AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
DEEL I, PAGINA 24.
Men spreke uit: Ictinus, zoo ook Hipponicus, Cratinus, daarentegen Prómachos, Pápyrus, Pháleron, Agorácritus.
DEEL I, PAGINA 149.
De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: Pasicòmpsus, Execéstides, Astrámpsychus, Mnesárchus, waardoor het eigenaardige van die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt. De lezer bederve dat niet door eene verkeerde uitspraak.
DEEL I, PAGINA 320.
De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn geheel verdicht, alleen overeenkomstig met de behoefte van den roman, om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen komen.
DEEL II, PAGINA 349 EN 350.
Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album „Egeria” (Eger 1875), alsmede de epische dichtbundel „Orient und Occident” van K. B. v. Hansgirg bevatten een gedicht „Phidias” getiteld, waarin, evenals hier, Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg geeft zelf in het laatste boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld. Mijn verhaal daarentegen van Phidias’ dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze geheele roman in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener „Neuen freien Presse” aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die het werk daar in handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert in het handschrift van „Aspasia” veranderd is geworden, toch juist dit tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in druk verschijnt, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden.

