← Table of contents
Beatrice

In Bryngelly terug.

C. Baarslag translation · Edition 2

Geoffrey en Granger kwamen omstreeks zes uur in Bolton Street aan. De gezelschapskamer was nog vol bezoekers. Lady Honoria’s aanhang van jongelieden kwam in die dagen trouw op. Het waren zeer onschadelijke jongelieden, en Geoffrey had niets bizonders tegen hen. Hij vond het alleen maar moeilijk al hun namen te onthouden. Toen Geoffrey en Granger de gezelschapskamer binnenkwamen, waren er niet minder dan vijf, benevens een paar dames, prachtig gekleed, en die beeldsprakig aan Honoria’s voeten zaten. Tot het algemeen genoegen droegen zij juist niet veel bij, want haar Ladyschap voerde meestal het woord alleen.

Geoffrey stelde Granger voor, dien Honoria zich eerst niet scheen te kunnen herinneren. Ook was zij er niet bizonder mee ingenomen toen zij vernam dat hij zou blijven dineeren en dien nacht logeeren. De jongelieden verdwenen bij Geoffrey’s komst als nevelen voor de opkomende zon. Hij groette hen beleefd genoeg, maar zij hadden niets met hem gemeen. Om de waarheid te zeggen, waren zij een weinig bang voor hem. Die man met zijn knap, donker gelaat, dat den stempel van verstand droeg, zijn forschgebouwde gestalte (naar hun maatstaf slecht gekleed) en zijn groote en toenemende vermaardheid, was iemand, met wien zij niet sympathiseerden, en dien zij gevoelden dat voor hen ook geen sympathie had. Wij spreken alsof er voor ons allen één hemel en één hel is, maar dat is onjuist. Een onoverkomelijke kloof gaapt tusschen de verschillende soorten van menschen. Wat heeft zulk een man als Geoffrey te maken met de onbeteekenende mannelijke en vrouwelijke vlinders van een Londensch salon? Er is slechts één band tusschen hen: zij zijn bewoners van dezelfde planeet.

Toen de saletjonkers en de dames verdwenen waren, bracht Geoffrey zijn gast naar zijn kamer. Beneden gekomen, vond hij Lady Honoria in zijn studeerkamer op hem wachten.

“Blijft dat individu werkelijk hier dineeren en logeeren?” vroeg zij.

“Zeker, Honoria, maar hij heeft geen zwarten rok bij zich,” antwoordde Geoffrey.

“Maar dat is al te erg van u,” zeide de dame, met wel eenigszins begrijpelijken wrevel. “Hoe kunt ge zoo iemand meebrengen? Een Welsch predikant, die niet de minste aanspraak op den naam van gentleman kan maken, te dineeren te vragen, als de Eerste Minister en een bisschop komen—en dat nog wel een predikant zonder zwarten rok! Hij zal een steen des aanstoots aan tafel zijn. Wat kwam hij bij u doen?”

“Hij kwam mij over zaken spreken; en wat de andere gasten betreft—als het hun niet bevalt met hem aan tafel te zitten, kunnen zij er over brommen als zij thuis komen. A propos, Honoria, ik ga morgen voor een paar dagen naar Wales. Ik moet verandering hebben.”

“Zoo! Ge gaat zeker die lieve Beatrice eens bezoeken? Ge moogt wel voorzichtig zijn, Geoffrey. Dat meisje zal u in ongelegenheid brengen, en als zij dat doet, zal men u met den vinger nawijzen. Ge hebt vijanden genoeg, dat kan ik u verzekeren. Ik ben niet jaloersch, dat ligt niet in mijn aard, maar ge zijt veel te intiem met dat meisje, en eenmaal zal het u berouwen.”

“Gekheid,” zeide Geoffrey toornig, maar niettemin gevoelde hij dat Lady Honoria ware woorden had gesproken, en in haar toon lag ook een zekere vaste overtuiging. Evenwel wilde hij nu niet meer terugtreden. Hij had er zijn hart op gezet Beatrice weder te zien.

“Moet ik begrijpen,” ging zijn vrouw voort, “dat ge er nog tegen hebt dat ik bij de Garsingtons ga logeeren? Mij dunkt, ’t is wel wat hard, als ik er geen beweging over maak dat gij uw dorpsschoone gaat zien, dat ge mij dan niet zoudt vergunnen mijn eigen broeder te bezoeken.”

Geoffrey gevoelde dat hij een accoord moest maken. Het was wel vernederend, maar in zijn verzotheid gaf hij toe.

“Ga, als ge wilt,” zeide hij kortaf, “maar als ge Effie meeneemt, let er dan op dat er behoorlijk zorg voor haar gedragen wordt;” en meteen liep hij de kamer uit.

Lady Honoria zag hem na, en zeide bij zichzelve, langzaam met het hoofd knikkend: “Ei, ei, nu weet ik hoe ik u behandelen moet. Ge hebt even goed uw zwakke punt als andere menschen, mijnheer Geoffrey, en dat wordt gespeld Beatrice. Maar ge moet niet te ver gaan. Ik ben niet jaloersch, maar ik wil geen schandaal hebben—voor geen vijftig Beatrices. Ik wil niet toelaten dat ge uw naam en positie te grabbelen gooit. ’t Is al te gek dat zoo’n man als hij van liefde kwijnt voor een dorpsmeisje! En dan zegt men nog dat hij zoo knap is! Hij heeft altijd veel van het gezelschap van dames gehouden; dat is een gebrek van hem, en nu heeft hij zijn vingers gebrand. Dat doen die knappe mannen altijd, vroeg of laat. De vrouwen vleien hen, daar komt het van. Natuurlijk zoekt het meisje hem in te pakken, en zij kon wel erger doen, maar zoo zeker als mijn naam Honoria Bingham is, ik zal er wel een stokje voor steken. Ba! En dan lacht men nog om de macht der vrouw, terwijl zoo’n man van aanzien als Geoffrey, verliefd wordt op een mooi gezichtje; ’t is een heel mooi gezichtje, dat moet ik zeggen. Ik geloof, als ik hem niet in den weg stond, dat hij met haar zou trouwen. Maar ik sta in den weg, en ben voornemens in den weg te blijven staan. Maar, komaan, ’t is tijd om mij voor het diner te kleeden. Ik hoop maar dat die oude vlegel van een predikant niets bespottelijks doet. Ik zal verontschuldigingen voor hem moeten maken.”

Tegen het bepaalde uur voor het diner—het was nu kwart over achten—verzamelden zich de gasten, allen beschaafde en meer of minder voorname personen. Granger kwam te voorschijn in zijn kale zwarte jas, maar, om hem wat op te knappen, met een paar gelakte schoenen van Geoffrey te hulp gekomen. Zooals wel te verwachten was, schenen de voorname personen niet verbaasd over zijn aanwezigheid te zijn, of bizonder notitie van zijn kleeding te nemen, want zulke lieden zijn nooit verbaasd. Een Zoeloe-opperhoofd in vollen krijgsdos zou slechts vriendelijke belangstelling in hun gemoed wekken. Integendeel vonden zij den ouden man een soort van curiositeit, en als zoodanig de kennismaking wel waard. De Eerste Minister verzocht zelfs, toen hij hoorde dat die vreemde heer een predikant uit Wales was, aan hem voorgesteld te worden, en knoopte dadelijk een gesprek met hem aan over tienden—een onderwerp, waarin Granger volkomen thuis was.

Toen men aan tafel ging, geleidde Granger de vrouw van den bisschop, een dikke dame, die eenigszins aanleg voor een beroerte had en met een uitmuntenden eetlust gezegend was. Aan zijn andere zijde zat de Eerste Minister, en tusschen die twee in, maakte hij het zeer goed, vooral na eenige glazen wijn gedronken te hebben. Zoowel de dikke vrouw van den bisschop als het hoofd van Harer Majesteits regeering verklaarden later dat dominé Granger een zeer onderhoudend man was. Den eerstgenoemde vertelde hij in alle bizonderheden hoe zijn dochter hun gastheer het leven had gered, en met den laatstgenoemde redeneerde hij over tienden, en gaf hem zijn meening te kennen welke wetgeving op dit punt noodzakelijk was. Eenigszins tot zijn verbazing, bleek het hem dat zijn zienswijze met aandacht, en zelfs met zekeren eerbied, werd aangehoord. In de hoofdzaak werden zij ook ondersteund door den bisschop, voor wien tienden insgelijks een punt van levendige belangstelling waren. Nooit te voren had Granger zulk een goed diner gehad of met zulk voornaam gezelschap omgegaan. Zijn leven lang vergat hij het niet.

Den volgenden ochtend vertrok Geoffrey met Granger, voordat Lady Honoria op was. In de bizonderheden van hun lange reis naar Wales behoeven wij niet te treden. Geoffrey had veel om over te denken, maar zijn vrees was verdwenen, zooals wel meer het geval is, wanneer het oogenblik, waar men tegen opziet, nadert, en door nieuwsgierige verwachting vervangen. Hij zag nu, of meende te zien, dat hij een berg van een molshoop had gemaakt. Waarschijnlijk had het niets te beteekenen. Beatrice hield ongetwijfeld wel van hem; mogelijk had zij zelfs een vlaag van teederheid voor hem gevoeld. Zoo iets komt, en zoo iets gaat. De tijd is een uitmuntend heelmeester voor zedelijke wonden, en weinig jonge dames dragen de kluisters van een onwenschelijke gehechtheid langer dan zeven maanden. Het deed hem bijna blozen dat hij zulk een mogelijkheid had kunnen vooronderstellen—een vooronderstelling, die niets anders was dan het uitvloeisel van zijn ijdelheid, en waar Beatrice, als zij het geweten had, met verontwaardiging om gelachen zou hebben.

Hij herinnerde zich hoe hij eens, toen hij nog zeer jong was, verliefd was geweest op zekere dame, die, naar haar woorden en daden te oordeelen, zijn liefde zeker wel beantwoordde. En hij herinnerde zich ook dat die dame, toen hij haar eenige maanden later ontmoette, hem met koele onverschilligheid, ja bijna smadelijk, bejegend had, en hij er zich over verbaasd had hoe iemand zich in een geheel ander licht kon vertoonen, totdat hij eindelijk, teleurgesteld en gekrenkt, en zich schamende dat hij zich zoo in haar vergist had, woedend was weggeloopen en haar nooit had wedergezien. Dat had hij, natuurlijk, aan vrouwelijke trouweloosheid van karakter toegeschreven; zij had hem voor den gek gehouden, dat was haar eenige bedoeling geweest. Nu zou zij lachen om zijn vernedering. Het kwam niet bij hem op, dat het eenvoudig nukkigheid had kunnen zijn, of dat zij niet werkelijk veranderd was, maar zich om de een of andere reden, die zij niet verkoos te laten blijken, door hem beleedigd achtte. ’t Is moeilijk de beweegredenen der vrouwen in de schaal van mannelijke ondervinding te wegen, en menig ander man, behalve Geoffrey, heeft zich genoodzaakt gezien die poging op te geven en zich te troosten met de gedachte dat het onverklaarbare dikwijls niet waard is begrepen te worden.

Ja, waarschijnlijk zou het nu weer hetzelfde geval zijn. En toch, en toch—was Beatrice van dat soort? Bezat zij niet te veel degelijkheid van karakter om zulke kuren te hebben? In den grond zijner ziel dacht hij dit wel, maar hij wilde het zichzelven niet bekennen. Het geval was eigenlijk dat hij, half onbewust, zijn geweten in slaap zocht te sussen. Hij wist dat hij, in zijn verlangen om haar te zien, iets gevaarlijks had ondernomen. Hij zou met haar over een afgrond loopen op een brug, die hen misschien zou kunnen houden of—misschien zou breken. Zoolang hij daar alleen op liep, zou het goed gaan, maar zou die brug hen beiden kunnen houden? Ach, zoo zwak is de menschelijke natuur, dit was de waarheid; maar dat wilde hij niet erkennen. Hij ging niet naar Beatrice omdat hij verliefd op haar was, maar alleen om het genoegen van haar gezelschap te smaken, maakte hij zichzelven wijs. In vriendschap kon toch geen kwaad steken.

’t Is niet moeilijk de stem van het geweten aldus tot zwijgen te brengen, vooral wanneer de bewuste zaak, ten ergste genomen, veeleer zondigen tegen plaatselijk gebruik dan tegen de natuurlijke wet is. In vele landen der wereld—ja, in bijna alle landen, in verschillende tijdperken hunner geschiedenis—zou het niets onbehoorlijks geweest zijn dat Geoffrey en Beatrice elkaar beminden, en het menschelijk hart is in sterke verzoeking zoo geneigd over de slagboomen van maatschappelijke instellingen heen te springen. Maar, zooals wij weten, alles is wel hoorbaar maar niet oorbaar. Een daad te bedrijven of zelfs maar te vergoelijken, omdat er op het beginsel, dat haar als slecht stempelt, is af te dingen, is louter sophisme, waardoor wij ons het recht zouden toekennen de meeste wetten van elke soort te trotseeren. De wetten zijn verschillend naar den aard van het bestaand geslacht, maar elk geslacht moet zijn eigen wet eerbiedigen, of het zou verwarring geven. Een daad moet beoordeeld worden naar zijn vruchten; zelfs kan zij op zichzelve onschuldig zijn, en toch is de bedrijver er van in zekeren zin schuldig, als zij kwade vruchten voortbrengt.

Liefdesbetrekking tusschen een vrouw en een man, die reeds gehuwd is, berokkent allen, die er in betrokken zijn, meestal verdriet en onheil, inzonderheid de vrouw, wier toekomst er misschien onherstelbaar door bedorven is. ’t Is vruchteloos op het voorbeeld van de aartsvaders, van vorstelijke families en vele fatsoenlijke Turken te wijzen; het baat niet, aan te voeren dat die liefde een zuivere, innige is, waarvoor een man of een vrouw zou willen leven of sterven; of eenzaamheid, gemis van sympathie en dat het bestaand huwelijk maar een huwelijk in naam is, als verschoonende omstandigheden te willen laten gelden. Veel schandelijks en onzedelijks wordt, èn bij mannen èn bij vrouwen, door de vingers gezien—maar dit niet.

Zulke bedoelingen had Geoffrey echter geenszins. De meeste menschen maken geen plannen van dien aard. Als zij vallen, is het wanneer de stem van het geweten verloren gaat in den dwarrelwind der hartstochten, en de waarschuwingen van het verstand overschreeuwd worden door de drogredenen van het hart. Hun grootste misslag is dat de meesten zich in toestanden laten brengen, die voor zulke heillooze invloeden gunstig zijn. ’t Is niet veilig in een kruitmagazijn cigarettes te rooken. Als Geoffrey gedaan had wat hij had behooren te doen, zou hij niet naar Bryngelly terug zijn gegaan, en dan zou er geen geschiedenis te verhalen zijn, of, ten minste, niets bizonders.

Eindelijk kwam Granger met zijn gast te Bryngelly aan; er was niemand om hen op te wachten, want niemand wist dat zij kwamen, dus liepen zij naar de pastorie. Het wekte een zonderling gevoel in Geoffrey tusschen die welbekende pijnboomen door, die kleine kerk voorbij te gaan en dat lage, langwerpige huis te zien. Het kwam hem zoo verwonderlijk voor dat alles nog juist zoo was als het geweest was, dat er niet de minste verandering was te bespeuren terwijl hijzelf zooveel gezien had. Daar was Beatrice’s woning: waar was Beatrice?

Als in een droom, trad hij het huis binnen. Een oogenblik later was hij in de huiskamer, waar hij zoo menig aangenaam uurtje had doorgebracht, en Elisabeth begroette hem. Hij gaf haar de hand, en terwijl hij dat deed, merkte hij op dat zij volstrekt niet veranderd was. Haar strookleurig haar was nog op dezelfde wijze naar achteren gestreken; om haar mond speelde nog dezelfde scherpe glimlach, haar lichtgrijze oogen hadden nog dezelfde koele uitdrukking, zij droeg zelfs nog hetzelfde bruine kleed. Maar het scheen haar veel genoegen te doen hem te zien, en dat was ook zoo, want het spel stond goed voor Elisabeth. Haar vader gaf haar een haastigen kus, en liep met veel drift de kamer uit om zijn geleend geld weg te sluiten, zoodat hij hen te samen alleen liet.

Zonderling dat Geoffrey, die anders zoo welbespraakt was, ditmaal geen woorden wist te vinden om een gesprek aan te knoopen. Waar was Beatrice? In de school kon zij niet zijn; het was vacantie. Zou zij hier niet meer wonen?

Hij wist niets anders te zeggen dan op een afgetrokken toon de aanmerking te maken dat alles te Bryngelly nog bij het oude gebleven scheen te zijn.

“Gij zoekt Beatrice,” zeide Elisabeth, meer op zijn gedachten dan op zijn woorden antwoordende. “Zij is gaan wandelen, maar ik geloof dat zij wel spoedig zal terugkomen. Neem mij niet kwalijk dat ik u alleen laat, maar ik moet uw kamer in orde brengen.”

Geoffrey draalde nog een weinig; toen stak hij een pijp op, en wandelde langs het strand, in de heimelijke hoop van Beatrice te ontmoeten. Hij ontmoette Beatrice echter niet, maar den ouden Eduard, die hem terstond herkende.

“Wel, mijnheer,” zeide hij, “het doet me pleizier u hier terug te zien, vooral als ik bedenk hoe ik u voor het eerst zag, zoo goed als dood, met Miss Beatrice, die u bij de haren hield. Het scheelde dien avond al heel weinig of ge waart er om koud geweest. En zoo zijt ge dan gespaard gebleven, om lid van het Parlement te worden, heb ik gehoord, en daar kunt ge veel goeds doen—het zal u heel wat tijd kosten, mijnheer. Kijk, ik zou wel op uw gezondheid willen drinken.”

Geoffrey stak de hand in zijn zak en gaf den ouden man een sovereign. Dat kon nu wel lijden.

“Gaat Miss Beatrice nog weleens uit roeien?” vroeg hij, terwijl Eduard verbaasd zijn dank mompelde.

“Zoo nu en dan, mijnheer—dank u vriendelijk; het gebeurt me ook niet alle dagen dat ik een sovereign krijg—maar ik wou liever dat zij het niet deed. Ik zou dat wrakke oude ding wel aan spaanders willen slaan—’t is gevaarlijk. Eenmaal gebeurt er weer een ongeluk mee, en dan loopt het niet zoo goed af. Maar dat is nu zoo haar manier van plezier hebben. Zij is een rare, die Miss Beatrice, en zij wordt hoe langer hoe raarder, nu zij in de pastorie zoo krap zitten, zonder tienden en zoo ’t een en ander. Ik houd het er voor,” ging hij op een gewichtig fluisterenden toon voort, “dat de Squire er wat mee te maken heeft. Hij vrijt naar haar; hij is zoo tuk op haar als een haai op een haring, en waarom zij geen ja zegt en met hem trouwt, begrijp ik niet.”

“Misschien houdt zij niet van hem,” zeide Geoffrey koel.

“Dat kan wel wezen, de meisjes hebben zoo haar grillen, maar ’t is toch jammer. Hij is wel geen schrandere bol, dat is waar; maar hij is een braaf man—geen meisje kan een braver man verlangen—hij heeft altijd stil en bedaard geleefd, ziet ge, mijnheer, en wat meer is, hij heeft geld, en in de pastorie is schraalhans keukenmeester. De meisjes moeten soms haar malle grillen maar uit het hoofd zetten. Die gaan er wel uit, als zij een paar kinderen hebben. Ik ben zeventig jaar, en ik weet hoe ze zijn. Gij moest eens een woordje met haar spreken, over vijf jaar zal ze er u dank voor weten. Daar zoudt gij haar een goeden dienst mee doen, mijnheer, en—neem me niet kwalijk dat ik het zeg, voor u zou het ook niet kwaad zijn, want dat zou het praatje tot een leugen maken dat gij, een getrouwd man, verliefd op haar zijt; wat juist zoo’n wonder niet zou wezen, want zij is wel een meisje om gek op te worden—ik ben zelf al gek op haar geweest van haar zevende jaar af, toen de oude mevrouw nog leefde, die acht jaar geleden gestorven is.”

Beatrice was een van de weinige onderwerpen, die den ouden Eduard in vuur konden brengen, en Geoffrey onttrok zich aan zijn verlegen makende welsprekendheid. Hij wenschte hem haastig goeden avond, en ging naar de pastorie terug, waar hij, op het hek leunende, het daglicht in het westen zag verdwijnen.

Eensklaps kwam Beatrice, met een ruikertje wilde rozen in haar gordel, uit de schemering te voorschijn, en stond van aangezicht tot aangezicht voor hem.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings