Note 3 — XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer.
Reading edition
Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw) noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten; want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de nood hoog zou kunnen stijgen … Maar, al die overwegingen verdwenen, nu het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar … de toestand, waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen? Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd heeft.3 Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben, of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.… welnu, zij kende de liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen.