← Table of contents
Baboe Dalima

Note 13 — VII. Een verraderlijk dèsa-genoot.

Reading edition

Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke „kalongs”13 al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk voorzienen gaard zouden neervallen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings