← Table of contents
Baboe Dalima

Note 9 — VII. Een verraderlijk dèsa-genoot.

Reading edition

Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd9—keerde de bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani (snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der „potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen; want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen) hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo feestvollen dag kenmerkte.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings