet te vragen—alles behalve aangenaam, daar kunnen wij zeker van zijn. Hij hoorde Beatrice de voordeur achter zich dichtdoen, en volgde haar in den regen.

Omstreeks een halve mijl ver, vond hij haar op het strand, naar de zee ziende, terwijl een groote zeemeeuw om haar hoofd vloog. Zij wisselden geen woord van begroeting; zij gaven elkaar slechts de hand en zagen elkaar in de oogen.

“Kom onder de beschutting van die rots,” zeide hij, en dat deed zij. Zij stond daar met gebogen hoofd, en haar gelaat door de kap verborgen.

“Zeg mij wat er gebeurd is,” sprak zij, “Ik heb iets gedroomd, iets ergers dan wat er nog gebeurd is—zeg mij wat het is. Spaar mij niet.”

En Geoffrey vertelde haar alles.

Toen hij gedaan had, sprak zij weder.

“Waarbij moet ik zweren,” zeide zij, “dat ik niet ben wat ge van mij denken moet? Geoffrey, ik zweer bij mijn liefde voor u, dat ik onschuldig ben. Dat ik—o, schande!—van nacht in uw kamer ben gekomen, was buiten mijn wil, buiten mijn weten. Ik ging slapen, ik was afgemat, en verder weet ik niets meer dan dat ik een vreeselijk geweld hoorde en u in een hel licht voor mij zag, waarna alles duisternis was.”

“O, Beatrice, wees niet bedroefd,” antwoordde hij. “Ik zag dat ge sliept. Het gebeurde is iets verschrikkelijks, maar ik geloof niet dat iemand ons gezien heeft.”

“Dat weet ik niet,” hernam zij. “Elisabeth zag mij van ochtend zoo zonderling aan, en zij ziet alles. Geoffrey, voor mijzelve bekommer ik er mij er niet om. Maar waar ik mij wel om bekommer, is wat gij van mij denken moet? Gij moet gelooven—o! ik kan het niet zeggen. En toch ben ik onschuldig. Nooit, nooit heb ik er aan gedacht. Bij u te komen—zoo—o, ’t is schaamteloos!”

“Beatrice, spreek zoo niet. Ik zeg u immers, dat ik het weet. Luister—ik heb u aangetrokken. Ik had niet bedoeld dat gij komen zoudt. Ik dacht niet dat gij zoudt komen, maar ’t is mijn schuld. Luister naar mij, lieve,” en hij zeide haar wat geschreven woorden niet kunnen uitdrukken.

Toen hij had uitgesproken, zag zij hem aan met een opgeklaard gelaat; de donkere schaduw van schaamte was er van geweken. “Ik geloof u, Geoffrey,” zeide zij, “omdat ik weet, dat gij dit niet verzonnen hebt om mij te verontschuldigen, want ik heb dat ook gevoeld. Daardoor ziet ge wat ge voor mij zijt. Gij zijt mijn heer en meester en mijn alles. Ik kan u niet weerstaan, al wilde ik het ook. Ik heb geen anderen wil dan den uwen. En beloof mij nu dit op uw woord: laat mij nu buiten uw invloed blijven. Trek mij niet tot u aan, om uw verderf te zijn. Ik maak geen aanspraak; ik heb mijn leven aan uw voeten gelegd, maar zoolang ik eenige kracht heb om er tegen te strijden, zult gij het niet opnemen, tenzij ge het tot uw eigen eer kondet doen, en dat is niet mogelijk. O, wat hadden wij samen gelukkig kunnen zijn, gelukkiger dan man en vrouw meestal zijn, maar dat is ons ontzegd. Wij moeten ons kruis dragen, het vleesch kruisigen; misschien aldus—wie kan dat zeggen?—den geest verheerlijken. Ik ben u veel verschuldigd. Ik heb veel van u geleerd, Geoffrey. Ik heb geleerd weer op een Hiernamaals te hopen. Niets is mij nu meer overgebleven dan dat—en over een uur, de herinnering aan u.

“O, waarom zou ik weenen? Dat is ondankbaar, als ik uw liefde bezit—en wat beteekent dit verdriet daar tegenover gesteld? Kus mij, geliefde en ga—en zie mij nimmer weder. Gij zult mij niet vergeten, ik weet dat ge mij uw leven lang niet vergeten zult. Eenmaal misschien—wie weet dat? Zoo niet, welnu dan zal ’t het best zijn te sterven.”

’t Is niet goed bij zulk een tooneel als dit langer te verwijlen. ’t Is maar een gebroken hart meer. De wereld breekt op deze of op een andere wijze zooveel harten, dat zij er weinig genoegen in kan vinden op zulke tooneelen van zielsfoltering te staren.

Bovendien moeten wij ons niet door onze sympathie laten medesleepen. Geoffrey en Beatrice hadden niet meer dan hun verdiend loon. Wat behoefden zij zich in zulk een toestand te brengen! Zij hadden de gebruiken van hun wereld getrotseerd, en de wereld wreekte zich op hen en hun hartstocht voor elkander. Wat gebeurt den worm, die op den grooten weg wil wroeten? Door wielen verpletterd en door voeten vertrapt te worden is zijn deel. Beatrice en Geoffrey zijn voorbeelden, die een moraal verkondigen. Zoover wij kunnen zien en oordeelen, hadden zij zich niet in die altijd stroomende rivier van menschelijk verdriet behoeven te storten. Laat hen worstelen en verdrinken, en laten degenen, die op den oever staan, uit dat schouwspel wijsheid leeren en geen hand uitsteken om hen te helpen.

Geoffrey trok een ring van zijn vinger, en gaf dien aan zijn geliefde. Het was een gladde zilveren ring, die uit het graf van een Romeinsch krijgsman was genomen, en waarop aan de binnenzijde ruw de woorden gegraveerd waren: “Ave atque vale.” Gegroet en vaarwel! Het was een gepast geschenk voor menschen in hun toestand. Beatrice fluisterde bevend, dat zij dien ring op haar hart zou dragen, aan haar vinger kon zij hem niet steken—hij zou herkend kunnen worden.

Toen omhelsden zij elkaar driemaal op dat eenzaam strand, eens, als ’t ware, voor vroegere vreugde, eens voor tegenwoordig leed, en eens voor toekomstige hoop, en daarna scheidden zij. Er was geen sprake van latere ontmoetingen—zij gevoelden dat die onmogelijk waren, althans voor menig jaar. Hoe konden zij elkander als onverschillige bekenden ontmoeten? Daartoe beminden zij elkander te zeer. Het was een laatst afscheid, smartelijker dan het afscheidnemen van een stervende—want de Hoop zit altijd aan het sterfbed—en hier was niets dan verpletterende droefheid.

Hij verliet haar, en het geluk was uit zijn leven, evenals het daglicht voor de avondschemering wijkt. Hij had, ten minste, de geestinspanning van zijn werk, dat hem wachtte. Maar Beatrice, arm meisje, wat had zij?

Geoffrey verliet haar. Toen hij ongeveer dertig passen ver was, zag hij om, en wierp een laatsten blik op haar. Daar stond, of liever, leunde zij, met haar hand tegen de natte rots, en zag hem met haar heldere grijze oogen na. Zelfs door den stofregen heen, kon hij haar glanzig haar, de afteekening van haar bekoorlijk gelaat en het frissche rood van haar lippen zien. Zij wenkte hem voort te gaan. Dat deed hij, maar toen hij honderd schreden verder was, zag hij nog eens om. Daar stond zij nog, maar nu was haar gelaat niet meer te onderscheiden, en de groote zeemeeuw vloog weder om haar hoofd.

Toen verborg de nevel haar geheel en al.

Ach, Beatrice, met al uw verstand hebt gij nooit die eenvoudige beginselen kunnen leeren, die voor het geluk der vrouw zoo noodzakelijk zijn; beginselen door duizend geslachten van onbeschaafde en half beschaafde voorzaten van het eene op het andere overgeërfd. Den toestand te nemen zooals hij is, en zich aan de eischen van dien toestand te houden, dat is de gulden regel tot welzijn. Steek de hand niet verder uit dan gij die weer terug kunt trekken, ten minste niet voordat gij volkomen zeker zijt dat het voorwerp in uw bereik is. Indien gij bij ongeluk, of door de gramschap van het Noodlot, begaafd zijt met die sterker eigenschappen, die u tot zelfopofferende liefde in staat stellen, houd ze in uw hart verborgen; laat er niets van aan de wereld blijken. De wereld gelooft er niet aan; zij zijn zelfs onzedelijk. Wat de wereld, en zeer terecht, van u verlangt, is stille huiselijkheid van karakter, geen tentoonspreiding van hoedanigheden, die, al mogen zij u geschikt maken voor de heldin van een Grieksch treurspel, u in onzen tijd waarschijnlijk slechts aan verguizing zullen blootstellen.

Beatrice, de wereld kan met Lady Honoria sympathiseren, maar met u niet.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings