← Table of contents
Beatrice

Geoffrey houdt een sermoen.

C. Baarslag translation · Edition 2

Intusschen liep Beatrice in een alles behalve geruste gemoedsstemming huiswaarts. Haar hart was bezwaard. Zij had Owen Davies, wel is waar, voor ’t oogenblik afgescheept, maar zij wist wel dat hij de man niet was om het er bij te laten. Het speet haar bijna, dat zij hem niet dadelijk voor goed had afgewezen. Maar dan zou hij naar haar vader gegaan zijn, waarvan een scène het onvermijdelijke gevolg geweest zou zijn, en daar deinsde zij voor terug, vooral nu Bingham in huis was. Zij kon zich zijn ontzetting, om niet te zeggen, zijne woede voorstellen, als hij, die zoo op geld gesteld was, hoorde dat zij Owen Davies, van Bryngelly Castle en al zijn rijkdom, had afgewezen—werkelijk afgewezen.

En met Elisabeth moest zij ook rekening houden. Elisabeth zou haar zeker het leven tot een last maken. Beatrice wist niet dat niets haar zuster beter in de kaart gespeeld was. Als zij Bryngelly maar had kunnen verlaten! Doch dat was ook onmogelijk. Zij had geen geld. Zij zou, wel is waar, op een andere veraf gelegen plaats in Engeland een betrekking als onderwijzeres kunnen krijgen, maar daar was ook een onoverkomelijke hinderpaal tegen. Hier had zij een salaris van vijf-en-zeventig pond ’s jaars; daarvan behield zij vijftien pond, met welke geringe som zij voor haar kleeding toekwam; het overige gaf zij aan haar vader. Zij wist wel dat hij zijn hoofd niet boven water kon houden zonder dezen steun, die, hoe gering ook, voor hun huisgezin al het onderscheid tusschen armoede en werkelijk gebrek uitmaakte. Als zij heenging, gesteld dat zij een even goede betrekking vond, zou zij al dat geld voor haar eigen onderhoud noodig hebben, en er niets van overhouden om naar huis te zenden. Het was een betreurenswaardige toestand; zij, die zooeven een man met duizenden ’s jaars had afgewezen, was niet in staat voor lastig aandringen uit den weg te gaan, om het gemis van vijf-en-zeventig pond ’s jaars, per kwartaal betaald. Het eenige wat zij doen kon, was dus maar af te wachten hoe het loopen zou. Maar op één punt was zij zeker: zij zou niet met Owen Davies trouwen. Dat mocht dwaas van haar zijn, maar zij zou het niet doen. Zij had te veel achting voor zichzelve, om met een man te trouwen, dien zij niet liefhad; een man, van wien zij bepaald afkeerig was. “Neen, nooit!” riep zij, op het kiezelzand aan den oever stampvoetende.

“Wat nooit?” zeide een stem op eenigen afstand.

Zij schrikte en zag rond. Daar, met zijn rug tegen een rots leunende, en een pijp in zijn mond, een geopenden brief op zijn knie, en zijn hoed bijna over zijn oogen getrokken, zat Geoffrey. Hij had Effie bij Granger thuis gelaten, en was langs een afhelling van de rots naar het strand gewandeld. De brief op zijn knie was van zijn vrouw. Die was kort en er stond niets bizonders in. Effie’s naam werd niet eens genoemd. Het was om te zien of hij dat ook had overgeslagen, dat hij den brief nog eens overlas. Neen, de inhoud had alleen betrekking op Lady Honoria’s veilige aankomst en de logeergasten, die zij had aangetroffen—een lossen troep, zooals Geoffrey opmerkte, onder anderen, een zekeren Dunstan, dien hij niet kon uitstaan—en het aantal koppels patrijzen, dat op den vorigen dag geschoten was. Toen kwam de verzekering dat Honoria zich uitstekend vermaakte, en dat de nieuwe Fransche kok “perfect” was.

“Wat nooit, Miss Granger?” herhaalde hij zijn vraag, terwijl hij langzaam den brief dichtsloeg.

“Dat komt er niet op aan,” antwoordde zij, zich herstellende. “Wat hebt ge mij verschrikt, mijnheer Bingham! Ik dacht niet dat er iemand op het strand was.”

“Dat is toch voor iedereen vrij, niet waar?” zeide hij, opstaande. “Ik dacht dat ge mij in het kiezelzand wildet trappen. ’t Is om er bang voor te worden, als men op een Zondagnamiddag rustig zit, een jonge dame te zien aankomen, die eensklaps staan blijft, stampvoet, en dan zegt: ‘Neen, nooit!’ Gelukkig wist ik dat gij uit waart, anders zou ik er van ontsteld zijn.”

“Hoe wist ge dat ik uit was?” vroeg Beatrice, een weinig uitdagend. Hij behoefde haar gangen niet na te gaan.

“Op tweeërlei manieren. Zie!” zeide hij, naar een strook wit zand wijzende. “Dat zijn, geloof ik, uw voetstappen.”

“En wat zou dat?” vroeg Beatrice, met een lachje.

“Niets bizonders, alleen dat het uw voetstappen zijn,” antwoordde hij. “Toen ontmoette ik toevallig den ouden Eduard, die aan ’t wandelen was, en hij zeide mij dat hij u en mijnheer Davies naar het strand had zien gaan; daar is zijn voetstap—van Davies bedoel ik—maar gij schijnt niet zeer gezellig geweest te zijn, want de uwe is er een heel eind van af.”

“Waarom hebt ge u de moeite gegeven dat zoo nauwkeurig op te merken?” vroeg zij, half lachend en half toornig.

“Dat weet ik niet—waarschijnlijk een gewoonte, die ik mij heb eigen gemaakt omdat ik aan de rechtbank ben. Uit die voetstappen op het zand, en wat er de gevolgen van hadden kunnen zijn, zou men een roman kunnen maken. Maar gij hebt mijn treffend verhaal nog niet ten einde gehoord. De oude Eduard heeft mij ook verteld, dat hij uw zuster langs de rots heeft zien loopen, bijna op gelijke hoogte met u, waaruit hij opmaakte dat gij er over hadt geredetwist wat de kortste weg naar de Roode Rotsen was, en er de proef van naamt.”

“Elisabeth,” zeide Beatrice, min of meer verbleekende; “waarom zou zij dat gedaan hebben?”

“Ik denk om lichaamsbeweging te nemen, evenals gij. Welnu dan, ik ging, mijn pijp rookende, in de schaduw van die rots zitten, toen ik eensklaps mijnheer Davies, den kant van Bryngelly op, zag aankomen, loopende alsof hij een wedloop hield, met zijn hoed achterop zijn hoofd. Hij liep letterlijk over mijn beenen heen, zonder mij te zien. Toen volgdet gij, en riept: ‘Neen, nooit!’—en daar is mijn verhaal mee uit. Vergunt ge mij met u mee te loopen, of stoor ik de ontwikkeling van het plan?”

“Er is geen plan, en zooals gij zooeven gezegd hebt, het strand is voor iedereen vrij,” antwoordde Beatrice wrevelig.

Zij liepen een eindweegs voort, en toen sprak hij op een anderen toon—doelende op hetgeen hij aan het hek van het kerkhof had gehoord.

“Ik geloof dat ik u mag feliciteeren, Miss Granger,” zeide hij, “en dat doe ik van harte. Niet iedereen is zoo gelukkig.—”

“Wat wilt ge daarmee zeggen, mijnheer Bingham?” viel Beatrice hem in de rede, stilstaande en zich naar hem toe wendende.

“Wat ik daarmee zeggen wil? Och, niets bizonders; niets anders dan dat ik u gelukwensch met uw engagement.”

“Mijn engagement! Wat voor engagement?”

“Het schijnt dat er een misverstand is,” zeide hij, op een toon van verlichting, hoeveel moeite hij ook deed om het te verbergen. “Ik had begrepen dat het tusschen u en Owen Davies tot een engagement was gekomen. Als ik het mis heb, vraag ik u wel verschooning.”

“Ge hebt het totaal mis, mijnheer Bingham; ik weet niet hoe ge u dat in ’t hoofd hebt gehaald, maar er is niets van aan.”

“Veroorloof mij dan u geluk te wenschen dat het niet waar is. Ziet ge, dat is in negen van de tien gevallen, waar sprake van een huwelijk is, juist het mooie—zij hebben twee of meer zijden. Als het er toe komt, kan de vriendelijke en belangelooze opmerker de lichtzijde zien—zooals in dit geval, veel geld, een romantisch kasteel aan zee, een man van een onberispelijk verleden, enz. enz. enz. Als het er daarentegen niet toe komt, kan er ook weer reden tot dankbaarheid voor gevonden worden—de dame kon toch eigenlijk wel beter partij doen, het kasteel aan zee is in het voorjaar wel wat tochtig, de man is zeer achtenswaardig, maar misschien een weinig vervelend, en zoo al meer.”

In den toon, waarop hij sprak, was iets spotachtigs, dat Beatrice ergerde. Zulk een toon was zij van Bingham niet gewoon. Het was zelfs de toon niet, waarop een beschaafd man over zulk een onderwerp tot een dame behoorde te spreken. Dit wist hij even goed als zij, en heimelijk schaamde hij zich er over. Maar, om de waarheid te zeggen, was Geoffrey, hoewel hij het zichzelven niet eens wilde bekennen, hevig jaloersch, en jaloersche menschen hebben geen goede manieren. Het was echter van Beatrice niet te verwachten dat zij dit wist, en dus was zij natuurlijk geraakt.

“Ik begrijp niet recht waar ge het over hebt, mijnheer Bingham,” zeide zij, met een uitdrukking van beleedigde waardigheid in blik en toon. “Ge hebt een ongegrond praatje gehoord, en nu maakt ge er gebruik van om mij te bespotten en op mijnheer Davies te schimpen. Dat is zeer onaardig.”

“O, neen; wat de aanleiding tot mijn vergissing geweest is, Miss Granger, waren de voetstappen, en het praatje en de afspraak die gij op het kerkhof gemaakt hebt, en die ik, zonder het te willen, gehoord heb—niet het praatje alleen. Natuurlijk moet ik er nu mijn verontschuldigingen over maken.”

Weder stampvoette Beatrice. Zij zag dat hij haar bespotte, en gevoelde dat hij haar niet geloofde.

“Ziedaar!” ging hij voort, door zijn jaloerschheid tot onheuschheid geprikkeld, want zij had gelijk—hij geloofde haar verklaring dat zij niet geëngageerd was eigenlijk nog niet. “Wat ben ik toch ongelukkig—nu heb ik alweer iets gezegd, waar gij boos om wordt. Waarom zijt ge niet met mijnheer Davies samen terug gewandeld? Dan hadt gij aangenamer gezelschap gehad, en zou ik mij niet schuldig gemaakt hebben aan aanmerkingen, die mij zoo kwalijk genomen worden. Ge wilt met mij twisten; welnu, waarover zal het zijn? Er zijn vele punten, waarop wij lijnrecht tegenover elkander staan; laten we daar een van opwerpen.”

Dat was te veel; want hoewel zijn woorden niets beteekenden, gaf de toon, waarop hij sprak, er iets stekeligs aan. Beatrice, reeds in geen kalme gemoedsstemming gebracht door het tooneel met Owen Davies, en vervuld van een zeker beangstigend gevoel, waarvan zij zich geen verklaring kon geven, verloor ditmaal haar gewone zelfbeheersching en werd zenuwachtig. Tranen schoten haar in de oogen, en haar mond trok, alsof zij op het punt was van in weenen uit te barsten.

“Dat is zeer onaardig van u,” zeide zij, met een gesmoorden snik. “Als gij wist hoeveel ik te verdragen heb, zoudt ge zoo niet spreken. Ik weet dat ge mij niet gelooft; om ’t even, ik zal u de waarheid zeggen. Ja, hoewel ik dat niet behoef te doen, en gij ’t in minst niet het recht hebt het van mij te vergen, zal ik u toch de geheele waarheid zeggen, omdat ik niet kan dulden dat ge mij niet gelooft. Mijnheer Davies heeft mij ten huwelijk gevraagd, en ik heb hem afgewezen. Ik heb hem uitgesteld; dat heb ik gedaan, omdat hij anders naar mijn vader gegaan zou zijn. Dat was lafhartig van mij, maar mijn vader zou mijn leven ondragelijk gemaakt hebben—” en weder kwam er een gesmoorde snik.

Veel is er gezegd en geschreven over de uitwerking, die het op de mannen heeft als zij een vrouw in tranen zien, of op de grens van tranen, en het lijdt geen twijfel of die uitwerking is sterk. Een rechtgeaard man wordt door zulk een schouwspel diep getroffen, en hij schrikt er ook van, omdat hij bevreesd is dat er eene scène op zal volgen. De meeste mannen nu zouden liever tien mijlen ver op hun pantoffels loopen, dan met een jonge dame, die het op de zenuwen krijgt, te doen te hebben. De bizondere omstandigheden van het geval ter zijde stellende, was Geoffrey geen uitzondering op den regel. Met Beatrice te schermutselen was alles goed en wel; zij kon zich in een woordenstrijd wel met hem meten, en wist met gelijke munt te betalen; maar te zien dat zij zich op genade of ongenade overgaf was geheel iets anders. Hij schaamde zich over zichzelven.

“Kom, kom—dat niet,” zeide hij. Hij wilde ongaarne zeggen, ween niet. “’t Was maar scherts—maar ik had zoo niet moeten spreken. Geloof mij, ik wilde mij niet in uw vertrouwen dringen. Dat is mij niet in de gedachten gekomen. Ik heb er spijt van.”

Zijn berouw was blijkbaar oprecht, en Beatrice gevoelde zich eenigszins bevredigd. Misschien was het haar niet geheel onaangenaam dat zij hem spijt kon doen gevoelen.

“Gij hebt u niet in mijn vertrouwen gedrongen,” zeide zij fier, vergetende dat zij hem een oogenblik te voren verweten had haar aan ’t spreken gebracht te hebben.

“Ik zeide het u, omdat ik niet verkoos dat ge zoudt denken dat ik de waarheid niet sprak. En laten we er nu verder maar van zwijgen.” Zij legde hem geen geheimhouding op, zij wist dat dit niet noodig was. Het geheim zou tusschen hen beiden blijven—alweer een gevaarlijke band.

Beatrice had haar bedaardheid terugverkregen en zij liepen langzaam voort.

“Zeg mij eens, mijnheer Bingham,” begon zij nu, “hoe kan een meisje den kost verdienen—ik bedoel een meisje zooals ik, zonder eenige bizondere talenten? Sommigen kunnen het wel.”

“Dat hangt van het meisje zelve af,” antwoordde hij. “Wat voor soort van kostwinning bedoelt gij? Gij hebt er immers een.”

“Ja, maar ik denk weleens dat, als ik er raad op wist, ik hier wel van daan zou willen gaan, om een ander vak bij de hand te nemen, iets grooters. Ik geloof niet dat het er ooit toe komen zal, maar ik denk er toch weleens over.”

“Ik weet maar twee wegen, die voor een vrouw openstaan,” zeide hij; “het tooneel en de litteratuur. In uw geval is, natuurlijk, van het eerste geen sprake,” liet hij er snel op volgen.

“En van het andere, vrees ik, ook niet,” hernam zij, het hoofd schuddende, “ten minste, als gij door litteratuur werken van verdichting verstaat, en dat is, geloof ik, de eenige kans om naam te maken. Zooals ik u gezegd heb, mijn verbeeldingskracht heb ik verloren—oprecht gesproken, tegelijk met mijn geloof. Er is een tijd geweest dat ik een levendige verbeelding had en veel geloof ook, maar het een is met het ander weggegaan, ik begrijp niet hoe.”

“Niet? Ik meen het wel te begrijpen. Een ziel zonder godsdienstig gevoel is als een ster zonder atmosfeer, helderder dan andere sterren, maar niet zoo aangenaam om te zien. Godsdienst, poëzie, muziek, verbeelding en de edelste gevoelens van het hart bloeien in denzelfden grond, en zijn, naar mijn meening, verschillende openbaringen van hetzelfde. Weet ge wel dat het belachelijk is u te hooren zeggen dat ge uw geloof verloren hebt—want dat houd ik voor een onwaarheid. Ten ergste genomen, sluimert het, en eenmaal zal het weer ontwaken. Misschien zult gij geen bizonderen vorm van geloof aannemen, maar ik zeg u ronduit dat het niets anders dan geestelijke ijdelheid in haar leelijksten vorm is, allen godsdienst te verwerpen, omdat men er met zijn verstand niet bij kan. Uw verstand is u te sterk geweest, Miss Granger: het is met u op hol gegaan, maar het heeft zijn grenzen en verder gaat het niet. En nu zijt ge misschien weer boos op mij.”

“Neen, waarom zou ik boos zijn? Ge hebt zeker wel gelijk, en ik hoop dat ik eenmaal weer zal kunnen gelooven. Ik zal u zeggen hoe ik mijn geloof verloren heb. Ik had een broertje, dat ik boven alles op de wereld liefhad, en na den dood van mijn moeder was hij ook het eenige wat ik had om lief te hebben, want mijn vader houdt, geloof ik, meer van Elisabeth dan van mij, omdat zij zooveel praktischer is, en Elisabeth en ik kunnen niet goed te zamen overweg. Het kan wel aan mij liggen, maar het is zoo—wij zijn zusters, maar geen vriendinnen. Mijn broertje werd door een zware koorts aangetast, en lang lag hij tusschen leven en dood, en ik bad voor hem, zooals ik nooit te voren voor iemand of om iets gebeden had—ja, ik bad dat ik in zijne plaats mocht sterven. Hij stond de crisis door en werd beter, en ik dankte God, meenende dat mijn gebeden verhoord waren. O, wat was ik tien dagen lang gelukkig! Maar wat gebeurde er toen? Mijn broertje vatte kou, stortte weer in, en binnen drie dagen was hij dood. De laatste woorden, die hij tot mij sprak, waren: ‘Och, laat mij niet dood gaan, Bee!’—hij noemde mij altijd Bee—‘Laat mij alsjeblieft niet dood gaan, lieve Bee!’ Maar hij stierf—hij stierf in mijn armen, en toen het met hem gedaan was, stond ik van zijn zijde op, met een gevoel alsof mijn hart ook dood was. Daarna heb ik nooit weer gebeden. Het scheen mij toe alsof met mijn gebeden de spot was gedreven, alsof hij mij slechts voor een poos was teruggegeven, om den slag, wanneer hij viel, des te verpletterender te maken.”

“Vindt ge niet dat het wel wat dwaas van u was het zoo op te vatten?” zeide Geoffrey. “Hebt gij niet weleens moeten glimlachen als ge van de eerste Christenen laast?—hoe het lood den martelaar niet wilde koken, of de leeuw hem niet wilde verslinden, of de regen uit een blauwe lucht het vuur bluschte, en hoe de heidensche koning eensklaps bekeerd werd en onmiddellijk een menigte moeilijke leerstellingen aannam. De Athanasiaansche Geloofsleer was niet noodwendig waar, omdat het vuur niet wilde branden, of het zwaard niet wilde snijden, en evenmin, houd mij ten goede, was al uw vroeger geloof onwaar, omdat uw gebed niet verhoord werd. ’t Is een oude geschiedenis, dat wij niet weten of het verhooren van onze gebeden goed of kwaad voor ons is. Ik weet, natuurlijk, van zoo iets niets af, maar het komt mij onbezonnen voor, te meenen dat de Voorzienigheid de werking van eeuwige wetten zal veranderen, alleen om aan de voorbijgaande wenschen van enkele personen te voldoen—wenschen, die, wanneer zij vervuld werden, in vele gevallen onvoorzien leed teweeg zouden brengen. Bovendien is het arme kind zeker gelukkiger nu het dood is dan wanneer het was blijven leven. ’t Is voor de meesten onzer zoo heel aangenaam niet op de wereld.”

“Ja, mijnheer Bingham, dat weet ik, en ik zou den schok ook wel mettertijd te boven gekomen zijn, als ik daarna niet was begonnen te lezen. Ik las de geschiedenis der godsdiensten, en vergeleek ze met elkaar, en ik las de werken van de schrijvers, die opgestaan zijn om ze aan te vallen. Ik vond—althans zoo meende ik—in alle dezelfde bronnen van bijgeloof—een bijgeloof uit oorspronkelijk natuurlijke oorzaken ontstaan, en met verschillende wijzigingen van het eene geslacht op het andere, door alle tijden heen, overgebracht. In sommige vond ik dezelfde geschiedenis, slechts met een kleine verandering in den uiterlijken vorm, en bovendien leerde ik, dat het eene geloof het andere loochende en voor zichzelf alleen aanspraak maakte het ware te zijn.

“Daarna ging ik naar het opleidings-instituut, en daar trof ik een dame aan, een der onderwijzeressen, de kundigste vrouw, die ik ooit gekend heb, en op haar wijze een brave vrouw ook, maar die het er voor hield, dat de godsdienst de vloek der wereld was, en al haar vrijen tijd besteedde om hem in den een of anderen vorm aan te vallen. Zij is nu al lang dood. En zoo, door al die oorzaken, en het gestadig schouwspel van menschelijke ellende voor oogen, dat voor mijn gevoel in strijd is met het denkbeeld van een barmhartige en wakende Voorzienigheid, is eindelijk het eenige altaar, dat in mijn tempel is overgebleven, een altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd.”

Evenals de meeste mannen, die over zulke zaken nagedacht hebben, sprak Geoffrey er niet gaarne veel over, inzonderheid niet met vrouwen. Hij wist ook dat hij een neiging had om er minder eerbiedig over te spreken dan hij er over dacht. Maar hij was Beatrice’s kerk der Duisternis niet binnengetreden; hij had die voor altijd den rug toe gekeerd, hoewel hij, zooals de meeste menschen, in verschillende tijdperken van zijn vroeger leven een uur in haar voorportaal vertoefd had. Dus waagde hij een tegenwerping.

“Ik ben geen godgeleerde,” sprak hij, “en ik houd niet van twistredenen op zulk een gebied. Maar er zijn een paar aanmerkingen, die ik wel zou willen maken. Naar mijn gevoelen, is het bestaan van kwaad en ongeluk onder het menschdom niet als een bewijsgrond aan te voeren dat er geen barmhartige hoogere Macht bestaat; want wat zijn de menschen, dat er zoo iets niet onder hen zou zijn? De mensch moet ook een meester erkennen. Als hij twijfelingen heeft, laat hij de oogen dan opslaan tot den sterrenhemel, en dan zullen zij verdwijnen.”

“Neen,” zeide Beatrice, “ik vrees van neen. Kant heeft dat gezegd, maar vroeger heeft Molière dezen bewijsgrond een gek in den mond gelegd. De sterrenhemel bewijst niets meer dan de regendruppels, die langs de vensterruiten druipen. ’t Is geen kwestie van grootte en hoeveelheid.”

“Ik kan dat beeld wel aannemen,” hervatte Geoffrey; “het eene voorbeeld van wet is voor mijn bedoeling even goed als het andere. Ik zie in alles de werking van een levenden Wil, maar dat is, natuurlijk, mijn zienswijze, niet de uwe.”

“Neen, vrees ik,” antwoordde Beatrice; “al die redeneering, uit stoffelijke dingen geput, treft mij niet. Zoo maakten de Heidenen hun godsdienst. Zij leidden het Inwendige af van het Uitwendige, het geestelijke van het stoffelijke. Dat kan niet; als het Christendom waar is, moet het op een geestelijken voet staan en met een geestelijke stem spreken, niet in donder, maar in de harten der menschen. Het bestaan van een Scheppende Macht bewijst niet het bestaan van een Verlosser; veeleer strekt het om dat te loochenen, want de macht, die schept, is ook de macht, die vernietigt. Wat mij echter treft, is hoe de groote menigte over den Dood denkt. Dat is het, waarover wij ons bekommeren, niet over een Eeuwige Macht, altijd scheppend en vernietigend. Denk eens aan al die zielen van vroegere, sinds duizenden jaren niet meer bestaande menschenrassen, die niet veel meer dan dieren waren. Zoudt ge denken, dat de ziel van een neger, die in den tijd van Mozes stierf, nu ergens was?”

“Er was op aarde voor allen plaats,” antwoordde Geoffrey; “het heelal is groot. Er zijn zooveel raadselen in onze natuur, de natuur, die wij meenen te kennen—zullen er dan geene zijn in het voor ons onbekende? Werelden gaan te niet, om weer bewoond te worden, als na millioenen eeuwen de toestanden weer gunstig zijn om te leven, en waarom zou het met den mensch ook niet zoo zijn? Wij zijn schepselen op deze wereld en van deze wereld, Waarom zou ons lot dan niet als het hare zijn? Zij moge veranderen van gas in chaos, van chaos tot werkzaam leven, van werkzaam leven tot schijnbaren dood. Dan kan zij weer tot haar elementen overgaan, en van die elementen tot een samengesteld geheel, en zoo altijd door, altijd veranderend, maar altijd dezelfde. Tot zoover de natuur tot zinnebeeld genomen. ’t Is geen volkomen analogie, want de mensch is iets, van al het andere afgescheiden; het moge slechts een wenk of een type zijn, maar het is toch iets.

“Om nu op de kwestie van onzen godsdienst te komen. Ik moet bekennen, dat ik uit uw gegevens een geheel andere gevolgtrekking maak. Gij zegt, dat ge in alle godsdiensten dezelfde bijgeloovigheden bespeurt, en dat dezelfde geestelijke mythe in den een of anderen vorm in bijna alle gevonden wordt. Welnu, duidt dat niet aan dat dezelfde groote waarheid aan elken ten grondslag ligt en van tijd tot tijd den vorm aanneemt, die het best geschikt is voor de geestelijke ontwikkeling zijner belijders? Elke nieuwe groote godsdienst is beter dan voorafgaande. Gij kunt het Osirianisme niet vergelijken met het Buddhisme, of het Buddhisme met het Christendom, of het Mahomedanisme met den Arabischen afgodendienst. Neem het oude beeld—houd een stuk kristal in de zon, en gij zult er verschillende kleuren uit zien stralen. Zij schijnen verschillend, maar zij zijn alle uit hetzelfde groote licht ontstaan; zij zijn alle hetzelfde licht. Kan het zoo ook niet met de godsdiensten zijn? Laat uw altaar aan den ‘Onbekenden God’ gewijd zijn, zoo gij wilt—want wie kan aan de Macht boven ons een onveranderlijke gelijkenis geven?—maar haal uw altaar niet omver.

“Maak er staat op, Miss Granger, niettegenstaande alles wat het tegendeel aanduidt, er is een wakende Voorzienigheid boven ons, zonder wier wil wij niet kunnen leven, en als wij die Voorzienigheid verwerpen en ons verstand er voor in de plaats stellen, zullen wij er ons niets dan verdriet door berokkenen. Ik wenschte dat ge wildet beproeven het vraagstuk uit een ander, een hooger gezichtspunt te beschouwen. Ge zult, geloof ik, ondervinden, dat het voor veel onderzoek vatbaar is, en tot het besluit komen, dat de beslissende uitspraak van een wijshoofd, die zegt dat er niets is, omdat hij niets ziet, niet noodwendig de ware is. Ziedaar, dat is alles, wat ik wilde zeggen, en ik wenschte dat ik het beter zeggen kon.”

“Dank u,” sprak Beatrice, “ik zal het in gedachten houden. Hier zijn wij al thuis; ik moet Effie naar bed brengen.”

Het mag wel vermeld worden, dat Geoffrey’s raad niet geheel in den wind geslagen werd. Beatrice beproefde het vraagstuk nog eens te onderzoeken, en hoewel het Geloof niet geheel en al bij haar terugkwam, was de Hoop ten minste in haar hart ontwaakt, en “de meeste van deze, die de Liefde is,” had haar nooit verlaten. De Hoop kwam langzaam terug, waarschijnlijk niet door redeneering, maar veeleer door voorbeeld. In de zee van Twijfel zag zij een ander baken, al was het ook maar op het wrakhout van het vergane schip. Dit moedigde haar aan. Geoffrey geloofde, en zij—zij hechtte geloof aan het geloof van Geoffrey. Is dit niet het geheim der filosofie van menige vrouw—zelfs in zekere mate van zulk een vrouw als Beatrice? Haar geloofsleer is het geloof van hem, dien zij vertrouwt. En Geoffrey was degene, in wien Beatrice vertrouwen begon te stellen, des te meer omdat zij vroeger nooit vertrouwen in iemand had gesteld. Wat zij er anders ook bij mocht verliezen, dit won zij er ten minste bij, toen zij zijn leven had gered.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings