Note 7 — VII. Een verraderlijk dèsa-genoot.
Reading edition
Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen. Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind. Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden, „door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.”
Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov. 1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door haar zelve geschied is? ↑