← Table of contents
Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Nassau en Oranje.

D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation

Onze Nederlandsche held, Willem van Nassau, bekend als de Prins van Oranje, als de Zwijger, is een treffend voorbeeld van een man, wiens benamingen niet juist zijn persoon beschrijven. Hij was niet in Holland geboren, hij zag Oranje nooit en was zeker niet stilzwijgend.

Hij was geen geboren prins. Zijn voorouders waren eenvoudige Duitsche edelen, die in Nassau, een landstreek ten Oosten van den Rijn aan beide zijden van de rivier de Lahn gelegen, woonden. Verschillende takken van de Nassausche familie bezaten dit grondgebied, en het was zóó rijk aan bronnen, dat een groot gedeelte van het inkomen der latere hertogen van Nassau zijn oorsprong vindt in de opbrengst van het hoofdgeld, door de bezoekers dier bronnen betaald.

Bovendien is het land zeer vruchtbaar in wijnsoorten, terwijl de bodem veel minerale producten bevat, die echter pas later werden geëxploiteerd. Bergachtige heuvels doorkruisen het land en de rijkdom van riviertjes verhoogt niet alleen de vruchtbaarheid, maar maakt dit glooiende terrein tot een schilderachtig gebied. Door den grooten staat, dien men voerde, waren tal van goedgelegen heuvels met woningen der familie Nassau bezet, die eertijds veel op vestingen geleken, maar wier ruïnes er nu uitzien, alsof ze een deel uitmaken van de omliggende rotsen.

Over den oorsprong van de Nassaufamilie in deze streken zijn tal van legenden in omloop, die zelfs tot den tijd van Caesar opklimmen.

Toen de Romeinsche Keizer in Gallië kwam, zoo verhaalt een dier legenden, was er onder zijn officieren een broederpaar, de graven Lebarten. Aan een van deze gaf Caesar een deel van Bourgondië, aan den ander een kleine landstreek bij den mond van de Lahn met de opbrengst van de brug, die Caesar te Coblentz, het punt van samenvloeiing van Moezel en Rijn, had gebouwd. Hier stichtte de graaf een kasteel en een dorp, waar nog de wapens van de Nassau’s te zien zijn; hij veranderde zijn naam in dien van Laurenburg en de plaats werd een van die middelpunten van beschaving in het Noorden, die de Romeinsche overwinnaar zoo hoog op prijs stelde.

Eenige geslachten later schoot eens een zijner nakomelingen, in de Lahnvallei jagende, een hert op een berg en kwam bij toeval in een streek, die hem zoo behaagde, dat hij aanstonds besloot, daar een kasteel te bouwen. Bij de voltooiing daarvan noemde hij het “Nassau”, Nasse Auen, naar de natte weiden, die den berg omringden en hij werd zoo aan zijn nieuwe woonplaats gehecht, dat hij zijn ouden titel opgaf en sedert bekend was als graaf van Nassau.

Een ander verhaal vertelt, hoe in het jaar 210 n. C. Keizer Severus, vergezeld door vele edele Romeinen, een reis in Duitschland deed. Het was blijkbaar een gemakkelijke reis, want een van de edellieden vond den tijd, om een kasteel op Nassau’s grondgebied te stichten. De toenmalige graaf protesteerde, maar hij ontving ten antwoord, dat alle Romeinen bouwen mochten, waar hun dit behaagde. Dat koele woord maakte de andere Duitsche edelen ongerust over de mogelijke inbreuk, die er ook gemaakt kon worden op hun rechten en verscheidene van de vrienden van Nassau boden aan, gezamenlijk met hem in persoon naar Severus te gaan om zich te beklagen. De keizer hoorde hun taal en zeide toen lachende: “Het hindert u de Romeinen als buren te hebben, sedert gij gedwongen werdt hen als heeren te huldigen. Niemand zal in zijn oude rechten en privileges worden gekrenkt. Gij edellieden zijt gekomen onder de vleugels van den adelaar, hij zal uw werkelijke rechten en privileges handhaven. Maar, Graaf van Nassau, wij hebben gehoord, dat gij eene eenige dochter als erfgenaam hebt, zoodat na uw dood uwe landen aan ons zullen vervallen. Geef dat meisje aan onzen oom ten huwelijk; we zullen hem graaf van Nassau maken en hij zal uw opvolger worden.”

Nassau en zijn vrienden namen dit voorstel aan. De bruiloft werd met groote vreugde gevierd en na den dood van den ouden graaf werd de Romein, als Germaan genaturaliseerd, hoofd der familie.

Ook wordt nog als voorvader genoemd een zekere Nasua, die door Caesar als leider van de Sueven wordt vermeld, doch dit behoort alles tot het legendenrijk, hoewel het ontstaan van die verhalen begrijpelijk is, daar het in dien ouden tijd onder de Germaansche edelen voor zeer voornaam werd gehouden, hun afstamming van een van Caesars opvolgers te kunnen bewijzen.

Eenige zekerheid van het huis Nassau te verkrijgen vóór de elfde eeuw blijkt niet mogelijk te zijn. Naar alle waarschijnlijkheid was Laurenburg de bakermat van het geslacht en was die naam de vroeger bekende titel der familie, welke later door de stichting van Nassau en het aannemen van dezen naam is vervangen.

Daar het eerstgeboorterecht voor de 16e eeuw in Duitschland alleen aan den ouderen broer een zekeren voorrang verschafte, kwamen de goederen bij overlijden òf door testamentairen wil òf door overeenkomsten aan de verschillende erfgenamen. Ook de familie Nassau splitste zich in takken, terwijl de bezittingen, bij het uitsterven van de mannelijke lijn in elken tak, aan een ander vervielen, waardoor de onverdeelde landen in den loop der eeuwen meer of minder hereenigd werden.

Geslachtsregister van het huis Nassau-Dillenburg. (1247–1606.)
Geslachtsregister van het huis Nassau-Dillenburg. (1247–1606.)

Geslachtsregister van het huis Nassau-Dillenburg. (1247–1606.)

De tak, waaruit Willem van Oranje is ontstaan, gaat terug tot Ruprecht, de eerste, die den titel Laurenburg voor dien van Nassau verwisselde. Zijn kleinzoon Hendrik de Rijke, die in het midden der 13e eeuw leefde, was zeer gezien in het Rijk en stichtte het kasteel Dillenburg, teneinde daardoor vasten voet te hebben in het noordelijk gedeelte van zijn domeinen. Onder zijn twee zonen Walram en Otto, de stichters van de Walramsche en Ottonische lijnen, werd het voorvaderlijk goed verdeeld, terwijl beiden een deel hadden in Nassau zelf.

Otto werd het hoofd van den Nassau-Dillenburger stam, waartoe ook Willem van Oranje behoorde.

Zijn afstammelingen sloten rijke huwelijken, waardoor de familiebanden werden vergroot, veel goud in de schatkist kwam, terwijl de gelegenheid zich daardoor opende, nieuwe titels te verwerven. Vooral het huwelijk van Otto II met Adelheid was een der rijkste verbintenissen, die zooveel hebben toegevoegd bij de Nassausche bezittingen, o.a. Vianden, dat Adelheid als bruidschat meebracht. (Zie geslachtsregister pag. 3.)

Onder Otto’s oudsten zoon Jan werden verschillende stadsprivileges aan Dillenburg toegestaan en in 1384 verkreeg hij van den keizer de vergunning, om onder zijn eigen jurisdictie een gerechtshof te bezitten.

Door het ongehuwd blijven van den eenen broer en het overlijden zonder mannelijke nakomelingen van den anderen, verliet Engelbert, die reeds vroeg een geestelijke gelofte had afgelegd, den geestelijken stand en huwde met Johanna, eenig kind van Jan, Heer van Polanen en Leek, welke gebeurtenis van zoo groot belang was, daar op die wijze de Nederlandsche goederen in de familie werden gebracht en Engelbert in staat werd gesteld een voorname positie in te nemen aan het hof van Bourgondië, binnen welks kring zijn landen lagen.

Terwijl Engelbert zijn leven in de Nederlanden doorbracht, regeerde zijn oudere broer Jan van Nassau over de familiegoederen aan den oostkant van den Rijn. Hij leefde op zulk een voortdurenden voet van oorlog met zijn buren, dat hij bekend stond als Jan “Met den helm”, daar hij nooit den tijd kon vinden, zich van zijn oorlogshoofdtooisel te ontdoen. ’t Schijnt een merkwaardig man geweest te zijn, over wiens dapperheid nog vele legenden in omloop zijn in de buurt van Dillenburg.

Sedert den tijd van Jan I was de bezitting meer dan verdubbeld en Jan IV werd nog rijker door zijn huwelijk met Maria, erfgename van Loon en Heinsberg.

In 1475 overleed Jan IV en zijn erfgenamen Jan en Engelbert verdeelden de landen bij overeenkomst, terwijl ze sommige goederen ter wille van de titels gemeenschappelijk behielden. Het aldus verdeelde land werd niet weder vereenigd dan na den dood van Willem III, Koning van Engeland, in 1702.

Er was vastgesteld, dat bij gebreke van mannelijke erfgenamen van den eenen broeder, de zoons van den anderen broer zouden erven. Dergelijke schikkingen werden in de Nassau-Dillenburger familie meermalen gemaakt, maar wat merkwaardiger was, ook uitgevoerd. Mochten er ook al processen voorkomen bij den minsten twist met de naburen, de familiebetrekkingen bleven altijd vriendschappelijk.

In overeenstemming met dit verdrag, volgens hetwelk Nassau aan den ouderen, de Nederlandsche goederen aan den jongeren broer kwamen, leefde Jan, de vijfde van dien naam, te Dillenburg, terwijl Engelbert II Breda tot zijn hoofdkwartier maakte, waar hij echter niet lang woonde, daar hij zijn leven in den dienst van Karel den Stoute van Bourgondië en zijn opvolgers doorbracht.

Beide broers hebben zich nog al bekend gemaakt, hoewel op geheel verschillend terrein.

Engelbert zou men de staatkundige voorganger van Willem van Oranje kunnen noemen; hij was ridder van het Gulden Vlies en had een gewichtig aandeel in de belangrijke staatkundige onderhandelingen van dien tijd.

In 1477 werd hij in den noodlottigen slag bij Nancy gevangen genomen door de Zwitsers; zijn vrouw beloofde aan de kerk een reliquienkast en een kaars, even zwaar wegende als de wapenrusting van haar man, indien deze in veiligheid terugkeerde, hetgeen niet dan tegen een hoog losgeld geschiedde. Ook aan het hof van Karels opvolgster, Maria van Bourgondië, bekleedde Engelbert een voorname plaats en op haar huwelijk met Maximiliaan had hij grooten invloed. In 1487 tijdens den Franschen veldtocht werd hij nogmaals gevangen genomen en om zijn losprijs van 84.000 francs te betalen, was hij verplicht een deel van zijn goederen o.a. Vianden, St. Vis en Daesberg aan zijn broeder Jan te verpanden.

In 1496 kwam tusschen Maximiliaan en Karel VIII een verdrag tot stand, waarbij Engelbert als onderhandelaar optrad, terwijl, uit het handels- en vriendschapsverdrag met Hendrik VII van Engeland in 1493, ook zijn bekwaamheden als staatsman bleken. Toch treft hem eenigen blaam gedurende zijn bestuur als stadhouder in de Nederlanden, toen hij, na het dempen van een oproer te Brussel, de oproerlingen wel begenadigde, maar hiervan 50 rijke kooplieden uitsloot en hen dwong, hun leven door middel van zware losgelden te redden. Van deze sommen bouwde hij het paleis der Nassau’s in Brussel.

In Nassau was Jan niet minder werkzaam, hoewel in begrensder kring, in vergelijking van zijn meer beroemden broeder. Hij bevorderde den vooruitgang van zijn land en volk door het oprichten van rechtbanken, het uitbreiden van den handel en het ontginnen van mijnen. In 1511 stichtte hij een kerk en school te Dillenburg. Door zijn huwelijk met Elisabeth van Hessen, bereidde hij zijn zoon Willem een levenslang verdriet, want daardoor had Nassau recht verkregen op een deel van de Catzenellenbogen-goederen, waarover meer dan een halve eeuw is getwist.

In 1516 stierf Jan en liet twee zonen na, Hendrik en Willem. Reeds in 1504 werd Hendrik, die in het leven aan het Bourgondische hof door Engelbert was ingeleid, ter gelegenheid van zijn huwelijk met de rijke bruid Francesca, als de erfgenaam van zijn oom erkend, waarom Hendrik ten gunste van zijn broeder Willem van het grootste deel van zijn vaderlijk erfgoed in Duitschland afzag.

Hendrik was een waardig opvolger van zijn oom den staatsman en overtrof hem zelfs, in zoover het tooneel zijner daden grooter was dan dat van zijn voorganger. Kort na Engelberts dood toch vielen de Nederlanden als erfenis ten deel aan hem, die reeds Koning van Spanje was en later Keizer van Duitschland zou worden.

Hendriks leenheer, de heer van Bourgondië, aan wien hij krachtens zijn Nederlandsche goederen trouw was verschuldigd, had alzoo als Karel V, een rijk, waarbij dat van Karel den Stoute onbeteekenend en een macht, waarbij de ingebeelde macht van Maximiliaan niets was.

Hendrik hoorde ook tijdens de minderjarigheid van den jongen vorst een tijdlang tot zijn voogden en toen hij eenmaal de teugels van het bewind aanvaard had, werd hij zijn zeer gewaardeerde raadgever. Ja, men beweert zelfs, dat het bij de keizerskeuze in 1519 vooral Hendriks groote invloed was, die de balans ten voordeele van Karel deed overslaan tegenover Frederik van Saksen, wiens aanspraken door vele keurvorsten werden verdedigd.

Dat de keizer nooit den dienst, hem toen door Hendrik bewezen, vergat, is licht te begrijpen en we zien hem dan ook altijd in het persoonlijk gevolg van den keizer, tenzij Hendrik hem verving in de Nederlanden als zijn vertegenwoordiger, tenzij hem een diplomatieke zending naar een vreemd hof werd toevertrouwd.

Op de voornaamste rijksdagen was Hendrik tegenwoordig en ook te Augsburg, toen de confessie van het Protestantsch geloof werd vastgesteld, voor welken nieuwen godsdienst hij echter weinig sympathie had, in tegenstelling van zijn broer graaf Willem, die tot het Protestantisme was overgegaan.

Hendrik was voortdurend aan het Fransche hof op verschillende diplomatieke tochten en, ter erkenning van de voortreffelijke diensten, door hem bij een dezer gelegenheden aan Frans I bewezen, schonk deze hem de hand van Claudia, zuster van Philibert, prins van Oranje-Chalons. Dit huwelijk was in zijn gevolgen nog gewichtiger voor de Nassau’s dan dat van Engelbert met de erfgename van Polanen en Leck, want bij den dood van Philibert, zonder mannelijke erfgenamen, werd hun zoon Réné tot legataris benoemd.

Hendriks bezittingen werden zeer vermeerderd door giften, aankoopen en verbeurdverklaringen, zoodat Réné een veel grooter erfgoed ontving dan zijn vader had verkregen.

De lucht van hun geboortegrond Nassau scheen de familie beter te bekomen, dan die van de Nederlanden; misschien ook was het rustig gravenleven bevorderlijker voor een hoogen ouderdom, dan het heen en weer trekkend bestaan, waartoe de volgers van het huis van Bourgondië verplicht waren. Geen der uitstekende Nassau’s in Nederland bereikte meer dan een middelbaren leeftijd en was de Duitsche bloeiende stam niet in de gelegenheid geweest, om steeds nieuwe enten op den Nederlandschen tak over te planten, dan zou geen Nassau het leiderschap in Holland hebben kunnen op zich nemen, toen de noodzakelijkheid van zulk een leider ontstond. Hendrik stierf in 1538, op 55-jarigen leeftijd, één zoon Réné als opvolger voor zijne staten achterlatende, die in 1530 Prins van Oranje geworden was.

Uit dankbaarheid aan zijn oom Philibert, van wien hij het rijkste deel zijner erfenis ontving, was zijn gewone onderteekening: Réné van Chalons. Zijn volle titel was: “Bij de gratie Gods Réné, Prins van Oranje, geboren van Nassau en Chalons, graaf van Catzenellenbogen, Vianden, Dietz, Tonnerre, Pointhièvre, Charny, Heer van Breda, Diest, Warneton, Arlay, Roseroy en Chastelbelin.”

Hij nam de wapens van Oranje en Chalons aan met het devies: “Je maintiendrai Chalons”. Willem van Oranje veranderde Chalons in Nassau, maar later werd de spreuk eenvoudig: “Je maintiendrai”, terwijl men het voorwerp van dit werkwoord naar verkiezing invulde.

De titel van Oranje, door Réné in de Nassau-familie gebracht, werd zoo geheel en al met hen vereenzelvigd en speelde zulk een belangrijke rol in hun achtereenvolgende geschiedenis, dat een korte schets van dit kleine vorstendom hier niet misplaatst kan zijn.

Oranje, een naam die zoo wereldberoemd is geworden, was een kleine landstreek niet grooter dan 38.248,4 acres, in het Zuiden van Frankrijk, ten Oosten van de Rhône gelegen.

Het graafschap Avignon ligt rondom het gewest, uitgezonderd waar de Rhône de westelijke grens vormt. Dit kleine vorstendom behield althans een nominale onafhankelijkheid van den Franschen souverein tot 1713, toen het ten slotte werd afgestaan aan Lodewijk XIV.

In de 6e eeuw dreven de ruwe stammen van het Noorden de Romeinen uit Oranje, zoowel als uit andere steden in de provinciën, maar ze werden op hunne beurt door de Saracenen, die uit het Zuiden kwamen, verjaagd.

Jonckbloet heeft een modern Fransche vertaling geleverd van een oud romantisch gedicht, getiteld: Guillaume d’Orange of Guillaume au Court Nez; de held van dit verhaal, ridder aan het hof van Karel den Groote, deed wonderen van dapperheid. Hij was het, die Oranje, dat de rijkste en prachtigste stad van de Saraceensche steden geworden was, bevrijdde, Orable, de Saraceensche prinses, die hem tegen haar eigen geslacht bij de belegering hielp, huwde en het vorstendom uit de handen van Karel den Groote ontving.

In de twaalfde eeuw bracht prinses Tiburge, bij gebreke aan mannelijke erfgenamen, Oranje als huwelijksgoed aan haar echtgenoot, Bertrand des Baux. Ook deze familie stierf uit in de mannelijke lijn en het vorstendom ging door Marie des Baux aan haar echtgenoot Jean van Chalons, stichter van het huis Oranje-Chalons over.

De achtereenvolgende heeren van Oranje verkozen als regel liever het fortuin van den keizer te volgen, dan dat der Fransche koningen, in wier rijk de armzalige bunders verzwolgen werden. Misschien was dit eenvoudig de begeerte om met hun onafhankelijkheid van iemand, aan wien zij geografisch hulde verplicht schenen, te bluffen. Doch hoe dit ook zij, het gevolg van hun keuze was voor het vorstendom niet gelukkig, daar de regeerende koning van Frankrijk, in het geval hij zich openlijk aan de zijde van den keizer plaatste, onmiddellijk er toe overging, het kleine arme land, dat bij afwezigheid van zijn heer weerloos was, te confisqueeren.

Ook Réné bracht zijn leven door in het gevolg van den keizer en door de voortdurende vijandschap tusschen dezen vorst en Frans I, werden Réné’s vorstendom en andere staten op Fransch grondgebied telkens verbeurd verklaard. Er bleef dus weinig gelegenheid voor Réné over om Oranje of Chalons te handhaven.

Was Frans op den jongen vorst zeer verbitterd wegens zijn actief en dikwijls succesvol deelnemen aan de veldtochten, Réné stond in hoog aanzien bij Keizer Karel, die hem in weerwil van zijn jeugd in 1540 tot stadhouder over Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht aanstelde en hem tevens met de orde van het Gulden Vlies bekleedde. In 1542 trok hij weer te velde en werd persoonlijk zeer geroemd, al was Karel ook niet gelukkig in den veldtocht.

Toen Karel in 1544 zijn plan wilde volvoeren om naar Parijs te trekken en het hiervoor noodzakelijk was Saint-Dizier, een vesting aan de Marne, te bezetten, ontving Réné het opperbevel over de belegerende troepen.

Den 17en Juli werd een aanval op de wallen gedaan en daarbij ontving Réné een ernstige wond, waaraan hij reeds den volgenden dag op 26-jarigen leeftijd overleed. Hij werd door het geheele leger betreurd en Karel was tegenwoordig, toen hij den laatsten ademtocht uitblies.

Had Réné een voorgevoel van zijn naderend einde gehad? Men zou het haast zeggen, want op den 20en Juni had hij vergunning van den keizer gevraagd en gekregen, om zijn uitersten wil te maken, waarbij hij al wat hij geërfd had van zijn oom Philibert aan zijn kleinen neef Willem, oudsten zoon van graaf Willem van Nassau, naliet.

Alzoo stierf de lijn Nassau-Breda wederom uit en krachtens de overeenkomst, die tusschen Willem en Hendrik herhaald was, keerde de Nederlandsche bezitting van de familie Nassau naar den Duitschen tak terug. Réné’s testament betrof alles wat hij bezat, maar was alleen noodzakelijk voor de bezittingen, die hij van moederszijde had gekregen. Hij liet dit alles na aan Willem en diens rechtstreeksche of zijdelingsche erfgenamen of, indien deze ontbraken, aan de erfgenamen van diens vrouwelijke erfgenamen. Op deze clausule beriep zich Pruisen in 1702 voor zijn aanspraak op Oranje, toen Willems mannelijke lijn met den dood van Willem III van Engeland uitstierf.

Het in den loop der eeuwen herhaaldelijk geconfisqueerde Oranje, kwam dan ook dit jaar aan Frederik I, Koning van Pruisen, als erfgenaam van Louise Henriëtte, kleindochter van Willem den Zwijger. In 1713 werd een nieuwe schikking gemaakt tusschen Frederik en Lodewijk. In ruil met andere goederen werd toen het vorstendom aan den koning van Frankrijk afgestaan en is sedert dien tijd een deel van het Fransche rijk gebleven. Voor dit pesthol van Hugenoterij, zooals Lodewijk XIV het noemde, werd alles gedaan om het minder aantrekkelijk te maken voor de Protestanten. Drie duizend hunner verlieten de stad, gingen naar Genève en vormden later een kleine kolonie in Pruisen. Van de 10.000 inwoners waren er op Kerstmis 1890 nog slechts 78 mannen, vrouwen en kinderen, die in een kleine zijstraat voor hun Protestantsche godsvereering te zamen kwamen.

Terwijl Hendrik zich vooral bewoog aan het Bourgondische hof, speelde Willem daarentegen dezelfde stille rol in Dillenburg als zijn vader. In 1516 verkreeg hij bij het overlijden van Jan V, de Nassau-Dillenburgsche erfenis, terwijl aan zijn ouderen broer Hendrik alleen zijn aandeel in het voorvaderlijk kasteel van Nassau toekwam.

Reeds in Augustus 1516 ontving Willem de eeden van getrouwheid, eerst van zijn vazallen in Siegen en daarna van die in andere deelen van zijn klein vorstendom.

Hoewel hij het recht had op al de titels van de Nederlandsche staten van zijn broer, noemde hij zich eerst eenvoudig Graaf van Nassau, Vianden en Dietz, waarbij hij pas later dien van Catzenellenbogen voegde.

Slot en Stad Dillenburg 1540.
Slot en Stad Dillenburg 1540.

Slot en Stad Dillenburg 1540.

Hij werd de Rijke genaamd, maar deze rijkdom bestond meer in den vorm van land met aanspraken daaraan verbonden, dan in geld en deze naam zou meer toepasselijk zijn, als we denken aan zijn vijf zonen en zeven dochters uit zijn huwelijk met Juliana van Stolberg.

Inderdaad vond de graaf het in ’t minst geen gemakkelijke zaak aan de gedurige eischen van den keizer te voldoen, die steeds naar den eenen hoek van zijn wereldrijk om geld keek om het in een anderen hoek weer uit te geven.

Van de voortdurende vijandschap en oneenigheden tusschen de huizen Nassau en Hessen kreeg Willem ook ruim zijn deel, want de twist, die reeds 15 jaar lang gevoerd werd over de aanspraken op de Catzenellenbogen-staten, door Jan V begonnen ten behoeve van zijn vrouw, werd door Willem na den dood van zijn vader overgenomen.

Geen rijksdag werd er gehouden, zonder dat die zaak te berde kwam; geen voet zette de keizer op Duitsch grondgebied, zonder door de Nassau’s of Hessens geprest te worden om een beslissing te nemen. In 1520 nam Karel volgens zijn keizerlijk recht zelf de zaak in handen, maar vertrouwde haar spoedig toe aan een commissie, daar hij zelf te kort op één plaats vertoefde om het getuigengehoor te eindigen en vonnis te vellen. Ook deze commissie had niet veel succes, want was ze gereed met een beslissing, dan kon de keizer door zijn afwezigheid niet tot uitvoering overgaan; de tijd verliep en men kon van voren af weer beginnen.

In 1557 eindigde de strijd. Het besluit was, dat Hessen het grootste deel van de landen verkreeg met de voorwaarde daarbij, dat Nassau schadeloos gesteld zou worden. De Nassau’s mochten de wapens en den titel van Catzenellenbogen dragen, de Hessens die van Dietz. Indien beiden, Willem van Oranje en zijn vader, zonder erfgenamen stierven, dan moesten de Hessens het voorrecht hebben om de afgestane landen terug te kunnen koopen, als ze dat verlangden. Zoo eindigde de zaak tot niemands bevrediging, behalve tot die der scheidsrechters.

Hoe stond Graaf Willem tegenover de Hervorming?

In 1521 was hij op den beroemden rijksdag van Worms en de Wittenberger monnik liet niet na, grooten indruk op hem te maken; toch vereenigde hij zich niet met de eerste protestantsche bewegingen.

Misschien was het voorzichtigheid, die hem tot die neutrale houding dreef en werd hij door de gedachte aan zijns broeders positie aan het keizerlijk hof daartoe aangespoord; ook kan het zijn, dat hij met het oog op zijn proces met Hessen ongeneigd was, openlijk een stelling in te nemen, die den jongen keizer zou kunnen mishagen.

Eenige jaren later ontving hij op Dillenburg bezoek van den jongen hertog Hans Frederik van Saksen, met het doel hem te bewegen, zich bij de Evangelische partij aan te sluiten en na het vertrek van zijn gast zond deze hem tal van geschriften van Luther toe en schreef bij het eerste pakket:

“Zooals ik u beloofde, zend ik U hierbij eenige van Luthers geschriften, zooveel als ik op dit oogenblik kon verzamelen. Ik hoop met Gods hulp daardoor een goed Christen van U te maken.”

Frederiks hoop om een proseliet te winnen, werd niet zoo spoedig vervuld, want al stond Willem in 1528 den monniken van het klooster te Thron toe, zelf een reformatie te bewerken en hun invloed aan te wenden om die op de gemeente van Old Weilnau en Wehrheim over te brengen, toch bleef het voorloopig hierbij en pas langzamerhand kwamen meer veranderingen.

In de hoop op een vonnis in zijn proces, ging hij ook naar den Rijksdag van Augsburg, die in persoon door Karel werd gepresideerd; zag Willem zijn wensch niet vervuld, wel werd de graaf versterkt in zijn neiging tot de nieuwe leer, want na dien Rijksdag, waar de Luthersche geloofsbelijdenis werd geformuleerd, werden volgens de Dillenburgsche Kroniek “godsdienstige en kerkelijke verordeningen veranderd en de mis afgeschaft.”

Toch ging de hervorming in zijn staten slechts voet voor voet vooruit en waren er bewijzen, die deden vermoeden, dat de graaf werd beschouwd als iemand, die nog tusschen de partijen aarzelde.

In 1533, eigenaardig het geboortejaar van onzen Willem van Oranje, nam de graaf twee maatregelen, die toonden, dat hij zich met de hervorming had verbonden. Hij weigerde de orde van ’t Gulden Vlies, omdat daartoe een eed van trouw aan Rome noodzakelijk was en in de kerken Siegen en Dillenburg voerde hij de “Neurenbergsche Reformatie” in, eene confessie, die de markgraaf van Brandenburg in Frankrijk had opgesteld. Ook liet hij in 1536 door den weinigen voortgang van den nieuwen godsdienst, tengevolge van onwetende en luie predikers, de “Nassausche Kerkregelingen” samenstellen, waarbij hij zelf een inleiding schreef, ten einde “hun gemis aan oordeel door een kleine verklaring en instructie te hulp te komen.”

Graaf Willem gaf dus zelf de leiding aan, maar van dwang, in welke richting ook, was in zijn rijk nooit sprake! Hij streefde er alleen naar, beter onderwijs in te voeren. Het Duitsch was de taal, die bij den doop gebruikt werd; voor de viering van het avondmaal moest de predikant eene duidelijke uiteenzetting van zijne meening geven en met eene algemeene belijdenis van de gemeente moest hij zich tevreden stellen.

Na het avondmaal in beide gestalten mocht de mis in gewone kleeding en met onschadelijke plechtigheden gecelebreerd worden. De opheffing van de hostie was verboden. Bijzondere missen, ook die op gewone weekdagen, waren eveneens verboden. In kerken, waar dagelijksche missen gewoon waren geweest, moest een eenvoudige dienst worden gehouden, waar een brief of evangelie werd gelezen en verklaard met gebed. In andere kerken zou er een preek worden gehouden op Woensdagen. De kinderen moesten ten minste tweemaal ’s jaars worden geëxamineerd. Het getal feestdagen, in een jaar toegestaan, werd tot zes-en-twintig teruggebracht. De overige artikelen handelden over de levenswijze der predikanten, over kerkbestuur, gebruik van den Duitschen bijbel enz. Daar was ook een bijzonder verbod omtrent bijgeloovige vereering van zaken. Het is duidelijk, dat deze regelingen met gezag werden afgekondigd en dat Willem algeheele bisschoppelijke jurisdictie in zijn landen had aangenomen. De eerste superintendent van de Nassau-kerken was een zekere Erasmus Sarcerius, die een weldadigen invloed uitoefende, welke lang in de nabuurschap van Dillenburg nawerkte. Zijn arbeid werd echter door het Interim van 1548 vernietigd, dat de kerkelijke zaken weer in een staat van onzekerheid bracht.

Na den Rijksdag van Augsburg n.l. was door de ligue der Schmalkalden een defensieve alliantie gesloten tusschen de Protestantsche edelen en sommige van de vrije steden, tengevolge waarvan Karel V den eersten godsdienstvrede, dien van Neurenberg sloot. Door tegenwerking van Filips van Hessen om zich bij die ligue aan te sluiten, wat Willems plan was, kon Willem zijn staten nog juist sparen voor het gevaar van gewikkeld te worden in den oorlog van Schmalkalden, die zoo noodlottig werd voor zijn naburen Saksen en Hessen. Het zag er, na den slag te Mühlberg in 1547, donker uit voor het protestantisme; Willem zond zijn hervormde predikers weg en stond den terugkeer der priesters toe.

In dezen tijd werd door Granvelle, toen bisschop van Arras, veel moeite gedaan om den graaf weer in de kerk terug te brengen. Zoo wordt verhaald, dat na een redetwist over zijn godsdienstverandering, graaf Willem aan Granvelle op vasten toon ten antwoord gaf: “Of het waar is of niet weet ik niet, maar daar zijn zekere dingen, die tot den godsdienst betrekking hebben, die mij zeer verontrusten.”

Bij den godsdienstvrede van 1555 werd door den keizer toegestaan, dat de godsdienstige zaken van elk land geregeld moesten worden overeenkomstig den wil van den bestuurder en dit was het eerste stuk van keizerlijke beteekenis, waaraan ook de onderteekening van Nassau-Dillenburg is gehecht.

Natuurlijk was nu het gevolg van dezen vrede voor Nassau, dat de Evangelische predikers weder hersteld werden, terwijl ook de Synoden en kerkvisitatiën in ’t leven werden teruggeroepen. Zonder tegenwerking ging dit echter niet.

De bisschop van Trier liet niets na, om zijn gezag in Dietz te herstellen en werd zonderling genoeg gesteund door Filips van Hessen, den meest protesteerenden Protestant van allen, maar zulk een geducht hater van Nassau, dat hij liever te weinig protesteerde, wanneer hij daardoor zijn erfelijken vijand slechts kwellen kon, met wien hij openlijk in vrede leefde.—Dat Filips Zwingliaansch en Willem geheel Luthersch in zijn denkbeelden was, maakte den strijd nog heviger, want het verschil tusschen deze beide takken van de hervorming begon al even bitter te worden als tusschen de Protestanten en Katholieken.

Er was in de wijze waarop de hervorming in zijn landen werd ingevoerd nooit eenig fanatisme. Zelfs in de aanvaarding van het Protestantsche geloof was hij gematigd en hij beoefende verdraagzaamheid bij elke hervorming, die hij invoerde; priesters, die weigerden de nieuwe kerkverordeningen te aanvaarden, werden met consideratie behandeld en in vele gevallen gepensionneerd. Zeker hoorde hij niet tot de edelen, die de hervorming gebruikten als middel om hun inkomsten te vermeerderen; geen kerkelijke noch monnikgoederen werden voor wereldlijke bedoelingen gebruikt en er werd zorg gedragen, dat alle kerkelijke inkomsten alleen zouden worden aangewend voor gemeenschappelijke belangen.

Als krijgsman kan graaf Willem niet gerekend worden tot de groote en uitstekende mannen van zijn dagen. Wel vergezelde hij zijn broeder Hendrik bij de eerste veldtochten van Karel V tegen Frankrijk in 1511–1522 en was daardoor tegenwoordig bij het beleg van Mézières, maar de latere aanbiedingen van Karel V, die hem het commando over de geheele infanterie wilde geven en van Jan Frederik van Saksen, die 6000 gulden bood, als hij in zijn dienst wilde treden, sloeg hij af.

Militaire betrekkingen weigerde hij, maar dikwijls werd hij gekozen als de vertrouwde, de raadgever en bemiddelaar van vele voorname vorsten van het rijk, want men hield hem voor een man van gezond oordeel en van zulk een onbevooroordeelden geest, als bij mogelijkheid te vinden was in dat tijdvak van partijzucht en persoonlijken invloed. Eigenaardig, dat bij zijn welbekend talent om moeilijkheden van anderen te vereffenen en bij zijn grooten invloed aan het hof, zijn eigen belangrijke zaak zoo lang aanhangig bleef.

Kan hij al niet onder de groote mannen van zijn geslacht gerekend worden, zeker is het, dat hij een van de voornaamste bestuurders uit het huis Nassau was.

Door het labyrinth van godsdienstige sympathieën en politieke belangen, bedreigd nu door de eene, dan door de andere partij, met verlies of verwoesting van zijn landen, heeft graaf Willem zich met voorzichtigheid en standvastigheid bewogen. Hij heeft zijn land tegen den oorlog met al zijn verwoestende gevolgen weten te vrijwaren en liet aan zijn zonen zijn vaderlijk erfdeel, aanzienlijk vermeerderd, achter. Zijn verhouding tot zijn onderdanen was uitstekend en hunne belangen waren goed bij hem verzorgd.

In October 1559 stierf graaf Willem op den leeftijd van 72 jaar en werd begraven in de keurige kleine kerk te Dillenburg, door zijn vader gebouwd en door hem zelf veranderd.

Geen Duitsch staatsman ging met hem heen, maar een uitmuntend bestuurder van het graafschap Nassau. Hij is alleen bekend geweest als Willem de Oude of de Rijke, terwijl het voor zijn zoon was weggelegd, Willem van Nassau te worden.

Illustration from Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings