Note 5 — XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer.
Reading edition
Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en nog menige „katoepat”5 aan haar pakje bond, om onderweg te verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel. Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste gardoe, wat haar niet geweigerd werd.