Note 15 — VII. Een verraderlijk dèsa-genoot.
Reading edition
Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen. Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor, hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang”15 met hare zachte zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister, hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng” (fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp) duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,”16 de soelieng en de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten.