← Table of contents
Willem de Zwijger, Prins van Oranje

De uitgeweken Prins. 1567.

D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation

Het was juist bijtijds, dat de Prins uit het land was verdwenen, want nauwelijks in Duitschland gekomen, deelde de geheimschrijver van Filips II, die tevens Oranje’s spion was, hem mede, dat hij een brief van den koning aan Alva gezien had, waarin de hertog het bevel ontving, den Prins aanstonds gevangen te nemen en zijn rechterlijk verhoor niet langer dan 24 uur te doen duren! Gelukkig dan ook, dat de Oranjevorst op geen eiland verzeild was, toen hij in Dillenburg aankwam. Met de grootste welwillendheid en gastvrijheid werd hij aanstonds opgenomen.

Jan van Nassau, die in leeftijd op hem volgde, was het hoofd der familie geworden; hij was gehuwd met Elisabeth, landgravin van Lautenberg en had een aantal kinderen. Wettig had Oranje geenerlei aanspraak meer op eenige inkomsten van het graafschap, want toen hij erfgenaam werd van Réné, had de Prins van zijn rechten afstand gedaan, zoodat hij alleen een zeker pandrecht op het oude kasteel van Nassau en mogelijk ook op Dillenburg had behouden, ter wille van de titels en waardigheden.

Het was echter een aartsvaderlijke huishouding, die onder het dak van het kasteel te Dillenburg bijeen was. Behalve Jan van Nassau, die er het hoofd was, zooals we zeiden, bevond de weduwe van Willem den Oude, Juliana van Stolberg, zich er ook met haar ongehuwde dochters. Ook Lodewijk, Adolf en Hendrik hadden allen, behalve hun wettig aandeel in het huis, volkomen vrijheid en beweging daarin. De gehuwde zusters met hunne echtgenooten Schwarzberg en Nieuwenaar en de anderen, werden in hunne aanspraken als bloedverwanten door hen ten volle erkend.

Bij dezen uitgebreiden familiekring kwam nu de Prins van Oranje met ongeveer een 150 van zijn partij; ook zijn echtgenoote Anna, die geen gemakkelijk lid van een huishouden was, zelfs niet als hoofd en eerste persoon en die zeker geen aangename bezoekster was onder de tegenwoordige lastige omstandigheden.

Tijdens haar verblijf in de Nederlanden had zij zonder omwegen alle menschen en dingen smadelijk bejegend. Met verachting sprak zij van den Prins, “die maar altijd andere menschen liet voorgaan en nooit zijn eigen rechten deed gelden.” Toen het plan doorging, het gehate land te verlaten, kreeg de zaak in haar oogen een geheel andere gedaante en Anna verzette er zich heftig tegen. Zij weigerde niet haar echtgenoot te volgen; misschien was er wel een bijzondere oorzaak, die haar bevreesd maakte, toen zij op 22 April Breda verliet. Nauwelijks was ze echter in Dillenburg gekomen, of haar nieuwe omgeving was minder overeenkomstig met haar wenschen dan haar oude. Het huis was overvol. Jans echtgenoote behandelde haar niet met eerbied en ze begon verlangend naar Nederlandsche zeden en gewoonten terug te zien. Daarenboven waren niet alleen al de eigendommen van Oranje-Nassau in de Nederlanden achtergelaten, maar ook haar eigene en ze hield niet op, haar echtgenoot te plagen met vergunning te vragen om voor hare bezittingen te zorgen, voordat ze werden verbeurd verklaard. Ook werd zij, op Duitschen grond teruggekeerd, weder het verschil indachtig, dat er tusschen haar rang en dien der Nassau’s bestond en zij maakte zich boos over de benarde omstandigheden, waartoe zij, de dochter van den grooten keurvorst, was teruggebracht.

Op den 11en Mei schreef Oranje aan Willem van Hessen, sedert den dood van den ouden landgraaf ([+] 31 Maart 1567) het hoofd van zijn huis, om hem zijn komst in Duitschland te melden. Op den 21en Mei zond de Prins aan den keurvorst van Saksen een uitvoerig schrijven, waarin hij hem de beweegredenen uiteenzette, die hem naar Duitschland hadden doen komen, en waarin Oranje tegelijkertijd om raad vroeg.

Het kan moeilijk op aandrang van den Prins geweest zijn, dat de Duitsche vorsten een deputatie naar Margareta zonden. Hij moet zich bewust zijn geweest van de volstrekte onbeduidendheid van eenige verdere onderhandeling; hij moet alleen in het plan berust hebben, al kon hij het ook niet goedkeuren. Toch deden de vorsten het onder den indruk van de gebeurtenissen in de Nederlanden en van de aanstaande komst van Alva, die den vrede van Europa bedreigde. De vorsten, van wie dit petitionnement aan Margareta uitging, waren de keurvorsten van Saksen en Brandenburg, de markgraaf van Baden, de hertog van Wurtemberg en de landgraaf van Hessen. Het doel van hun vertoog was alleen tusschen beiden te treden ten gunste van de Lutheranen; vandaar dat een Calvinist als de keurvorst van de Paltz er geen deel aan nam.

De petitionarissen vonden Margareta echter in geen enkel opzicht geneigd, iets toe te geven. De ketters, die het meeste vat op zich gaven, waren lang niet meer zoo te vreezen, als in den aanvang van het jaar; Oranje was genoodzaakt geweest, het land te verlaten; Egmond was een onderworpene, trouwe vazal geworden, die zijn best deed te gelooven in de goede trouw des konings. Valenciennes was ten onder gebracht en er bestond geen enkele reden, om tegenover iemand bijzondere gunst te toonen.

Het gezantschap van de Duitsche vorsten werd vrijwel afgescheept; Filips zou wel rechtvaardig handelen enz. en het ging dan ook naar Duitschland terug, even wijs als het was gekomen. Van die slotsom gaf Willem van Hessen aan Oranje bericht en op den 13en Juni dankte deze den landgraaf voor zijn rapport, daarbij voegende, dat ze op God en op den tijd moesten vertrouwen, om geholpen te worden. De vorsten schijnen er toen nog over gedacht te hebben een deputatie te zenden naar Catharina de Medicis, die goede Christin(!) om te zien, wat er van haar zijde voor de onderdrukte zaak van den godsdienst in de Nederlanden te wachten zou zijn; zelfs maakten ze reeds instructies gereed, maar de zaak schijnt in de wieg gesmoord te zijn.

Van denzelfden 13en Juni dagteekent een andere brief van den Prins aan Willem van Hessen, die vooral daarom belangrijk is, omdat hij ons inlichting geeft omtrent het standpunt van godsdienstige ontwikkeling, waartoe Oranje destijds was gekomen. Die brief is van den volgenden inhoud: “Wij zouden van ganscher harte begeeren tot sterking en bevestiging van ons gemoed en geweten, den tijd, dien wij hier buiten onze Nederlandsche graafschappen en heerlijkheden doorbrengen, te besteden met het lezen en hooren uitleggen der heilige goddelijke schrift. Want zonder er op te roemen, wij gevoelen een bijzondere affectie voor Christelijken ijver, maar hebben daartoe een eerbiedwaardigen, geleerden, zachtmoedigen en wereldkundigen man noodig, dien wij gaarne in onze nabijheid hadden en nu vernemen we na veelzijdig onderzoek en navraag, dat er in Tresza in Hessen een zekere Nicolaas Zell woont, die enz.”

Wij herhalen: die brief is merkwaardig voor den godsdienstigen ontwikkelingsgang van den Prins. Tot nu toe zagen we niet veel van het eigenlijk godsdienstig leven bij hem. Was dit een tijdlang geheel in slaap gebleven, reeds vroeger zagen we, dat het toch niet geheel in hem was gestorven. Van groote belangstelling in het godsdienstig leven vinden we geen spoor, aan algemeen religieus gevoel ontbrak het hem niet. Maar noch zijn aanleg, noch de omstandigheden waren van dien aard, dat hij zich veel moeite had getroost, zich rekenschap te vragen van de eigenlijke beteekenis der geloofsverschillen. Het meest had hij nog naar het Lutheranisme overgeheld, doch niet veel meer dan politiek was die neiging geweest. De Duitsche hulp, die hij verwachtte was alleen mogelijk, indien hij althans het Lutheranisme niet veroordeelde. Van werkelijke belangstelling daarin was geen sprake. Hier echter in Dillenburg begon in de eenzaamheid die belangstelling te ontwaken. Hij wilde voorgelicht worden door een bekwaam, rechtschapen man, die zijne godsdienstige begrippen kon verhelderen.

Willem van Hessen antwoordde, dat de verlangde predikant Zell een zeer geacht man was, dat daarom de gemeente, die hij diende, hem zeer ongaarne miste, maar dat de Prins hem gedurende een half jaar tot voorlichter zijner godsdienstige denkbeelden kon krijgen. Vijf dagen later zond de Landgraaf een werk van Melanchthon getiteld Loci theologici, een zuiver theologisch handboek, naar Dillenburg; de afzender hoopte, dat het den Prins geheel zou overtuigen van de waarheid der Luthersche dogmata.

Eene zitting van den Bloedraad.
Eene zitting van den Bloedraad.

Eene zitting van den Bloedraad.

Uit een en ander blijkt, dat de Prins met open armen in Duitschland werd ontvangen, dat zijn verwanten en vrienden hem tegemoet kwamen met groote liefde en innige belangstelling. Dat hij ook buiten Duitschland groote vrienden had, die oprecht deelden in zijn lot, bewijst wel de uitnoodiging van den koning van Denemarken, Frederik II, tot hem gericht, om in zijn staten een toevluchtsoord te zoeken. De brief, die uitnoodiging behelzende, was op den 9en Juli 1567 geschreven en werd op den 22en van dezelfde maand door den Prins beantwoord. De alleronderdanigste toon van den Prins in zijn antwoord aan dien koning, toen hij hem de reden van zijn verblijf in Duitschland meldde en hem voorloopig dankte voor die uitnoodiging, die toon tegenover een vorst, die slechts een tweeden of derden rang innam onder de vorsten in Europa, bewijst wel, hoe Oranje op dat oogenblik nog geheel vervuld was van de rechten der monarchie en verklaart dus ook van ter zijde zijn nog jarenlang volgehouden eerbiediging van den wettigen koning van Spanje.

De vlucht van den Prins uit de Nederlanden was niets te vroeg geweest. Binnen een maand, nadat hij Breda had verlaten, scheepte Alva zich met een uitgelezen leger te Carthagena in, met de opdracht van Filips om alle onbeschaamde eischen van “dat beest, dat men het volk noemt” eens voor al te weerstaan.

Al de geruchten van het voorgaand jaar omtrent Filips’ duistere plannen werden meer dan bewaarheid. De koning had zelfs zijn gehoorzame Nederlandsche regentes niet in zijn vertrouwen genomen en haar in den waan gelaten, alsof hij voornemens was zelf te komen. Vandaar dat Margareta in Zeeland voorbereidende maatregelen nam voor Filips’ ontvangst. Hoe weinig had zij kunnen denken, dat ze zou worden ontslagen, juist toen ze, geholpen door haar stadhouders, de oproerige bewegingen in verschillende deelen van het land had gedempt en persoonlijk zegevierend den Roomschen eeredienst in het ontheiligde Antwerpen had hersteld.

Toen Alva’s komst haar was aangekondigd, was Margareta nog in onkunde gelaten omtrent het meedoogenloos karakter van zijn instructies; maar het naakte feit van de nadering van een leger vervulde haar met ontzetting. Den geest der Vlamingen kennende, vreesde ze de aankomst van vreemde troepen zeer en zond koeriers naar Alva in Savoye, met het verzoek, alleen de Nederlanden binnen te komen en zijn leger op nadere orders te laten wachten.

Natuurlijk oefende deze raad geen invloed uit op den bevelhebber, die niet aan zijn bekwaamheid twijfelde, om het volk tot gehoorzaamheid aan Filips terug te brengen. “Ik heb wel een volk van ijzer getemd, zou ik dan nu geen volk van boter kunnen temmen?” zoo sprak hij op verachtelijken toon en hij antwoordde de regentes, dat hij niets te doen had, dan de bevelen van den koning op te volgen. Daarom alleen en volstrekt geen acht gevende op wenschen van anderen, schreed de hertog van Alva voort op zijn bepaalden weg. Wel duurde het eenige maanden, voordat hij de Nederlanden bereikte met zijn leger van 12000 man, in drie afdeelingen verdeeld.

Op den weg naar Brussel, trok de aanstaande nieuwe Landvoogd door Leuven, waar Filips Willem, Graaf van Buren, de oudste zoon van Oranje, zijne studiën voortzette. Henry de Wiltberg, voogd van den jongen graaf, schreef aan den Prins, dat zijn zoon den hertog in een huis bij zijn woning, het College van Savoye, zag voorbijgaan en dat hij naar buiten ging, om zijn hand te kussen en dat ze hem toen zagen met Barlaimont en Aremberg.

De graaf van Buren werd goed ontvangen en door den hertog met liefkoozingen overladen. De jongen werd geheel en al door den ouden krijgsheld betooverd; hij toonde hem groote hartelijkheid en noodigde hem tot een nadere samenkomst op den volgenden dag. Toen de jonge graaf afscheid van hem nam, omhelsde de hertog hem en overlaadde hem met vriendelijkheid. Wiltberg voegt er bij, dat hij had gehoord, dat de groot-prior van St. Jan, een bastaardzoon van Alva, een paard noodig had en hij stelt aan den Prins voor, om door middel van Filips Willem aan dien prior een paard ten geschenke te doen geven.

Verschillende gewaarwordingen maakten zich van de Landvoogdes meester, daar ze niet wist, hoe ze den man zou ontmoeten, door wiens komst zij zich in het diepst harer ziel beleedigd achtte. Drie dagen na zijn aankomst stond ze hem toe, haar zijn hulde te komen aanbieden. Ze ontving hem in haar slaapkamer, waar ze hem staande, in gezelschap van Barlaimont, Aerschot en Egmond ontving. Niemand van hen deed een stap voorwaarts, om den hertog te gemoet te treden. De samenkomst duurde een uur, maar het geheele gezelschap bleef trotsch en stijf tegenover elkander staan. De hertog schreef aan Filips, dat hij de hertogin als een koningin behandeld had, maar waarschijnlijk lag er achter zijn bestudeerde Castiliaansche beleefdheid een kwalijk verborgene onbeschaamdheid, die Margareta moeilijk kon breken.

Na de aankomst van den hertog van Alva in Brabant, werd de Prinses van Oranje steeds meer verlangend naar Breda terug te gaan om voor haar bezittingen te zorgen, die ze meende, dat door de Spanjaarden zouden genomen worden. Na tevergeefs haar echtgenoot daarom verzocht te hebben, schreef ze aan haar oom, den Keurvorst van Saksen, dat het te Dillenburg niet om uit te houden was en dat ze van de plaats weg moest. Ze drong daarop zoo sterk aan, dat Oranje, twijfelende aan zijn eigen argumenten, een bijzonder gezant, een zekeren Volbrecht Riedsel naar Dresden zond, om met Augustus te raadplegen, wat men het best zou doen.

De instructies van dien gezant zijn in het Dresdensch archief bewaard en waren de volgende: Anna had voortdurend gevraagd, dat het haar zou worden toegestaan uit de Nederlanden van daan te gaan “omdat zij niet langer haar verblijf kon houden bij zulk een goddeloos en trouweloos volk.” Nu wenschte ze juist met aandrang naar de Nederlanden terug, alhoewel ze daarmede niet alleen zich zelf maar ook het leven van haar nog ongeboren kind in de waagschaal stellen zou. Hij verbood haar terugkeer om haar aanstaande bevalling, teneinde het vermoeden te voorkomen, alsof hij of zijn broeder haar slecht behandelden en ook ter wille van den godsdienst, daar zij òf op de haastige reis haar eigen geloof moest belijden òf gevaar zou loopen, bevreesd te worden gemaakt, met het gevolg dat zij zich een aanhangster verklaarde van het Roomsche geloof.

“Inderdaad hebben we voor eenigen tijd bij uw nicht, niet zonder diepen angst, een onzekerheid in godsdienstige zaken opgemerkt; ja zij geeft weinig acht op godsdienstig leven en onderwijs. Zelfs praat zij nu en dan op schandelijke manier over Gods woord. Ook moet ik in aanmerking nemen, dat uw pupil van de ware kennis van Christus zou kunnen worden afgetrokken tot paapsche gruwelen of andere dwalingen, die pijnlijk voor u en van dien aard zouden zijn, dat ze mijn leven zeer ellendig zouden maken en een slecht voorbeeld voor velen zouden wezen.”

Behalve de genoemde redenen, voegde de Prins er bij, dat hij geen twee huishoudens kon bekostigen. In antwoord op dien brief, verzekerde Augustus aan den Prins, dat hij het volkomen met hem eens was en raadde zijn nicht aan, geduld te oefenen.

Op den 14en September werd Maurits geboren; de doop van dat kind had volgens Luthersche gebruiken plaats. Deze Maurits was dus de eerste van Oranje’s kinderen, die met de Protestantsche zaak van huis uit een was. Hoe dit ook op zich zelf voor de Nassausche familie een stof van vreugde was, wat de Prins zelf van de moeder van dat kind in de volgende jaren te lijden gehad heeft, is met geen pen te beschrijven. Wij komen daarop nader in bijzonderheden terug, doch vestigen allereerst, om de tegenstelling des te dieper te beseffen, op Oranje zelf het oog, gelijk hij uit Dillenburg den strijd ging aanvaarden voor de wet, het volk en den koning.

In Augustus 1567 werd de Prins door zijn vriend, den burgemeester van Antwerpen, van Straalen, die zijn rechterhand was geweest in de onrustige dagen, welke de Scheldestad had beleefd, omtrent Alva’s komst in het land ingelicht. Oranje, wiens eerste zorg reeds in 1559 was geweest, vreemd krijgsvolk te weren, zal wel niet door die tijding verrast zijn, maar toch moet ze hem diep hebben getroffen.

Dit was echter maar een voorbode van vreeselijker tijdingen. Weinig dagen na de verraderlijke gevangenneming van Egmond en Hoorne, gevolgd door die van den daareven vermelden Antonie van Straalen, werd ook de tijding daarvan in Duitschland verspreid en bracht geheel Europa in rep en roer. Het bracht grooten angst in de gemoederen. De Duitsche echtgenoote van Egmond, Sabina van Beieren, bewoog in haar vaderland hemel en aarde, om op de vrijspraak van haar man aan te dringen en ook de Prins zelf dacht niet alleen aan zijn eigen veiligheid, maar was ook in Duitschland in het belang zijner oude vrienden werkzaam. Hij beval zelfs den hertog van Brunswijk, die met Alva in briefwisseling was en van wien wij vroeger zagen, dat hij de Spaansche zaak was toegedaan, levendig de belangen der beide graven aan. Zoo verliep het najaar in angstige spanning en uit den langen brief, dien de Prins in December als antwoord op een schrijven van den keurvorst van Saksen uit Dillenburg verzond, blijkt, hoe allengs bij Oranje het zekere bewustzijn ontwaakte, dat geweld met geweld moest worden beantwoord. De keurvorst had hem, in een omslachtigen brief, nog den raad gegeven, een algeheele breuk met Filips te vermijden. Maar de Prins was overtuigd van het tegendeel. De koning van Spanje was zoover gegaan, dat gewapende tegenstand niet alleen te rechtvaardigen, maar noodzakelijk was en dat niet slechts in het belang der Nederlanden, maar evenzeer in het belang van Duitschland. Hij vroeg hem dus om hulp.

De Prins had dan ook in diezelfde maand December een aangrijpend schrijven ontvangen van C. V. Coornhert die, evenals zijn broeders Dirk en Frans, een ijverig aanhanger was van de zaak der Nederlandsche vrijheid en der hervorming. Deze Coornhert behoorde tot de tallooze vluchtelingen, die naar Emden ontkomen waren. Omtrent den toestand van den handel der Nederlanden gaf hij den Prins een diep mistroostige beschrijving; hij zou zelfs wenschen, dat de handel van de Nederlanden naar Emden verplaatst werd.

“Ick en weete Uwer Excell. verders niet nieus te scriven, dan dat alhier groote benautheijt is onder de Coopluyden en allen gevluchten; konne wel peysen, dat het op andere plaetsen daer gevluchten zijn, van gelijcken is, zonderling den Coopman die bekants geheel disperaet is en dagelix onder den anderen raetslaegen hoe zij ’t aenstellen zullen en waer zij met den anderen trecken en woonen willen, daer zij haeren conscientie en handel vrij zullen moogen leven” enz. Die beschrijving was niet overdreven. “Zoodra de vreemde roofvogels, die Alva’s bloedraad uitmaakten, of de hebzuchtige trawanten der landvoogdes, met vervolging en verbeurdverklaring dreigden, konden de arme kooplieden hunne prijsgemaakte schepen, hun geplunderde have in den vreemde, te Emden, te Wezel of elders, betreuren.”

Deze en soortgelijke hartverscheurende berichten over de bron der Nederlandsche welvaart, over den jammerlijken toestand, waartoe de koopmansstand was gedaald, hebben zeker den Prins zeer getroffen. Hij wist beter dan iemand anders, hoeveel die kooplieden vooral in de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden hadden gedaan, om door hun verbond en hun geldelijken steun uitkomst te erlangen; toch was hij zelf niet in staat geweest, de vrijwillig opgebrachte sommen tot het doel te gebruiken, waartoe ze waren gegeven. In den vreemde levende heeft de Prins zich eerst met hart en ziel aangesloten aan de Nederlandsche burgerij, gelijk zijn latere briefwisseling o. a. met Jacob van Wezenbeke bewijst.

In het eind van 1567 en ’68 werd een drukke correspondentie gewisseld tusschen verschillende Duitsche vorsten over de belangen van Oranje. En de eerste maand van het laatst genoemde jaar zou niet voorbijgaan, zonder dat de vijand zelf door een openbare handeling den Prins noodzaakte, als publiek persoon uit zijn schuilhoek te voorschijn te komen. Op 28 Januari 1568 namelijk verscheen er op het plein voor het paleis in Brussel, een soldaat, door zes trompetters geëscorteerd, die den Prins opriep voor den Raad van Beroerten binnen den tijd van 3 maal 14 dagen, van den datum der proclamatie af, te verschijnen. De Prins werd daarin genoemd de voornaamste bewerker, beschermer en begunstiger van de rebellen, terwijl zijn broeder en vrienden, Lodewijk, Hoogstraten en de anderen werden opgeroepen om te verschijnen als samenzweerders, bevorderaars van opstand en verwoesters van den publieken vrede. Indien ze deze beleefde uitnoodiging weigerden aan te nemen dan zouden ze veroordeeld worden tot voortdurende verbanning en verbeurdverklaring van al hunne bezittingen. Oranje werd beschuldigd, de oorzaak te zijn van elke beweging der verbondenen; toen hij naar Antwerpen was gegaan, blijkbaar om den opstand te dempen had hij eenvoudig ketterij en verdeeldheid aangemoedigd en den dissenters veroorloofd, hun eigen wettelooze begeerten te volgen.

Hoe deze tijding op het kasteel te Dillenburg ontvangen werd, blijkt niet uit eenig bijzonder document. Doch het spreekt vanzelf, dat de bedoelde gedagvaarde edellieden niet aanstonds hun paarden lieten zadelen om naar Brabant terug te rijden. In plaats daarvan maakte Oranje een document, tot antwoord aan de oproeping van Alva. Lang echter voordat dit gereed was, werd er een andere aanval op hem gedaan.

Op den 13en Februari zond Alva den Heer de Chassy, vergezeld van vier officieren en twaalf boogschutters naar Leuven. Deze reikte, den jongen graaf van Buren in tegenwoordigheid van zijn voogd, een brief over, die hem in naam van zijn koninklijken pleegvader Filips, naar Spanje noodigde. De Chassy verzekerde den knaap, dat het zijn plicht was hem te escorteeren, niet hem te arresteeren en dat de koning wenschte hem tot zijn dienst op te voeden. Hij kon door twee bedienden, twee pages, een kok en een boekhouder vergezeld worden.

De jonge Filips Willem liep gemakkelijk in den valstrik, nam elk aanbod met genoegen aan, ging zonder aarzelen met zijn roovers mede naar Antwerpen, bracht zijn verlof aldaar met graaf Lodron vroolijk door, nam deel aan alle feesten te zijner eer gegeven, en scheepte zich te Vlissingen in naar het land, waar hij bestemd was bijna dertig jaar te blijven. De Universiteit van Leuven protesteerde wel tegen deze verkrachting harer privileges, maar dat vertoog werd door Vargas, het bekende Spaansche lid van den Bloedraad, met dezelfde formule beantwoord, waarmee hij alle klachten van gemeenten en gewesten, die zich op hun privileges beriepen, beantwoordde, met deze formule namelijk: “Non curamos vestros privilegios”. (“Wij bekommeren ons niet om Uw privileges.”) En alzoo werd Oranje’s hoop, zijn goederen te behouden door een vertegenwoordiger in de Nederlanden te laten, in duigen geworpen. Het was zonder twijfel een onbezonnen daad van den gewoonlijk zoo voorzichtigen Prins, zijn oudsten zoon aldaar binnen het bereik van Alva te laten en dat nog wel na de openbaarmaking van zijn dagvaarding voor een hof, welker vonnissen allen denzelfden geest verrieden.

De Duitsche Keizer, de Keurvorst van Saksen en de Landgraaf van Hessen gaven allen Oranje den raad, een antwoord openbaar te maken op de beschuldigingen van zijn vijand, die zoo duidelijk waren uitgesproken. Dienovereenkomstig verscheen er op den 6en April eene “Justificatie,” die in ’t Duitsch, Latijn, Nederlandsch, Engelsch, Spaansch en Fransch vertaald, over geheel Europa verspreid werd.

Daarin wordt een eerbiedige toon tegenover Filips aangeslagen; de geheele blaam voor de troebelen wordt op zijne dienaars geworpen, die handelden zonder Filips’ kennis of goedkeuring. Hij werpt de beschuldiging van eerzucht verre van zich en legt er den nadruk op, dat hij voor Filips’ vertrek eerst geweigerd had, lid van den Raad van State te worden, doch alleen die post had aangenomen, omdat de koning er op aandrong. Gelegenheden te over hadden zich voor een eerzuchtig man voorgedaan, om zich zelf te bevoordeelen, maar hij had er nooit gebruik van gemaakt. Zeker, Granvelle’s invloed had hij bestreden, omdat hij overtuigd was, dat die ten nadeele werkte van Filips’ gezag.

Margareta had inderdaad erkend, dat zij in drie maanden tijds na het vertrek van den kardinaal meer van de publieke zaken begrepen had, dan zij gedurende al de vroegere jaren van haar bestuur had gedaan. Later, toen zij Brussel wilde verlaten en naar Mons gaan, was het alleen op aandringen der edelen geweest, dat zij er in toestemde te blijven, om aldus het gezag van haar broeder te redden. In die crisis had de Prins, indien hij gewild had, zonder eenige moeite de teugels van het bewind kunnen gegrepen hebben. De strengheid van de inquisitie en de plakkaten had hij ten eenenmale afgekeurd, omdat hij ze voor door en door onstaatkundig hield en ook meende, dat ze er alleen toe dienden, om de hervormers tot grooter vasthoudendheid aan hun meeningen te brengen, daar dit overal en altijd de uitwerking van godsdienstvervolging was geweest.

Tot de verbonden edelen had hij nooit behoord, hij had de buitensporigheden der Geuzen ten strengste afgekeurd, al was hij het ook met hunne petities eens geweest. Steeds had hij de vergadering der Staten-Generaal gewenscht, een maatregel, die de overleden keizer dikwijls als hoogst nuttig beschouwd had. In al zijn pogingen, om de troebelen in zijn gouvernementen te bedaren, had hij Margareta’s aanwijzingen gevolgd en de enkele punten, waarin hij van haar verschilde, had hij steeds met argumenten gesteund, die hem onwederlegbaar toeschenen.

Brederode was volgens alle privileges der heerlijkheden volkomen in zijn recht, om zijn stad te versterken en Oranje was vrij, hem zonder iemands toestemming daarbij te helpen. In geen enkel opzicht had hij de onderneming op Zeeland gesteund. Zijn maatregelen in Antwerpen waren alle genomen met het oog op de doelmatigheid, daar hij de kracht van de sekten kende. Hij had 55.000 gulden geweigerd aan te nemen, hem door Holland aangeboden.

De slotsom, waarmede hij zijn rechtvaardiging besloot, luidde aldus:

“Terwijl men alzoo al mijn diensten, voor mijn eigen rekening gedaan en ook de diensten van mijn voorgangers, zelfs van hen, die aan den voet des keizers zijn gestorven vergeet, ben ik op grond van goddelooze en valsche beschuldigingen en om redenen, in strijd met alle wet, alle rechten en gebruiken, niet alleen beroofd van mijn eigendom, maar mijn eer is beleedigd en van mijn kind ben ik beroofd, twee zaken, die me dierbaarder zijn dan mijn leven.

Al hetwelk niet alleen tot mijn nadeel is, maar ook tot dat van Z. Majesteit daar al zijn beloften, verplichtingen, contracten en eeden geringschat zijn en er zulke buitengewone, buitensporige en hatelijke dingen gedaan zijn, dat het onmogelijk is, dat niet te eeniger tijd, de resultaten daarvan zullen gevoeld worden. Wij bidden God, Z. Majesteit met goddelijk licht te verlichten en doen hem naar behooren de daden van zijn goede en loyale dienaars en onderdanen, die nu belasterd, vervolgd en gekrenkt zijn, kennen. Opdat de wereld eindelijk wete, dat al wat gebeurd is, niet voortkomt uit Z. Majesteit zelf, maar uit de onteerende en lasterlijke rapporten van hen, die tot nu toe de waarheid voor hem hebben verborgen gehouden.”

Dit document bevat verscheidene opmerkenswaardige dingen. Letterkundig is het niet fraai geschreven, ook zeker niet bijzonder welsprekend, maar het geeft punt voor punt een overzicht van hetgeen de Prins in zijn brieven van de beide laatste jaren had gezegd. Hij scheidt Filips zoover mogelijk van de daden af, die in zijn naam zijn bedreven en toch zijn er weinig van die overvloedige betuigingen van getrouwheid aan den persoon des konings, die in al zijn vroegere brieven voorkomen, in te vinden. Hij werpt nog niet de trouwheid aan zijn souverein weg. De koninklijke dienaren blameert hij en het gemakkelijk en goed vertrouwen, dat Filips gesteld heeft in verkeerde voorstellingen van mannen, die hij reden had te wantrouwen.

Ook wordt er voor den eersten keer geen gewag gemaakt, hoe dan ook, van “onze ware en oude godsdienst.” Ook die uitdrukking kwam in vroegere geschriften van den Prins telkens en telkens weder.

Dat hij nu schrijvende aan een katholiek vorst als Filips, dit nalaat, is ongetwijfeld zeer opmerkenswaard. We moeten dan ook zeker in de jaren zijner ballingschap in Dillenburg de eerste sporen zoeken van zijn omkeer op godsdienstig gebied. Alles werkte daartoe mede. Vooreerst zijn persoonlijke levenservaringen, die tot de smartelijkste behoorden, welke een mensch kan ondervinden; en dan de invloed zijner moeder, de betrekkelijke rust op het oude kasteel, de lezing van het boek van Melanchthon, hem door Willem van Hessen gezonden, de arbeid van den bekwamen prediker hem door den landgraaf afgestaan; het een en het ander samen veroorzaakte, dat hij de Roomsch-Katholieke vormen vaarwel zeide, die hij van zijn elfde jaar af in acht genomen had. Nog was in die dagen de godsdienst geen zaak, waarom hij zich veel bekommerde; eerst langzamerhand kon hij persoonlijk gaan belangstellen in een zielsverschijnsel, dat hem vroeger tamelijk onverschillig liet. Maar zijn gansche omgeving in Dillenburg, zijn familie, de Duitsche vorsten hechtten er groot gewicht aan. Hoe zou hij dan geheel buiten den invloed daarvan kunnen gebleven zijn, te meer omdat van diezelfde Duitsche vorsten toch de hulp voor de Nederlanden moest komen.

Spoedig werden er openlijk door geheel Duitschland troepen geworven, wier bestemming voor de Nederlanden algemeen bekend was en uit verschillende bronnen kwamen de fondsen voort, om de uitgaven voor die troepen te bestrijden. De Prins benoemde zelfs commissies voor die wervingen en maakte daarbij gebruik van zijn recht als Prins van Oranje en dus als onafhankelijk souverein van het rijk. Al was dat vorstendom ook zeer klein, het gaf hem titels, die zijn andere goederen hem niet gaven. Hij liet de commissies op dezen vreemden grondslag werven, dat zij hulp vroegen voor Filips tegen zijn onwaardige dienaars.

De formule luidde: “Om Zijne Majesteit zijne heerschappij te verzekeren en voor elk burger (hetzij Protestant of Roomsch-Katholiek) zijn gewetensvrijheid te handhaven.” Oranje verkocht zelfs zijn juweelen, zijn zilver en tapijten, om troepen te kunnen lichten. Het bedrag van zijn persoonlijke contributie bereikte de som van 50.000 florijnen.

Zijn broeders deden zooveel ze konden; Jan gaf een belangrijke som door middel van een hypotheek op zijn goederen. Lodewijk droeg 10.000 fl. bij. De voornaamste Nederlandsche steden, Antwerpen, Vlissingen, Amsterdam en andere, door de Nederlandsche kooplieden, die naar Engeland gevlucht waren, geholpen, brachten de som van 100.000 kronen op, juist de helft die Oranje noodig achtte, om hem in staat te stellen zijn leger in het veld te brengen. Den 17en April schreef de Prins vertrouwelijk aan den Landgraaf van Hessen, dat hij op reis ging naar Keulen om daar of in de nabijheid af te wachten, “wat wij zullen moeten doen.” Het gerucht van de lichtingen was te veel verbreid. Ook deelt hij den landgraaf mede, dat hij gehoord heeft, dat Alva naar het klooster St. Bernard, vijf mijlen van Brussel, gegaan is, om zijn Paschen te vieren. Dit was hem niet aangenaam. De Prins had gehoopt, dat hij een ander klooster zou gekozen hebben, waarschijnlijk omdat er in die dagen plan heeft bestaan onder de vrienden van Oranje om den hertog op te lichten. Eindelijk zendt hij aan Willem van Hessen zijn Justificatie met verzoek die door te lezen en zijn bedenkingen tegen den vorm aan den brenger, Dr. Joh. Meixnern, mee te deelen. De Prins voelde zelf vooral bezwaren tegen het woordje “krijgstoerusting.”

“Is dat ook te hard of te scherp. Zou dit soms zoo kunnen worden opgevat, alsof wij uit een bijzonder genoegen den oorlog begonnen, in plaats van uit zuiver noodweer en zelfverdediging?” zoo vroeg hij.

Is het niet merkwaardig, dat we aan den vooravond van den 80-jarigen oorlog—want de proclamatie was het signaal van dien oorlog—in een vertrouwelijk schrijven van den Prins zulk een uiting van nauwgezetheid vinden? Men weet, hoe de laatste woorden door vorsten of diplomaten gesproken of geschreven voor de uitbarsting van een geweldigen oorlog, gewoonlijk later worden gebruikt om de een of andere partij of persoon de zedelijke schuld en verantwoording van het bloedbad op den hals te laden. Het pleit dus voor den Prins, dat het hem bij het opstellen zijner justificatie niet ontbroken heeft aan teederheid en fijnheid van geweten, want Oranje kon alleen een oorlog, uit zelfverdediging aanvaard, voor God en de toekomst goedkeuren.

Illustration from Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings