Note 35 — II. TELESIPPE.
W. F. P. (Willem Frederik Paulus) Enklaar translation
„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus35 kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt, hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en raadslieden van Pericles!”