II. TELESIPPE.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende oogen drong door tot in het diepst zijner ziel.
Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’ gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende knoppen schieten.
Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft.
„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees of ik het zal kunnen doorzetten.…”
„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.”
„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos overgekomen?”
„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon, benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.”
„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.”
„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met het altijd overijlde en soms ondankbare volk?”
„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het onmetelijk heelal.”
„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal uitloopen.”
Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden.
Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst, aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen.
Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot zijn vriend:
„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te beschouwen.”
Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.
Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.
Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf, strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang, die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene voorzaal, vormde.
In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen.
Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles, was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen minder ongunstig uitkomen.
Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen, maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken.
Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had, en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en raadsman van haar echtgenoot op.
Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken beducht.”
Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener binnen, die aanstonds door den langen gang naderde.
„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan als een noodlottig moeten beschouwen.”
Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.
Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool.
„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder hevig knetteren.”
Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek, een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te vinden.
De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde, zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.
Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht zullen vergezellen.”
„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe.
„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet ongevallig.”
Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken achteloos golfden en vertrok.
„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne holen krassen!”
Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam.
Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden de bovenlip.
Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den drempel van het huis de straat op.
Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken. Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op.
Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt. Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten, als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van het belachelijke op het wezen.
Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande, dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige, eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog onveranderd hart.
Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.
Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken, wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.
Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken!
Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm tot haar:
„Elpinice, gij zijt oud geworden!”
Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van Pericles, den Olympiër, meldt.
En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden gesproken!
Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging weg.
Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag, verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed toegehapt—toegehapt in den rotten appel!”
„Arme Pericles!”
Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den nieuwen tijd nog meer.
Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of „mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.”
Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd, deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig, belachelijk en eerwaardig.
Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend, den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen.
„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan gewoonlijk. Hoe komt dat?”
„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij hebben toch van daag een wonder in huis gehad.”
„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de opzichter hem in de stad.”
„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe.
„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon.
„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.”
„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich zelfs spottende aanmerkingen.”
Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was.
Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek voort te zetten.
Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die schreiend binnen kwam stuiven.
De beide andere knapen volgden hem op den voet.
„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax, die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.”
„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te troosten.
Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen Alcibiades.
„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”—
„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben. Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen. „Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen afranselde?” snauwde zij hem toe.
„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde trekken.”
Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.
„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge hond”—
„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades beleedigd uit.
„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon.
„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.
Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg.
Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing.
„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield, „gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!”
„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude spoor lichten!”