Note 39 — I. DE SCHAT VAN DELOS1.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was, als de glans van haar oog, „wordt overal geroemd en de lichaamsgestalte der Grieken door de barbaren39 zelven, als het meest op de Goden gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich niet op den Athener vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en verheven als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden voor hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte blijft van hen, welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land is, zoo is de tempel, zooals de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens, bewijzen dan ook niet de Olympiërs40 zelf, dat het hun lust en wil is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben zij hun niet boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den Attischen grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot bouwkunde en beeldende kunst gegeven?”