← Table of contents
Beatrice

Geoffrey krijgt bezoek.

C. Baarslag translation · Edition 2

En Beatrice—was het haar in al die maanden beter gegaan? Helaas, geenszins. Zij had op dien herfstochtend van het afscheid-nemen met een bedrukt hart het Bryngelly-station verlaten, en bedrukt van hart was zij gebleven. Gedurende de lange wintermaanden waren droefheid en bitterheid haar deel geweest, en de blijde lente-tijd had die niet uit haar hart verdreven. Zij beminde hem, zij verlangde naar zijn tegenwoordigheid, en die was haar ontzegd. Wel verre dat de tijd die liefde deed uitslijten, scheen zij van week tot week toe te nemen. En toch zou zij het niet anders gewenscht hebben. Liever wilde zij aldus door haar geweten en hopeloosheid gekweld worden dan de oorzaak van haar smart te missen.

Eén troost had Beatrice echter, en ook slechts één: zij wist dat Geoffrey haar niet vergat. Dat zeiden haar zijn brieven. Die brieven waren alles voor haar—een vrouw kan meer troost aan een brief ontleenen dan een man. Bijna even aangenaam als ze te ontvangen, was het haar ze te beantwoorden. Zij was een goede briefschrijfster, maar dikwijls verscheurde zij wat zij geschreven had en begon weer opnieuw. In Bryngelly was niet veel nieuws; het was moeilijk haar brieven in een aangenamen toon te schrijven. In den geheelen aard van de zaak was ook iets, dat haar scheen te verlammen. Het was belachelijk zooveel te zeggen te hebben, en zoo weinig te kunnen zeggen. Niet dat Beatrice er minnebrieven van had willen maken—dat was nooit bij haar opgekomen, maar zij had willen schrijven, zooals zij met elkander gesproken hadden. Als zij dit echter beproefde, was de uitslag niet naar haar zin, de woorden zagen er op het papier zoo vreemd uit—zij kon ze niet afzenden.

In Geoffrey’s snellen vooruitgang op den weg tot roem en fortuin stelde zij het levendigst belang, en zij verheugde zich er veel meer over dan hijzelf. Zij getroostte zich de verveling van de kolommen over de Parlementszittingen van het begin tot het einde te lezen, alleen maar om kans te hebben er zijn naam in te zien voorkomen of een redevoering, die hij gehouden had, vermeld te vinden. Ook in de verslagen der terechtzittingen zocht zij zijn naam niet te vergeefs.

Maar het waren nare maanden, die zij had doorgebracht. ’s Morgens opstaan, de oude sleur van haar dagelijksche werkzaamheden, aan Geoffrey denken, vermoeid thuis komen en haar toevlucht zoeken in den slaap en van hem te droomen—zoo ging het den eenen dag voor, den anderen na. Dan kwamen er nog andere verdrietelijkheden bij. Om te beginnen, ging het in de pastorie van kwaad tot erger. De tienden kwamen bijna in ’t geheel niet in, en van dag tot dag werd hun armoede knellender. Als Beatrice’s salaris er niet bij was geweest, zou het gezin niet geweten hebben, waarvan het langer moest bestaan. Zij gaf nu bijna alles aan haar vader, en hield er slechts een kleine som af voor haar noodzakelijke kleeding en zulke kleinigheden als postzegels en postpapier. Maar toch bromde Elisabeth over haar verkwisting dat zij nog maar voortging met een dagblad te koopen, en vroeg waar het toe diende elke week een sixpence aan zulk een weelde te besteden. Doch Beatrice kon er niet toe besluiten van het blad, waarin zij nu en dan van Geoffrey melding gemaakt vond, af te zien.

Owen Davies was ook een gestadig verdriet voor haar. Zijn verliefdheid op haar werd in ’t oogloopend; iedereen zag het, behalve haar vader. Granger’s geest was zoo vervuld van kwesties in verband met tienden, dat hij, gelukkig voor Beatrice, aan niets anders kon denken. Owen liep haar overal na; uren lang wachtte hij buiten de school of aan het hek der pastorie, alleen om haar eenige woorden toe te spreken. Soms, als zij eindelijk te voorschijn kwam, scheen hij met stomheid geslagen; dan zeide hij niets, maar zag haar met doffe oogen aan op een wijze, die haar ongerust maakte. Hij waagde het, wel is waar, nooit haar over liefde te spreken, maar zijn gezicht stond er naar alsof hij het doen wilde, wat bijna even erg was. Daar kwam nog bij, dat hij jaloersch was geworden.

Het zaad, door Elisabeth in zijn ziel gestrooid, had rijkelijk vruchten voortgebracht, hoewel Beatrice, natuurlijk, niet wist dat dit haar zusters bedrijf was.

Denzelfden ochtend, toen Geoffrey vertrokken was, had Davies haar ontmoet, toen zij van het station terugliep, en vroeg haar of mijnheer Bingham weg was. Toen zij die vraag bevestigend had beantwoord, had zij hem duidelijk hooren mompelen: “Goddank! Goddank!” Later ontdekte zij ook, dat hij den brievengaarder had omgekocht om de brieven te tellen, die zij aan Geoffrey zond en van hem ontving.

Dit alles was verontrustend voor Beatrice, maar het werd nog erger. Davies begon haar geschenken te zenden, eerst zoo iets als duiven en hoenders, die op een tentoonstelling van pluimgedierte bekroond waren, en later kostbaarheden. De duiven en hoenders kon zij niet terugzenden zonder dat het in ’t oogvallend geweest zou zijn, maar de kostbaarheden liet zij door een der schoolkinderen terugbrengen. Eerst kwam er een armband, toen een medaillon met zijn photographie er in, en eindelijk een kistje, dat, toen zij het openmaakte, waartoe nieuwsgierigheid haar bewoog, haar bijna door den glans van zijn inhoud verblindde. Het was een juweelen halssnoer, en nooit had zij zulke diamanten gezien, maar naar de grootte en den glans wist zij, dat elke steen wel honderd pond waard moest zijn. Beatrice stak het in haar zak en hield het bij zich, totdat zij hem ontmoette, wat, natuurlijk, in den loop van den namiddag het geval was.

“Mijnheer Davies,” zeide zij, voordat hij spreken kon, en terwijl zij hem het pakje overhandigde, “dit is mij bij vergissing gezonden. Wilt gij zoo goed zijn het terug te nemen?”

Hij nam het verlegen aan.

“Mijnheer Davies,” ging zij voort, hem strak in de oogen ziende, “ik hoop dat zulke vergissingen niet meer zullen plaats hebben. Onthoud, als ’t u belieft, dat ik geen geschenken kan aannemen.”

“Als mijnheer Bingham het u had gezonden, zoudt gij het wel aangenomen hebben,” mompelde hij wrevelig.

Beatrice wierp hem zulk een vlammenden blik toe, dat hij terugdeinsde en haar verliet. Maar het was waar, en dat wist zij. Als Geoffrey haar een sixpence met een gaatje er in had gegeven, zou zij dien hooger gewaardeerd hebben dan alle diamanten op de wereld. O, welk een toestand voor haar! Zij had het recht niet den echtgenoot van een andere vrouw te beminnen.

Maar recht of onrecht, het was toch maar de waarheid: zij beminde hem.

En het ergste was, zooals zij wel wist, dat vroeg of laat het voorgevallene met Davies, haar vader ter oore moest komen, en wat zou er dan gebeuren? Zooveel was zeker, dat hij in zijn armoedigen toestand hemel en aarde bewogen zou hebben om haar huwelijk met dien rijken man tot stand te brengen. Haar vader was nooit zeer nauwgezet geweest, als het op geld aankwam, en nu het geldgebrek zoo nijpend werd, zou hij het waarschijnlijk nog wel minder zijn.

Dat dit alles de jaloersche oogen van Elisabeth niet ontsnapte, lijdt geen twijfel. Het zag er donker voor haar uit, maar zij was niet voornemens daarom de kaarten neer te werpen. Doch het was tijd om troef uit te spelen. Met andere woorden, Beatrice moest, in de oogen van Owen Davies schandelijk tentoongesteld worden, als zij dit op de een of andere wijze kon bewerken. Tot dusverre was alles goed gegaan voor haar plannen. Beatrice en Geoffrey beminden elkander, daar was Elisabeth zeker van. Maar het bestaan van die geheime, verborgen liefde zou niet baten, zoolang er geen openlijke bewijzen van waren. Het staat ieder vrij een geheime voorkeur te hebben, maar als er eenmaal aan toegegeven is, als een vrouw eenmaal in opspraak is gekomen, dan neemt de wereld de gelegenheid waar om haar te vertrappen. Welk man, dacht Elisabeth, zou met een vrouw willen trouwen, op wier goeden naam een smet kleefde? Als er een smet op Beatrice geworpen kon worden, zou Owen Davies haar niet tot vrouw nemen—dus moest zij in opspraak gebracht worden.

Dat klinkt slecht en onnatuurlijk. “’t Is onmogelijk dat de eene zuster de andere zoo zou behandelen,” zullen de lezeressen van dit verhaal misschien zeggen, aan haar eigen zuster en haar hartelijke en rechtgeaarde omgeving denkende. Maar het is niet onmogelijk. Als gij, die twijfelt, de verslagen van de terechtzittingen wilt lezen—wat juist geen aangename lectuur voor u is—zult gij zien dat zoo iets wel mogelijk is. De menschelijke natuur kan tot een zeldzame hoogte stijgen, maar zij kan ook tot een laagte zinken, die beneden uw peil is. Omdat iets in uw eigen ondervinding zonder weerga is, volgt daaruit niet dat het niet waar kan zijn.

Elisabeth was onmeedoogend; ja, wat meer is, zij werd door de krachtige drijfveeren van hartstocht en hebzucht bewogen. Maar bij haar onmeedoogendheid paarde zij een groote mate van slimheid, of liever beredeneerdheid. Als zij een wilde was geweest, zou zij haar zuster wel spoedig uit den weg geruimd hebben; maar nu zij was wàt zij was, trachtte zij hetzelfde doel te bereiken door een middel, dat niet strafbaar voor de wet was, kortom, door haar goeden naam te vermoorden. Zou zij er verantwoordelijk voor zijn, als haar zuster den verkeerden weg opging en aldus geschandvlekt was in de oogen van den man, die haar tot vrouw wenschte te hebben, en met wien Elisabeth wilde trouwen? Natuurlijk niet, dat was Beatrice’s zaak. Maar zij kon haar alle gelegenheid geven om in verzoeking te komen, en dat was haar vast voornemen.

De omstandigheden gaven haar daartoe spoedig gelegenheid. Het geldgebrek in de pastorie werd hoe langer hoe nijpender. Er was letterlijk niet meer genoeg om van te leven. Allen, die tienden moesten betalen, weigerden hardnekkig aan hun verplichtingen te voldoen. Toevallig was het er niet toe gekomen dat Jones, de man, die den afslager had doodgeschoten, terecht had gestaan. Kort na zijn inhechtenisneming stierf hij in een vlaag van delirium tremens, en zoo werd er een voorbeeld gemist, dat, als hij behoorlijk was opgehangen, anderen wel van gewelddadig verzet tegen de wet afgeschrikt zou hebben. Granger was nu te arm om verder gerechtelijke vervolgingen in te stellen, waarvan, bij de gesteldheid der gemoederen in Wales, de uitslag toch twijfelachtig geweest zou zijn; hij kon zich slechts onderwerpen, en onderwerping was armoede. Hij was reeds bijna tot den bedelstaf gebracht. In dezen wanhopigen staat van zaken raadpleegde hij met Elisabeth, en hield haar voor, dat zij geld moesten zien te krijgen of van gebrek omkomen. De eenige mogelijke kans om geld te krijgen, was het leenen, en Granger sloeg voor bij Owen Davies aan te kloppen, die genoeg had. Dat zou hij reeds lang gedaan hebben als de Squire niet den naam had gehad van vrekkig te zijn.

Maar die voorslag was geheel buiten Elisabeth’s boekje. Haar hoofddoel was geweest voor haar vader verborgen te houden dat Davies het oog op Beatrice had geslagen, en elken dag vreesde zij, dat hij het uit een andere bron zou vernemen. Zij wist zeer goed, dat als haar vader naar het kasteel ging om geld te leenen, het hem geleend, of liever, vrijwillig genoeg gegeven zou worden; maar zij wist ook, dat de geldschieter deze gunstige gelegenheid zeker zou waarnemen om voor zijn wenschen betreffende de dochter van den leener uit te komen. Het eene zou natuurlijk tot het andere leiden, en de belofte van zijn aanzoek te ondersteunen zou een bewijs van erkentelijkheid voor het ontvangen geld zijn. Hoe gaarne die steun verleend zou worden, was ook in ’t oogspringend voor haar; en aan de eene zijde door haar vader, en aan de andere door Owen Davies gedrongen, hoe kon Elisabeth dan zeker zijn dat zij niet zou toegeven? Beatrice zou juist een meisje zijn om door een begrip van plicht overgehaald te worden. Haar vader zou haar zeggen, dat hij het geld op die voorwaarde gekregen had, en het was zeer mogelijk, dat haar trots haar er toe brengen zou om een aldus gegeven belofte te vervullen, hoe het haar persoonlijk ook tegenstond. Neen, haar vader moest tot elken prijs verhinderd worden hulp bij Owen Davies te zoeken. En toch moest het geld ergens van daan komen, of zij waren geruïneerd.

Ha, zij had er iets op gevonden!—Geoffrey Bingham moest het geld leenen! Hij kon het nu wel missen, en zij vermoedde wel, dat het hem niet van zijn hart gescheurd zou worden als hij dacht dat hij, door het te geven, middellijk of onmiddellijk Beatrice kon helpen. Haar vader moest zelf naar Londen gaan om hem te spreken, geen brief schrijven; men weet nooit hoe een brief gelezen kan worden. Hij moest Bingham spreken, en hem, zoo mogelijk, in Bringelly medebrengen. In een oogenblik was elke bizonderheid van het plan Elisabeth duidelijk, en toen kwam zij er mee voor den dag.

“Ge moet niet naar mijnheer Davies gaan, vader,” zeide zij, “hij is vrekkig en zou u weigeren, en dat zou u maar in een valsche positie brengen; gij moet naar mijnheer Bingham gaan. Luister: hij is nu rijk, en hij houdt veel van u en van Beatrice. Hij zal u wel dadelijk honderd pond leenen. Morgen, met den eersten trein, moet gij naar Londen gaan, regelrecht naar zijn kamers rijden en hem te spreken vragen. Heen en terug zal twee pond kosten maar dat is niet te verhelpen; ’t is veiliger dan schrijven, en ik ben zeker dat gij geen vergeefsche reis zult doen. En weet gij wat gij doen moet, vader: ge moet mijnheer Bingham meebrengen als gij kunt, om hier eenige dagen te logeeren. Dat zal een kleine vergelding voor zijn goedheid zijn, en ik weet dat hij niet wèl is. Beatrice heeft een brief van hem gehad, waarin hij zeide, dat hij zich overwerkt had en wat rust zou moeten nemen. Breng hem hier, om de Pinksterdagen door te brengen.”

Granger aarzelde, maakte bedenkingen, en gaf eindelijk toe. De zwakke, ontevreden, oude boer-predikant, uitgeput door dagelijksche zorgen, en zonder door zedelijke kracht ondersteund te worden, was niets anders dan een werktuig in Elisabeth’s handen. Hij zag er wel niets vernederends in, te beproeven of hij geld te leen kon krijgen, want zoo fijn van gevoel was hij niet, en geldzorgen hadden hem ook niet al te kiesch gemaakt; maar hij had geen zin in de reis naar Londen, waar hij in geen twintig jaar geweest was, en de kosten, die er mede gepaard gingen. Hij liet zich evenwel door Elisabeth raden, zelfs om den tocht voor Beatrice geheim te houden. Beatrice was, zooals haar zuster verklaarde, zoo trotsch als Lucifer, en zou misschien bezwaren opperen als hij naar Londen ging om geld van mijnheer Bingham te leenen. Dat zou zij dan ook zeker gedaan hebben.

Den volgenden namiddag—het was de Vrijdag voor Pinkster en de laatste dag van de Voorjaars-assises—zat Geoffrey op zijn bureau, in een neerslachtige stemming, totaal uitgeput door overspanning. Hij stond een cliënt te woord, een stijfhoofdigen Norfolkschen pachter, die zijn eigen landheer, wegens een klein verschil, een proces wilde aandoen, en met zijn zaakwaarnemer bij hem was gekomen om hem daarover te raadplegen. Geoffrey had hem met eenige korte, duidelijke woorden de ongerijmdheid van de geheele zaak aangetoond en hem sterk een minnelijke schikking aangeraden. Maar de pachter was daarmede niet voldaan, en de zaakwaarnemer beproefde nu het zuivere licht der wet in de donkerheid van zijn gekrenkte ziel te laten schijnen.

Geoffrey liet zich in zijn stoel achterover zakken, streek het haar van zijn voorhoofd, en hield zich alsof hij luisterde. Maar in een oogenblik was zijn geest ver afgedwaald. Hemel, wat was hij vermoeid! Nu, hij zou voor eenige dagen rust hebben—tot Donderdag, wanneer hem een gewichtige zaak wachtte. Wat zou hij in dien tusschentijd doen om zich te verpoozen? Honoria wenschte bij haar broeder, Lord Garsington, te gaan logeeren, en—wat wonder was—zij wilde Effie meenemen. Dat beviel hem wel niet, maar hij begreep dat hij toch maar moest toestemmen. In allen gevalle, ging hij niet mee. Hij kon Garsington, Dunstan en hun heele kliek niet dulden. Zou hij naar Bryngelly gaan? De verzoeking was zeer sterk; dat zou een waar genoegen voor hem zijn; maar zijn verstand kwam er tegen op. Neen, het was beter dat hij daar niet heen ging. Als Beatrice wenschte dat hij kwam, zou zij het wel geschreven hebben, en zij had er zelfs nooit een wenk van gegeven, en al had zij dat gedaan, geloofde hij dat hij toch niet gegaan zou zijn. Maar hij had geen lust ergens anders heen te gaan. Hij zou maar in stad blijven, zijn rust nemen en een roman lezen, want daar achtte Geoffrey zich niet boven verheven, als hij den tijd had. Misschien zou hij wel in staat geweest zijn er zelf een te schrijven. Op dit oogenblik kwam zijn klerk binnen en overhandigde hem een strookje papier, waarop eenige woorden geschreven waren. Hij las:

“Dominé Granger om u te spreken. Ik heb hem gezegd dat gij bezig waart, maar hij zeide dat hij dan wel zou wachten.”

Geoffrey onthutste hevig—zoo hevig, dat de zaakwaarnemer en de stijfhoofdige pachter beiden opzagen.

“Zeg dien heer dat ik hem dadelijk zal ontvangen,” zeide hij tot den klerk, die zich verwijderde, en toen voegde hij den pachter toe: “Welnu, goede vriend, ik heb u alles gezegd wat ik te zeggen heb.

“Ik kan u niet raden deze actie door te zetten. Als gij dat doen wilt, moet gij een anderen advocaat nemen, want ik wil geen deel hebben aan iets, wat niet anders dan geld verspillen kan zijn. Goeden middag,” en hij stond op.

De pachter ging brommend heen. Een oogenblik later kwam Granger binnen, in een vrij kale zwarte jas gekleed, en zijn dun wit haar, als gewoonlijk, over zijn oogen hangende. Geoffrey beschouwde hem met ongerustheid, en merkte op dat hij in de laatste zeven maanden niet weinig verouderd was. Kwam hij hem slecht nieuws van Beatrice vertellen—dat zij ziek of dood was, of dat zij trouwen ging?

“Hoe gaat het u, mijnheer Granger?” zeide hij, hem de hand toestekende, en zijn stem zoo goed als hij kon bedwingende. “Hoe gaat het? Dat is een onverwacht genoegen.”

“Hoe vaart gij, mijnheer Bingham?” sprak de oude man, terwijl hij zenuwachtig op een stoel plaats nam, en met bevende hand zijn hoed op den vloer naast zich zette. “Ja, dank u, ik ben redelijk wel, niet al te best—ik verga van zorg en kommer.”

“Ik hoop toch dat Miss Elisabeth en Be—dat uw dochters ook wèl zijn?” zeide Geoffrey, niet in staat zijn ongerustheid te bedwingen.

“Ja, ja, dank u, mijnheer Bingham. Elisabeth is ook niet al te best; zij klaagt over pijn in de maag, wat hinder van de gal misschien—zij heeft in het voorjaar altijd hinder van de gal.”

“En Miss Beatrice?”

“O, die is, geloof ik, wèl—heel stil, weet ge, en zij ziet wat bleek; maar zij is altijd zoo stil—een raar meisje, die Beatrice, mijnheer Bingham, een heel raar meisje! Ik begrijp haar niet, en ik probeer ook maar niet eens haar te begrijpen. Zij is heel anders dan andere meisjes, zij schijnt in niets plezier te hebben. Niemand begrijpt Beatrice.”

Geoffrey slaakte een zucht van verlichting. “En hoe gaat het met de betaling van de tienden, mijnheer Granger? Ook niet al te best, vrees ik. Ik heb gezien dat die schurk Jones in de gevangenis gestorven is.”

Granger werd dadelijk wakker. Eerst had hij maar zoowat in ’t wild gezegd: over zijn dochters te spreken was geen onderwerp, waarin hij veel belang stelde. De geldkwestie was het voornaamste. En dat was ook niet te verwonderen; de arme oude man had zóó lang over geld gedacht, dat er in zijn bekrompen geest nauwelijks plaats voor iets anders overschoot—al het overige ging hem langs zijn koude kleeren. Hij deed een lang verhaal van zijn grieven, haalde een papier uit zijn zak te voorschijn, en wees Geoffrey met een bevenden vinger aan, dat zijn kerkelijk inkomen in de laatste zes maanden maar op veertig pond ’s jaars te staan kwam, van welke som zelfs een Welsch predikant niet leven kon. Geoffrey luisterde en symphathiseerde met hem; toen volgde er een poos stilzwijgen.

“En zoo sukkelen wij in Bryngelly voort, mijnheer Bingham,” begon Granger; “’t is armoe troef. Terwijl gij geld verdiend hebt en een groot man geworden zijt, zitten wij erger dan ooit op het droge. Als wij Beatrice’s salaris er niet bij hadden—en met haar salaris handelt zij heel mooi, dat moet ik zeggen; ik weet niet hoe de arme meid zich nog kan kleeden van wat zij er voor zichzelve van behoudt. Den heelen winter heeft zij zonder een warmen mantel geloopen—dat weet ik, omdat zij er kou door heeft gevat. Ja, zonder haar salaris zouden wij reeds lang in het werkhuis zitten, en daar komen wij toch nog in;” en hij streek met den rug van zijn dorre hand over zijn oogen.

Dat was te erg! Bij het denkbeeld dat Beatrice nauwelijks genoeg had om zich te kleeden—dat Beatrice ziek werd door gemis van een mantel, terwijl hij in weelde leefde, voelde Geoffrey zijn hart als dichtgenepen. In het eerste oogenblik kon hij niets zeggen.

“Ik ben hier gekomen—ik kom,” ging de oude man voort met een haperende stem, niet zoozeer van schaamte over zijn verzoek, als wel van vrees dat het hem geweigerd zou worden, “om u te vragen of ge mij wat geld zoudt kunnen leenen. Ik weet niet tot wien ik mij wenden moet, dat weet ik waarlijk niet, anders zou ik het niet gedaan hebben, mijnheer Bingham. Ik heb mijn laatste pond uitgegeven om hier te komen. Als ge mij honderd pond kunt leenen, zal ik u een briefje van mijn hand geven om het u bij kleine gedeelten terug te betalen; wij zouden er twintig pond ’s jaars van Beatrice’s salaris voor kunnen afnemen—”

“Spreek, als ’t u belieft, van zoo iets niet!” riep Geoffrey met afschuw uit. “Waar duivel is mijn checkboek? O ik weet het, ik heb het in Bolton Street gelaten. Hier, dit zal even goed zijn,” en hij schreef snel een wissel aan zijn order, dien hij endosseerde en Granger overhandigde. De oude man nam den wissel aan, hield hem dicht bij zijn oogen, en zag dat het bedrag £ 200 was.

“Maar dat is het dubbele van wat ik gevraagd heb,” zeide hij twijfelachtig. “Moet ik u £ 100 teruggeven?”

“Neen, neen,” antwoordde Geoffrey: “gij hebt zeker wel eenige schulden te betalen. Den Hemel zij dank, ik kan dat geld wel missen, en ik verdien meer dan ik noodig heb. Niet genoeg kleeren!—’t is verschrikkelijk om aan te denken!” liet hij er op volgen, meer bij zichzelven dan tot zijn toehoorder.

De oude man stond op, met de oogen vol tranen. “God zegene u!” zeide hij, “God zegene u! Ik weet niet hoe ik u danken moet—waarlijk niet,” en hij greep Geoffrey’s hand en drukte die tusschen de zijne.

“Spreek er niet verder over, mijnheer Granger; ’t is een zaak van wederzijdsche verplichting. Neen, neen, ik wil geen briefje van uw hand hebben. Als ik kwam te sterven, zou er tegen u gebruik van gemaakt kunnen worden. Ge kunt het mij terugbetalen wanneer het u schikt.”

“Gij zijt al te goed, mijnheer Bingham,” hernam de oude predikant. “Waar zou een ander te vinden zijn, die mij £ 200 zonder securiteit zou willen leenen?” (Ja juist, waar!) “A propos,” liet hij er op volgen, “dat vergat ik nog—ik ben zoo in de war. Wilt gij voor eenige dagen met mij naar Bryngelly meegaan? Het zal ons allen zoo aangenaam zijn u te zien. Doe het, mijnheer Bingham; gij ziet er uit, alsof gij wel eenige verandering noodig hadt.”

Geoffrey liet zijn hand zwaar op de lessenaar vallen. Nog geen half uur te voren had hij besloten niet naar Bryngelly te gaan. En nu—

Het visioen van Beatrice rees hem voor den geest. Beatrice, die den geheelen winter kou had geleden, en hem nooit een woord van hun nijpende armoede gezegd had! Het verlangen om haar te zien was in zijn hart gewekt, en al de redeneeringen van het verstand moesten er voor zwichten. De verzoeking overweldigde hem; hij streed er niet langer tegen.

“Gaarne,” zeide hij bedaard, zijn gebogen hoofd opheffende. “Ja, dat kan ik wel doen. In de eerste dag of wat wacht mij toch niets bizonders. Wanneer gaat gij terug?”

“Ik had er over gedacht met den laatsten trein te gaan, maar ik ben zoo vermoeid. Ik weet het waarlijk niet. Ik denk dat ik morgenochtend met den trein van negen uur zal gaan.”

“Dat schikt mij zeer goed,” zeide Geoffrey, “en wat zult ge nu van avond doen? Ge moest maar bij mij komen dineeren en den nacht doorbrengen. Niet gekleed, zegt gij? O, dat doet er niet toe; er komt wel gezelschap, maar dat zal daar niet op letten; een predikant is altijd gekleed. Ga maar mee, en dan zal ik u voor dien wissel contanten geven, want de bank is nu gesloten en morgen vóór negenen nog niet open.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings