Note 4 — XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer.
Reading edition
Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh opgezocht, en haar iets van „obat mentellang”4 in het oor gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging, welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan? Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken, zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der beschaving over!