Geoffrey wint zijn zaak.
C. Baarslag translation · Edition 2
Den volgend ochtend vóór tienen, was Geoffrey, na reeds twee uren aan zijn akte besteed te hebben, die hij nu volkomen meester was, op zijn kamers, waar hij niet zonder moeite gekomen was, wegens den dikken mist, die nog over Londen en over geheel Engeland hing.
Tot zijn verbazing vernam hij, dat men van den Procureur-Generaal noch van den President van het Kanselarij-Gerechtshof iets gehoord had. De zaakwaarnemers waren wanhopig, maar hij troostte hen, door te zeggen dat één van beiden nog wel bijtijds zou komen opdagen, en dat eenige woorden voldoende zouden zijn, om het meerdere licht, dat over de zaak verspreid was, uit te leggen. Hij besteedde echter nog een half uur, om eenige ruwe aanteekeningen te maken, ten einde een richtsnoer te hebben in het wel onwaarschijnlijk maar mogelijk geval dat hij de zaak zou moeten inleiden, en ging toen naar het Gerechtshof. Het was de eerste zaak op de rol, en de tegenpartij had ook haar advocaat. Juist toen de rechter zijn plaats had ingenomen, overhandigde de zaakwaarnemer, met een uitdrukking van schrik op zijn gelaat, Geoffrey een telegram, dat op dit oogenblik van Mr. Candleton gekomen was. Het was uit Calais gedateerd, en luidde: “Niet in staat over te steken, wegens den dikken mist. Benoem een ander in Parsons en Douse.”
“En wij hebben zoo maar dadelijk geen ander,” zeide de ongeruste zaakwaarnemer. “Wat meer is, ik hoor niets van den Procureur-Generaal, en zijn klerk schijnt niet te weten waar hij is. Gij moet verdaging vragen, mijnheer Bingham; gij kunt de zaak niet alleen behandelen.”
“Goed,” zeide Geoffrey, en toen de zaak werd opgelezen, stond hij op en deelde de omstandigheden aan het Gerechtshof mede. Maar de president van de Rechtbank was in een brommige bui. Hij had den mist in zijn geleerde keel, en zag geen reden tot verdaging. Bovendien was de tegenpartij, die haar voordeel bespeurde, er sterk tegen. De getuigen waren er met groote kosten gebracht; zijn Lordschap was er, de gezworenen waren er; de zaak moest voortgang hebben.
Zijn Lordschap de president was van hetzelfde gevoelen, en voegde Geoffrey op strengen toon toe, dat ieder advocaat in een zaak, zoodra die voor de Rechtbank diende, elk oogenblik bereid behoorde te zijn, als het noodig was, die zaak in te leiden; maar als hij, Geoffrey, het Gerechtshof verklaarde daartoe ten eenenmale onvoorbereid te zijn, dat er dan, natuurlijk, niets anders op zat dan een verdaging toe te staan.
“Ik ben volkomen bereid met de zaak voort te gaan, Mylord,” antwoordde Geoffrey bedaard.
“Goed,” zeide de president, op een verzachten toon. “Ga dan maar voort. Ik twijfel niet of de Procureur-Generaal zal aanstonds wel komen.”
De tegenpartij had er niets tegen, dat de inleiding was opgedragen aan een onervaren man, die waarschijnlijk zijn partij meer kwaad dan goed zou doen. Dus stond Geoffrey, eenigszins tot schrik van de zaakwaarnemers, die met verlangen aan de welsprekendheid van den Procureur-Generaal dachten, zonder vrees of aarzeling op, van zijn kant hopende dat de Procureur-Generaal maar zou wegblijven. Hij had een kans, waarop menig bekwaam man jaren lang moet wachten, en dat wist hij, en daar was hij voornemens gebruik van te maken. Geoffrey was een goed spreker, had niet, zooals menig goed spreker, last van zenuwachtigheid, en bovendien was hij zijn zaak volkomen meester. Binnen vijf minuten luisterden rechter, gezworenen en advocaat aandachtig naar hem, en binnen tien minuten had hij hun de zaak klaar en duidelijk uiteengezet. Om zijn onderstelling van het komediespel der geestverschijning werd eerst geglimlacht, maar al spoedig lachte de advocaat der tegenpartij niet meer en begon onrustig te zien. Als hij kon bewijzen wat hij zeide, was het uit met de zaak. Toen hij ongeveer twintig minuten gesproken had, werd hij door een aanmerking van den advocaat der tegenpartij geïnterpelleerd, en op dat oogenblik merkte hij op, dat de klerk van den Procureur-Generaal met een der zaakwaarnemers sprak.
“Als hij maar niet komt,” dacht Geoffrey.
Maar neen, de zaakwaarnemer boog zich naar hem toe, en verwittigde hem dat de Procureur-Generaal door een gewichtige regeeringszaak onvermijdelijk werd opgehouden en zijn akte teruggezonden had.
“Welnu, dan moeten wij zoo goed voortgaan als wij kunnen,” zeide Geoffrey.
“Als gij zoo voortgaat, kan het niet beter,” fluisterde de zaakwaarnemer, en nu wist Geoffrey dat hij het goed deed.
“Ja, mijnheer Bingham,” zeide de president.
En Geoffrey ging met zijn uiteenzetting van de zaak voort. ’t Is onnoodig dit merkwaardig proces, dat twee dagen duurde en algemeen de aandacht trok, in al zijn bizonderheden te volgen. Geoffrey won het met glans. Zijn welsprekende aanspraak tot de gezworenen bleef in de Gerechtshoven lang in herinnering. Weinigen, die het zagen, vergaten ooit zijn bezield gelaat en gebiedende houding, toen hij de zaak van zijn tegenpartij als een eierdop verbrijzelde en daarop met kalme, overstelpende kracht van taal de vrouw beschuldigde, die met haar minnaar het wreede plan gesmeed had, dat haar oom van het leven en haar neef en nicht van hun rechtmatig eigendom beroofd had, totdat hij haar eindelijk, met uitgestrekte hand naar haar wijzende, voor de jury als een moordenares brandmerkte.
Weinigen in die volle rechtzaal vergaten het tragisch tooneel, dat nu volgde, toen de bevende vrouw, uitgeput door langdurige spanning, en verpletterd door de indrukwekkende woorden van haar beschuldiger, van haar plaats opstond en uitriep:
“Wij hebben het gedaan—’t is waar, wij hebben het gedaan om het geld te krijgen, maar het was onze bedoeling niet dat hij van schrik zou sterven,” en bezwijmd viel zij op den grond.
“Mylords en heeren gezworenen,” zeide Geoffrey, op kalmen toon, “ik geloof niet dat het noodig is mijn zaak verder te bepleiten.”
Er volgde geen applaudissement, daartoe was de gelegenheid te dramatisch plechtig, maar de indruk, op het Gerechtshof en het publiek gemaakt, was diep en blijvend.
Geoffrey misleidde zichzelven niet, noch door zich op zijn zegepraal te verhoovaardigen, noch door valsche nederigheid. Als een verstandig man, beschouwde hij den staat van zaken uit het juiste oogpunt—met dankbaarheid, maar zonder verbazing. Hij had eindelijk zijn kans gehad, en was er voor berekend geweest. Dat was het eenige. De meeste menschen hebben in den een of anderen vorm zulke kansen, en weten er geen gebruik van te maken. Geoffrey was een van de uitzonderingen, zooals Beatrice gezegd had; hij was geboren om te slagen. Hij wist nu, dat hij het in zijn vak ver kon brengen.
Toen hij dien avond naar huis ging, nadat hem van alle kanten gelukwenschingen waren toegestroomd, gevoelde hij toch een zekere trotschheid.
Wat Geoffrey dien avond gevoelde, zal ieder gevoeld hebben, die lang met bijna overstelpende tegenspoeden te kampen heeft gehad, in zijn hart wetende dat hij geboren is om te leiden en niet om te volgen; en die eindelijk, door een enkele geestinspanning, zonder een vriendenhand om hem te helpen, of een vriendenstem om hem te leiden, er in geslaagd is zich door alle moeilijkheden heen een weg te banen en zich eensklaps in staat ziet alle mededinging het hoofd te bieden. Daar zal hij niet al te trotsch op zijn; het zal hem slechts een kleinigheid toeschijnen—iets, dat nog vol gebreken en onvolkomenheden is en nog lang niet aan zijn ideaal beantwoordt. Hij zal zelfs niet veel gewicht hechten aan die eerste zegepraal, omdat hij, in al zijn glorie, bedenkt dat anderen op zijn eigen terrein tegen hem zijn opgewassen, en ook dat alle aardsche voorspoed, evenals de schoonste bloem, de kiem van verval in zich draagt. Maar met bescheiden zelfvoldoening zal hij terugzien op die jaren van geduldig streven, dat hem eindelijk op een hoogte heeft gebracht, van waar hij al hooger en hooger kan opklimmen, totdat eindelijk, als hij uitgeput is, de tijd voor hem komt om te vallen.
Zoo dacht en gevoelde Geoffrey. Hij had zich van de taak, die hem was opgedragen, gekweten. Honoria zou nu geld hebben; zij zou hem niet langer hun armoede voor de voeten kunnen werpen. En—dat was een nog betere gedachte—het zou Beatrice verheugen zijn zegepraal te vernemen.
Hij kwam vrij laat thuis. Honoria zou bij een voorname nicht gaan dineeren, en was reeds bezig zich te kleeden. Geoffrey had voor de uitnoodiging bedankt, omdat hij niet verwacht had uit de rechtzaal terug te zijn. In zijn geestdrift, ging hij echter naar de kamer zijner vrouw, om haar den afloop te vertellen.
“Waar hebt ge al dien tijd gezeten?” zeide zij. “Ik dacht dat ge afgesproken hadt met mij uit te gaan. Het staat niet goed dat ik zooveel alleen uitga. O, ja, dat was ik vergeten; ge waart in die zaak.”
“Ja, juist—dat was het. Ik heb de zaak gewonnen. Hier vindt ge er een verslag van in de St. James Gazette, als ge ’t lezen wilt.”
“Goede Hemel, Geoffrey! Hoe kunt ge verwachten dat ik al dat gezeur zal lezen terwijl ik mij kleed?”
“Dat verwacht ik ook niet van u, Honoria, alleen, zooals ik zeg, heb ik de zaak gewonnen en nu zal ik werk in overvloed krijgen.”
“Mais, Milady, la robe va parfaitement—”
“Dat mag jij vinden,” bromde Lady Honoria, “maar dat vind ik niet. Maar het moet nu maar zoo mee. Goeden avond, Geoffrey, ge zult zeker wel al naar bed zijn als ik thuiskom;” en weg was zij.
Geoffrey nam met een zucht zijn St. James Gazette op. Hij gevoelde zich zwaar gekrenkt; hij had zoo dwaas niet moeten zijn sympathie van Lady Honoria te verwachten—zij was geen sympathetische vrouw. Dat had hij moeten bedenken, maar toch gevoelde hij zich gekrenkt. Hij ging naar boven, en liet Effie haar gebedje opzeggen.
“Ja, lieve.”
“U gaat naar de Rookerige stad om den kost te verdienen, niet waar, paatje?”
“Ja, lieve, om den kost te verdienen.”
“En hebt u wat verdiend, paatje?”
“Ja, Effie, heel veel.”
“Waar is het dan? In uw zak?”
“Neen, dat juist niet. Ik heb vandaag een groot proces gewonnen, en daar krijg ik veel geld voor.”
“O,” hernam Effie nadenkend, “daar ben ik blij om. U wint graag, niet waar, paatje?”
“Ja, lieve.”
“Dan zal ik u een kus geven, paatje, omdat u gewonnen hebt,” en zij voegde de daad bij het woord.
Geoffrey verliet het kamertje met een verzacht hart, en ging alleen zijn middagmaal gebruiken.
Toen zette hij zich er toe om een langen brief aan Beatrice te schrijven, waarin hij haar alles van de terechtzitting en alle bizonderheden van de taktiek en de bewijsgronden, die hij gebezigd had, mededeelde.
En hoewel het een brief van vier bladzijden was, wist hij dat het Beatrice niet zou vervelen hem te lezen.