Mook en Leiden. 1574.
D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation
Het jaar 1574 opende zich onder goede vooruitzichten voor het land. Alva was vertrokken en opgevolgd door een man, die tot vrede geneigd was. In Middelburg hielden de Geuzen den wakkeren Mondragon zóó ingesloten, dat de kans op bewaring der stad zeer klein was. Geduldig wachtte de Prins in Zierikzee op den afloop.
Elke regel, die hij gedurende dien winter schreef, spreekt van verlatenheid, waaronder hij gebogen ging.
Zijn broeders schreven hem voortdurend, maar de communicatie tusschen Dillenburg en Zeeland was zoo slecht, dat maar een klein gedeelte van de hartelijke brieven hun bestemming bereikte.
Dit maakte Oranje onrustig en stemde hem somber; “Sedert den 6en November heb ik geen woord van u vernomen,” schrijft de Prins op den 6en Januari uit Vlissingen aan zijn broeders. Dringend vraagt hij om bericht hoe de zaken staan en waarop hij mag rekenen, opdat de droevige geschiedenis van Haarlem zich niet zal herhalen. “Waarom worden de maatregelen, die gij genomen hebt, zoo lang uitgesteld?” gaat hij verder, “nu zou daadwerkelijke hulp wat beteekenen, want de vijand is ontmoedigd, verdeeld en naar alle kanten verspreid.”
Nog voordat hij den brief had verstuurd kwam er tijding van Jan uit Dillenburg, den 21en November verzonden, waarin deze vertelt over de ontmoeting van Lodewijk met den koning van Polen. Oranje dankt hem ten zeerste en bericht tevens, dat Middelburg tot zulk een uiterste is gebracht, dat de stad eerstdaags wel in hun handen zal vallen. Vele mannen, vrouwen en kinderen sterven dagelijks van honger en het zal den vijand niet gelukken, de stad van proviand te voorzien.
Misschien had Mondragon het nog langer dan de Prins vermoedde in Middelburg uitgehouden, wanneer niet in dezelfde maand Januari, Oranjes admiraal Boisot, een glorierijke overwinning op een Spaansche vloot had behaald.
Requesens wilde nl. een poging wagen om Middelburg te ontzetten; daarom verzamelde hij een groot aantal schepen bij Bergen op Zoom, die met een vloot van dertig schepen onder d’Avila van Antwerpen uit naar Middelburg zouden stevenen. d’Avila kwam in het laatst van Januari niet ver van Vlissingen aan, teneinde daar de komst van de andere vloot onder Romero af te wachten en dan gezamenlijk het uitgehongerde Middelburg hulp te verleenen.
Requesens begaf zich naar Bergen op Zoom om het vertrek van Romero’s schepen te bespoedigen, doch de Prins van Oranje zou niet gedoogen, dat de stad langs dien weg gered werd.
De vloot van admiraal Boisot was reeds de Schelde opgevaren en had tegenover Bergen op Zoom het anker laten vallen. Oranje scheepte zich te Zierikzee in en bracht de geuzenvloot een bezoek; de onderbevelhebbers werden bijeengeroepen en hij hield hun kort en krachtig voor, van welk groot belang het was, dat Middelburg, de sleutel van Zeeland, in hun handen zou vallen. Zijn bezoek miste de uitwerking niet; men zwoer den Prins alles voor het vaderland en de goede zaak, die zij dienden, over te hebben en alle krachten te zullen inspannen den Spanjaarden te beletten in Middelburg te komen.
Den 29en Januari liep de vloot van Romero uit Bergen op Zoom, gesplitst in drie smaldeelen elk van vijf en twintig vaartuigen. Tegenover Roemerswaal wachtte Boisot, in slagorde geschaard, de Spanjaarden op. Men had besloten de Spaansche schepen te enteren en al het volk stond op het dek met handspaken en enterbijlen gereed.
Zoovelen van Romero’s schepen als men op den nauwen waterplas enteren kon, raakten ook aan den vijand vast. Een moorddadig gevecht van man tegen man volgde, waarbij bijl, enterpiek, pistool en dolk de wapenen waren.
Reeds spoedig bleek de minderheid der Spanjaarden en nadat zij tal van schepen hadden verloren en eenige honderden Spanjaarden gesneuveld waren, vertrok het overschot van ’s vijands vloot naar Bergen op Zoom.
Hier stond de groot-kommandeur op een dijk het verloop van het gevecht gade te slaan en was daardoor getuige van de volslagen nederlaag. Romero, wiens schip in den grond was geboord, kwam zwemmende aan wal, juist waar Requesens stond. “Ik heb Uwe Excellentie gezegd,” zei Romero koeltjes, toen hij druipend nat op het strand klom, “dat ik een landsoldaat en geen zeeman was. Indien gij mij bevel gaaft over een honderdtal vloten, ik zou het er niet beter hebben afgebracht dan nu.”
Het gevolg was, dat d’Avila ook verplicht was naar Antwerpen terug te keeren en Mondragon in Middelburg aan zijn lot moest worden overgelaten.
In het midden van Februari gaf de stad zich over; op den 18en dier maand teekende de Prins vijf artikelen, waarbij aan den Spaanschen bevelhebber eervolle uittocht werd verleend.
Deze gebeurtenis was in menig opzicht allerbelangrijkst. Volgens de Spanjaarden was de Prins een rebel, de leider van een oproerigen troep, met wien men niet, als met een oorlogvoerende mogendheid kon onderhandelen. Toen Mondragon toestemde tot een mondelinge onderhandeling, stond door dit feit de Prins aanstonds op een geheel ander standpunt, waarvan hij niet meer afweek.
In de artikelen, die Oranje aan Mondragon ter teekening aanbood, werd met opzet vermeld, dat Oranje de stadhouder van den koning was en dat de burgers trouw aan hem moesten zweren en eene schatting van 300.000 florijnen zouden betalen. Ook beloofde Mondragon de loslating van Aldegonde en vier andere gevangenen van hooger rang te bewerkstelligen en, indien dit niet gelukte binnen twee maanden, dan zou hij zelf terugkeeren en zich als krijgsgevangene aan den Prins overleveren.
Een paar dagen na het vertrek van Mondragon verscheen de Prins in de stad en organiseerde er aanstonds het bestuur. Hierin kreeg Oranje veel macht, daar de abt van Middelburg, een der drie leden van de Staten, verviel en de adel alleen vertegenwoordigd werd door een zoogenaamden Eersten Edele, welke waardigheid Oranje in 1562 voor zijn oudsten zoon had verkregen. Door het verblijf van dien zoon in Spanje, was de waardigheid op den Prins overgegaan, die als zijn vertegenwoordiger Arend van Dorp, gouverneur van Zierikzee, aanstelde. Iets later kocht Oranje het markiezaat van Veere en Vlissingen, waardoor zijn macht nog aangroeide in Zeeland, daar deze steden met de andere in de Staten optraden. Op dubbele wijze had de Prins dus in dit gewest grooten invloed, waaruit dan ook te verklaren is, dat de macht van de Prinsen van Oranje in het geheele verloop van de geschiedenis onzer Republiek zeer groot is geweest.
Behalve dat het dagelijksch bestuur uit vertrouwde vrienden van den Prins werd gevormd, nam men ook maatregelen om Zuid-Beveland en Tholen eveneens van de Spanjaarden te bevrijden.
Ondertusschen bleef het er in Holland nog droevig uitzien. Terwijl Amsterdam en Haarlem in handen der Spanjaarden waren, werd Leiden langzamerhand door Valdez ingesloten. Van een eigenlijke belegering van Leiden, in den ouden zin van het woord, was geen sprake. Het platteland rondom de stad werd bezet met een aantal schansen, teneinde de bewoners der stad door den honger tot overgave te dwingen.
Men was aan die bezetting steeds bezig, toen in Februari 1574 graaf Lodewijk met zijn leger te velde kwam. Fransch geld en Duitsche troepen hadden den vurigen man daartoe eindelijk in staat gesteld. Wat een moeite had de ijverige Lodewijk zich daarvoor getroost! Niet alleen hij, maar al de Nassau’s hadden het hunne bijgebracht, om het nieuwe plan te doen slagen. In Januari had de graaf reeds te Frankfort 3000 ruiters en 10.000 voetknechten bijeen. Hendrik, zijn broer, zou ook deelnemen aan den tocht. Eerst was Lodewijks voornemen, een nieuwen inval in Groningen te doen, maar daar hij zich in het zuiden met de Fransche troepen zou vereenigen, koos hij een aanslag op Maastricht en Luik. Het had hem de grootste moeite gekost de bisschoppen althans onzijdig te houden. Waren enkelen alleen voor goeden buit vatbaar, anderen werden door huwelijksplannen gunstig gestemd, zooals de bisschop van Keulen, waardoor Lodewijk vergunning verkreeg deze stad als zijn hoofdkwartier te gebruiken, hetgeen hem zeer te pas kwam. Van de Duitsche zijde scheen daar alles tot het welslagen van den tocht mede te werken. Jammer, dat het leger zelf zooveel te wenschen overliet. Het was niet veel meer dan een samengeraapte bende, slecht gewapend en ongeoefend. Zoo toog men naar Maastricht, ook mede op raad van den Prins, die dat de voordeeligste weg vond en die reeds in November 1573 had geschreven: “Mij dunkt wanneer gij de onderneming op Friesland en Groningen tot Maart uitstelt, gij beter doen zult, al uw krachten naar Maastricht te wenden en wel met de meest mogelijke haast, voor ik geheel ben ingesloten”.
Tegen het einde van Februari bereikte Lodewijk de Maas en legerde zich bij Maastricht, aan den Duitschen kant van de rivier. Requesens had echter ook Duitsche hulptroepen gelicht en uit zooveel steden als hij durfde, de garnizoens genomen; zelfs had hij een deel der troepen, die Leiden insloten, naar het zuiden gezonden. Mendoza, de Spaansche generaal, was reeds voor Lodewijks aankomst in Maastricht en don Sancho d’Avila kwam Mendoza kort daarop nog versterken. Van Lodewijks leger waren reeds, voor dat het de grenzen was overgetrokken, 1000 man gedeserteerd. Hij had gehoopt, aanstonds de Maas te kunnen oversteken, maar het drijfijs verhinderde de booten. Daarom bleef hij nog aan de andere zijde gelegerd, 4 mijlen boven Maastricht. Dat oponthoud was de oorzaak van den noodlottigen afloop, want als hij onmiddellijk had kunnen doorgaan, dan was d’Avila niet gereed geweest hem te volgen en het leger van Lodewijk had den Bommelerwaard kunnen bereiken, waar de Prins eenige troepen had verzameld, die zich dan met Lodewijks leger hadden kunnen vereenigen.
Den 13en April kwam hij bij Mook aan, doch d’Avila was aan de andere zijde van de Maas Lodewijks leger gevolgd en bracht zijn troepen bij Grave op een haastig van booten gebouwde brug naar denzelfden kant der rivier over. Lodewijk was dus binnen een betrekkelijk kleine ruimte tusschen Maas en Waal ingesloten. Hij liet een gracht graven, waarvan nog de overblijfselen bij het tegenwoordig klooster te vinden zijn, doch dat was zijn eenig zwak verdedigingspunt. d’Avila’s stelling daarentegen was veel voordeeliger. Het steunpunt daarvan was de Maas. Lodewijks kracht lag in zijn ruiterij, hij had toen 1800 ruiters, terwijl de Spaansche veldheer slechts eenige honderden ruiters had; maar op de plaats, door d’Avila voor den slag gekozen, kon Lodewijk van die ruiterij geen voordeel hebben. Had hij een slag kunnen vermijden, dan had hij het zeker gedaan, maar dit was onmogelijk. Bij het aanbreken van den dag, op den 14en April, begonnen de Spanjaarden den aanval op de gracht en uren lang duurde het gevecht. Tot driemalen toe werd die aanval herhaald en bleef de uitslag onzeker. Toen scheen eerst door de attaque van Lodewijks ruiterij, de overwinning aan zijn kant te zijn, zoodat de voorhoede der Spaansche ruiters zelfs over de Maas gedreven werd. Doch daarop keerde plotseling de kans. De enkele honderden ruiters der Spanjaarden waren door een duizendtal, de voorhoede van het leger van Valdez, versterkt; ze drongen op de Duitschers in en een algemeene vlucht van dezen in de bosschen volgde. Nog hielden de hoofden stand, maar ze werden door de overmacht verpletterd en Lodewijk van Nassau, zijn broeder Hendrik en Christoffel van de Paltz kwamen jammerlijk om het leven.

Schaal 1: 1000000.
······> Tocht van Lodewijk.
——>——> Tocht van d’Avila.
Met Lodewijk bovenal ging een held te gronde, die zeldzame gaven in zich vereenigde, wiens ridderlijk karakter niet alleen, maar ook wiens adeldom van geest door allen, die hem gekend hebben, om strijd is geroemd. Van zijn twintigste jaar af was hij steeds aan de zaak van Oranje verbonden. In zijn 36e levensjaar vond hij den dood op de Mookerheide en wanneer we terugzien op al wat hij gedurende die 15 jaar heeft verricht, dan lijkt ons die tijdruimte bijna te klein voor al dien arbeid. Niet altijd was hij met Oranje geheel een van zin geweest. Hij is overal, waar we hem ontmoeten, de vurige man, die de voorzichtigheid van den staatsman wel eens uit het oog verloor, maar die gedreven werd door een onstuimigen aandrang, om ten uitvoer te brengen, wat hij goed en nuttig achtte. Van zijn deelneming aan het verbond der Edelen af, eigenlijk tegen den zin zijns broeders, tot zijn laatsten veldtocht toe, nergens verloochende hij die geestdriftige natuur. “Lodewijk—zoo zegt prof. Blok—was een man van het oogenblik; vurig en ridderlijk; onstuimig toesnellend op zijn doel; driftig voorthollend op den weg van het avontuur; het gevaar uitdagend; zijn woorden weinig wikkend, bewegelijk en hartstochtelijk; geboren krijgsman, zoo al geen legerhoofd.”

Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).
Meer dan een zijner impulsieve daden heeft het succes van belangrijke maatregelen bedreigd; meer dan eens wilde de voorzichtige Prins al de plannen van Lodewijk niet kennen. Ook in het godsdienstige kwam datzelfde karakter uit. Hij had een innig godsdienstige overtuiging; zijn doel was altijd de bevordering van de protestantsche zaak; hij maakte die niet aan de politiek, maar wel deze aan het Protestantisme dienstbaar. Van de hooge verdraagzaamheid van Oranje wilde Lodewijk niet weten. Hij liet zich vaak tot heftigheid tegen het Pausdom en de katholieke kerk verleiden. Doch ook die vurige ijver vloeide voort uit zijn geestdriftige natuur, waarom hij in tallooze kringen zoo bemind was. Bemind in Dillenburg, bemind aan het Fransche hof, bemind bovenal door zijne moeder. Van liefde echter vinden we, na zijn vergeefsch huwelijksaanzoek om de erfgename van Rijsberg, in zijn leven geen spoor, of het moest zijn de hulp, die hij verleende aan Charlotte van Bourbon bij haar vlucht uit het klooster in N.-Frankrijk, waarover later. Hij bleef althans ongehuwd. Maar al werd hij door geene droeve weduwe betreurd, zijn dood liet een leegte achter in tallooze gemoederen. De Fransche Hugenoten betreurden hem als een hunner meest geliefde leiders. De Hollanders wachtten thans vergeefs op hun Engel Gabriël. De Duitschers zouden hun Bayard nimmer wederzien.

Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).
Schaal 1: 25000.
(Ter wille van het overzicht zijn de afstanden, betrekking hebbende op de troepenopstelling, wat te groot genomen.)
Mn = afdeeling van Mondragon.
d’A = Colonne van d’Avila.
M = Cavalerie van Mendoza.
a. Infanterie in de gegraven versterking.
b. De rest der Nassausche Infanterie.
c. De Cavalerie.
d. De afdeeling ruiters, welke den rechtervleugel dekt.
Bovenal Juliana van Stolberg, die Lodewijk buitengewoon liefhad en die hem onlangs nog op zijn ziekbed met zooveel toewijding had verzorgd, smolt weg in tranen. En de Prins? Bij den slag op de Mookerheide ging er een licht voor hem uit, welks afwezigheid zijn geheele leven door hem gevoeld werd. In zijn Apologie wijdde hij o.a. deze woorden aan zijn nagedachtenis: “Zij, die omtrent mijn broeder Lodewijk iets te zeggen hebben, deden beter zulk een goed ridder met rust te laten. Met hem kunnen ze niet worden vergeleken en een veel beter Christen was hij.”
Hendrik, die ter zelfder tijd zijn leven verloor, was slechts 24 jaar. Van hem persoonlijk is weinig bekend; wel weten wij, dat hij meermalen het voorwerp uitmaakte van de zorg en overleggingen zijner moeder en broeders. Als Oranje daarin deelde, hebben wij niet verzuimd het te melden. Behalve een stijf gestelden Latijnschen brief van Hendrik uit zijn jongenstijd, is er niets meer van zijn hand bewaard gebleven.
Er wordt wel beweerd, dat de Prins over het voornemen van graaf Lodewijk, om bij Herwaarden tusschen Maas en Rijn de rivier te passeeren, niet zeer tevreden was. Hij zou het groote gevaar daarvan hebben ingezien en zich ook niet in staat geacht hebben, in zulk een groote haast voldoend oorlogsgereedschap op die rivier te zenden. Ook zou Oranje zelfs tot de intieme vrienden gezegd hebben, dat, “hoe lief en aangenaam zijns broeders komst hem ook mocht wezen, hij nogtans op dien tijd wel lijden mocht, dat hij met zijn leger 100 mijlen van daar was.” Dat bericht, hoe geloofwaardig op zich zelf, wordt niet bevestigd door een schrijven van den Prins uit Dordrecht van den 13en April, waarin hij zijn broeders belooft, dat hij al zijn best zal doen, om hen bij hun aankomst in de omstreken van Tiel door een goed escorte te doen ontvangen. Het kan echter wel zijn, dat Oranje in vertrouwelijke gesprekken zich niet zoo optimistisch omtrent Lodewijks inval uitliet en toch hem zelf daarmede niet wilde bezwaren. De geheele maand April verliep, zonder dat de Prins en zijn geheele familie van het smartelijk ongeval kennis kreeg.
Uit brieven van den 15en en 17en April bleek, dat Oranje nog niets bekend was omtrent het ongelukkig verloop van den veldtocht; hij was integendeel vol goeden moed en de berichten uit Engeland waren ook gunstig, daar de regeering meer geneigd scheen om met Duitschland verbonden, den koning van Spanje openlijk den oorlog te verklaren.
Berichten ontving Oranje niet; geen enkel antwoord van zijn broeders op de zeven brieven vanaf den 10en der maand aan hen geschreven.
Wel is hem bekend geworden, dat er een nederlaag is geleden, zooals uit het schrijven van den Prins aan Jan van Nassau blijkt, maar omtrent het lot van zijn broers en Christoffel van de Paltz weet hij absoluut niets.
Eerst op den 7en Mei schijnt de Prins de volle waarheid te hebben vermoed. Van dien dag dagteekent een brief, welke terecht beroemd is geworden, aan zijn thans eenig overgebleven broeder Jan. Blijkens dat schrijven vreest de Prins, dat men met voorbedachten rade den dood zijner broeders voor hem en Jan van Nassau geheim houdt en hij doet uitkomen hoe nadeelig die geheimhouding werkt. Van alle zijden wordt hij zelf bestormd met vragen naar den afloop en nu hij daarop geen beslist antwoord weet te geven, meent men, dat hij zelf de waarheid verbergt en het gevolg hiervan is, dat men begint te wanhopen aan den staat van zaken.
Daarop volgen dan die schoone, diepgewortelde en innig godsdienstige woorden:
“Ik belijd U, dat ik nooit iets ondervonden heb, dat mij meer leed doet en inniger spijt, doch we moeten ons onderwerpen aan den wil van God en zulk een vertrouwen hebben op Zijne goddelijke voorzienigheid, dat Hij, die het bloed van Zijn Eenigen Zoon niet heeft gespaard, om Zijn kerk te bewaren, niets zal doen dan wat dienen kan tot uitbreiding van Zijn roem en bewaring van Zijn kerk, al schijnt het ook in het oog der wereld een onmogelijke zaak. En al zouden wij allen komen te sterven, en al zou het geheele volk worden vermoord of verjaagd, deze zekerheid moeten wij altijd hebben, dat God de Zijnen nooit zal verlaten, waarvan wij heden ten dage zulk een merkwaardig voorbeeld in Frankrijk zien, waar na den gruwelijken moord van zooveel edelen ieder meende, dat het einde en de algeheele uitroeiing van den (herv.) godsdienst nabij was, terwijl wij nu zien, dat zij bij vernieuwing meer dan ooit het hoofd hebben opgeheven, terwijl de koning zich in meer moeite en ellende bevindt, dan ooit te voren. Wij hopen, dat de Heer onze God, wiens arm niet verkort wordt, van Zijne macht en Zijn mededoogen jegens ons zal gebruik maken...”
Daarop geeft Oranje aan zijn broeder een beschrijving van de verslagenheid van het volk te midden waarvan hij leeft. “Daar is geen volk ter wereld, dat zich spoediger verheugt over eenig goed bericht, maar er is ook geen tweede, dat zoo erg door eenig droevig voorval is terneergeslagen.” Indien zijn broeder daarbij in aanmerking neemt, dat de nieuwe landvoogd een nieuw pardon heeft afgekondigd, waarvan slechts 14 of 15 personen zijn uitgesloten, dan kan hij daaruit berekenen, hoe groot de verleiding is, om zich weer te onderwerpen. “Doch van mijn kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik mijn plicht zal doen, zooveel in mij is, want keert dit volk onder het juk en de tirannie der Spanjaarden terug, dan zal spoedig de godsdienst geheel zijn vernietigd, zonder een vonkje meer te doen schijnen. En de Duitschers, die ons aan ons lot hebben overgelaten, zullen evenals de Engelschen mettertijd zich wel bewust worden van de groote schade, die ook zij daardoor zullen ondervinden.”
Het is daarom, dat de Prins zijn broeder opwekt om nog eens met zijn “volle vijf zinnen” te overleggen, welk geneesmiddel er te vinden zou zijn. Want zonder buitenlandsche hulp tegen de macht van Spanje zal Holland, dat het een tijdlang alleen heeft volgehouden, niet langer bestand zijn.
Verder bespreekt Oranje in den langen brief de kwestie van het meest geschikte legerhoofd, in het geval er van Duitsche en Fransche zijde hulp komt opdagen, de huisvesting die het hulpleger zou kunnen gegeven worden en de plaats, waar zij de Nederlanden het best zouden kunnen binnenkomen.
Kortom uit den geheelen brief blijkt, dat de Prins nog den moed niet heeft verloren, ook na den allernoodlottigsten afloop van den tocht van zijn meest geliefden broeder Lodewijk. En die moed, die hem blijft bezielen, steunde op degelijke gronden. Hij doet zijn broeder beseffen, waarover hij nog kan beschikken. De Staten hebben hem 150.000 florijnen per maand toegestaan, zoolang het noodig zal zijn; maar hulp is dringend noodzakelijk. Blijft die uit en “willen de arme bewoners, van ieder verlaten, desniettemin volhouden.... dan zal het den Spanjaarden nog half Spanje kosten in geld en in mannen, eer ze ons geheel vernietigd hebben.” Want .... nog had Oranje te bevelen over 71 compagnieën infanterie in Holland, 14 in Zeeland, 20 in Waterland, in het geheel 15 à 16000 man, met meer dan 100 groote en kleine oorlogsvaartuigen. Zoolang hij kon, zou hij met deze macht volhouden.
Rijst onze eerbied en bewondering voor den Zwijger niet door zulk een moedige taal na zulke jammeren als op de Mookerheide? Het scheen wel, alsof de Prins uit elke nieuwe smart nieuwe krachten putte. Hoe weinig volkomen zekerheid er omtrent het lot zijner broeders in dien eersten tijd bestond, blijkt o. a. ook uit den brief, dien de Prins van zijn moeder Juliana van Stolberg nog in de maand Mei ontving.
“Ik weet wel”—zoo schrijft zij—“dat gij gelijk hebt; wij moeten met geduld dragen, wat de Heer ons toezendt, maar menschen blijven menschen en zij vermogen dat zonder Gods hulp niet. Moge God mij arme beproefde vrouw, die mijn droefenis niet verzetten kan, mij genadig uit dit jammerdal tot zich nemen of mij met zijn genade sterken en zijn heiligen geest van berusting zenden. Herhaaldelijk is mij verzekerd, dat mijne zonen nog in leven zouden zijn, zoodat ik nog altijd hoop heb. Voor drie dagen werd mij nog verhaald, hoe een edelman kort geleden nog zes dagen bij mijn lieven Lodewijk geweest is en hem naar omstandigheden wel gevonden had. Zijn rechterarm was van boven doorschoten maar hij kon dien nog bewegen. Aan zijn spraak had hij hem herkend. En daardoor heb ik nu weder wat hoop, maar toch vrees ik, dat men een ander voor hem heeft aangezien. Van hertog Christoffel en mijn lieven Hendrik wist men mij niets te zeggen. Doch de zaken mogen gaan, zooals God het beveelt; ik kan niet anders, dan Hem om geduld bidden en dat gij en ik in eeuwigheid niet van Hem mogen gescheiden worden.”
IJdele hoop van de zwaarbeproefde moeder! Want allerwaarschijnlijkst zijn Lodewijk en Hendrik beiden omgekomen in een huis, waar ze heengingen, om hun wonden te verbinden, doch dat boven hun hoofden in brand geraakte en zijn ze zoo ellendig in rook en damp gestikt. Hunne lijken echter, en dat bleef de oorzaak der onzekerheid, zijn nooit teruggevonden.
Een der gronden, waarop Oranje zijn hoop bleef bouwen voor de toekomst trots de jammerlijke nederlaag op de Mookerheide, was zonder twijfel gelegen in zijn kennis van de Spaansche toestanden in het zuiden en den strijd, waarin de nieuwe landvoogd ook zelfs met de Spaansche soldaten gewikkeld was. Zou dat een paar jaar later bij de Spaansche furie tot de geweldigste uitbarsting leiden, die ook het zuiden naar de komst van Oranje in zijn midden zou doen verlangen, reeds voor den slag van Mook hadden de oproerige Spaansche soldaten te Antwerpen onder een Eletto (d. i. een door muitende soldaten gekozen hoofd) de regeering genoodzaakt, aan hun geldelijke eischen toe te geven en op den dag na den slag begon een nieuwe muiterij onder de overwinnende troepen te heerschen.
“Zoodra zoo’n muiterij uitbrak,” zoo verhaalt Motley, “begon men van de naastbij gelegen stad bezit te nemen, waar de Eletto gewoonlijk in het stadhuis zijn verblijf nam en het krijgsvolk bij de burgers ingelegerd werd. Wat voeding en huisvesting betreft was voor deze rooversbenden niets te goed. Mannen, die maanden lang van hun legerrantsoen geleefd hadden—ruwe kinkels, die hun ploeg hadden gedreven, totdat men hen gedwongen had om het musket te hanteeren—sliepen thans op keurig beddegoed en vorderden van de sidderende burgers de lekkerste spijzen. Zij aten het land kaal als een leger van sprinkhanen.”
“Kuikens en patrijzen,” schreef de zuinige Antwerpsche kroniekschrijver, “kapoenen en faisanten, hazen en konijnen, tweeërlei soort van wijn;—tot kruiding van het maal, olijven, citroenen en oranjeappelen, specerijen en zoetigheden; tarwebrood voor hunne honden en zelfs wijn om de pooten hunner paarden te wasschen.”
Ziedaar het weelderig onthaal, door de muitende troepen geëischt. Verdroot den burgers deze gedwongen gastvrijheid, dan moesten zij een belasting opbrengen.
De muiterij, die na de nederlaag van graaf Lodewijk uitbrak was bijzonder erg. Bij Alva’s vertrek was er reeds 6 millioen achterstand van soldij en Requesens was niet in staat, op geregelde betaling eenige hoop te geven. Toch kwamen ze toen nog tot een overeenkomst, daar het Requesens gelukte den grooten Raad van Antwerpen tot een leening van 400.000 florijnen te bewegen. De muitende soldaten vierden op de Place de Meir een groot feest bij gelegenheid van die gesloten overeenkomst, toen plotseling de mare doordrong, dat admiraal Boisot de Schelde was opgevaren. Voordat men gewapend was, had Boisot veertien Spaansche schepen genomen en doen zinken en den Admiraal Haemstede krijgsgevangen gemaakt. Dit was voor den Prins althans een lichtstraal in den donkeren nacht; te meer omdat het feit der muiterij wees op den hopeloozen geldelijken toestand van Spanje, die op den duur niet anders dan een krachtige hulp voor zijn verzet kon wezen.
Voorloopig echter moesten alle krachten, die in Holland aanwezig waren, worden ingespannen. Want binnen den kortst mogelijken tijd was Valdez, die tijdelijk de omstreken van Leiden met zijn leger had verlaten om Lodewijks inval te voorkomen, weer met zijn troepen rondom de stad teruggekeerd en Leiden was op den 21en Mei weder geheel ingesloten. Het beleg en het ontzet van die stad behoort tot de belangrijkste gebeurtenissen der wereldgeschiedenis. Onze vrijheid zou groot gevaar geloopen hebben, indien Leiden was gevallen. Haar behoud heeft op het oogenblik Holland voor ons gered. Het kan ons doel niet zijn, dat beleg en dat ontzet in zijn bijzonderheden te beschrijven. Hoofdzaak is voor ons, het deel aan te wijzen dat de Prins daaraan gehad heeft en aan te toonen, hoe hij voor den verderen loop van den oorlog heeft gebruik gemaakt van den gelukkigen afloop van dat beleg. Want er mag niet vergeten worden, dat ook het beleg en het ontzet van Leiden eenvoudig een schakel in de groote keten der elkander opvolgende gebeurtenissen is geweest, die tot de bevrijding van ons land, tot de voltooiing van het werk van Oranje heeft geleid. Ook dat de Prins tijdens dat beleg vredesonderhandelingen heeft gevoerd, die na het ontzet van zijne zijde met veel meer krachtsbesef konden worden voortgezet. Op die onderhandelingen komen we terug, als we eerst den Prins in zijn arbeid voor Leiden gevolgd hebben.
Toen Oranje den laatsten brief aan zijn broeder Jan schreef, was hij in Dordrecht, waar hij gedurende de maand Mei met de Staten van het land in voortdurend overleg bleef. Daar kwam hem de tijding ter oore van de nieuwe insluiting van Leiden; daar vernam hij, hoe de inwoners dier stad geweigerd hadden garnizoen in te nemen, zelfs de Engelsche vaandels niet toe wilden laten en zijn raad in den wind geslagen hadden, om, terwijl Valdez zich met zijn troepen had verwijderd, voor een nieuwen voorraad levensmiddelen te zorgen.
Hoe hem ook die verschillende berichten troffen en onaangenaam stemden, ze verhoogden slechts zijn eigen krachtsinspanning, want al had Leiden het misschien niet om zijn zorgeloosheid verdiend, het belang van het geheele land was er mee gemoeid. De Staten werden dan ook onmiddellijk door hem tegen den 1en Juni te Rotterdam beschreven, om een plan vast te stellen voor de bevrijding der stad en de noodige gelden voor die onderneming bijeen te krijgen. Bij den bekenden onderlingen naijver der steden was dit geen lichte taak, doch den Prins gelukte het, de zelfzuchtige bondgenooten te doen samenwerken. Fruin zegt terecht van hem: “Om dat te bereiken, werd een leidsman gevorderd, zoo onuitputtelijk geduldig, zoo hoog geacht en bemind, zoo zelfopofferend voor de goede zaak, als de nooit volprezen Willem van Oranje.”
Toen het geld gevonden was, werd bepaald, dat men Leiden zou te hulp komen, door Zuid-Holland onder water te zetten. Er waren deskundigen, die daartegen groote bezwaren hadden. Aan de eene zijde werd beweerd, dat het hooger gelegen Rijnland nooit door het Maaswater zou kunnen worden bereikt; alleen Delfland en Schieland zouden onder water komen; aan den anderen kant had men groote bezwaren, dat op die wijze het land niet licht weer zou kunnen worden drooggelegd. Toch werd er toe besloten. “Het al om het al op het spel te zetten, was in dien tijd de leus onzer kloekmoedige voorvaderen. Hun was de vrijheid van denken en gelooven, het volksbestaan, de zelfregeering het hoogste, ja het eenig goed, het al. Om dat te behouden, was geen prijs hun te hoog, geen waagstuk te vermetel.” Zij hebben alles gewaagd en alles gewonnen.
Dit besluit werd den 30en Juli genomen en onmiddellijk daarop ten uitvoer gebracht. Bij de doorgraving te Capelle aan den IJsel was de Prins persoonlijk tegenwoordig, o. a. in gezelschap van Paulus Buys, die krachtig zijn hulp had verleend om de bestrijders van het plan te overwinnen. Door zestien gapende dijkbreuken stroomde het IJselwater op het land. Daarop werd de Maasdijk aan weerszijden van Rotterdam doorgegraven en de sluizen van Schiedam werden opengezet. Dagen moesten echter verloopen, eer het water zich over de oppervlakte van zooveel honderden bunders verspreiden zou.
Ondertusschen ontbood Oranje uit Zeeland Louis de Boisot, die in den jongsten tijd daar als admiraal groote bekwaamheid had bewezen, zoowel in Januari bij den slag van Roemerswaal, waardoor Middelburg in handen van Oranje viel, als door de overwinning op de Spaansche vloot op de Schelde, waarvan wij gewag maakten. Niemand beter geschikt dan Boisot om een werk te verrichten, waarbij zooveel zeemanschap en krijgsbeleid geëischt werd. Gelukkig, dat men dien ervaren man op dat oogenblik in Zeeland missen kon; een nieuwe Spaansche vloot die men verwacht had en die in hem den besten overwinnaar zou gevonden hebben, was door tegenspoed van allerlei aard niet naar de Nederlanden vertrokken. Boisot zou het beste scheepsvolk en de meest vertrouwde kapiteins in Zeeland gaan halen en dan de onderneming met tal van vaartuigen en de noodige kanonnen aanvangen.
Allerlei teleurstellingen echter vertraagden de bevrijding der stad, waar de jammer van dag tot dag in de maanden Augustus en September vermeerderde. Haar lot te beschrijven, haar steeds toenemende ellende te teekenen, ligt wel niet op onzen weg, maar van een harer bange beproevingen kunnen we ook in ons verband niet zwijgen. Wij bedoelen de aanwezigheid in de stad van een menigte royalistische inwoners, die met hun geestverwanten in andere plaatsen het er op toelegden, de stad aan den vijand over te geven. Dit waren de zoogenaamde glippers, die alles aanwendden, om de inwoners in het denkbeeld te stijven, dat ontzet der plaats onmogelijk was en wier woord, hoe hooger de ellende klom, des te meer ingang vond bij de menigte.
Gelukkig, dat mannen als Bronkhorst, Jan van der Does, Jan van Hout en Pieter Az. van der Werff, de burgerij en de vroedschap in bedwang hielden en geen oogenblik verslapten in hun ijver voor de algemeene zaak. Waren zij niet werkzaam gebleven, hadden zij niet alle vertrouwen op den Prins behouden, dan zou zonder twijfel door het katholiek gedeelte der bevolking met beide handen het pardon zijn aangegrepen, dat Requesens had afgekondigd en dat door Valdez aan de inwoners van Leiden werd aangeboden, op voorwaarde van overgave. Nu echter werd die lokstem beantwoord met het Latijnsche woord van Cato: “Fistula dulce canit, volucrem dun decipit auceps.” (De fluit klinkt liefelijk, terwijl de vogelaar den vogel verschalkt.)
Het ergste dat gedurende de maanden van het beleg van Leiden geschiedde, was de wekenlange ziekte van den Prins. Die overviel hem den 10en Augustus. Opgekropte smart en de last der beslommeringen, misschien ook daarbij zwaar gevatte koude tengevolge van het staan op de dijken in regen en wind, wierpen den man op het ziekbed, die minder dan ooit op dat oogenblik gemist kon worden. Het eigenlijk karakter der ongesteldheid konden de geneesheeren niet aanstonds herkennen; men vreesde dat het een aanval van de pest was, die in Holland in die dagen heerschte. Hij werd door onophoudelijke koortsen gefolterd en zijn krachten namen zoo af, dat zijn geneesheeren voor tering vreesden. Men had hem gaarne naar Delft, naar zijn eigen woning vervoerd, doch die reis kon hij niet meer maken en daarom was hij gebonden aan een ongezellig huis in Rotterdam. Er bestaat een belangrijk verhaal van die ziekte van een geneesheer Foreest. Zijn secretaris Brunynck en zijn hofmeester Nuyhem gaven voortdurend aan zijn broeder Jan van Nassau berichten omtrent den loop der ziekte, die in de maand Augustus sterk toenam en zelfs tot vier koortsaanvallen op één dag steeg. Men dacht niet anders of de Prins ging sterven. Het gerucht van zijn dood werd reeds door zijn vijanden verspreid.
Treffend is het verhaal, hoe hij, diep bekommerd over het lot der zijnen, zich reeds tot sterven gereed maakte, toen daar Cornelis van Mierop, later Ontvanger-Generaal van Holland, onaangediend bij hem aan het bed kwam. Een paar boden uit Leiden wilden namelijk, voor ze weer terugkeerden naar de belegerde stad, den Prins gezien hebben, omdat het gerucht van zijn dood reeds verspreid werd.
Dat bezoek, dat dus de bedoeling had, om de Leidenaars te sterken, werd ook voor den zieken Oranje een geneesmiddel. Want van ooggetuigen hoorende, dat de stad het nog uithield, verheugde hij zich daarover met zoo groote vreugde, dat hij van die ure begon te beteren. “Wie”—zoo vraagt Fruin terecht—“wie herkent Vader Willem niet in dien zieke, die zijn dienaars wegzendt uit vrees, dat ze door zijn ziekte besmet zouden worden; die hoe ongesteld ook, geen gehoor weigert aan die hem zoeken; die herleeft op de tijding, dat de goede zaak nog niet is verloren, en die zich van het ziekbed opricht, om bij vernieuwing te zorgen en te zwoegen voor “dat arme volk.”
Gelukkig was de beterschap geen schijn. De koorts, die hem aan den rand van het graf had gebracht, die hem ten doode toe had verzwakt, keerde sedert den 28en Augustus niet terug; maar slechts langzaam kwamen de krachten weder. Reeds op den 2en September kon Brunynck aan Jan van Nassau schrijven, dat ze hoopten dat de Prins buiten gevaar was. Op den 7en September was de zieke zelf reeds in staat, aan zijn broeder te schrijven en we kunnen ons voorstellen, hoe gelukkig dit handschrift van den geliefden Prins de zijnen maakte. Zijn volkomen herstel wachtte Oranje niet af om zijn taak weer te aanvaarden. Wel hadden de Staten niet veel verzuimd, maar toch waren de pogingen om Leiden te hulp te komen, niet zoo krachtig voortgezet, als had kunnen geschieden. “De Staten konden den Prins niet vervangen; zij misten zijn gezag, zijn vasten, geëerbiedigden wil, die nooit buiten noodzaak geweld gebruikte, maar niettemin wat noodig was met kracht doorzette. Het bijzonder belang was niet overal voor het algemeen landsbelang geweken.” Kortom, het werk der bevrijding van Leiden had verder kunnen zijn, dan het was. Aan de uitrusting van de schuiten, die Boisot naar Leiden moesten voeren, was ijverig doorgewerkt in de maand Augustus, doch van doortastende maatregelen was niet veel gekomen. En toch waren die dringend noodig. Wel stond het Maaswater tot Delft toe over alle landen, maar bij de grenzen van Rijnland stuitte het. Om het ook daarin te doen vloeien, moesten nieuwe doorgravingen plaats hebben, doch op punten, die zeker hardnekkig door de Spanjaarden zouden worden verdedigd.
Een eerste aanval mislukte geheel; bij een tweeden was men gelukkiger, omdat de vijand er niet op had gerekend. Op den 28en September verlangde Boisot, dat de Prins met eigen oogen den staat van zaken kwam opnemen. Hij was wel zoo goed als hersteld, doch nog steeds zwak. Met ongunstig weer mocht hij zich niet vertoonen. Doch de 28e September was een zonnige en fraaie dag; toen liet hij zich naar de vloot roeien, waar hij alles in oogenschouw nam en door zijn tegenwoordigheid den moed verlevendigde. Nog zou echter misschien alles vergeefsch zijn geweest, indien niet een stormwind uit het noordwesten, gepaard aan een springvloed, het water op de volgende dagen met kracht had voortgedreven en als daarop door het keeren van den wind van het noorden naar het zuiden de watermassa den kant van Rijnland niet was opgestuwd.
Op den 1en October steeg het water, van 9 op 28 centimeter en hoewel zich ook toen nog allerlei bezwaren voordeden, was toch de stad gered. Want de vijand, bevreesd voor het opkomende water, verliet de schansen en de forten en vluchtte naar den Haag. Valdez besefte, dat de oogen van Europa op hem waren gevestigd. Hij liet een Latijnschen afscheidsgroet te Leiderdorp achter, luidende: “Vale civitas, valete castelli parvi, qui relicti estis propter aquam et non per vim inimicorum.” (Vaarwel, o stad, vaartwel kleine kasteelen, die verlaten wordt niet door de kracht der vijanden, maar door het water).
De derde October, toen de stad ontzet werd en de bijna doodgehongerde menigte aanviel op de spijzen, die Boisots vaartuigen medebrachten, viel op een Zondag. De Prins bevond zich in de Waalsche kerk, toen hij de blijde tijding ontving, terwijl zijn gedachten waarschijnlijk meer bij Boisot en in Leiden waren dan bij de preek. Na afloop van deze liet de Prins den predikant de heugelijke tijding aan de gemeente voorlezen. Toen stroomde de geheele bevolking naar de kerken, gelijk ook de Leidenaars op dien gedenkwaardigen dag deden, om God te danken voor de verlossing der stad, de voorbode van de bevrijding van het land.
Op den volgenden dag schreef Oranje een dankbaar briefje aan zijn broeder Jan, om hem deelgenoot te maken van de gewichtige gebeurtenis en toen ging hij, niettegenstaande de waarschuwingen, dat hij te zwak was, om zich bloot te stellen aan de zoo zeer vergiftigde atmosfeer te Leiden, naar de bevrijde stad, om haar in persoon te begroeten en te danken voor haar volharding. Hij nam zijn intrek ten huize van Dirk Jacobus van Montfoort, een aanzienlijk man, doch geen lid der regeering en bleef er tien dagen vertoeven. Een zijner voornaamste werkzaamheden gedurende dien tijd was de regeeringsverandering, waaraan dringend behoefte bestond, want tijdens het beleg was het gebleken, dat er in de vroedschap verscheidene mannen waren, die de burgerij zeer slecht hadden vertegenwoordigd. Wel was die verandering in strijd met de privilegiën der stad—want de vroedschap bestond uit 40 onafzetbare mannen, die zelf burgemeesters en schepenen benoemden. Doch volgens de getuigenis van de aanzienlijkste personen der stad, moest de Prins met gezag doortasten en de slechte elementen verwijderen. Er waren er zelfs, die beweerden, dat hij niet ver genoeg met de zuivering was gegaan.
“Doch zoo was,” zegt Fruin, “Prins Willem gewoon te handelen; hij maakte zich het regeeren niet gemakkelijk, door elken tegenstand voor goed te breken; hij behielp zich met hetgeen hij vond en veranderde slechts als het onvermijdelijk was en dan nog niet meer dan het dringend noodige. Van alle dwingelandij, met welk goed doel ook, was hij afkeerig. Hij had behoefte aan medewerking, niet aan blinde gehoorzaamheid.”
Behalve persoonlijke geschenken aan de verdienstelijkste mannen, die hadden meegewerkt aan het ontzet van Leiden, ontving de stad zelf voor haar trouw en standvastigheid, twee giften van groote waarde. Allereerst de vergunning om jaarlijks een tiendaagsche jaarmarkt te houden, vrij van alle tollen en lasten. Nog veel grooter gift was de stichting van de Universiteit—de eerste Protestantsche hoogeschool op Nederlandschen grond. Reeds op 8 Febr. 1575 werden de professoren van deze nieuwe instelling ingewijd met ceremoniën en allegorische voorstellingen, waarop de Nederlanders steeds zóózeer waren gesteld, dat geen ellende noch jammer hun lust tot zulk een vertooning ooit kon uitdooven.
De nieuwe Universiteit werd begiftigd met inkomsten, voornamelijk voortvloeiende uit de oude abdij van Egmond. Motley zegt terecht, dat de acte van instelling een der meest ironische gedenkstukken is. De fictie toch van ’s konings souvereiniteit werd er in gehandhaafd en de meest katholieke vorst der wereld werd daarin gezegd, deze protestantsche academie te vestigen als een belooning aan Leiden voor zijn opstand tegen hem. Ook ontbrak daarin niet de oude formule “onze waarde neef” Willem, Prins van Oranje, met wien de koning wordt voorgesteld als na rijp beraad tot de oprichting van die hoogeschool besloten te hebben.
Inderdaad, al werd die plechtige vestiging in naam van den koning van Spanje door den Prins van Oranje volstrekt niet ironisch bedoeld, al meende de stichter dier Universiteit, door den naam Filips te noemen, alleen de tol der hulde te betalen van den vasal aan den souverein, wij, die de geschiedenis kennen, wij, die weten, hoe het ontzet van Leiden de grondslag is geworden van de geheele bevrijding van ons land; wij, die den loop dier glorievolle instelling kennen, die de eeuwen door de bakermat is geweest van alle waarachtige vrijheid—wij kunnen in die acte slechts de ironie der geschiedenis zien, de goddelijke ironie, die zoo vaak in de wereldgeschiedenis terugkeert, zoo dikwijls geheel tegen de bedoeling in van onverstand, domheid, bijgeloof en onderdrukking, ja juist door het verzet van die vereende booze krachten, de vrijheid van individuen en volken gaat bloeien.
Wij kunnen dan ook niet anders dan te dezer plaatse in de geschiedenis van den Prins, hem, al is onze bedoeling niet, een lofrede op hem te schrijven, de volle hulde brengen van ons volk, dat zijn groote mannen niet wil vergeten.
Wij begrijpen ten volle, dat Oranje het mikpunt is geweest en tot heden gebleven van den haat en den laster van de vijanden onzer vrijheid, want zonder hem was zij niet veroverd. Doch wat men ook tot eer van de tallooze vergeten weldoeners der menschheid moge zeggen, hoe men de keten van oorzaak en gevolg ook verbreekt, als men aan de groote mannen alleen den loop der wereldgeschiedenis toeschrijft; welke verborgen krachten er toch misschien ook in het samenstel der maatschappij mochten geweest zijn, die langs anderen weg tot hetzelfde resultaat gevoerd zouden hebben, bij afwezigheid dier helden; wie zal niet ten volle erkennen, dat nooit meer dan in de dagen van Leidens beleg alle geestkracht van het volk belichaamd is geweest in den grooten Zwijger? Wie zal dit ontkennen? Zij b.v. die de belangrijke gebeurtenissen van 1574, die Leiden betroffen, samenvatten in een halve bladzijde druks en niet eens den naam noemen van den Prins, die van allen en alles de ziel was.
Men kan den grooten keer niet ontkennen, die door de mislukking van Leidens beleg de gebeurtenissen ten bate van de opgestane gewesten genomen heeft. “In drie maanden hadden de Spanjaarden te midden van de Hollandsche moerassen bij de 700 stukken geschut gelaten. Ze hadden bijna geene kanonnen meer.... Al wat den trots der overwinnaars op de Mookerhei en der belegeraars voor den geest riep, verdween voor de schansen van Leiden.” Doch met geen enkel woord wordt de man herdacht op die bladzijde, aan wien dat alles te danken of (volgens hun meening) te wijten was. Waar het wapen van den laster niet kan gehanteerd, daar moet de held dier tijden worden doodgezwegen. Alsof de steenen van de ontzette stad niet spraken! Alsof de keten der gebeurtenissen niet zou zijn verbroken, als de schakel van den persoon van Oranje daaruit was weggenomen!
Hoe kort was het nog geleden, dat hij al zijn hoop op de komst van Lodewijk had gevestigd. En toen het eindelijk zekerheid voor hem was geworden, dat Lodewijk nimmer zou wederkeeren, toen raapte hij, in plaats van land en volk nu over te geven aan den vijand, alle geestkracht, die nog in hem was gebleven, te zamen en smeedde bij vernieuwing daaruit een wapen, dat den Spanjaard te machtig was.
Al werd hij ook op het ziekbed geworpen ten gevolge van alle teleurstelling en overspanning, een enkel bericht, dat de stad het nog hield, was in staat hem weer nieuwe krachten te schenken. Opgestaan van een ziekbed, dat bijna zijn sterfbed werd, en zelf slechts langzaam in krachten toenemende, wist hij de flauwhartigen bij vernieuwing te bezielen, de moedeloozen te steunen, de kleingeestigen te sterken. Uit zwakheid putte hij kracht en hij ondervond de waarheid van het oude, schoone woord omtrent de waarlijk godsdienstigen, dat zij telkens hun kracht vernieuwen en opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.
