← Table of contents
Aspasia

I. DE SCHAT VAN DELOS1.

W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation

Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.

De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare dansen uitvoeren.

Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen. Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger, bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast Agamemnon, den gebieder der volken.

De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.

Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip, dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip in snelle vaart doen naderen.

Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was, daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.

Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare gebouwen, als met een beschuttenden arm.

Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker wendend:

„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het eindelijk der voltooiing nabij.”

„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste, terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.

Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de haven.

Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf overwaaiend, ritselde.

Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen. Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als personen in het treurspel.

Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte, heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.

Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het Atheensche staatsschip „Amphitrite.”

Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.

„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen! Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.”

De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere, vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.

Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos, de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst genomen als cijnsen der steden en eilanden.

Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit deze Aeölusharp zullen waaien?

„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht de Triërarch.

„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.

„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde van Pericles.

En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen, waren alle deze gedachten vereenigd.…

Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.

Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit vijandige oogen toe.

Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige, juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar den grond.

„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne gewoonte.”

Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.

Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat: dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen wilde vragen.

„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg, of woont zij ook bij andere menschen?”

„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”

„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.

„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde. Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”

Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:

„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus op den burg te plaatsen?”

„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken op de Acropolis der Atheners!”

„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus weder op!”

Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in Syracuse leefde.

„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven mij heftig aan te vallen.”

„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.

„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren, de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal, wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.

„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend, voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe gehelmde, lansslingerende Promachos?”

„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles, bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand, die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”

Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”

„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende. „Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen der schoone Chrysilla.…”

„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen toon:

„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten minste gelenigd is geworden.”

De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.

Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”

„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.

Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.

Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet, bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.

Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren, daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias, het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die daar vóór bijeen stonden.

De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige verscheidenheid der beelden hen getroffen had.

Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet in den geest der Grieken gerijpt.

Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.

Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren, was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet, of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het vorige daarnaast thans minder voldeed.

Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling, van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.

Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen, welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.

„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”

„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien? Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit een beeld heeft vermocht?”

Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den invloed dier gedachte te bestudeeren.

„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben gezien.”

„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld; het is de Milesische.”

„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.

„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”

„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen? Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar als gast in zijn huis gehuisvest.”

„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.

„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.

„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den mond eener vrouw vernomen heb.”

„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.

„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen zwerm gevaren.”

„Hoe dat?” vorschte Pericles.

„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”

„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”

„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”

„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”

Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.

„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te leggen.”

Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.

Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:

„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had; „maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken, dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende, de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”

Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de Milesische.

„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst dezer vrouw heeft hare grenzen.… Vraagt het maar eens aan dien droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”

Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren, keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.

„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het, dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes eene schoone vrouw gebeiteld heeft.

„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen, omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening daaromtrent te zeggen.”

„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den mensch goddelijk?”

„Ik geloof,” hernam Pericles, „dat wij allen niet ongezind zouden zijn dezen raad te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden krijgen, om de Milesische tot beslechting dezer zaak hier te doen komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen, of wil Alcamenes ons het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen wij tot den droomer ons wenden?”

„Ja, tot den droomer!” riep Alcamenes levendig. „Ik wed, dat deze, als hij wil, ons de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als eene slang uit hare schuilplaats door tooverzangen en bezweringen, hierheen zal lokken!”

„Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,” zeide Pericles, „zoo is hij wel de rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan helpen. Maar wat kunnen we den man beloven, opdat hij medelijden met ons moge hebben en heenga, om de Milesische tot ons te lokken?”

„Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,” hernam de droomer, „iemand te bewegen hier binnen te treden, die reeds als ’t ware wachtende, achter de deur staat.”

„Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?” vroeg Pericles.

„Toen ik straks,” vervolgde de droomer, „van mijne wandeling naar den Piraeus terugkeerde, en, door de achterdeur dit huis binnen willende treden, vlak langs de heining van den tuin van Hipponicus kwam, zag ik de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende struiken staan, terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij zeide, dat hij bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste leerlingen van Phidias, die heden, naar de uitspraak van kunstrechters, als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn treden. „Gij wilt derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?” zei ik, „zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!”—„Goed,” hervatte de Milesische, „men moet ook medelijden hebben met den overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.”—„Eene roos,” hernam ik, „is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar den overwonnene niet benijdt?”—„Zoo moge de overwinnaar kiezen,” riep zij; „daar, neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.”—„Zoudt gij ze hem niet liever zelve overhandigen?” vroeg ik. „Meent ge dat waarlijk,” hernam zij. „Voorzeker,” zei ik. „Nu welaan dan,” hervatte zij; „zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar mij toe aan de tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich verwijderd hebben.”—„Weet derhalve,” zoo besloot de droomer zijn verhaal, „dat de Milesische met den lauwertak en de roos achter de tuinheining van Hipponicus staat.”

„Goed,” zeide Pericles, „ga en haal ze hier heen.”

„Hoe kan ik dat?” hernam de andere. „Hoe zal ik haar overhalen, dat zij hier kome in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?”

„Mij om ’t even, hoe gij het beproeft,” zeide Phidias; „dat behoort tot uw geheime koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen. Ga ze maar halen, omdat Pericles het zoozeer verlangt.”

Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een purperen band, die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met een metalen ingesneden plaat versierd was, hield de weelderige lokken bijeen.

Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer binnentrad en eene zoo groote schare van aanzienlijke mannen zag en onder hen zelfs den machtigen Pericles, aarzelde zij een weinig. Doch Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand en sprak:

„Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te zien.”

„Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo gevierde vrouw te zien,” zeide Pericles, „verzwijgt gij toch ten onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk door de verlegenheid, waarin de beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus ons plaatste, op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het geoorloofd is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche vrouw voor te stellen. Bij de Atheners, vroom en aan de Goden nauw verknocht, als zij zijn, begint het geweten zijne stem te doen hooren, of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen afgunstig maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of hunne beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat is?”

„Inderdaad,” viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, „alles bezitten wij; alleen nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij arbeiden kunnen!—Waarachtig, mij en ons allen jeuken reeds de vingers, en de beitel in onze handen wordt gloeiend van ongeduld.”

Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het gesprek de geheele werkplaats van Phidias.

„Troost u, Alcamenes,” zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord leggende; „Athene is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs is de gouden schat van Delos over de zee tot u overgezwommen.”

De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op Pericles. Deze had, terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende, bruine, zachte lokken onafgebroken gevestigd, en zeide nu onhoorbaar tot zich zelven: „Bij de Goden, het blonde haar dezer vrouw zelf is een schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte goud zou dit ongemunte niet te duur betaald zijn.…”

Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst zinken, terwijl aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon hij:

„Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende kunst, dat de schat van Delos niet te vergeefs naar Attica’s strand is overgekomen. En, wanneer ik slechts naar de inspraak van mijn hart, niet naar de eischen van het algemeen belang had te vragen, waarlijk, ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats van Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem, aan wien de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de Pers, met zijne drommen het land overheerschend, tot ons was gekomen en het gemeenschappelijk gevaar alle Hellenen vereenigd had, toen hij echter verslagen afgetrokken en de groote les, die de strijd ons had gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder de eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, ’t geen wij, door den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs vreedzamen weg voort te zetten. Op mijn raad noodigde het Atheensche volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers naar Athene te zenden, om over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen. Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande tempels en heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de Hellenen, van toen af aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op alle Grieksche kusten kunnen verkeeren; er zouden borgen worden gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede de gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien. Twintig mannen kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt hadden in de groote slagen tegen de Perzen. En welke antwoorden brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende, onverholen afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit te strooien. Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring, dat het niet op de eendracht der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst zijner mededingers niet sluimerde. Was mijn welgemeend plan gelukt, dan had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud aan de kunsten des vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere macht, naar steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en steeds zooals nu onaantastbaar uitgerust gereed te staan. Deze eerste noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te houden met onze middelen, hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt nu zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van onzen voorrang in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de gouden gaven van het geluk nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen offeren.”

Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch, naar hij meende op te merken, niet zonder verborgen weerzin, aanhoorden, ging hij voort: „overdenkt de zaak, of geeft ze den droomer hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen ook in politieke zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.”

„Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,” begon de droomer op zijne omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven zwijgen, „zoo heeft de groote staatsman het als eene vaststaande zaak vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang onder de Grieksche staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd kan worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij ook de tot nu toe algemeen heerschende meening, dat de voorrang van een staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht moet steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij zich van alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere middelen mogelijk schijnt te achten; want, als hij die niet mogelijk achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht hebben daarnaar onderzoek te doen?”

„Kunt gij ons,” zeide Pericles, „zulke andere middelen aanwijzen, zoo spreek!”

„Men moet,” hernam de droomer, „om deze middelen te weten, zulken lieden vragen, die bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang af te winnen, en de menschen, zonder gebruik te maken van geweld, het schoonst en het best kunnen onderwerpen en beheerschen. Men moest dan juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.”

De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op zijn gewonen trant zich tot haar wendende voort:

„Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door krijgsmacht en schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door iets anders in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone en goede en geestelijke voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot diegenen, die er zich op verstaan, anderen den voorrang af te winnen en de menschen, als van zelven, het schoonst en het best te beheerschen. Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?”

„Wat ons vrouwen betreft,” hernam de Milesische glimlachende, „zoo kan ik slechts zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone gestalte aankomt, en op de kunst zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk te dansen of betooverend de cither te bespelen en wat men verder verleidelijke kunsten moge noemen.”

„Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?” zeide Pericles. „Maar hoe? Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle eilandbewoners en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te onderwerpen en beheerschen door schitterend gewaad en schoone gestalte, door bekoorlijke dansen en citherspel?”

„Ja, zeker,” hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de mannen. De bekoorlijke vrouw echter ging voort:

„Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar men het bekoorlijkst weet te dansen, het schoonst de cither te bespelen, het best te bouwen, te beitelen en te schilderen en waar de voortreffelijkste dichters gevonden worden!”

„Gij schertst!” riepen eenige der mannen.

„Volstrekt niet!” hernam de schoone glimlachende.

„Wanneer men het nader beschouwd,” zeide Hippodamus, „dan schijnt de schoone Milesische met hare stoute bewering, die ons in het eerste oogenblik deed glimlachen, nog zoo geheel geen ongelijk te hebben. Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de zegevierende macht in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de bekoorlijkheid van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem, bewondering, liefde, onberekenbaren invloed verwerven, even goed als eene schoone vrouw?”

„Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,” hernam Pericles, „de gemoederen weekelijk en verwijfd maakte!”

„Week en verwijfd?” riep de Milesische; „gij Atheners zijt het maar al te weinig. Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de sombere en ruwe wijze der Spartanen zouden willen inrichten? Het is onbillijk te zeggen, dat het schoone den mensch bederft. Het schoone maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend, vol gloed en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig volk, naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen? Laat de sombere, ruwe Spartanen zich gehaat maken; Athene zal, naar balsem riekende, en met bloemen bekranst, als eene bruid, zich de harten veroveren!”

„Gij meent dus,” zeide Pericles, „dat nu reeds de tijd is gekomen, waarop wij het zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone en aan alle kunsten des vredes te wijden?”

„Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,” vroeg de vreemde, „wanneer het naar mijne meening de tijd is, het schoone te scheppen?”

„Spreek het uit!” hernam de staatsman.

„De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,” zeide de Milesische, „is dan gekomen, naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!—Nu hebt gij uw Phidias en de andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten talmen, tot zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!”

Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden.

Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene menschenziel doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik en zulk een woord te gelijk getroffen geworden.

De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend woord van de betooverendste lippen gekomen. De macht van het woord was Pericles zich bewust; de overweldigende kracht van den blik drong tot in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem meer dan hij wist in het hart.

Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de woorden der vreemde:

„De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen aanwezig zijn, welke in staat zijn het te scheppen.—Ik moet bekennen,” ging hij voort, „dit woord is een der treffendste en gelukkigste, die er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo duidelijk, alsof men zeide: „de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar is, die in staat is de liefde te ontvlammen.” Een beteren verdediger kon datgene, wat ons allen ter harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd. Inmiddels zou het u niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten gesluimerd had. Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet geheel en al overwonnen geef? Wilt gij in der minne met mij een vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons Athene strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt gelijk, dat wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat te doen, waarvoor de tijd nu is gekomen, omdat, zooals gij ons herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze heengegaan zijn, nimmer zullen terugkeeren!—Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer mijn bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes zeide, de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen uit den weg te helpen ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig leger, uit moogt trekken, om het vernielde weder te herstellen en uwe schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader te brengen.

„Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De havenstad is nieuw gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang was het mijn voornemen eene ruime worstelschool voor de Atheensche jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten der Muzen, de toon- en dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende wijze het werk der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus begonnen is geworden.”

Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op, uit de rijen der beeldhouwers en overige aanwezige mannen.

„Daar huizen de uilen;” riep de vrijzinnige Callicrates. „Oud en somber zijn daar de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn door de sombere atmosfeer vermolmd.”

„Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,” zeide Pericles.

„Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude tempels huizen,” hernam Pericles, „en we beraadslagen met Phidias: laat hij ons vertellen, wat hij wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de Acropolis vestigt!”

Phidias stond in gedachten verzonken.

Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn schouder legde: „houd op met mijmeren—schud de grootsche gedachten, welke gij in uw hoofd koestert, wakker, want haar tijd is gekomen!”

Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen:

„Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de burghoogte en hare rotsterrassen met hem heb afgemeten—hoe wij cijferden en rekenden en geheime plannen smeedden, niet wetende, wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.”

„En welke plannen waren dat?” vroegen de mannen. Phidias deelde mede, wat in stilte reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol geestdrift luisterden zij naar hem.

„En zal niet,” vroeg een der mannen, „een zoodanig werk, evenals reeds eens is geschied, verijdeld worden door de afgunst der priesters van Erechtheüs op den burg?”

„Wij zullen over die afgunst zegevieren!” riep Ephialtes uit.

„De schat van Delos,” zeide Pericles, „zal nedergelegd worden aan de voeten der Godin—in het achterste gedeelte van den tempel zal hij geborgen worden: en zoo zal op de schitterende hoogte van de burgrots dezelfde tempel de onderpanden van Athene’s macht en grootheid vereenigen!”

Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles toe. Hij echter ging voort, alsof hij zich plotseling bezon, met een blik op den lauwertak en de roos in de handen van de schoone vrouw:

„Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus. Aan wien van deze twee Aphrodite’s geeft wel de schoone en schrandere vreemdelinge de voorkeur?”

Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend ter zijde op een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend, toen hij dit woord hoorde.

„Eene Nemesis?” herhaalde Pericles, „inderdaad, die beteekenis is treffend. Is Nemesis niet de strenge Godin der maat, wier overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in dit werk van Agoracritus schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van ’t geheele wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna dreigend, bijna schrik aanjagend. Voor ’t overige, zijn Cypris, de Godin van de liefelijke maat, en Nemesis, de wreekster van de overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins verwant? Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de omheining der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene Aphrodite gebeiteld heeft, dan kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen eene plaats geven. Het werk van Agoracritus echter, ’t welk eene heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming, naar ik meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de kunstenaar haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen toevoegen.”

„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik. „Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.”

„Wien derhalve, schoone vreemdelinge,” zeide Pericles, „zult gij nu den lauwertak en wien de roos overreiken?”

„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te dingen!”

Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht.

„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij zelven.”

Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?”

„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft, heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de innerlijke voortreffelijkheid.”

„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.”

„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer.

„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.”

„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende gelegenheid uitstellen.”

De zonderling haalde de schouders op en ging heen.

„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel tevreden gesteld,” merkte Pericles op.

„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht tot verzoening geneigd.”

„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles.

„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben; hoe heet zij?” vervolgde Pericles.

„Aspasia!” zeide Alcamenes.

„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op de lippen als een kus.”

Notes in this chapter

Note 1 · Zie Noot 3 op pag. 24. ↑Note 2 · Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats beteekent, van daar de markt. ↑Note 3 · Faunus eig. een oude mythische koning van Latium, later als landgod geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod Pan verwisseld, evenNote 4 · De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482 v. C. reeds de grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen enNote 5 · Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt. ↑Note 6 · Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas Athene, dochter van Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der stad) geNote 7 · Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van de zijde zijner moeder (Argariste) totdat der Alcmaeöniden. ↑Note 8 · De burg van Athenen. ↑Note 9 · Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de jonge mannen (Epheben), droegen. ↑Note 10 · De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona), overeenkomende met de Romeinsche Diana. ↑Note 11 · Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot opteekening en bekendmaking van wetten; beroemd is de poikile (de bonte) metNote 12 · Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de plaats, waar de kooplieden hunne waar ten toon stelden. ↑Note 13 · Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee. ↑Note 14 · Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende. Phormio komt voor als de naam van een berucht tafelschuimer. ↑Note 15 · Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen bevatte, plus minus ƒ 2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts ƒ 2497. HNote 16 · Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken boven elkander. ↑Note 17 · De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden, bij den heuvel Lycabettus, tegenover de Acropolis en de Areopagus. ↑Note 18 · Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die alleen of met andere burgers eene triëre voor den staatsdienst moest uitrusNote 19 · Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland, doch dikwijls wordt dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke ons HoNote 20 · Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst. Kampvechtster. ↑Note 21 · De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden Gorgonen genoemd, vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders geNote 22 · Zie noot 2 op pag. 19. ↑Note 23 · De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen volksfeest, verdeeld in de groote en kleine Panathenaeën; de groote werden om dNote 24 · De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000 Atheners en 1000 Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene tienNote 25 · Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit de zee opgestegen; haar naam wordt dan ook verklaard door „de uit het schuNote 26 · Een belangrijk eiland in de Aegaeïsche zee, behoorende tot de groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer. Tot de Cycladen behNote 27 · Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters dier dagen. De beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het PharthNote 28 · De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid bijzetten: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. De Romeinen noemden ze Gratiae, GratiëNote 29 · Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en Troas ten zuiden van den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen) gelegen. AanNote 30 · Pygmalion, een „koning” van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld van een jonkvrouw, ’t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene hartstocht opNote 31 · Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats, evenwel geene zuilengaanderij om een tempel; dit heet in de antieke bouwkunst: Note 32 · De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido. ↑Note 33 · De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de muziek. Vroeger was haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete dochtersNote 34 · Hesiodus was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in Boeötië geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als „Werken en Dagen” Note 35 · Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters, ongeveer in 521 te Cynocephalae geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij schreef hNote 36 · Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks 500 v. C. te Clazomenae geboren. Hij had grondige studie van de natuurwetenNote 37 · Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste tijden uit Aegypte en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit vervaardigdeNote 38 · De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en vrouwen gedragen, waarover men een wijden mantel, chlaena of pharos genaamd, wiNote 39 · Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden later ook de Romeinen wat hen zelven betrof. ↑Note 40 · Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun zetel hadden opgeslagen op de toppen van den Olympus, een berg in Thessalië. Note 41 · Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over Athene meester in 560 v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen Hippias, HipparNote 42 · Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten. Het wordt hier gebezigd in den Griekschen zin en geeft enkel een alleenheerNote 43 · Erechtheüs (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe nauw in verband staat met den oorsprong van Athene en de beschaving van AtNote 44 · Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat schild heette Palladium. In een latere noot wordt dit nader toegelicht. ↑Note 45 · Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de wraak. Zij heet ook wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij ontleeNote 46 · Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene ongeveer 470 v. C. geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste strNote 47 · Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die Note 48 · Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen, stoffigen weg, die naar den Piraeus4 voerde.Note 49 · „Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker muur af naar Phaleron5. Eene groote uitgestrektheid van het strand der Note 50 · De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de Alcmaeönide7 Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel echter waNote 51 · Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus9 van het hoofd en liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër echterNote 52 · Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt. Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt, bevrNote 53 · Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het Note 54 · De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen. Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio14, menige Simo, menige Phormio Note 55 · Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de diepe Note 56 · De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van ketNote 57 · Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar eenNote 58 · „Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas19 kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles omgaven.Note 59 · Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te voorscNote 60 · „Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene desNote 61 · „Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze onderwerpNote 62 · Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de bij heNote 63 · Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde iNote 64 · „Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het standbeeld van Pygmalion30; het schijnt bezield te zijn en juist op het puntNote 65 · „Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nogNote 66 · „Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een verNote 67 · „Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat iNote 68 · „Wat Homerus en Hesiodus34 betreft, en de andere dichters,” zeide de droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle mogelNote 69 · De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijkNote 70 · „De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was, als Note 71 · „Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,” vervolgde Pericles, „die Pisistratus41 begonnen is voor den Olympischen Zeus tNote 72 · „Neen!” riep levendig de volksvriend Ephialtes. „Dat zou zijn den roem van den vijand der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran42 voltooNote 73 · „Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,” zeide Pericles, „en wanneer gij Ephialtes gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der AtheNote 74 · „Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,” hernam Callicrates; „gij weet, nooit mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten sNote 75 · „Is dezen hier ook eene Aphrodite?” vroeg de Milesische, op het beeld van Agoracritus het oog vestigende; „Ik heb haar voor eene strengere GNote 76 · „Socrates46, de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings