Note 37 — I. DE SCHAT VAN DELOS1.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke weelderigheid van vormen op eene wonderlijke wijze vereenigd waren. Pericles herkende aanstonds in haar de schoone, die hij vluchtig had gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar de haven wilde begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk. Haar gekruld, zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was van eene onvergelijkelijke schoonheid. Het betooverendste echter aan haar was een vochtige glans, een zachte onweêrstaanbare gloed in de heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts even haar aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus37, sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels. Bovenaan was het voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de schouders met fraaie gespen aan het achtergedeelte bevestigd. Daarover viel van de schouders eene soort van oppergewaad in schoone plooien af tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen liet de edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den jonkvrouwelijken, teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het was de gewone chiton38 der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg, maar rijk en veelkleurig, zooals men dien zag bij de Ionische en Lydische vrouwen der Aziatische kusten. De kleur van het gewaad was glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel rijkelijk versierd.