VII DE DISCUS-WORP.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen vervaardigd, te bewonderen.
Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval, dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen. Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen, kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen, herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.
„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek verstaat?”
„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling.
De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras. „Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen hemel en zonneschijn?”
„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u, evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif van den Erymanthus.”
„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de Athener.
En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld, dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.
Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene, zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt te onderhouden.
Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man, wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn makker.
Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan.
Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou toonen.
Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen, wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.
Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den Ilissus-oever.
Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’ werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was, dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen, geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven gevoelden, dat te verwezenlijken.
En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen. Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit, dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:
„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.”
Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint Pericles.
Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven, Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder twee.
De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen.
„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons uit de verlegenheid te redden.”
„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen vraagt?”
Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was, waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf, zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen. Socrates stond op en zeide:
„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken. Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden, waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?”
„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald, voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde zijn?”
„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de andere blind …”
„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—”
„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras lachende.
„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te hebben?”
„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden, omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.”
Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.
Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.
„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.”
„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de liefde.”
„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?” vroeg Pericles.
„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht …”
Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong hij ook was, reeds begonnen te spreken.
Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen wegbrengen.
Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde, nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen en knapen wedijverden.
Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen.
Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend zwijgen.
In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te zetten, als volgt:
„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon zijne stem in mij heeft doen hooren?”
„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia.
„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld, geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren. Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.”
Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was.
„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende.
„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn volkomen vertrouwen verdient.”
„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.”
„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”—
Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van verbaasdheid en medelijden.
Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe gedachte, aan een nieuwen tijd? …
Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”.
Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn daemon.
Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven, tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem richtte.—
Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”—
En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de toekomst.
Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal, dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.——
Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde …
Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker drinkt, als zijne ure is gekomen …
Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de steenhouwer uit Phidias’ werkplaats …
Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.
Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen.
Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.
„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te zijn?”
„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de Chariten te offeren.”
„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.”
Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal uit haar oog wilde opvangen.
Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden.
„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg …
Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en verborg in zijn mantel zijne naakte leden.
De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene schuilplaats zocht.
Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen …
De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou verbergen en beschermen.
„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?” vroeg Socrates den knaap.
„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet Alcibiades,” antwoordde hij.
Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van Socrates te verbergen.
Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten van het Lyceüm begonnen.
Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de worstelplaats der knapen.
Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten, was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch harmonische vormen te bewonderen.
Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.
De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks afwachten.
De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen bevorderden.
Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde, leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen strijd.
De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij den eindpaal.
Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen in de hoogte, in de breedte en in de diepte.
De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers overtrof.
Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen de paedotriben aan de knapen.
Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.
De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het zand.
Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht, den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden, eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog zijne schijf verre die der anderen voorbij.
Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen evenver van die der anderen.
Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren, dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van Alcibiades.
Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders. Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter aarde.
Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen, herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.
Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen zijner achtervolgers verdwenen.
In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend zich in zijn mantel verscholen.
„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie gij door geboorte verwant zijt?”
„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier. „Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”—
„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?”
„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit. „De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.”
„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken, die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen, om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.”
Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn eigen wezen innig verbonden was.
Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke, bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen mensch gevoeld had.
Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles en den gymnasiarch.
Opnieuw begon de knaap te sidderen.
„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.
Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht op Socrates toetraden, zeide deze:
De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap, welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar huis te brengen.
Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van Clinias zich vertoonden.
Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen.
Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den „waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam zoeken …