← Table of contents
Willem de Zwijger, Prins van Oranje

De Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie van Gent. 1576.

D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation

Op de 11en Augustus verliet het eenige Spaansche lid van den Raad van State, Jerome de Roda, Brussel, om van uit Antwerpen te beproeven met een genoegzaam aantal Spaansche troepen in de hoofdstad terug te keeren, teneinde de veiligheid der regeering te waarborgen. Brussel was echter te veel in beroering, dan dat die poging nog zou kunnen gelukken. Niet alleen waren de inwoners van al wat Spaansch was, afkeerig geworden, maar ook in de Staten van Brabant was de meerderheid geneigd, den raad van den Prins van Oranje te volgen en van het oogenblik, dat er geen landvoogd was, gebruik te maken, om de nationale wenschen te doen zegevieren.

Op den 23en Augustus gelukte het Heze, na tien dagen tevoren daartoe een vergeefsche poging te hebben gedaan, in die Staten een brief van Oranje voor te lezen, die een aansporing bevatte om het juk der Spaansche soldaten af te werpen en zich met Holland en Zeeland te vereenigen. Aan den Prins zond men een sympatieke dankbetuiging. Ook de Staten van andere gewesten werden door die van Brabant opgewekt, gemeenschappelijk te handelen en aan te dringen op de bijeenroeping van de Staten-Generaal. Doch aan dien eisch kon de Raad van State geen gehoor geven.

Het bericht was gekomen, dat Don Juan tot landvoogd was benoemd en zich gereed maakte, naar de Nederlanden te komen. In het eind van September—zoo luidden de geruchten—zou de nieuwe regent in het land zijn. Voor diens komst moest er een beslissende stap gedaan worden. Men moest zich van den Raad van State meester maken, opdat diens gezag, dat toch zoozeer geknakt was, geheel zou worden gebroken. Daarom drong een luitenant van den kolonel Heze, Glimes genaamd, op den 4en September de vergaderzaal van den Raad van State binnen en nam de aanwezige leden: Barlaimont, Assonleville, Sasbout en Mansfelt gevangen; Barlaimont en Mansfelt werden naar het Broodhuis gebracht, terwijl de anderen, waarschijnlijk ook Viglius, die niet aanwezig was in de vergaderzaal, in hun huis werden bewaakt.

Welk aandeel had Oranje in dezen Staatsgreep? Hoogstwaarschijnlijk had hij tot dezen maatregel den raad gegeven, daar ook de Prins begreep, dat de Staten van Brabant niets konden doen, zonder dat de Raad van State tot hun instrument was geworden. Zoolang dit niet was geschied, zou dat Regeeringslichaam, dat thans het hoogste gezag vertegenwoordigde, alle maatregelen tegenhouden. Wij kunnen dus wel aannemen, dat het feit gepleegd werd op aandrijven van Oranje en zijn raadslieden.

Die gevangenneming van den Raad van State was een ongehoorde gebeurtenis, waarvan wel de noodzakelijkheid door talloozen werd erkend, doch waarvoor men de verantwoordelijkheid niet op zich wilde nemen. Toch werd het voornaamste doel erdoor bereikt, namelijk de bijeenroeping der Staten-Generaal, waartoe de Raad van State zelf, zoo hij onaangetast was gebleven, nooit de vergunning zou gegeven hebben. Eenmaal echter in de macht van het volk gekomen, kon die Raad van State, die spoedig weer werd losgelaten, niet anders dan den volkswensch inwilligen. Ook dit was weder het geheime werk van den Prins, die met de Staten van Brabant er op aandrong, dat de herleefde Raad van State tegen 22 September de Staten-Generaal bijeenriep zou roepen.

Het stond Oranje helder voor den geest wat er moest gedaan worden, om tot bevrediging te komen. Zoo ooit de Prins staatkundig beleid heeft getoond, om dat doel te bereiken, dan was het wel in die dagen. Onverpoosd bleef hij in Middelburg ook al wist hij dat een groot deel van het volk in het Zuiden naar zijn persoonlijke tegenwoordigheid verlangend uitzag. Hij wierp zich niet onstuimig op, om als redder daar op te treden. Trouwens hij had voldoende ervaring van het karakter der Vlamingen en Brabanders opgedaan, om zich zelf en de zaak, die hij wilde bereiken, niet door roekeloosheid te benadeelen. Verre was het dus van hem, zich op te dringen; hij wilde het daarheen leiden, dat hij gezocht werd. Ook moest hij voorzichtig zijn, dat er geen aanleiding tot naijver en wantrouwen ontstond. Hij kende de goede gezindheid van Aerschot op dit oogenblik; maar hij wist ook, hoe naijverig deze reeds in de dagen van Granvelle op hem, Oranje, was geweest.

Aerschot was het hoofd der familie Croy en zijn woord had vroeger vaak geluid: “Les Croy valent bien les Nassau; je ne veux pas avoir pour maître le prince d’Orange.” Dat de Prins dien naijver thans ontzag, is niet anders dan een bewijs zijner hooge wijsheid en menschenkennis. Hij begreep wel, dat de tijd nabij was, dat men zijn hulp vanzelf zou inroepen en ondertusschen bleef hij met tal van invloedrijke personen, als Jan van Hembyse, schepen van Gent, Filips van Egmond, den graaf van Roeulx, stadhouder van Vlaanderen, met de Lalaings, den Markies van Havré, broeder van den hertog van Aerschot, in briefwisseling of verbinding. Vooral de brief aan Hembyse is merkwaardig.

Mons. d’Hembyse,

“Gij ziet thans den toestand van het land en de schoone gelegenheden, die zich nu aanbieden, om het vaderland van de tirannie te verlossen, waardoor het sedert lang door de onbeschaamdheid der vreemdelingen is onderdrukt. Het te groot geduld der inwoners heeft die tirannie slechts vermeerderd. Uw deugd en uw voorzichtigheid wijzen u thans aan, wat gij te doen hebt. Indien men de gelegenheid laat ontsnappen en niet bij de haren grijpt, dan blijft enkel het berouw over—van achteren kan ze niet worden vastgehouden. Daarom bid ik u, daar noch de affectie, noch het oordeel u ontbreekt, die gelegenheid aan te pakken en u in deze omstandigheden zoo te gedragen, als alle menschen van goeden wil van u verwachten. Het middel daartoe is, dat gij u vereenigt met uw buren en broeders van Brabant, die, indien ze door u en anderen verlaten worden, in groote moeilijkheden zullen geraken. Ook zou dit den algemeenen ondergang van het geheele land tengevolge kunnen hebben, waarvan Vlaanderen, als het rijkste gewest het vooral zou ontgelden.... Gij moet u voorbereiden om òf op een schavot voor de nakomelingschap tot rampzalig voorbeeld te dienen, òf moedig en eensgezind op dit oogenblik het vreemd geweld, dat zich zonder eeuwige schande niet langer laat dragen, van u af te stooten.”

Met een beroep op zijn deugd en goeden naam en de aanzienlijke plaats, die hij in Vlaanderen bekleedt, eindigt de Prins dezen brief aan Hembyse, die gedagteekend is van 17 September. In dien geest schreef hij brief op brief in die dagen aan velerlei personen, ten einde het groote werk der bevrijding te bespoedigen. Want spoed was noodig, aangezien Don Juans komst aanstaande was en het dan verwacht kon worden, dat tal van wankelmoedigen en halven zich weer geheel aan de zijde der regeering zouden scharen.

Wat de Prins gehoopt had, namelijk dat men, om hulp zou vragen, gebeurde reeds vrij spoedig. De Spaansche soldaten toch, die na de overgave van Zierikzee hun tocht naar Vlaanderen met tal van gruwelen hadden bezoedeld, trokken zich terwijl de bevolking bezig was zichzelf te wapenen, in de kasteelen terug, om vandaar uit, de steden in bedwang te houden. Aalst, Gent en Antwerpen werden op die manier door hen bedreigd. In dien nood nam men de toevlucht tot Oranje, die dan ook aanstonds een achttal vendelen naar Gent zond, om hulp te bieden, als dit vereischt werd.

Door dit verzoek om bijstand, kwam hij vanzelf met de Staten van Brabant en de Staten-Generaal in aanraking. Eigenaardig, dat uit de briefwisseling blijkt, hoe bevreesd men nog was zich met hem te verbinden. De Prins toont daarover geen geraaktheid, maar tracht hun vrees te overwinnen door volstrekt geen begeerte naar inmenging te toonen. Hij is volkomen bereid zijn landgenooten te helpen, maar niet minder zijn troepen tegenbevel te geven, als hun bijstand niet wordt noodig geacht. Het hoofddoel blijft voor Oranje, de vredesonderhandelingen, die in October tusschen de Generale Staten en de gevolmachtigden van de Staten van Holland en Zeeland zullen geopend worden, te bevorderen en de gewenschte verbinding met Frankrijk voor te bereiden.

Waarschijnlijk in den aanvang van October, schreef Oranje dien merkwaardigen brief aan de Staten-Generaal, waarin hij hen tot eendrachtig handelen opwekt en hun tevens voor oogen stelt, hoe alle verschil de goede zaken tegenhoudt en doet vertragen, wat tot de ruïne van het land moet voeren. “Wettige gehoorzaamheid is men den koning verschuldigd,” zegt Oranje, “maar indien men uit vrees hem te beleedigen, in plaats van bij recht en waarheid, alleen bij den wil van een slecht ingelichten vorst zweert, dan vergeet men jammerlijk zijn plicht en hiertoe is men door God en de wetten geroepen.”

“En,” laat de Prins hierop volgen “de geschiedenis van ons eigen land is vol van bewijzen voor die stelling, doch opdat ik niet weer die versche wonden openrijte, die wij in eeuwige vergetelheid wenschten te begraven en u de onheilen van de heeren Egmond en Hoorne en van de schoonste bloem van den adel en de burgerij dezer landen niet weder te binnenbrenge, herinner ik u aan Frankrijk, Italië, Duitschland, aan Hongarije, Africa en Barbarijë, waar al de ellende en onheilen, die er geschied zijn, het gevolg zijn geweest van die vervloekte tweedracht, die gewoonlijk in één oogenblik de sterkste en bloeiendste staten der wereld omverwerpt.”

Verder geeft de Prins den raad: “aan den koning, door middel van een koerier, in een expressen brief, uw vast besluit te melden, dat gij uw vaderland in zijn rechten, vrijheden en gewoonten wilt handhaven, en het goed- of kwaadschiks wilt verlossen van de onverdragelijke tirannie der Spanjaarden. Dit alles natuurlijk onder de wettige en verschuldigde gehoorzaamheid aan Z. M., zooals gij beloofd en bezworen hebt, evenals hij u beloofd en gezworen heeft, u te handhaven in al uwe rechten en genoemde vrijheden, bij welke gij beslist denkt te blijven, wat er ook moge gebeuren en dat gij, wilde de koning u door geweld van wapenen dwingen, tot den laatsten man van uw land aan de verlossing daarvan zult wagen.... Deze brief moet geteekend worden door al de Staten van het land, door de voornaamste kloosterorden en al degenen, die eenige waardigheid in het land bekleeden, eenig krediet hebben bij den koning of verplichting gevoelen, tot het algemeen belang mee te werken.”

“Door dit middel zult gij, als gij duidelijk uw besluit aan Z. M. hebt verklaard, ook u zelven een krachtigen spoorslag geven, om grootmoedig uw heilige en lofwaardige onderneming te vervolgen, zonder iets te bemantelen en ook zult gij er al de valsche maskers van de aangezichten van hen mede afrukken, die, onder den schijn van niet aan den koning te willen mishagen, tusschen twee wateren zwemmen en den loop van alle goede beraadslagingen beletten .... De ongelijkheid van wil, die de ware pest is van al uw beraadslagingen, zult gij er door uit uw midden verjagen en er een ferme eendracht en algemeene eensgezindheid door bewerken, die toch het eenig middel zijn, om uw zaken tot een goed einde te brengen, gelijk de voorbeelden van alle confederaties door alle tijden heen u kunnen bevestigen. Want evenals het onmogelijk is een kar recht te laten rijden, als de wielen slecht en ongelijkmatig zijn geproportioneerd, zoo moet ook elke bond breken en tot een slecht einde voeren, wanneer er geen gelijke verplichting bestaat, om een gemeenschappelijk en algemeen doel te bereiken....”

Daarop volgt een beroep op de geschiedenis en worden door den Prins de confederaties tusschen verschillende steden uit de jaren 1261, 1339, 1368, 1371, 1372, 1412 en 1514 herdacht. “Deze alleen zijn oorzaak, dat wij ons kunnen beroemen, het eenige volk onder den hemel te zijn, dat met de meest loyale getrouwheid en de goede diensten aan de vorsten bewezen, het best een franke en onschendbare vrijheid hebben verworven, die wij alleen langs denzelfden weg kunnen handhaven.”

Ook daarom zal zulk een generale eendrachtige handelwijze, als de Prins aanraadt in dien brief aan den koning, zoo goed zijn, omdat Filips steeds gedacht heeft, dat het alleen een troep rebellen, muiters en Luthersche ketters waren, die tegen hem waren opgestaan. “Nu daarentegen zal de koning zien, dat het een algemeene stem van het geheele volk is, van kleinen en grooten, van grooten en kleinen, zoowel als van prelaten, abten, monniken en religieuzen, als van heeren, edellieden, burgers en boeren; kortom, dat er geen ouderdom, noch sekse, noch positie, noch qualiteit van personen bestaat, die het niet met een en dezelfde stem uitroept en met een en denzelfden wil verlangt. Daartegen zal de koning zich niet durven verzetten, want als hij dat deed zou hij aan de geheele wereld zijn groot onrecht en uw groot recht, om u tegen zulk een tirannie te verzetten, openlijk te kennen geven.”

Nadat hij zich op nog meer argumenten uit de geschiedenis beroepen heeft, zegt de Prins: “Laat den koning vooral ook zien, dat ge u met ons vereenigd hebt en dat gij u eerder in de armen van den ouden vijand van het Huis van Oostenrijk zoudt werpen, dan verdere beleedigingen te verdragen. Een bundel uit losse takjes bestaande kan gemakkelijk worden gebroken, maar is hij saamgebonden en vereenigd, dan is geen arm sterk genoeg, dien te verscheuren. Zoo ook gij—indien gij ferm vereenigd zijt, dan zijn Spanje en Italië niet bij machte, u kwaad te doen.

“Zie wat Holland en Zeeland in vijf jaar tijds gedaan hebben. En wat is dit handjevol steden bij al de Nederlanden?.... Alles is gereed. Er is alleen een toetssteen noodig en die kan zijn de onderteekening van een duidelijke verklaring uwer rechten. Met de publicatie van zulk een verklaring, zullen vrienden aan elken kant voor u oprijzen. Nu denken nog de Duitsche vorsten, de Fransche edellieden, de koningin van Engeland en alle andere Christelijke potentaten, dat gij geen hulp noodig hebt, omdat gij u zelf niet helpt. Volgt gij mijn raad, dan zal u van alle zijden hulp toestroomen en gij zult buitendien den naam verwerven, een voorbeeld te zijn voor alle vrije volken en een schrik voor alle tirannen en onderdrukkers van staten, enz.”

Natuurlijk bleef de Prins onder al zijne staatkundige zorgen in Middelburg met de zijnen in voortdurende briefwisseling; allereerst met zijne echtgenoote te Delft, maar ook bewijst een briefje van den 15en October 1576, hoe ook zijne kinderen hem niet vergaten. Zijne oudste dochter Marie, ’s Prinsen eerste gemalin Anna van Egmond ten volle waardig, later met graaf Filips von Hohenlohe gehuwd, zond hem uit Otweiler, waar ze gelogeerd was, een hartelijk schrijven als antwoord op een brief van haar vader. Veel bijzonders vertelt ze daarin niet, maar haar toon is zoo deelnemend en innig, dat het de moeite loont, een paar harer gedachten uit haar gebroken Fransch in onze taal weder te geven.

“Ik ben”—zoo schrijft zij—“zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaken in Brabant zoo goed gaan; ik hoop, dat ze alle dagen beter zullen worden en God door deze gelegenheid ons de genade zal verleenen, dat alles tot een vasten vrede komt, hetgeen ik uit geheel mijn hart wensch, opdat ik u en Madame nog eens tot rust mag zien komen.”

En zeker, de zaken in Brabant gingen goed. Wel vond de aansporing, om desnoods met wapengeweld de tirannie te verdrijven, geen ingang in het Zuiden. Daarvoor was men te bevreesd voor den koning en de naderende komst van zijn nieuwen landvoogd. Maar dit resultaat bereikte de Prins toch door al zijn schrijven aan de gewesten en aanzienlijke personen, dat de Staten-Generaal met toestemming van den Raad van State, met Oranje besprekingen over den vrede openden. Die besprekingen, die reeds onder Requesens in 1575 in Breda waren aangevangen, maar toen tot geen resultaat geleid hadden, moesten thans weer opgevat worden. Vrede toch was het algemeen onweerstaanbaar verlangen van de natie. Natuurlijk lag in het uitspreken van dien wensch ook tevens de verdrijving der Spaansche soldaten. De Staten-Generaal en de Raad van State meenden binnen de perken van hun trouw aan den koning wèl over den vrede met Holland en Zeeland te kunnen onderhandelen; maar Oranje’s vollen raad op te volgen, was naar hun meening daarmede in strijd. En de Prins stelde zich voorloopig met dat resultaat tevreden, want hij wist, gelijk de gevolgen ook geleerd hebben, dat die eerste stap hen ook tevens zou moeten voeren tot bestrijding der Spaansche macht.

Voordat de onderhandelingen begonnen, vroegen de Staten-Generaal uitdrukkelijk van den Prins de verzekering, dat hij geen nieuwigheid zou invoeren omtrent den R.-Katholieken godsdienst en de verschuldigde gehoorzaamheid aan den koning. De Prins maakte geen bezwaar, die verzekering te geven. “Nooit had hij in den zin gehad eigendunkelijk in de religie verandering te brengen; ook thans konden ze daarop gerust zijn. Hij nam er genoegen mee, dat alles in den toestand zou blijven, waarin het was, totdat, na het vertrek der Spanjaarden, een vrije en wettige vergadering der Staten-Generaal alle geschillen zou beslechten. Evenmin lag het in zijn bedoeling, de landen aan de wettige gehoorzaamheid des konings te onttrekken; zijn eenig oogmerk was steeds geweest, hen te bevrijden van de onverdragelijke tirannie, die hun den voet op den nek wilde zetten. Dit antwoord bevredigde de Staten-Generaal en ze stemden er in toe, dat er afgevaardigden van hen met vertegenwoordigers zoowel van Holland en Zeeland als van den Prins zouden samenkomen.

Gent werd daarvoor gekozen, al was ook de citadel dier plaats, gelijk de meeste kasteelen, in de macht der Spanjaarden en al stond eerst de van ouds onrustige stad den Staten-Generaal niet al te best aan. Ook zij begrepen, dat er haast moest gemaakt worden, daar Don Juan reeds op weg naar de Nederlanden was en deze nieuwe landvoogd moest staan voor een fait accompli.

Op den 11en October werden door den Raad van State aan de afgevaardigden uit het Noorden brieven van vrijgeleide gezonden en op den 19en begonnen de beraadslagingen. Van beide zijden waren er negen afgevaardigden; van die der Zuidelijken waren Dr. Leoninus en de abt van St. Geertrui; van die der Noordelijken Marnix van St. Aldegonde en Paulus Buys de voornaamsten.

Oranje zelf ging niet naar Gent, maar ontving te Middelburg dagelijks rapporten van de onderhandelingen, terwijl hij van daaruit den toestand beheerschte. De Prins moest zelfs uit Middelburg nog in de eerste dagen der samenkomst tot voortvarendheid aansporen. Er bleef van beide zijden in den aanvang wantrouwen heerschen. Men vreesde, dat de Prins misschien volksbewegingen te Gent en te Brussel in de hand zou werken en ook omtrent zijne eischen, den godsdienst betreffende, was men niet gerust. Oranje van zijn kant was beducht, dat misschien de spoedige komst van Don Juan alles weer in duigen zou werpen, en de flauwhartigen door zijn beloften zouden worden overreed; daarom drong hij terecht op groote haast aan.

Over twee punten was men het geheel eens. Noord en Zuid beide wilden de Spaansche soldaten verwijderd zien en de privilegiën handhaven. De godsdienstvraag was moeilijker op te lossen. Herinneren we ons, dat tegen den wil van Oranje in de Unie van Delft het Calvinisme als eenige godsdienst van Staat was erkend en dat de katholieke leer in het Noorden was uitgesloten. Drong men dus van het Zuiden aan op vrijheid van den katholieken godsdienst in Holland en Zeeland, dan stond het te vreezen, dat de godsdienstquaestie de geheele pacificatie in duigen zou werpen. Men besloot haar daarom in statu quo te laten en hare oplossing uit te stellen tot een nieuwe vergadering van de Staten-Generaal na den vrede.

Overigens herstelden de vredesartikelen de vriendschap en het verkeer tusschen de partijen; alle wederzijdsche gevangenen, alle onroerende verbeurdverklaarde goederen zouden worden teruggegeven. Oranje werd erkend in zijn waardigheid als Stadhouder van Holland en Zeeland en ook aan hem werden zijn verbeurd verklaarde goederen teruggeschonken. Hij schreef daarover terecht aan den Abt van St. Geertrui: “Ik bid u niet vreemd te vinden, dat ik, die zoo in schulden zit en zoo lang van mijne goederen ben beroofd geweest, daarvan eenig gewag heb willen maken, het kan in de toekomst te pas komen.”

Wat de enkele steden in Holland en Zeeland, die Oranje’s gezag nog niet erkenden, aangaat en die zich toch bij dit verdrag aansloten, zij zouden een satisfactie ontvangen, als ze zich voegden onder zijn bewind; o. a. op het punt van den godsdienst zouden zij eenige meerdere vrijheid erlangen. De geheele Pacificatie bestond uit 25 artikelen; deze waren op den 28en October vastgesteld, doch hadden toen nog de bekrachtiging noodig van de Staten-Generaal.

Het was dringend noodzakelijk, dat dit lichaam niet te lang wachtte met de goedkeuring, want Don Juan was op weg en als die zich aan het hoofd der Spanjaarden plaatste, zou hij alles wat de Raad van State had gedaan, van nul en geener waarde verklaren. Uit een onderschepten brief van Roda, het eenige Spaansche lid uit den Raad en vóór 4 September uit Brussel ontsnapt, was gebleken, dat hij Don Juan zou adviseeren den Raad van State en zijn gezag te vernietigen. Voor de komst van een nieuwen landvoogd moest dus gehandeld worden, maar de Staten-Generaal bleven aarzelen het verdrag goed te keuren. Oranje, ook van bevriende zijde gewaarschuwd, begreep maar al te goed, dat er tot het laatste toe gevaar van tallooze Zuid-Nederlanders te vreezen was. “Men handelt niet met ons op zijn Vlaamsch, maar op zijn Italiaansch en Spaansch,” had hij gezegd.

Misschien zouden de Staten-Generaal nog zijn blijven talmen, zoo niet een onvoorziene gebeurtenis hen tot goedkeuring van het verdrag had gedwongen.

Die gebeurtenis staat in de geschiedenis bekend als de Spaansche furie. Wij zagen, hoe de muitende soldaten, na de overgave van Zierikzee en na plunderend en brandstichtend het land te zijn doorgetrokken, zich vooral op de kasteelen in de buurt der steden hadden genesteld, om ze van daaruit in bedwang te houden. De eerste stad, die door hen verwoest werd, was Maastricht en wel op den 20en October, een dag na de opening der onderhandelingen te Gent. Die plundering scheen het sein van een algemeenen aanval der Spanjaarden te wezen. De citadel van Antwerpen was hun hoofdkwartier. Daar stonden ongeveer 4000 Spaansche troepen onder de bevelen van d’Avila, Romero, Valdez e. a., die zich eerst wel niet met de muiters hadden verbonden, maar vooral door invloed van Roda zich toch met dezen vereenigden tot een algemeenen aanval op Antwerpen. Roda had zich tot de komst van Don Juan het volle gezag des konings toegekend.

De stad zelf stond onder Champagny, den broeder van Granvelle, die met alle Nederlanders den haat tegen de Spanjaarden deelde en zelfs op dat oogenblik met Oranje in betrekking stond. Bij hen voegden zich de markies van Havré met Heze en Filips van Egmond, zoodat Antwerpen zelf een bezetting had van ongeveer 8000 soldaten, die zich gereed maakten, de citadel waarin de Spanjaarden waren, te belegeren. Doch die Antwerpsche bezetting, m. a. w. de Nederlandsche soldaten van de Staten-Generaal, waren niet vertrouwbaar. Ook de troepen onder kolonel van den Ende en graaf von Eberstein waren evenzeer als de Spaansche soldaten ontevreden. De overwinning van dezen was dan ook zeker, zoodra d’Avila, ondertusschen nog versterkt door de Spaansche soldaten van Aalst, besloot, in de stad te trekken. Het waren vooral de troepen van Aalst, die de aanleiding waren van den aanval op de stad. Deze toch werden alleen door het vooruitzicht van plundering bezield; ze hadden op den 4en November de 24 mijlen tusschen Aalst en Antwerpen in zeven uur tijds afgelegd en zij weigerden de ververschingen, die d’Avila aanbood met te zeggen, dat ze rekenden op een goed avondmaal in de andere wereld of binnen Antwerpen. In een uur had de geheele Spaansche bende, tot de tanden gewapend, de citadel verlaten en ze waren zóó zeker van hun welslagen, dat ze nauwelijks één man op de wacht achterlieten.

Na een hevig straatgevecht werden de troepen der Staten teruggedreven. Men nam o. a. Egmond gevangen; Champagny en Havré konden zich nauwelijks redden, maar vonden nog op de schepen van den Prins van Oranje, die op de Schelde lagen, een wijkplaats.

“Op den ochtend van den 5en November,” schrijft Motley, “bood Antwerpen een akelig schouwspel aan: het prachtige stadhuis, als een wonder der wereld beroemd, zelfs in die eeuw en in dat land, waarin men aan stadsgebouwen zooveel schatten ten koste legde, stond daar als een zwartgeblakerde bouwval; alles was vernield, behalve de muren, terwijl oorkonden, registers en andere voorwerpen van waarde verloren waren gegaan. Het luisterrijkst gedeelte van de stad was in de asch gelegd; minstens vijfhonderd paleizen, grootendeels van marmer of gehouwen steen, waren een smeulende puinhoop geworden. Lijken van hen, die in het bloedbad gevallen waren, lagen aan alle kanten, maar het meest op het plein de Meir tusschen de gotische zuilen der Beurs en in de straten dicht bij het Stadhuis. De Duitsche soldaten lagen er in hunne wapenrusting; van sommigen was het hoofd van den romp afgebrand, bij anderen had de vlam armen en beenen verteerd.... Nog twee dagen lang waarde de verdelging door de stad. Van alle misdaden, die de mensch met koelbloedige berekening of razenden hartstocht begaan kan, bleef er nauwelijks een ongepleegd.

Met onuitdelgbare letters heeft de geschiedenis op hare koperen tafels de rekening gegrift, die alleen voor den Rechterstoel hierboven vereffend worden kan. Van al de gruweldaden in de Nederlanden begaan, was dit de ergste. Men noemde haar de Spaansche furie, onder welken verschrikkelijken naam zij sedert eeuwen bekend bleef.

De stad, een wereld van weelde en luister, was in een knekelhuis herschapen, haar handelsbloei geknot. Drie duizend lijken werden op straat gevonden, een gelijk getal menschen schatte men, dat in de Schelde omgekomen was, en nagenoeg evenveel werden er verbrand of op andere wijze omgebracht; zeker waren er niet minder dan achtduizend van het leven beroofd. Voor zes millioen aan goederen werd door den brand vernield en minstens evenveel door de Spanjaarden buit gemaakt.”

Verwondert het ons, dat de kreet om verjaging van den Spanjaard uit de Nederlanden, sedert die afschuwelijke verwoesting van Antwerpen vertiendubbelde? De Staten van Brabant richtten zich reeds den volgenden dag tot de Staten-Generaal, aandringend op onmiddellijke voorziening en schadevergoeding. De Staten-Generaal, die reeds eenige dagen geaarzeld hadden het verdrag van de Pacificatie van Gent goed te keuren, gingen thans onverwijld tot die goedkeuring over “pour prévenir et éviter de plus grands inconvénients.”

Op den 8en November werd met toestemming van de Staten-Generaal de Pacificatie geteekend. Die Pacificatie was niet alleen eene bevrediging, maar ook een verbond.

Het was een ontzaggelijke triomf voor den Prins van Oranje en het geheele verdrag was een meesterstuk van diplomatie.

Door onderlinge samenwerking moesten eerst de Spanjaarden uit het land worden verjaagd; dit doelwit was door den Prins bereikt. Dat het hoogste belang van de Noordelijke gewesten (de godsdienst) in handen was gegeven van een toekomstige vergadering der Staten-Generaal, was een quaestie, die, volgens Oranje, in ’t verre verschiet lag. Bovendien zou ook die vergadering geen vrede hebben met ketterplakaten. Zeker mocht de Prins, de man van groote verdraagzaamheid, zich vleien met de hoop, dat de Staten-Generaal dan niet het vonnis zouden vellen over landgenooten en trouwe wapenbroeders, alleen om geloofsverschil.

Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)
Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)

Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)

Voor zijn staatkundig bewustzijn was niet de godsdienstquaestie het moeilijkste punt, maar wel de houding, die men elkander tegenover Don Juan beloofde. Zonder de Spaansche Furie was waarschijnlijk de Pacificatie op het verschil daaromtrent nog afgestuit. Holland en Zeeland hadden het plan Don Juan niet te erkennen; het Zuiden wel, doch onder belofte, in deze zaak niet zonder bijstand van Oranje en de Staten van Holland en Zeeland te zullen handelen.

Het was te begrijpen, dat er over de Pacificatie in alle gewesten groote vreugde heerschte en niet het minst in Holland en Zeeland. In de afkondiging werden al de Staten genoemd, welke met den Prins van Oranje en Holland en Zeeland een verbond hadden gesloten, terwijl het verboden werd met de steden, die nog Spaansche garnizoenen hadden, eenig verkeer te onderhouden. In een andere proclamatie werd van de vluchtelingen, die zich in de aangesloten steden kwamen vestigen, een eed van trouw geëischt zoowel aan den koning, als graaf van Holland onder het bestuur van den Prins van Oranje, zijn wettigen stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal, als aan de Staten-Generaal van die landen. Bovendien bevatte zij de verplichting de Spanjaarden uit alle gewesten te verdrijven, alle ordonnantiën en bevelen van de Staten-Generaal, van Z. Excellentie en de Staten van Holland te gehoorzamen. Ook moest men de verplichting nakomen niets tegen den Hervormden godsdienst te ondernemen en de gesloten pacificatie van Gent in stand te houden.

Ofschoon de Prins zelf liever een belofte dan een eed op het verdrag had gewild, namen de Staten echter dit besluit.

Alzoo was de geheele vereenigde macht van de 17 gewesten nu vrij, het Spaansche leger uit de Nederlanden te verdrijven, zelfs al waren zij onder het bestuur van een Spanjaard. En dit was het geheele werk van den man, die geen persoonlijk deel genomen had aan de beraadslagingen te Gent. Zonder hem zou de zaak onmogelijk geslaagd zijn.

Ook Oranje zelf was met het bereikte resultaat ten zeerste ingenomen. “Onze afgevaardigden,” schrijft hij aan Jan, “hebben zoo goed gewerkt, dat door Gods genade op den 28en der laatste maand vrede gesloten is tusschen ons en de andere gewesten.” Hij spreekt in dien brief tevens de hoop uit, dat deze vrede mettertijd een goede en volkomen rust zal brengen en ook broer Jan van het geluk, dat daaruit kan voortkomen, zijn deel zal hebben. Hij erkent, dat het nog werk genoeg zal kosten, het land te zuiveren, maar hoopt, dat de vrede tusschen de gewesten er toe zal medewerken en de Spanjaarden uit zich zelf het land zullen verlaten.

Gedurende de onderhandelingen over de Pacificatie had Oranje niet opgehouden tot Anjou in betrekking te staan. Wel was het aanzoek van de maand Mei zonder gevolg gebleven, maar het was niet afgestuit op den onwil van den Franschen Prins. Integendeel, deze was vol verlangen om den Nederlanden hulp te verleenen en zond twee gezanten spoedig na elkaar naar deze gewesten. De Prins, overtuigd dat Don Juan zijn rol niet zou kunnen spelen in de Nederlanden, had eerst tot aanneming van Anjou’s voorstel geraden; de instructies van den tweeden gezant waren echter zoo aanmatigend, dat Oranje zijn aanhangers in Brussel tot kalmte aanspoorde. Van die hulp kwam dan ook op dat oogenblik niets. Toch bleef de Prins met hooggeplaatste personen o.a. met Hendrik van Navarre in betrekking, terwijl zijn vrouw een hartelijken brief schreef aan haar broeder, Frans van Bourbon, die geheel met het huwelijk van zijn zuster was verzoend.

De oude gravin Juliana verloor op haar vergevorderden leeftijd ook niet haar belangstelling in de Nederlandsche gebeurtenissen. Meer dan eens maakte ze van de boden van haar zoon Jan gebruik, om aan haar oudsten zoon een vriendelijk, hartelijk briefje te zenden. Ze zijn in zeer eerbiedigen toon geschreven, dien men van een moeder tegenover haar kind bijna niet zou verwachten. Ze spreekt hem steeds aan als “Hooggeboren Vorst,” doch in het midden van haar vormelijke frases komt nu en dan een teedere uitdrukking voor, waaraan men de godvruchtige moeder ten volle herkent. In een briefje van den 22en October wenscht zij hem geluk met het helderder licht, dat voor hem door de wolken breekt. Ze hoopt, dat God door zijn heiligen Geest hen mag verlichten, die aan den vredehandel deelnemen. Hoe kras de oude vrouw nog was, blijkt uit het bericht, dat ze eerstdaags naar haar dochter Juliana, echtgenoote van graaf Albrecht von Schwarzburg hoopt te gaan, ten einde bij hare bevalling te helpen.

In het midden van de vermoeiendste staatszaken van den Prins, met haar slingeringen van hoop en vrees, zijn die teekenen van huiselijk leven vriendelijke lichtstralen op zijn pad.

Illustration from Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings