XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer.
Reading edition
Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen.
Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter den rug had.
Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis?
En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder, die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken, en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het einddoel der lange reis meer nabij gekomen.
Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was, zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v. hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!” hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt was te verdwijnen, begroette.
Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel ongedeerd laten liggen.
Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken gezichteinder eindelijk begon te tinten.
Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne schuilhoeken te jagen.
En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw, die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was.
Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het binnenste van het woud deed terugtrekken.
O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond.
Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te verheerlijken.
Wat kwam die toch langzaam!
Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen, terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem door.
Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot alles met haar verblindend licht.
Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben, en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten.
Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij ontmoeten zou, Karang Anjer was.
Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot.
Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend, ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving.
„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het Javaansche meisje met tranen in hare stem.
„Ja, Dalima, dat heeft zij.”
„Maar, waar is zij dan, njaa?”
„Zij is vertrokken.”
„Waarheen, njaa?”
„Dat weet ik niet.”
Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit onverzettelijke antwoord.
Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook, dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen, dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar.…
„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan.
„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw Steenvlak.
„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje handenwringend.
„Neen, zeg ik u, boe!”
„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?”
Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit het veld slaan.
„Ja.… dat weet ik natuurlijk.”
„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het oog.
„Ik mag, ik kan niet, boe!”
„Waarom niet, njaa?”
„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven.…”
Mevrouw Steenvlak aarzelde.
„Wat njaaa?”
„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.”
„Maar aan mij wel, njaaa!”
„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.”
„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch? Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje.
„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen, nietwaar?”
Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had, zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude hebben.
„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?”
Baboe Dalima knikte ontkennend.
„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht, nietwaar.”
En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje vier rijksdaalders toe.
Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan, knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was, prevelde zij:
„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!”
Maar,… zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit zoo niet blijven zou.
„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?”
„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå, geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan, dat zij een poetri ware.”
„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima.
„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.”
„Maar, wat vroeg zij u, ma?”
„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.”
„Niets anders, ma? Herinner u goed.”
„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik antwoordde twee palen.”
„En verder?”
„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is? Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij hier niet bekend.”
„Hebt gij niets anders gehoord, ma?”
„Neen.”
„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?”
„Zeker. Zou ik niet?”
„En?”
„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de nonna veel in de zon geloopen.”
„En de haren, ma?”
„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.”
„Maar welke kleur, ma?”
„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O, voorzeker is zij eene nonna.”
„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij niets meer, ma?”
„Niets,” antwoordde de waronghoudster.
Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg naar Sikaja.
Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.… Daags daarna verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen. Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was. Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen.
„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak. „Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De tijd zal het uitwijzen.… Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare eenzaamheid geweest zijn.”