Huiselijk verdriet.
D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation
De ernstige verliezen en hinderlijke tegenstand, die Oranje gedurende den zomer van 1568 en in de volgende jaren leed en ondervond, het jammerlijk gebrek aan geld, dat hij noodig had, om zijn plannen ten uitvoer te brengen, waren niet de eenige hardheden, die hij had te dragen. Er was nog een andere kwelling en marteling, die hem overal volgde, waar slechts brieven hem konden bereiken.
Toen hij zijne familie veilig op het kasteel Dillenburg had gehuisvest, had hij mogen verwachten, dat zijn vrouw zich volkomen gelukkig en tevreden met haar schoonzusters in de groote vrouwelijke huishouding aldaar zou gevoeld hebben. Maar zelfs voor de meest onzelfzuchtige vrouw was het verblijf niet gemakkelijk en aangenaam. Alleen een vrouw, die zoo vurig belangstelde in al de plannen van haar echtgenoot, dat elke overweging daaraan ondergeschikt gemaakt werd, zou het met geduld hebben kunnen dragen. Anna van Saksen was zoodanige vrouw niet en ze deed zelfs geen poging, haar ontevredenheid over haar verblijf te Dillenburg en haar vrees voor toekomstige bezwaren te verbergen.
In 1567 was haar wensch, naar de Nederlanden terug te keeren, door de vereenigde weigering van haar echtgenoot en bloedverwanten verijdeld. Gedwongen had zij van haar voorkeur afgezien en Maurits was in het voorouderlijk huis geboren. Gedurende de volgende lente en zomer was Oranje met bezigheden overladen en kwam hij slechts met zeldzame tusschenpoozen in Dillenburg. Het leven binnen de wallen was somber en het nieuws, dat de angstig verwachte boden brachten, ontmoedigend.
Na haar echtgenoot verzocht te hebben, elders heen te mogen gaan, wat hij haar geweigerd had, maakte Anna van zijn afwezigheid gebruik, trachtte in het wild overal geld op te nemen en ging naar Keulen. Van daar schreef ze aan haar oom en verzocht hem haar een vertrouweling te zenden. Tegen het eind van 1568 zond Augustus overeenkomstig haar wensch Volmar von Berlepsch, een kolonel, uit Thüringen. De inhoud van het rapport, dat deze gezant aan den keurvorst zond uit Langensalza, was hoofdzakelijk het volgende:
Anna beklaagde zich tegenover hem bitter over haar harde positie en zeide, dat haar oom naast God haar eenige hoop was. Altijd had zij haar gemaal gewaarschuwd tegen oorlog met Spanje, maar hij was steeds doof voor haar geweest, en nu was hij in het net gevangen, dat over hem door anderen was geweven, in het bijzonder door Lodewijk, dien zij niet kon uitstaan. Haar echtgenoot en al zijn broeders hadden al hun gereed geld verteerd, ze hadden hun zilver en juweelen opgeofferd voor het onderhoud hunner soldaten, die nimmer konden verwachten iets te zullen volbrengen. Bijgevolg was al haar geld denzelfden weg gegaan; ze had er zich niet tegen verzet, maar alles was nutteloos geweest, juist zooals ze voorzien had.
De onbetaalde soldaten eischten nu hun loon, ze dreigden zelfs den Prins met mishandeling of hem als gijzelaar gevangen te nemen, totdat zijn vrienden hem zouden kunnen loskoopen. Oranje had haar in bijna twee jaren slechts 250 kronen gegeven. Kon haar oom hen niet helpen om haar eigendom, dat zij zoo tegen wil en dank had verpand, terug te krijgen? Ze zou blij genoeg zijn, als zij met haar echtgenoot als graaf, of als edele, of als eenvoudig burger kon leven, maar het was werkelijk onverdragelijk niets in de wereld te bezitten, van den wind te moeten leven en zijn eigen handen en voeten op te eten.
Daarom smeekte zij den keurvorst, een bedreigde naasting van haar eigendom te voorkomen. Binnen vijf of zes dagen wachtte zij weder eene bevalling en dat was een andere reden, waarom zij naar Keulen was gegaan. Haar schoonmoeder en al de andere vrouwen in Dillenburg waren zeer onaangenaam tegenover haar; dikwijls kon ze niet eens een glas wijn of bier krijgen en sommige dagen gingen geheel voorbij, zonder dat zij haar in haar vertrekken bezochten. Het zou eenvoudig verschrikkelijk zijn, daar een ziekte van zes weken te doorstaan, dan zou zij gebrek aan alles hebben. En nog was dat niet de werkelijke reden van haar plotselinge reis.
Er was in Dillenburg een epidemische ziekte uitgebroken en in het geheele Westerwald was geen geneesheer te vinden. Hoe kon zij dan daar blijven wonen? Te Keulen waren een honderdvijftig Nederlandsche dames, met wie zij kon praten en zich aangenaam bezig houden, om de verveling van haar kraamdagen te breken. Ze had er voor gezorgd, een geleerden, vromen predikant mee te nemen, die uit de Nederlanden was gebannen en van Spaansche tusschenkomst had zij niets te vreezen. Ze hoopte zoo in Keulen te leven, dat er geen enkel kwaad gerucht van haar in omloop kon komen. Haar toestand was anders moeilijk genoeg, want ze had geen stuiver.
Gerhard Koch, een Antwerpsche koopman die nu in Keulen woonde, had haar een groote som gelds geleend, maar daar de Prins hem ook al 30.000 florijnen schuldig was, zou hij haar niet verder helpen. Haar juweelen en tafelzilver waren reeds in pand. Diep in de schuld zat ze bij haar dienaars voor vleesch, brood en wijn. Graaf Jan had haar geschreven, dat het tafelzilver, waarop ze zeer weinig gekregen hadden, verbeurd was verklaard, daar het niet op den datum was ingelost. Doodarmoedig als ze was, wilde zij niet zonder haar echtgenoot naar Dillenburg terugkeeren; liever wilde ze sterven. Waarom konden ze niet de Nassau-woning te Dietz herstellen?
Berlepsch getuigde, dat inderdaad haar tafel sober was, doch dat er nog 43 personen aan gevoed werden. Hij had haar aangeraden niet stijfhoofdig te zijn, maar den raad van haar echtgenoot op te volgen. Na uit Langensalza aan Augustus geschreven te hebben, ging Berlepsch naar Dillenburg en besprak daar Anna’s zaken met Jan van Nassau, de groote kosten van de huishouding te Keulen, het herstellen van de woning te Dietz enz.
Jan zeide, dat Berlepsch in gebreke was gebleven, bij Augustus en den landgraaf te klagen over Anna’s voortdurende aanmerkingen en gemor. Wat haar levenswijze te Dillenburg aanging, de Dillenburgers waren geen vorsten en als Anna niet kreeg wat zij wenschte, dan moest ze nemen, wat ze kon krijgen. Indien ze zich zelf niet schikken wilde naar hunne levensmanier en zich niet aangenaam wist te maken, dan kon ze naar Keulen gaan of waarheen zij wilde, maar verdere hulp van hem had ze niet te verwachten. Hij had reeds veel meer voor haar gedaan, dan rechtens van hem kon verwacht worden.
Eerst had hij den Prins 50.000 florijnen geleend; daarop hem in het tweede jaar met zijn vrouw en zijn hofhouding onderhouden, met 150 tot 200 personen, zonder een woord te spreken van betaling. Het laatste doopfeest van Maurits was op zijn kosten gevierd. Daarop had hij nog aan Zijne Excellentie twaalf goede stukken geschut gegeven en hem voor het grootste deel voorzien van zijn uitrusting, waarvan de wagens alleen 5000 florijnen gekost hadden. Hij had 170.000 florijnen op het crediet van Dillenburg geleend enz., enz.
“Het was hem absoluut onmogelijk, de schuldbekentenis van 12.500 daalders aan de Prinses verschuldigd, te voldoen, of het huis te Dietz te herbouwen. Ter wille van haar gemaal zouden ze Anna met 10 of 12 personen te Dillenburg ontvangen en met haar deelen, wat de Heer hun gaf. Beviel haar dit niet, dan kon ze het huis te Freudenberg krijgen. Het tafelzilver, dat aan de Prinses, aan haar echtgenoot en aan hem zelf toebehoorde, was verpand voor 22,000 zilveren marken en de juweelen voor 20.000 marken. Konden de keurvorst en de landgraaf die niet inlossen? Hij zelf had voor zijn deel meer gedaan dan van hem verwacht kon worden.”
Berlepsch zeide toen verder, dat Anna in Keulen drie maanden zonder betaling geleefd had in het huis van Jan Molon, den penningmeester van den Prins. De vrome weduwe Brederode, in wie de Prinses veel vertrouwen stelde en die juist wist, hoe met haar om te gaan, was bij haar. Een jong Nederlander met name Hauff, was haar rentmeester. Het huishouden, verschrikkelijk duur, werd niet met overleg bestuurd. Gerhard Koch had Berlepsch verteld, dat de Prinses niemand had, die verstand had van beheer, al had ze ook een troep nuttelooze dienaars. Haar stallen waren teruggebracht tot twee koetspaarden en twee ezels. Aan Koch was zij 60.000 florijnen schuldig en inderdaad, de Prinses had geen stuiver buiten hetgeen hij haar gaf. Slagers, bakkers en wijnkoopers plaagden haar om betaling enz.
Toen Augustus dit rapport ontving, schreef hij Anna, dat ze naar Dillenburg moest terugkeeren, berispte haar eveneens over haar stijfhoofdig karakter en deelde haar nog eens mede, wat Graaf Jan al had ten offer gebracht. Maar de wijze, waarop haar schoonbroeder zich over haar had uitgelaten, was niet van dien aard, om Anna te overtuigen, dat zij in Dillenburg zou worden behandeld, zooals ze dat begeerde. Ze wees dan ook die uitnoodiging geheel van de hand, hetgeen zeker de bewoners van Dillenburg niet erg betreurden.
Daarop deed ze een stap, die den Prins zeer moest verbitteren. Zij besloot de zaak zelf in handen te nemen en te zien, wat ze doen kon, om haar verbeurd verklaarde goederen terug te krijgen. Weder schreef ze aan den keurvorst, met het verzoek haar te helpen, om “maatregelen te nemen voor mij zelf en mijne drie arme kinderen, opdat we niemand verder tot last zijn. Er is niemand anders die mij in de wereld helpt.”
Dit beroep op Augustus en den landgraaf had tot gevolg, dat zij voldoende geld van hen ontving, om haar procureur, een zekeren Dr. Betz, naar Maximiliaan te Weenen te zenden, ten einde den keizer te verzoeken, haar zaak ter harte te nemen en haar request in Spanje te ondersteunen.
Haar pleidooi was meer vernuftig, dan vrouwelijk. Zij beweerde, dat de Prins van Oranje door zijn weigering om de dagvaardingen van zijn leenheer te beantwoorden en de voortdurende proclamatiën tegen hem, burgerlijk dood was. In de oogen van de Nederlandsche wet was hij een dood man; ergo was zij op Nederlandschen bodem weduwe; ergo waren de Nederlandsche goederen de hare, daar zij een gerucht had gehoord, dat Alva geen enkele vrouw van rang van haar eigendom wilde berooven. Korten tijd later schreef zij aan haar “dierbare vriendelijke tante,” de keurvorstin, dat ze vreesde, dat dit gerucht valsch was en ze verzocht haar om nader nieuws daaromtrent.
Het antwoord, haar door Spanje gegeven, was natuurlijk, dat ze geen weduwe was. Al was ze zelf geen rebel, ze had toch rebellen geholpen en opgestookt. Ze had haar zilver, 200.000 florijnen waard, verkocht, om den opstand van haar echtgenoot te steunen. In 1568 was zij zelfs op den koninklijken troep te Kerpen aangevallen en had verschillende zaken mee naar Keulen genomen, hetgeen haar van zelf medeplichtig maakte. Anna’s Duitsche procureur antwoordde op naïeven toon, dat onmogelijk de Prinses bedoeld kon zijn met “la gueusesse,” want dat haar naam was Anna, dochter van Maurits van Saksen. Haar reis naar Duitschland in den vroegen winter van 1567 had alleen tot doel gehad, haar stervenden grootvader, Filips van Hessen, nog levend te zien. Haar echtgenoot was ze gevolgd om drie goede en voldoende redenen: 1. Het was haar vrouwelijke plicht. 2. Ze was geen onderdane van Spanje. 3. Men had haar niets gelaten, zelfs niet iets zoo groot als eens mans hand. Al haar zilver was eenvoudig bij dat van haar man gevoegd; haar juweelen had ze zoolang mogelijk onder zich gehouden. Toen Kerpen was geplunderd, was zij in Heidelberg geweest en in ’t geheel niet in Keulen. Zij wilde de zaak voor het keizerlijk hof te Spiers brengen, of Alva overreden, haar klachten te doen gelden, maar haar schoonbroeder Jan hield het tegen. Niets was krachtens de wet gedaan.
Dr. Betz bereikte Weenen, maar ging niet naar Spanje, om de zaak voor Filips te brengen. Het oogenblik, bij den koning te komen, was anders goed gekozen, namelijk bij gelegenheid van zijn huwelijk met Anna van Oostenrijk, daar ’s konings hart dan misschien medelijdend gestemd zou zijn. Tegen 15 Juni was Dr. Betz in Heidelberg terug, van waar hij zich zelf verontschuldigde, dat hij zijn zending niet had uitgevoerd.
Anna overstroomde haar verwanten met brieven om hulp. De onderpanden van haar huwelijksgoed waren verpand en ze wenschte vurig ze in te lossen. Ze verlangde in Siegen een huishouden op te zetten. Zij beklaagde zich, dat de keurvorst haar wedde niet geregeld betaalde, waarop hij antwoordde, dat ze niemand naar de markt te Leipzig gezonden had, om die te innen. Daarop schreef ze weer, om te weten te komen, wat haar kansen waren om de som van 30.000 daalders te verkrijgen, die men haar bij den dood van haar stiefvader verschuldigd was, en waarvoor zij een hypotheek had op Dornberg, Kamberg en Sachsenburg.
Jammerend herinnerde zij den Keurvorst, dat hij het was geweest, die haar huwelijk had doen sluiten en daarom moest hij haar helpen, in plaats van koel aan te zien, dat zij aan elken kant van haar rechten beroofd werd. Eindelijk loste hij haar verpande juweelen ten getale van 385 in.
Dat het Anna niet ontbrak aan een zekere hofhouding, bewijst de lijst van hare volgelingen in Juli 1569:
“Twee jonge dames, een jong edelman, een hofmeester, twee assistenten en een meid. Twee kamermeisjes, een min, twee kindermeisjes, een waschvrouw, een page, een keukenschrijver (?), een kleermaker, een bottelier, een kok, een lakei, een portier, een hofmeestersjongen, een predikant, zuiver in de leer, die H. Excellentie troostte en met haar bad.”
Deze bijzonderheden over de Prinses kunnen dienen, om den gemoedstoestand van den Prins, die in den volgenden brief (geschreven uit Dillenburg in Nov. 1569) uitkomt, des te beter te begrijpen.
Mijne vrouw,
Uit uw brieven heb ik gezien en van onzen secretaris gehoord de reden en de oorzaak, die u bewogen hebben, om niet tot mij te komen, welke redenen ik volstrekt niet voldoende vind uit het oogpunt van den plicht, die eene vrouw aan haar man verschuldigd is, in geval zij hem eenige liefde toedraagt. Want gij zegt wel dat gij beloofd hebt nooit meer in dit land te komen, maar dan moet gij ook bedenken, dat gij van te voren voor God en Zijne kerk beloofd hebt, alle dingen ter wereld te verlaten, om uw man te volgen, hetgeen mij toeschijnt, dat u meer ter harte moest gaan dan alle kleine beuzelingen, indien gij althans eenigszins aan uwe verplichting denkt te voldoen.
Ik zeg dit niet, om u te willen overhalen hier te komen, want daar dit u zoo tegen de borst stuit, laat ik het aan u over, maar wel zeg ik het u, om u aan uw verplichting te herinneren, zooals ik moet doen, zoowel omdat God het beveelt, als uit vriendschap voor u, dan kan er morgen of daarna komen wat wil, ik heb aan mijn geweten voldaan en u aangewezen, wat gij voor God en de wereld verplicht zijt. Vooral in dezen tijd meer dan in eenigen anderen, nu ik in zulke moeilijkheden ben, zooals gij zelf weet, is er niets in de wereld, dat meer troost geeft dan zich getroost te zien door zijn vrouw en te weten, dat zij met geduld het kruis wil dragen, dat de Almachtige haren man zendt, vooral als deze lijdt ten gevolge van pogingen om de eer van God te bevorderen en de vrijheid van zijn vaderland te bereiken.
Dan is er nog een andere reden die u moest overreden tot mij te komen, namelijk, dat er zoovele zaken zijn, die ik u moet mededeelen, die zich niet laten beschrijven en waarvan thans mijn eer en leven afhangen. Indien gij mij althans eenige vriendschap toedraagt, dan moest u dat meer ter harte gaan, dan allerlei frivole affecties en bedenkingen.
Ik wil niet eens op het feit drukken, dat ieder thans gelegenheid heeft, over ons te praten en verschillend te redeneeren en ieder onze zaken naar zijn eigen lust en karakter kan beoordeelen. Ik kan u verzekeren, dat, indien gij mij geschreven hadt dat gij mij in Frankfort, in plaats van in Siburg, te midden mijner grootste vijanden, wildet ontmoeten, ik voor niets ter wereld zou hebben verzuimd, met u daar samen te komen, omdat ik groot verlangen heb u te zien, niettegenstaande al mijn vrienden, die ik over de zaak sprak, mij om het gevaar, waaraan ik mij zou blootstellen, afraadden naar welke stad ook te gaan.
Ik laat het aan uw gedachten over, om te bedenken, wat het voor mij zegt, dat gij die mijne echtgenoote zijt, bezwaar maakt mij te komen zien en dat ik mij in mijne ellende moet laten troosten door anderen, die mij niet zoo na zijn.
Wat uw raad aangaat, om naar Engeland en Frankrijk te gaan: ik zou wel wenschen, dat de zaken in Frankrijk van dien aard waren, dat wij er gerust heen konden gaan, maar de toestand der arme Christenen was er vroeger beter dan thans en ik kan u verzekeren, dat, als God in zijn barmhartigheid geen geneesmiddel aanbrengt, de arme Christenen daar er erger aan toe zullen zijn, dan in de Nederlanden. Als de Koning van Frankrijk zijn eigen onderdanen zoo hard behandelt, wat zal hij dan met vreemdelingen doen? Gij kunt dus wel denken, wat er te wachten zou zijn, indien we ons daarheen begaven.
Wat Engeland aangaat, er zijn redenen voor, die ik niet kan schrijven, maar ik verzeker u, als gij ze gehoord hadt, dan zou uw verlangen, om daar heen te gaan, wel vervliegen. Buitendien zijn onze zaken in zulk een toestand gekomen, dat het niet meer de vraag is, te besluiten waar wij heen zullen gaan, maar wel, waar men ons zal willen ontvangen. In de meeste steden en staten zou men zich wel meer dan tweemaal bedenken, voordat men ons ontving. De koningin van Engeland, de koning van Denemarken en van Polen en vele Duitsche vorsten zouden hetzelfde doen. Ik spreek niet van u, maar van mij, omdat ik in ongenade bij den keizer ben. Hierover en over vele andere zaken hadden we samen kunnen spreken, als wij elkander in het geheim hadden kunnen zien. Want al mijn vrienden zijn van meening, daar mijn vertrek uit de Nederlanden aan iedereen bekend begint te worden, dat ik mij niet op ééne plaats kan ophouden, maar heden hier en morgen daar moet vertoeven.
Daar het God behaagd heeft, dat ik in deze ellende ben, had ik zoo gaarne het geluk gehad, u althans eenige dagen te zien; het komt me voor, dat ik dan des te blijmoediger alle ongelukken, die de goede God mij heeft toegezonden en mij nog zal toezenden, zou hebben kunnen dragen. Nu vertrek ik morgen; van mijn terugkomst, of wanneer ik u nu zal kunnen zien, kan ik u op mijn eer niets zekers melden, want ik ben besloten, mij te stellen in de hand van den Almachtige, opdat Hij mij geleide, waar Hij wil. Ook zie ik wel, dat ik dit leven verder in ellende en arbeid zal moeten doorbrengen, waaraan ik mij wil onderwerpen, omdat het alzoo behaagt aan den Almachtige, want ik weet, dat ik grooter kastijding verdiend heb. Ik bid u alleen, mij de gunst te bewijzen, alles geduldig te dragen, gelijk ik tot heden gedaan heb. Ik ben zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaak, die gij thans in de Nederlanden tracht te bereiken, goed staat en dat Hovelmans zijn plicht doet. Gij kunt verzekerd zijn, dat uw zaken nimmer zoo goed zullen gaan, of ik wenschte, dat ze nog beter gingen en dat mij niets aangenamer kan overkomen, dan te hooren, dat gij tevreden zijt.
Ik bid den Almachtige, U te verlichten door Zijn Heiligen Geest en ons allen voor hetgeen ons het heilzaamst is, opdat wij, voor Hem op den dag des oordeels verschijnende, Hem dan beter rekenschap kunnen geven van al onze daden. Ik beveel mij enz.”
Merkwaardige, eenvoudige en treffende brief. Oranje overdrijft er niet zijn affectie tot zijn vrouw in; hij zegt ronduit, wat haar plicht was geweest en toch doet hij haar gevoelen, van hoeveel waarde het bijzijn zijner vrouw had kunnen zijn en hij tracht zelfs nu nog met Anna weder in goede verstandhouding te komen. Of zij zulk een brief waard was, we zouden het bijna betwijfelen, want hoewel het zeker is, dat ze in geen aangename verhoudingen was gekomen, vergeleken bij haar vorstelijken staat in de Nederlanden, ze had in het minst geen besef van hetgeen de tijd van haar echtgenoot eischte en van hetgeen zij dus met onderwerping had moeten dragen. In een brief van den 7en Febr. 1570 schreef Oranje aan zijn broeder Jan, dat het beter was dat zijn vrouw bleef waar ze was en dat ze niet moest gedwongen worden te komen, daar zij het niet verlangde. Hoe treurig steekt bij Oranje’s zachtmoedigen toon het bitter woord af, dat Anna’s pen op den 8en Febr. nederschreef:
Goedgunstige waarde Heer,
De reden, waarom ik den uwen van 14 Dec. niet beantwoordde, zal uw secretaris u wel mededeelen, tegelijk met andere dingen, die ik hem opdroeg, u te rapporteeren. In antwoord op uw vraag, dat ik een plaats zou aanwijzen, waar we elkander konden ontmoeten en daar gij niet wenscht te komen in de nabijheid der Nederlanden, weet ik geen betere plaats dan Leipzig. Ik denk toch binnenkort den keurvorst een bezoek te brengen, daar ik hem in negen jaar tijds niet gezien heb. Dan zal ik mijn weg over Leipzig nemen, welke plaats u wel schikken zal, daar ik hoor, dat gij daarvan niet ver verwijderd zijt. Of indien het u beter voorkomt, kom dan in Braubach, in het rijk van Landgraaf Filips gelegen. Ik weet geen beter en geschikter plaatsen aan te wijzen dan in de landen van mijn beide neven, waar gij ook wel veilig zult zijn. Doe me weten, welke van de beide plaatsen gij verkiest, dan kan ik aan Landgraaf Filips schrijven en hem zijn huis voor ons ter leen vragen, want nooit ga ik weer naar een uwer vrienden. Indien gij mij daartoe zoudt willen dwingen, dan zou ik dat als een bewijs aanmerken, dat gij mijn dood wilt.”
Met al de halsstarrigheid, haar klein karakter eigen, had Anna een besluit genomen, waarvan ze niet wilde afwijken. Het was dezelfde geest, dien zij in haar 17e jaar getoond had, toen ze tegenover iedereen, die het afraadde, besloten had den Prins te huwen. Wat toen echter nog als behagelijke beslistheid van karakter kon worden aangemerkt, was thans onbehagelijke eigenzinnigheid geworden.
Op den 6en April schrijft zij weder:
Goedgunstige waarde Heer,
Uw brief en uw boodschap heb ik van Tseraerts ontvangen. Ik kan niet gelooven wat gij schrijft omtrent uw verlangen mij te zien, want uw daden waren niet in overeenstemming met uw woorden. Wat de plaats aangaat, waar gij wenscht dat ik komen zou, die is in ’t geheel niet geschikt voor mij en ook weet ik niet, hoe ik aan reisgeld zou komen, om u en mijn betrekkingen te zien.

Facsimile van een brief van Anna van Saksen.
Gij schrijft, dat gij niet in staat zijt, mij geld te zenden, maar ik heb tot nu toe wel ondervonden, dat gij nooit bijzonder bereid zijt om mij te helpen. Gij weet beter dan ik, of het u wezenlijk aan macht, mij bij te staan, heeft ontbroken. Daar ik echter van u noch van de uwen krijgen kan, wat mij van rechtswege toekomt, moet ik mij wel op mijn vrienden beroepen, om hulp te erlangen. Ik zie wel, van u heb ik niets goeds meer te wachten, wat gij mij ook beloofd hebt. Maar ik wensch niet meer genoemd te worden een schade en verderf van het huis Nassau, hoewel dit terecht mijn schade en verderf kan heeten. Wat uw schrijven aangaat, dat ik, als ik bij u kom, mijn toorn maar te Keulen moet laten: nooit ben ik toornig tegenover u of de uwen geweest, dan om goede redenen. Onze samenkomst zou waarschijnlijk de oorzaak zijn, dat mijn rechtmatige toorn niet verminderd, maar vermeerderd werd, als ik van u dingen moest hooren naar uwe oude gewoonte. Daar het u niet behaagt, te komen op de vier plaatsen, die ik genoemd heb, moet ik dat geduldig dragen. Wat mij aangaat, ik kan niet komen op de plaats, die gij aangeeft. Ik beveel u in Gods bescherming en ik bid, dat Hij u beter mag behandelen, dan gij mij.”
Verwondert het ons, dat de Prins op het ontvangen van zulke brieven zijn geduld verloor? Hij gevoelde zich gedrongen, aan een van Anna’s verwanten, Willem van Hessen, verslag te doen van de houding zijner vrouw tegenover hem. Hij begreep toch wel, dat Anna niet zou nalaten, hare bloedverwanten op haar manier in te lichten. Daarom wilde de Prins zich verantwoorden en deed hij Willem van Hessen gevoelen, dat het hem eenvoudig onmogelijk was, die soort van dingen langer van zijn vrouw te verdragen. Toen hij haar eenige maanden geleden een hartelijken vriendelijken brief had geschreven, liet zij hem twee maanden zonder antwoord. Allerlei voorstellen had hij haar gedaan, om elkander te ontmoeten, maar die waren alle afgestuit op den onwil van zijn vrouw en nu schreef ze hem zulk een hoogst onaangenamen brief, waarvan Oranje aan Willem van Hessen de copie zond. Geduld had hij genoeg gehad, maar zulke impertinente, dwaze brieven deden het hem verliezen. Alsof hij nog niet genoeg andere hoofdbrekende zorgen had, kwam zijn vrouw die nog vermeerderen door haar gedrag te zijnen opzichte. Toch schijnt Willem van Hessen medelijden met Anna’s geldelijke verlegenheid gehad te hebben. Hij zond haar althans geld, een oude hofmeesteres en eenig ander vrouwelijk gezelschap. Of dat vriendelijk ontvangen werd, is niet waarschijnlijk.
Nog eens in Mei deed de Prins een poging, om Anna goeden raad te geven en betitelde hij haar zelfs met de oude geliefde benaming “Ma mie.” In haar boezem was echter de liefde tot Oranje geheel gestorven. In haar brieven uit die jaren vinden we geen enkel spoor van sympathie met de teleurstelling en ontberingen van haar echtgenoot. Trouwens geen wonder—want de hartstochtelijke, trotsche, eigenzinnige Anna van Saksen was reeds in 1570 tot nog diepere zedelijke afdwaling gevallen, die ons bij het noemen van haar naam met weerzin vervult. Het schetsen van haar verderen levensloop kan ons dan ook niet behagen, en toch mogen in het leven van den Prins de droevige feiten niet geheel onvermeld blijven.
In de afwezigheid van den reeds genoemden rechterlijken raadsman van de Prinses, Dr. J. Betz, werd een ander rechtsgeleerde, die eveneens uit Antwerpen had moeten vluchten, bij Anna van Saksen geroepen, ten einde ook de aangelegenheid van haar huwelijksgoed te behartigen. Deze tweede rechtsgeleerde was de vader van den Vlaamschen schilder Rubens en met dezen leefde Anna te Keulen in overspel. Zelfs toen ze in den aanvang van 1571 zich te Siegen had gevestigd, ontving zij ook daar bezoek van Rubens. Men schijnt in den familiekring van de Nassau’s dienaangaande eenig kwaad vermoeden gehad te hebben. Althans in Maart 1571 werd Rubens op een reis naar Siegen opgelicht en op last van den Prins en van graaf Jan van Nassau gevankelijk naar Dillenburg gebracht. Daar bekende hij zijn misdaad. Overeenkomstig de landswetten hadden de Nassau’s volkomen recht gehad, Rubens ter dood te doen brengen. Want twijfel aan de zaak bestond niet.
Anna zelve schreef wel aan Oranje een brief vol betuigingen van haar onschuld, ja zelfs achtte ze zich ten hoogste beleedigd, dat men haar zulk een ontrouw durfde ten laste leggen. Doch het ongeluk voor haar wilde, dat een briefje van haar aan Rubens, den Prins in handen viel, dat haar misdaad ontwijfelbaar bewees.
Rubens werd te Dillenburg in de gevangenis geworpen en was zoo zeker dat hij zijn misdadige liefde met den dood moest boeten, dat hij alleen nog de genade vroeg onthoofd te worden. En toch, het leven werd hem gespaard. Aan den eenen kant begreep men in Nassau, dat de voornaamste schuldige Anna was, overeenkomstig Rubens’ confessie; aan den anderen kant was het Rubens’ beleedigde echtgenoote, Maria Pepeling, die niet ophield, voor haar man bij de Nassau’s tusschenbeide te treden. Reeds in 1573 mochten zij weder in Siegen samenwonen; in 1577 ontving het echtpaar verlof zich elders te vestigen, mits niet in de erflanden van den Prins of in zijn nabijheid.
En wat den Prins aangaat, het was natuurlijk, dat Oranje liefst zooveel mogelijk de zaak geheim gehouden had. Opmerkenswaard is zeker, dat de brief, dien de Prins er over schreef aan zijn broeder Jan, veel meer over de oneer, die de zaak hem zou kunnen berokkenen loopt, dan over de daad zelf, die zich “leider had zugetragen.” Doch dit behoeft ons, na al wat Oranje reeds van Anna verdragen had, niet zoo zeer te bevreemden. In Mei schreef deze nog eens een brief aan haar schoonbroeder Jan en verzocht ze hem in haar belang bij den Prins tusschenbeide te komen. Uit dien brief blijkt wel, dat haar berouw niet diep was. “Ze had den raad van den landgraaf moeten volgen en nimmer met een Nassau moeten huwen. Zij verlangt naar den dood enz.” Drie jaren bleef ze nog in Nassau en was in dien tijd woonachtig te Beilstein, maar een voortdurende lastpost voor de bloedverwanten van haar echtgenoot. Hare kinderen waren van haar weggenomen; die werden door graaf Jan met meer dan vaderlijke zorg opgevoed. Vele brieven werden er over haar gewisseld tusschen Jan van Nassau en Anna’s bloedverwanten. Zoo schreef Willem van Hessen op 20 Februari 1572 in eene instructie omtrent haar het volgende:
“Wanneer men God den Heer vergeet, in alles het vleesch naleeft en aan den Duivel zooveel macht over zich toestaat, dan kan het niet anders afloopen, zooals de geschiedenissen des O. en N. T. zoowel als die der Heidenen en de dagelijksche ondervinding dat bevestigen. Mijne nicht weet, hoe wij niet alleen als een neef, maar als een vader meermalen vermaand en gebeden hebben, van God niet met zooveel minachting te spreken, vlijtig aan te houden in het gebed en het lezen der H. S. Ook haren heer en gemaal, die haar niet is opgedrongen, maar dien zij naar willekeur, ja zelfs tegen den wil en het verbod van onzen vader, hoogloffelijker gedachtenisse, genomen heeft, moet zij behoorlijken eerbied en achting bewijzen en zich voor ’t overige eerbaar en onbesproken gedragen, zooals het eene eerbare vorstin naar oud Duitsch gebruik past. De lichtvaardige zeden der Walen, hun ijdelen pronk dient zij vaarwel te zeggen en de loffelijke Duitsche manieren te volgen, door slechts zeldzaam of liever in het geheel niet, vreemde manspersonen tot haar onderhoud en in hare kamer toe te laten. Had zij dien raad opgevolgd, zij zou thans niet onder een zoo zware schuld gebukt gaan.”
Uit deze woorden blijkt voldoende, hoe Willem van Hessen Anna van Saksen geheel de schuld gaf. De keurvorst daarentegen zette die op ’s Prinsen rekening. Hij zeide, dat dit nu de gevolgen waren, als men zijn vrouw liever Amadis de Gaule dan den Bijbel liet lezen; dat Oranje haar veel te veel had toegelaten, haar zin en lust op te volgen; dat alles zou voorkomen zijn, als de Prins bijtijds haar moedwilligheid had gebroken en haar in tucht en gehoorzaamheid had gehouden, enz. Tegen die beschuldigingen verdedigde Oranje zich op de volgende wijze:
“Wat hij destijds van Amadis de Gaule aan de keurvorstin had gezegd, was alleen spotternij geweest en gesproken op een tijd, toen hij zelf nog niet was gekomen tot de kennis der waarheid.
“Anna zelf had booze “mores” onder de leden, voor zij in de Nederlanden kwam. Ze had die reeds op weg naar hare woonplaats Breda getoond en daarbij steeds volhard.
“De Prins had niet nagelaten, haar daarover ernstig te onderhouden en zelfs nu en dan had hij lichtzinnige lieden, die zij om en bij zich had, met slagen uit zijn huis moeten doen jagen.
“Bij booze vrouwen zijn tranen en gramschap even vruchteloos; waar de inborst boos is, daar moeten zich booze daden openbaren.”
Kortom, hoe ook de diepe val zijner tweede vrouw Oranje getroffen moet hebben en onder al de bekommernissen van die jaren zijne zorgen verdubbeld, hij kon er zich boven verheffen, overtuigd, dat niet aan hem de schuld lag van al het kwaad, dat Anna van Saksen hem en den zijnen berokkend had.
Het is treurig te zien, hoe ellendig de overspelige vrouw haar leven geëindigd heeft. Na nog drie jaren in Nassau te zijn geweest, werd zij in 1575 naar Saksen gebracht. Er was geen huis met haar te houden. Men kon eindelijk geen dienaren, zelfs tegen hooge belooning vinden, om bij haar te wonen. Haar gedrag was zoo heftig, dat de omstanders dikwijls in levensgevaar verkeerden. In rustige oogenblikken verlangde ze slechts naar haar dood, een wensch, die zeker ook haar bloedverwanten deelden. Toch zou ze daarna nog twee jaren in Dresden leven. Daar werd ze opgesloten in een gevangenis; haar voedsel werd haar door een opening toegereikt, terwijl een predikant belast werd met de zorg voor haar ziel. Daar haar geest reeds geheel was ondergegaan, zullen dit wel ijdele woorden geweest zijn. Eindelijk stierf ze 18 December 1577, razend krankzinnig in haar 33e jaar. Den volgenden dag werd de booze “dochter van den grooten keurvorst” te Meiszen begraven, en wel in het graf harer voorouders. Een groote stoet van “schoolkinderen, predikanten, overheidspersonen, edellieden en burgers” volgde de lijkbaar.
Voor den Prins was ze al lang dood geweest.

Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)
