Note 1 — XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer.
Reading edition
Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen, zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte, dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar … Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe Lårå Kidoel1, hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s”2, langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s” (bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want, wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit, dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had, en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd. Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen. Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes) en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s” (guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien, hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken.