VII. Een verraderlijk dèsa-genoot.
Reading edition
Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te Kaligaweh teruggekeerd was.
Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa losgebroken.
Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer heulsap gezien.
Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was, maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog treffender maakte.
Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was; maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon” (opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest anders worden!
Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet verwelkomden.
De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de „toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder.
Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken, en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met hare welluidende tonen.
„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers.
En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die onder de jolige menigte heerschte.
Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen ongebruikelijk, moest gelden.
Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste muziektonen begroet.
„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond.
Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen:
De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen. Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen, te gemoet.
Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning geslaakt, te eindigen.
Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren, terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte wegstierven.
De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen, die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot.
Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten hanteeren.
De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd.
Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig gebaar naar het geopende speelhol.
„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s” (kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij.
Dat was olie in het vuur geworpen.
„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der omstanders.
„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen duivelen-lach.
Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen vergeten!
„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?”
„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten klinken!”
En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden handholten drie rijksdaalders liet rinkelen.
Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten verstrikt was.
Maar.… was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.… daar maakten èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee, de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen!
Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen, slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd te zijn.
Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen.
Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te groot was.
Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden.
Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien uitslag vernam:
„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet houden!”