← Table of contents
Aspasia

Note 36 — II. TELESIPPE.

W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation

„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades36, den zoon van Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed. Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in een hoek en de paedagoog37 viel bij hen in slaap zoo weinig moeite veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of „Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus. En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de Mormo38 komt” of daar is de „Empusa”39 of de „Acco”40 of „de wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium rond, alsof hij in de renbaan te Olympia41 was. Weldra had hij genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium, kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings