Het derde huwelijk van den Prins met Charlotte van Bourbon. 1575.
D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation
Kort voor zijn terugkeer naar de Nederlanden, had Willem van Oranje te Heidelberg kennis gemaakt met de vrouw, die bestemd was zijn derde echtgenoote te worden. Ofschoon hij nooit eenige beteekenis voor zijn politiek aan de vrouw heeft gehecht, oefende zij toch door haar verkeer met hem, invloed uit op zijn karakter en innerlijk leven.
We deelden de bijzonderheden mede van de ellende van zijn tweede rampzalige echtverbintenis; hoe gelukkig, dat we thans als tegenhangster van de booze Anna van Saksen de zoo vriendelijke en getrouwe Charlotte van Bourbon kunnen stellen.
Charlotte van Bourbon was eene dochter van den hertog van Montpensier, een jongere linie van den koninklijken stam, waarvan de koning van Navarre, de oudere vertegenwoordigde. Haar moeder was Jacqueline de Longueville. De hertog en zijn vrouw waren op het punt van den godsdienst niet eensdenkend. Hij was een vurig voorstander van het Katholicisme, vocht tegen de Hugenoten met grooten ijver mede en leverde de protestantsche gevangenen met groote toewijding aan het gerecht over. Zij was in haar hart Hugenootsch gezind; ze haatte de devotie der Guises en oefende zelfs op de koningin af en toe een gunstigen invloed uit. Toch bleef zij voor het uitwendige den katholieken godsdienst getrouw en zond zelfs drie harer dochters naar een klooster.
Tot dezen behoorde ook Charlotte, geboren in 1546; zij werd zeer jong naar het klooster van Jouarre gebracht, waarover haar tante abdis was, terwijl ze zelfs bestemd was dien titel van haar te erven. Op dertienjarigen leeftijd, in 1559, werd zij reeds daartoe gewijd. Haar moeder stierf spoedig daarna en de tweede echt van haar vader met een zuster der Guises bedroefde en verbitterde haar zoo, dat zij mede door den invloed van haar tante, de abdis van het klooster Paraclet, in het geheim tot de Hervorming overging, na daarin onderricht ontvangen te hebben van een vriend van den admiraal de Coligny, den predikant d’Averly. Ook een andere zeer goede bekende van de Coligny, n.l. zijn schoonzoon Téligny (die in denzelfden Bartholomeusnacht met den admiraal werd vermoord), kwam met Charlotte, in den tijd dat ze abdis van Jouarre was, in aanraking. Hij bracht brieven en boodschappen aan haar over van hare vriendin Jeanne d’Albret. In diens gezelschap bevond zich dan meer dan eens Lodewijk van Nassau, welke ontmoeting de aanleiding is geworden van de bewering, dat Charlotte, door den levendigen en bevalligen edelman getroffen, onder zijne hoede het klooster had ontvlucht. Die vlucht zelve heeft werkelijk plaats gehad en gaf ook allen schijn van een romantisch avontuur. Want nadat ze zich eerst tot de koningin van Navarre gewend had, met verzoek haar behulpzaam te zijn bij den overgang tot het Protestantisme en deze haar voor die zaak naar hare zuster Bouillon had verwezen, heeft zij op een winteravond met twee harer geestelijke zusters het klooster verlaten, geholpen door d’Averly, die haar met paarden aan de poort wachtte. Ze vluchtte toen eerst naar hare zuster Bouillon, die haar spoedig bij Frederik III van de Paltz in veiligheid liet brengen.
Wel eischte de koning van Frankrijk, dat de vluchtelinge naar haar klooster zou terugkeeren en was haar vader, de hertog van Montpensier woedend, maar Charlotte bleef in Heidelberg onder bescherming van den keurvorst en werd daar natuurlijk in het Calvinisme meer en meer onderricht. Zij ontmoette er in 1574 den hertog van Anjou op zijn doorreis naar Polen.
Lodewijk van Nassau wees haar, als een der beste partijen aan, toen hij bezig was de bisschoppen aan den Rijn voor de protestantsche zaak te winnen en pogingen aanwendde, hen te doen huwen. In hoeverre hijzelf door haar bekoord werd, is onzeker.
In 1572 had zij kennis gemaakt met den Prins van Oranje, die toen 39 jaar oud was, doch die ontmoeting was slechts zeer kort en toch lang genoeg, om bij hem een diepen indruk achter te laten. De drie daarop volgende jaren waren voor den Prins een tijd van bittere eenzaamheid geweest. Door zijne vrouw schandelijk bedrogen, was hij daarbij van allen, die hij liefhad, sedert hij naar Holland ging, gescheiden. Uit zijne brieven aan zijn verwanten blijkt, hoeveel behoefte Oranje had aan vriendschap en sympathie. En toch was hij nu gescheiden niet alleen van zijn moeder maar ook van al zijn broeders en toen hij eindelijk hoopte van zijn eenzaamheid te worden verlost, werden Lodewijk en Hendrik hem voor altijd ontnomen.
Het verlies van Lodewijk kwam hij nooit, gelijk we vroeger reeds opmerkten, geheel te boven. Ook waren zijn kinderen niet bij hem, al wist hij, hoe goed ze het hadden bij zijn broeder Jan van Nassau; bovendien volgde hij met angst het lot van zijn oudsten zoon Filips Willem, in Spanje gevangen. Al zijn oude vrienden en kameraden waren òf gestorven, òf een anderen koers uitgegaan. De eenige, met wien hij in Holland op intiemen en vertrouwelijken voet omging, was zijn vriend Marnix van St. Aldegonde.
En toch had Oranje behoefte aan huiselijk leven, aan vrouwelijk verkeer; ook te midden van zijn overstelpende bezigheden verlangde hij naar een nieuwe haven van huiselijk geluk. Was het vreemd, dat hij in die stemming den indruk in zijn hart voelde verlevendigen, die in 1572 Charlotte op hem gemaakt had? In de lente van 1575 zond hij daarom Marnix naar Heidelberg, ten einde hare hand te vragen en bij toestemming haar naar de Nederlanden te begeleiden.
Er was echter één groot bezwaar om dit huwelijk tot stand te brengen. De tweede vrouw van Oranje, Anna van Saksen, leefde nog, al was ze ook tengevolge van haar slecht gedrag voor haar echtgenoot als het ware dood. Haar bestaan, al werd het ook zooveel mogelijk geheim gehouden, was een hinderpaal op den weg van zijn nieuwe verbintenis. Was de Prins een trouw zoon der kerk gebleven en had zich dan hetzelfde geval voorgedaan als met Anna van Saksen, dan zou die kerk, voor wie anders de echtscheiding niet bestaat, hem door middel van een bijzondere dispensatie zeker wel in de gelegenheid gesteld hebben weer te trouwen. De geschiedenis is vol van dergelijke gevallen. Nu echter was het veel moeilijker, want al namen de Protestanten reeds in die dagen een ander standpunt in tegenover de echtscheiding, geheel wettig was daaromtrent nog niets bepaald.
Vandaar dat Graaf Jan van Nassau wel in zijn betrekking als overheidspersoon het geval had beoordeeld, maar nooit was er nog een uitspraak van wettige scheiding gedaan. Toen Oranje dus bij den keurvorst van de Paltz om de hand zijner beschermelinge aanzoek deed, zond hij hem een afschrift van de processtukken, waaruit de schuld van zijn gemalin ten duidelijkste bleek. Deze was daarmee voldaan en ook Charlotte achtte zich daardoor gerechtigd, het huwelijk aan te gaan. Jan van Nassau echter bleef zijn broeder alle overijling ontraden, omdat hij wel begreep, hoe dat nieuwe huwelijk van den Prins de vorsten van Saksen en Hessen zou ergeren, misschien aanleiding zou geven tot allerlei eischen en in elk geval den band van vriendschap, zoo noodzakelijk in die dagen, zou verbreken.
Toch liet de Prins zich daardoor niet bewegen, van de zaak af te zien; integendeel maakte hij groote haast, om die tot een goed einde te brengen. Reeds den 7en Juni 1575 werd het contract opgemaakt. Vijf protestantsche geestelijken verklaarden, dat de Prins vrij was een ander huwelijk te sluiten en dat Charlotte van Bourbon zijn wettige derde gemalin zou wezen. Het huwelijk werd door den predikant Taffin ingezegend en Marnix geleidde de jonge vrouw naar Holland, waar de Prins haar in Brielle opwachtte.
Ondertusschen was de geheele wereld, om zoo te zeggen, hierover in beweging. Ten einde het karakter van Oranje, die zich nooit aan bedreigingen stoorde in zaken, die hij met een gerust geweten voor goed hield, des te beter te kennen, is het noodig nog het een en ander te vermelden omtrent den tegenstand, dien hij bij dat huwelijk van alle kanten ondervond.
Van Fransche zijde werd het nog het minst bestreden. De keurvorst had ook den koning en de koningin-moeder hun oordeel gevraagd. De koning wenschte zich niet te mengen in die zaak, omdat ze tegen zijn godsdienst indruischte. Toch meende hij, dat Charlotte gelukkig kon geacht worden, zulk een goede partij te doen en de koningin-moeder was van dezelfde meening. Zij zouden niet euvel opnemen, wat Charlotte op raad van den keurvorst deed en wat in haar voordeel geacht werd, indien het althans niet streed tegen den dienst van den koning. De hertog van Montpensier, die eenmaal gezegd had, dat, zoolang zijn dochter protestant was, zij beter deed onder bescherming van den keurvorst te blijven, werd niet eens geraadpleegd; Charlotte was meerderjarig, zij bleef zich onderwerpen aan de raadgevingen van haar beschermer en had de toestemming van haar vader niet noodig. Haar andere bloedverwanten waren zelfs met het huwelijk ingenomen. Het zou haar een behoorlijken staat geven en maakte vanzelf een eind aan het kwaad gerucht, dat haar vlucht uit het klooster had veroorzaakt. Charlotte’s zuster, Louise, schreef haar een brief vol vreugde over de tijding en ook haar broeder was er mede ingenomen.
Geheel anders was echter de stemming van Jan van Nassau en andere Duitsche vorsten. Het schijnt wel, alsof de Prins van den kant van zijn broeder eenig verzet verwacht heeft. Ten einde dit te begrijpen, vergete men niet, dat de kinderen van Oranje uit zijn tweede huwelijk voortdurend nog aan de zorgen van Jan waren toevertrouwd en dat de Prins tegenover dien broeder zware geldelijke verplichtingen had.
Oranje was blijkbaar niet zeer geneigd, met dien broeder over zijn voorgenomen huwelijk te redeneeren. De stukken, die betrekking hadden op Anna van Saksen waren in het bezit van Jan van Nassau. Vandaar dat Marnix in Mei 1575 met nadruk bij den graaf aandrong, om al die bewijsstukken over te zenden, ten einde zoowel den keurvorst als de aanstaande bruid te overtuigen en te doen weten, hoe ze zouden kunnen handelen, wanneer ze in Holland gekomen waren. Maar Oranje zelf schreef geen woord over de zaak, toen hij in dezelfde maand Mei aan Jan berichten zond over den oorlogstoestand, de vredesonderhandelingen e.a. zaken. Ondertusschen maakte Oranje groote haast; in April zond hij zijn schoonbroeder Hohenlohe uit Dordrecht naar Duitschland met boodschappen aan graaf Jan, aan den Paltzgraaf en Mlle de Bourbon. Diens instructie luidde als volgt:
“Hohenlohe moet mijn broeder de briefwisseling met Züliger toonen en hem mijn vast voornemen meedeelen, om voort te gaan met deze zaak, mits Mlle de Bourbon haar toestemming geeft.
“Daarna moet hij met mijn broeder, den graaf, overleggen, wat de beste weg zou zijn om mijn bruid naar Holland te voeren, over Emden of recht de rivier af. Daarna moet Hohenlohe zijn weg naar Heidelberg nemen en mijn brieven aan den keurvorst ter hand stellen.... St. Aldegonde heeft mijn positie aan den keurvorst uiteengezet en nu moet mijn zwager nog uitgebreider inlichten, opdat Z. Ex. ten volle op de hoogte zij, welken raad hij geven zal. Ook moet hij weten, dat mijn voornemen is, rond en open te werk te gaan, zonder in ’t minst mijn bruid grond te geven tot eenig later verwijt. Hij moet daarom ten volle uitleggen, hoe mijn zaken met mijn vorige vrouw stonden. Ook wil ik uiteengezet hebben, dat bijna al mijn eigendom moet vallen aan mijn eerste kinderen, zoodat ik niet in staat ben, aan Mlle op dit oogenblik eenige huwelijksgift te schenken, maar ik zal in dat opzicht alles doen, als het God behaagt, mij in de toekomst andere middelen te geven. Het huis, dat ik in Middelburg gekocht heb en dat ik te Geertruidenberg bezig ben te bouwen, hoewel er niet veel op te roemen valt, neme zij aan, als zij wil, als een begin en tevens als een bewijs van mijn goeden wil. Ze moet niet vergeten, dat wij hier in oorlogstoestand leven, waarvan de uitslag onzeker is en dat ik voor de zaak diep in de schulden zit bij de vorsten, edellieden, legerhoofden en soldaten. Ook bedenke zij wel dat ik al oud begin te worden, namelijk 42 jaar,” enz. enz.
Uit deze instructie blijkt voldoende, hoe open en eerlijk Oranje met zijn aanstaande vrouw omging. Graaf Jan bleef den stap van den Prins ondoordacht en te overhaastig noemen. Hij begreep wel, dat betoogingen aan zijn broeder niet zouden baten en daarom schreef hij aan Aldegonde, er bij den Prins op aan te dringen, toch de zaak nog een poos uit te stellen. Broer Jan achtte het vooral gevaarlijk, het huwelijk te laten doorgaan, voor de Rijksdag van 29 Juli was afgeloopen.
Met een beroep op het oude spreekwoord “Berouw is de gezel van overhaaste plannen en die het gevaar bemint, zal er in omkomen,” eindigt graaf Jan zijn dringend vertoog om uitstel.
Wij zien er uit, hoe sterk Oranje’s broeder zich voorloopig tegen dit huwelijk verzette. Jan begreep echter zelf, dat het tegenover den Prins niet veel zou baten. Maar volgens hem was de opinie der Duitsche vorsten zóó tegen dit huwelijk, dat, als Marnix Charlotte medevoerde als gemalin van Oranje, Jan hem zelfs waarschuwde, dat Marnix’ leven in Duitschland niet veilig zou zijn. Hij voegde bij zijn brief de meening van Willem van Hessen, die reeds op den 20en April aan Dr. Schwarz had geschreven, dat hij niet kon begrijpen hoe het den Prins ernst met dit huwelijk kon zijn, er bijvoegende dat, als deze het toch door dreef, dan de positie van Anna van Saksen geheel veranderde en de rechters wel konden komen ad mutuam compensationem parium delictorum; m. a. w. dat de Prins en zijn tweede gemalin dan even schuldig waren. De keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen dreigden zelfs met de bewering, dat Anna’s misdrijf niet juridisch bewezen was.
Doch Oranje zelf bekommerde zich noch om het een, noch om het ander. Hij plaatste zich daarbij op een geheel ander standpunt. Toonde Jan van Nassau vrees voor de Saksische en Hessische vorsten, de Prins dreigde hen met de openbaarmaking van de zaak, tot schande van het huis van Saksen. Verder deelt hij, zonder eenigszins in te gaan op de bezwaren van zijn broeder, hem formeel het huwelijk mede en herhaalt hij, welke stappen hij heeft gedaan. Aldegonde had hij opgedragen, de bruid naar Holland te geleiden, indien alles goed ging. Hij verzocht Jan, den keurvorst van de Paltz alle bewijzen bij te brengen, die noodig waren ten opzichte van Anna. Kwamen de papieren niet voor den dag, dan zou het noodzakelijk zijn, dat hij de zaak publiceerde. “Het was misschien niet kwaad, Rubens zijn misdaad nog eens voor eenige edellieden en menschen van kwaliteit te laten bekennen. Dan zouden we zekerder van onze zaak zijn, als ooit iemand ons later zou willen beschuldigen, haar onwettig op te sluiten.”
De kalmte van dezen brief is merkwaardig; zijn derde huwelijk wordt als zoo natuurlijk mogelijk door Oranje beschouwd. Jan van Nassau echter bleef de zaak niet licht opnemen. Hij schreef aan den landgraaf, dat het zijn schuld niet was en Willem van Hessen schreef terug, dat hij wel kon begrijpen, dat het huwelijk niet met zijn goedkeuring kon doorgaan noch met die van eenig persoon, die zijn zinnen goed bij elkaar had. In het Latijn voegt hij er bij, dat de Prins, die zooveel zorgen heeft, zijn verstand wel schijnt verloren te hebben.
Op den 3en Juni schreef daarom Jan van Nassau nog eens een brief aan zijn broeder, die, hoewel zeer eerbiedig gesteld (Het voegt mij niet aan Uwe Hoogheid maatregelen voor te schrijven), toch met allen aandrang en broederlijke genegenheid Oranje dit huwelijk ontraadt. “Ik moet bekennen, dat die onbegrijpelijke haast in deze gewichtige aangelegenheid mij schokt en zeker uw publieke zaken niet zal bevorderen.” Het was geen tijd, beweerde hij verder, dat de Prins zijn eigen neigingen mocht volgen. De verwanten van de andere partij zullen woedend zijn; haar huwelijksgoed, dat 12.500 thaler jaarlijks bedraagt, zal worden teruggeëischt. Een bekend feit heeft daarom nog niet altijd wettige kracht enz.
Kort daarna waren de huwelijksplannen van den Prins een punt van onderzoek bij Calvinistische predikanten in Frankrijk en in de Nederlanden. De heeren Feugheran en Capet uit Frankrijk gaven hun meening op schrift, dat het nieuwe huwelijk van den Prins wettig was en hun voornaamste argument luidde, dat Anna’s wangedrag haar echtgenoot van alle verplichtingen tegenover haar vrij maakte. En eindelijk werd er, gelijk we reeds zeiden, een formeele acte in den Briel opgemaakt door vijf van de voornaamste Calvinistische predikanten in Nederland, met name Gaspar van der Heyden, J. Taffin, J. Michael, Thomas Tylius en Jan Miggrods. Dit dokument eindigt met deze woorden, dat “Mijnheer de Prins volgens goddelijke en menschelijke wetten, vrij is om te huwen en dat zij, die hij trouwt, voor God en menschen zijne wettige vrouw zal zijn.”
Ondertusschen had Marnix er geen gras over laten groeien en bereikte Charlotte onder zijn bescherming den Briel. Zij werd begroet door de Heeren Keeneburg en Zwieten en de afgevaardigden van Dordrecht, Alkmaar, Vlissingen en den Briel, die haar een huwelijksgift van 5000 ponden aanboden. De Prins ontving haar met groote plechtigheid; op den 12en Juni werden ze in den echt vereenigd en op vreugdevolle wijze in Dordrecht ontvangen.
De storm, dien Jan van Nassau voorzien had, stak ook hevig na het sluiten van het huwelijk op en bedaarde slechts zeer langzaam. De woede van den landgraaf uitte zich in heftige bewoordingen. Hij raasde tegen dien pedant van een Marnix, die de zaak had beklonken. Voor Charlotte had hij niets dan scheldwoorden: “Ze is een non, een weggeloopen non, van wie allerlei praatjes verteld worden uit den tijd, dat ze zich aan het kloosterleven wijdde. Wat haar schoonheid aangaat, het is moeilijk te gelooven, dat de Prins daardoor werd bekoord, want men kan de bruid niet zien, zonder eer van haar te schrikken dan behagen in haar te scheppen.”
En van den Prins begreep de landgraaf niets. Deed hij het om haar vroomheid of om haar schoonheid, die waren geen van beide veel zaaks. Deed hij het om de nakomelingschap, waarlijk de Prins had al kinderen genoeg; hij mocht liever wenschen noch vrouw, noch kinderen te hebben als hij bij zijn zinnen was. Ja, hij gaat zoo ver, dat hij een mogelijke vergiftiging van den Prins onderstelt. “Hij zal wel mogen denken aan het lot van den admiraal op de bruiloft te Parijs, want zulke beleedigingen kunnen de heeren moeilijk vergeven sine mercurio et arsenico sublimato.” (Zonder kwik en rattenkruid).—De keurvorst van Saksen was razend en maakte zich belachelijk door de hevigheid van zijn uitdrukkingen.
Het huwelijk was echter een voldongen feit en de Nassau’s moesten er maar in berusten. Op den 24en Juni schreef Charlotte een aardig eerbiedig briefje aan haar schoonmoeder Juliana, ma bien aimée mère, in de hoop, dat ze in den kring der Nassau’s goed zou worden opgenomen. Op den 7en Juli schreef de Prins zelf een langen karakteristieken brief aan zijn broeder Jan, als antwoord op al zijn verzet tegen het huwelijk. Het is voor de kennis van Oranje’s karakter merkwaardig genoeg, daaruit het volgende aan te halen.
“Steeds heb ik er mij op toegelegd om, sedert God mij een weinig verstand gegeven heeft, mij niet om woorden of bedreigingen te bekommeren in zaken, die ik met een goed geweten kon doen, zonder onrecht aan mijn naasten te berokkenen .... Indien ik had willen acht geven op de praatjes der menschen of de bedreigingen der vorsten of op andere moeilijkheden, die zich op mijn weg hebben voorgedaan, dan zou ik mij nooit in zulke gevaarlijke handelingen, zoo in strijd met den wil des konings, mijn vroegeren meester en met den raad van verscheidene mijner bloedverwanten en vrienden, hebben gestoken. Maar nadat ik had ondervonden, dat noch nederige smeekingen, noch waarschuwingen of klachten, noch iets anders meer kon baten, besloot ik, met de hulp van God, dezen oorlog tot den mijne te maken, waarover ik nog geen berouw heb, maar veeleer dank aan God breng, dat het Hem behaagd heeft door zijn goedertierenheid de oprechtheid van mijn geweten gade te slaan, toen hij mij in het hart gaf, geenerlei acht te geven op al die moeilijkheden, die zich aan mij voordeden, hoe groot ze ook waren.
“Juist hetzelfde zeg ik met het oog op mijn huwelijk, omdat dit een zaak is, die ik met een volkomen zuiver geweten voor God en zonder eenig billijk verwijt van de menschen kan doen. Zelfs door Gods gebod gevoel ik mij gehouden en verplicht, het te sluiten en voor de menschen is, ik behoef het niet te herhalen, de zaak zoo zuiver en rein mogelijk. Ik heb gedurende vier of vijf jaar gewacht en er al mijn bloedverwanten mede in kennis gesteld, zoowel door u als door mijn schoonbroeder, den graaf von Hohenlohe. Daar niemand mij de hand leende of raad gaf om verandering in mijn belang aan te brengen, kwam het mij wenschelijk voor, toen de gelegenheid zich aanbood, aanstonds te besluiten en zelfs met haast, om de deur niet te openen voor hinderpalen, die men mij in den weg kon leggen. De groote bezwaren, die zich voordeden en die gij zeker terecht bespreekt, zijn door mij van te voren goed overwogen en niet licht geacht, noch oppervlakkig behandeld, zooals gij volgens uw schrijven meent. Maar aan den anderen kant waren er gewichtiger redenen, om de zaak te verhaasten, dan om die uit te stellen. Daarom hoop ik, als ik het geluk heb u te zien, u alles van de zaak te vertellen en u reden te geven tot volle tevredenheid. Ik hoop, dat dit huwelijk ons zelf en de algemeene zaak ten goede zal komen; uitstel en vertraging zouden dit niet hebben kunnen bewerken, maar wel gemakkelijk onze geheele bedoeling hebben kunnen vernietigen en omverwerpen.
“Ik zie verder, als ik alles goed beschouw, geen enkele gegronde reden, waarop de vorsten hun verontwaardiging en beleediging kunnen bouwen, die zoo groot is, gelijk gij mij schrijft. Men vreest dat het misdrijf der schuldige daardoor overal bekend zal worden—maar de zaak is in Frankrijk, Italië, Spanje, Engeland en hier zoo bekend, dat het spreekwoord er op toepasselijk is: “Les enfants en vont à la moutarde.” Wat het uitstel aangaat, hoe langer deze zaak slepende werd gehouden, des te meer zou ieder den mond er vol van hebben, en er het zijne van willen zeggen, waarvan spot en blaam het gevolg zou wezen .... En er is niets dat kwade vermoedens zoo spoedig onderdrukt als een rustige en snelle manier van handelen, alsof men de beste rechter van zijn eigen daden was, veel beter dan een zaak met een trompet uit te bazuinen en zich zelf aan het oordeel van hen bloot te geven, die onbekend zijn met de geheele waarheid. Ook zou het uitstel van mijn huwelijk veroorzaakt hebben, dat men dan des te meer gelegenheid zou hebben gehad, te denken, dat niet de noodzakelijkheid, maar eerder eenige vroolijkheid van hart of een soort leedvermaak mij er toe gebracht had ...”
Doch waartoe meer. De Prins geeft in dien brief krachtige uiting aan zijn recht, om alleen met beroep op zijn eigen geweten dit huwelijk te sluiten en te handelen in strijd met al de beleedigende en gruwelijke dingen, die hij er van zijne Duitsche bloedverwanten over moest hooren.
Op denzelfden datum schreef hij aan den keurvorst en gaf hem persoonlijk verklaring van zijn stap, terwijl hij daarbij de hoop uitdrukte, dat zijn wijsheid hem dien niet ten kwade zou doen uitleggen. Doch geen woorden waren in staat, om Augustus’ toorn te stillen en gelijk we reeds zeiden, liet hij zich over de verbintenis schandelijke uitdrukkingen ontvallen. Den geheelen zomer maakte het huwelijk het onderwerp van tallooze praatjes in Duitschland uit. Gaspar Schomburg schreef aan Jan van Nassau, dat het ook in Frankrijk in verschillende kringen werd afgekeurd. Hij ging zelfs in een anderen brief zoover van te beweren, dat het ’s Prinsen Fransche politiek zeer zou benadeelen. Toen de Rijksdag in October te Ratisbonne bijeen was, had men op dit huwelijk nog heel wat aan te merken. En zelfs de keurvorst van de Paltz, die er toch eerst mee ingenomen was geweest, schrikte zoo van de algemeene afkeuring, die het ondervond, dat hij de verantwoordelijkheid van zich afwierp en beweerde, dat hij in niets was gevraagd en Marnix alles had gedaan.
Worden wij bij zooveel verzet niet gedwongen tot de beantwoording der vraag, wat toch Oranje tot dit huwelijk mag bewogen hebben? Wij nemen gaarne genoegen met het beroep op zijn geweten, doch ook dat geweten moet zijn geleid door motieven, die hij niet uitspreekt en die toch, misschien wel in verband met andere omstandigheden, kunnen vermoed worden. Wij zijn des te meer tot die vraag verplicht, indien we het volgende nog bedenken.
Van gewoon burgerlijk standpunt uit was het verzet van Jan van Nassau ook nog om andere, dan de reeds vermelde redenen, niet meer dan natuurlijk. Al de kinderen toch van den Prins, behalve den naar Spanje opgelichten oudsten zoon Filips Willem, waren sedert geruimen tijd aan de zorg van zijn broeder Jan van Nassau toevertrouwd. Op diens schouders was de voornaamste last van Anna van Saksen gevallen. Maria, uit Oranje’s eerste huwelijk, was een meisje van twee-en-twintig jaar. Over haar uithuwelijking werd in die dagen tusschen de beide broeders gecorrespondeerd. Later trouwde zij met graaf Filips van Hohenlohe. Anna, de oudste dochter van Anna van Saksen, was 13 jaar, Maurits 8 en Emilie 6 jaar oud.

Geslachtsregister van Willem van Oranje. (Geb. 1533, vermoord 1584).
(Sluit aan bij pag. 3)
Met de grootste toewijding had Oranje’s broeder die taak der verzorging op zich genomen; maar de afwezige vader was en bleef toch de verantwoordelijke man, evengoed als hij aansprakelijk was voor de enorme sommen, die Jan van Nassau hem en de Nederlanden geleend had. Brengen we dit mede in rekening, dan bevreemdt ons het verzet van Oranje’s broeder tegen zijn derde huwelijk nog minder. En inderdaad zouden ook wij hier voor een raadselachtigen trek van het karakter van den Prins staan, zoo er geen gewichtiger redenen bestonden, die zijn gedrag rechtvaardigden. Die redenen lagen in niets anders dan in de staatkunde.
Evenals Oranje eertijds ten dage van Granvelle zijn Duitsch huwelijk sloot met het oog op de hulp, die hij daardoor van de Duitsche vorsten verwachtte voor de Nederlanden, zoo was vooral sedert 1568 zijn oog op Frankrijk gericht. We zagen, hoe zelfs de Bartholomeusnacht niet in staat was geweest, het denkbeeld in zijn ziel te vernietigen, dat alleen door en met Frankrijk de bevrijding der Nederlanden te verwachten was. Er waren velen hier te lande, die meer op de koningin van Engeland, Elisabeth, bouwden; die meenden dat zij, als het hoofd eener kerk, die eveneens als de Calvinisten, de gehoorzaamheid aan den Paus had opgezegd, haar steun niet zou, noch kon weigeren. Doch gelijk vroeger reeds meermalen bewezen was, ook Engelands politiek was tegenover de Geuzen louter zelfzuchtig geweest, en zelfs zou, gelijk we nader zullen zien, een gezantschap, dat daar in het einde van 1575 heenging bij vernieuwing ondervinden, dat op Engeland niet te rekenen viel. In April van dat jaar had Elisabeth Oranje en de zijnen openlijk tot rebellen verklaard. Was het dan wonder, dat de Prins zelf telkens versterkt werd in zijne vaste overtuiging, dat, wilde er voor de Nederlanden tegen de Habsburgsche Spaansche politiek hulp komen, die alleen van den grootsten vijand van die politiek, van Frankrijk, te wachten was.
Wat gebeurde er nu omstreeks denzelfden tijd, dat de Prins zoo druk in de weer was, om, lijnrecht tegen al het verzet van zijn broeder en de Duitsche vorsten in, de hand van Charlotte van Bourbon te verwerven? In dezelfde maand April, dat Züliger, Marnix, Hohenlohe e. a. in naam van Oranje alles in ’t werk stelden, om dit huwelijk te bevorderen, kwam er vanwege Koning Hendrik III een zeker Fransch edelman, genaamd, de Revers bij den Prins om zijn medewerking te verzoeken tot stichting van een duurzamen vrede in Frankrijk. Naar aanleiding daarvan werd Dr. Junius (gouverneur van Veere, een der gezanten van de Staten bij de vredesonderhandelingen te Breda), door den Prins naar Parijs gezonden, teneinde mededeeling te doen van Oranje’s gezindheid, om het verlangen van den koning te bevredigen. De Prins zou zich zeer gelukkig achten een dergelijken vrede door alle wettige en eerlijke middelen mede te bevorderen.
Het aanzoek toch van den koning was zeer vereerend voor den Prins, wiens gezag in de Nederlanden, te midden van dergelijke twisten, als nog steeds in Frankrijk bestonden, ontwijfelbaar gebleken was. Maar niet alleen vereerend. Het aanzoek was ook voor ’s Prinsen bewustzijn een bewijs, dat alleen door ’t samengaan van Nederland en Frankrijk, Spanje’s macht kon gebroken worden. Zou dan het vermoeden ongegrond zijn, dat nu meer dan ooit door den Prins aanknooping van banden met Frankrijk gezocht werd, en dat ook mede daarom Charlotte van Bourbon zoozeer door hem werd begeerd; ja, dat hij geen enkel beletsel wettigde dat hem die verbintenis ontried?
Zijn latere Fransche politiek, om door middel van Anjou, Filips II geheel te overwinnen, was slechts voortzetting van diezelfde gedragslijn. Daarop komen we nader terug.
En wat Charlotte aangaat: indien iemand mocht beweren, dat de Prins toch niet door middel van die ontvluchte non zijn banden in Frankrijk zou kunnen versterken, hij bedenke, dat in elk geval Charlotte van koninklijken bloede was en dat zij door haar geboorte en haar karakter talrijke machtige vrienden in Frankrijk bezat. Zij stond in betrekking tot de fijn beschaafde en eerbiedwaardige gravin Diana de Montmorency en tot mevrouw Duplessis-Mornay; Charlotte’s zuster, Françoise de Montpensier, hertogin van Bouillon, was Hugenote en zeer op de hand van Oranje. Nog een zuster, Anna, gehuwd met den Hertog van Nevers, stierf als protestante, terwijl haar broeder juichte in het huwelijk en alles deed, wat hij kon om haar met den hertog van Montpensier, haar vader, te verzoenen.
Alleen de opsomming van deze namen van goeden klank is bewijs genoeg, dat Oranje in zijn huwelijk niet tevergeefs naar verstandhouding met Frankrijk zoeken zou. Bedenken we daarbij, dat de koning van Navarre, het hoofd der hervormden, zich zeer over het huwelijk verheugde en evenals Condé behoorde tot Charlotte’s vorstelijke bloedverwanten; dat zelfs Catharina de Médicis een rente bij den bruidsschat van de nieuwe Prinses van Oranje voegde en dat het streven van Hendrik III in die dagen blijkbaar was, den vrede te herstellen en den Hugenoten de vrijheid te verzekeren, dan komt ons het vast besluit van Oranje nog minder vreemd voor, om zich met die Fransche Prinses te vereenigen, daardoor zich te vermaagschappen aan al de genoemde Fransche grooten en er, trots alles wat er gebeurd was, de redding van de Nederlanden uit de macht van Spanje in te zoeken.
Wij zullen later, vooral wanneer we over Anjou moeten uitweiden, gelegenheid genoeg hebben, op dien schakel van de keten zijner politiek te wijzen. Hier mogen nog eenige bijzonderheden nader vermeld worden uit dit derde hoogst gelukkige huwelijk van den Prins.
Gedurende het eerste jaar woonde Charlotte van Bourbon in den Briel, Zierikzee en Delft, waar haar oudste dochter, Louise Juliana, den 30en Maart 1576 geboren werd. Het is bekend, dat Charlotte aan zes dochters het leven geschonken heeft. Behalve de genoemde waren het Elisabeth, Catharina Belgica, Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana. Al deze geboorten hadden plaats tusschen 1576 en 1581. De hertog van Montpensier, Charlotte’s vader en de koningin van Engeland waren de peten van de eerste twee dochters. De andere vier hadden de Staten van Holland, Vlaanderen, Brabant en de stad Antwerpen tot peten. Ze zijn allen na den dood van Charlotte opgevoed door Oranje’s vierde gemalin en deden door haar invloed meest allen uitstekende huwelijken.
Wanneer wij daarbij bedenken, dat Charlotte nu ook de zorg op zich nam voor de voorkinderen van den Prins, dan begrijpen we licht, dat het leven dier vrouw in haar gezin geheel opging. Hare brieven aan den Prins zijn vol kleine bijzonderheden over “al het kleine volk” dat ze rond zich had; over de gezondheid der kinderen, het onderwijs van Maurits en andere gewone, maar zeer gewichtige belangen.
Toch maakte de zorg voor die kleine dingen het leven van Charlotte van Bourbon uit. Het was haar lust, op die wijze in het belang van den Prins werkzaam te zijn. De moeilijkste jaren in het leven van Oranje volgden nog. Onophoudelijk zouden zijn diensten na 1576 ook in het Zuiden geëischt worden. Herhaalde afwezigheid van den huiselijken haard was daarvan het onvermijdelijk gevolg, doch nu wist de Prins dat hij eene vrouw bezat, die al zijne zorgen deelde en die hem een ongekend huiselijk geluk schonk, zoo menigmaal hij van zijn zorgen kwam uitrusten.
Welk een verschil tusschen Anna van Saksen en Charlotte van Bourbon! De eerste geneigd om te schitteren, lastig van humeur, ongeregeld van leven; de tweede, haar eigen geluk alleen zoekende in het geluk van haar echtvriend. Geen wonder dat Jan van Nassau, de geweldige tegenstander van dit huwelijk, later, toen hij Charlotte had leeren kennen, getuigde: “Het is een kostbare troost en een groote verlichting voor mijn broeder, dat God hem een gemalin heeft gegeven, die hoog staat door haar godsvrucht en deugd en door haar bijzondere toewijding. Zij is in alle opzichten de beste, die hij voor zich kon begeeren.”
Charlotte gevoelde zich ook zeer tot de oude moeder van Oranje, Juliana van Stolberg, aangetrokken en die sympathie was wederzijdsch. Hoe pleit het voor haar, dat zij, de jonge Fransche vrouw, de weggeloopen abdis, van wie zooveel praatjes de ronde deden, zich bemind heeft weten te maken in de streng Duitsche omgeving der Nassau’s.
Charlotte was in onophoudelijke briefwisseling met Oranje als hij van huis was. Een toon van teedere gehechtheid en hartelijke zorg klinkt in die brieven.
“Hoe wenschte ik, dat gij reeds Antwerpen hadt verlaten; ik zal niet gerust zijn voor ik de mogelijkheid van uw vertrek verneem. Draag toch zorg voor uwe gezondheid, want daarvan hangt de mijne af en na God al mijn geluk. Uwe dochters groot en klein zijn wel, evenals ik.”
Dat was haar trant van schrijven; daaruit leeren wij haar kennen als de echte vrouw, die haar geluk en haar leven slechts vinden kon in haar echtgenoot. Ontroerd bij elke scheiding, gedachtig aan de onzekerheid en de gevaren van zijn leven, maakte Charlotte al haar brieven tot een weerklank van haar bekommerde teederheid en zorg.
Om het lot van Willem van Oranje als vrouw te deelen, daartoe behoorden eigenschappen, die waarlijk niet het deel zijn van velen. Wat zoeken de meeste vrouwen in hun huwelijk? Wat zocht een Anna van Saksen in zeer sterke mate? Bevrediging van eigen begeerten, die op roem of naam, op grootheid of genot zijn gericht. Oranje’s derde gemalin, schoon nog in den bloei der jaren, zocht zich zelve nooit, doch alleen het heil van den Prins. Zij trachtte geen invloed uit te oefenen op zijn staatkunde, die zou Oranje ook niet hebben geduld, al was haar persoon voor hem ook een schakel in de keten zijner staatkundige gedachten.
Charlotte van Bourbon eerbiedigde haar gemaal in alle opzichten en toonde eene onderwerping, waartoe weinig vrouwen in staat zouden geweest zijn. Doch zulk eene had de Prins noodig. Niets had beteekenis voor Charlotte, dan door hem. Was daarom Oranje voor haar een despoot? Hij had te veel van de vrouw ondervonden, dan dat hij vatbaar zou geweest zijn voor eenig sentimenteel gedroom over de liefde. Hij had behoefte aan eene vrouw als Charlotte was. Hij had haar noodig teneinde te voorkomen, dat het getal zijner bastaards niet werd vergroot; behoefte aan haar gezellig samenzijn en teedere zorg voor al wat het zijne was; behoefte ook voor zijn staatkundige idealen. En wij zegenen het, dat hij in zijn derde gemalin gevonden heeft, wat hij zocht. Hun huwelijk, hoe kort ook van duur, was zeer gelukkig.
