← Table of contents
Willem de Zwijger, Prins van Oranje

De Prins vermoord. 1584.

D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation

Gedurende de maanden, die sedert den vergeefschen moordaanslag van Jaureguy waren verloopen, werden nog verschillende dergelijke beproefd en was de prijs, op het hoofd van Oranje gesteld, niet vergeten. De samenzwering van Juan de Salcedo en Francesco de Basa werd vermeld. In denzelfden zomer van 1582, ging een zekere Pedro Ordono, een Spanjaard, die in de Nederlanden had gediend en den weg in het land kende, naar Lissabon (toen Spaansch), met het bepaalde doel, Filips te bezoeken en nader met hem de voorwaarden te bespreken, waarop hij dien moord zou voltrekken. Met beide handen werd dit voorstel aangenomen. Don Jean de Idiaquez, Secretaris van Staat, voorzag Ordono van 600 kronen, om de uitgaaf zijner reis te bekostigen en stelde hem tevens een brief aan Parma ter hand. Op zijn reis naar de Nederlanden, schreef Ordono aan Filips, dat hij op ’t punt was, van Grevelingen naar Antwerpen te gaan en dat hij die plaats niet zou verlaten, voor het plan was volvoerd. Die bewering kwam in zoover uit, dat hij Antwerpen niet meer verliet, doch de daad bleef onvoltrokken. De samenzwering werd op den 2en Maart 1583 ontdekt en den volgenden dag werd hij onthoofd. “Ik zag hem in de gevangenis,” schrijft Le Petit, “maar ik heb nooit iemand zoo kleinmoedig gezien voor zulk een groote onderneming.”

Ook wordt verhaald van een koopman uit Vlissingen, een zekeren Hans Hanszoon, die een buskruitverraad tegen den Prins smeedde. Het werd ontdekt en de man ter dood gebracht.

In 1583 vatten vier Spaansche officieren, die om eerekrenking tot Oranje waren overgegaan, het plan op om zich door een bijzonderen dienst in de gunst van den koning te herstellen. Over dit plan schreef Tassis in den breede aan Parma. Alles scheen goed in gang te zijn, toen het plotseling werd opgegeven.

In April 1584 werd een Fransch officier, een zekere Get of Got, door Markies Roubaix, toen te Eeclo in het kamp, gevat. Het was niet de eerste keer, dat kapitein Get in handen van den vijand was gevallen. Bij de laatste gelegenheid had hij zich zwemmende gered. Hij was bevreesd, dat dit feit zwaar zou wegen en dat hij misschien in strenge gevangenschap zou worden gehouden. Daarom deelde hij aan Roubaix mede, dat hij elken dienst, die deze van hem vragen zou, zoo mogelijk, wilde volbrengen. De markies deed hem toen verschillende voorstellen, die Get echter niet aandurfde. Toen vroeg hij hem, of hij den Prins van Oranje niet uit den weg wilde ruimen. Daartoe meende de kapitein in staat te zijn en hij beschouwde vergif als het beste wapen, daar hij den hofmeester van den Prins kende en toegang kon krijgen tot de keuken.

Roubaix geloofde niet aan het succes van dit plan, want, al was hij in de keuken, hij kon niet weten, welke spijs de Prins aan tafel zou kiezen. Maar Get stelde hem gerust. De Prins hield bijzonder veel van een zekere palingsoep, die in een kleinen pot gekookt werd, waarvan de deksel doorboord was, om den stoom te doen ontsnappen. Aan die bijzonderheid bemerkte Roubaix, dat de man goed op de hoogte van de keuken was. Daarop vroeg hij hem, wat hem bewoog tot dat verraad, als hij op zoo goeden voet met den Prins was. Get antwoordde dat de Franschen in Vlaanderen gehaat werden en dat ieder ze verraders noemde. Hij was arm en hij had gehoord, dat de koning van Spanje ieder, die hem verloste van zijn aartsvijand, rijk zou maken. Parma stelde niet veel geloof in de waarheid van Gets beweringen. Hij meende, dat het hem alleen te doen was, om vrij te komen; maar aan Roubaix gaf hij den raad, zijn eigen meening in dezen te volgen. Get werd losgelaten, ging onmiddellijk naar den Prins en beroemde er zich op, dat hij aan alle verleiding, om hem een valsch spel te spelen, weerstand had geboden.

Al deze would-be moordenaars werden gedreven door motieven van eigenbelang, hetzij om Filips’ bescherming te winnen, hetzij om hun verloren goeden naam te herstellen, daarbij vooral geprikkeld door ’t uitzicht op de geldelijke belooning. Doch geen dezer beweegredenen bleken machtig genoeg, om het plan ten uitvoer te brengen. Anastro had behoefte aan den prijs; doch zijn leven was hem kostbaarder dan geld, terwijl zijn helper zijn voorstel aannam, niet ter wille van het goud, maar omdat hij eerlijk geloofde, dat hij een van God gezegend werk ging verrichten. Alleen een man, beheerscht door een gedachte, die zijn eigen persoonlijkheid geheel in de schaduw stelde, kon moed genoeg hebben, zich zelf aan zulk een gevaarlijke onderneming te wagen. De daad kon alleen voltrokken worden door een fanatiek persoon. Zulk een kwam in 1584 op het tooneel.

Balthasar Gérard was geboren in het jaar 1557 te Wilafans les Ornans, een dorpje in Bourgondië. Hij was het kind van Jean Gérard en een zekere Barbara d’Emskercke, welke laatste van Antwerpen was en misschien uit Holland afkomstig. De geheele familie was met hart en ziel aan het katholiek geloof en aan den koning gehecht. Balthasar was van zijn vroegste jaren af een godsdienstige dweper. Volgens Renon de France toonde hij reeds in zijn jeugd, hoe een denkbeeld zijn geheele ziel in bezit kon nemen. Hij zou op twaalfjarigen leeftijd, toen hij zijn ouders hoorde spreken van het kwaad, door de Nederlandsche Geuzen gesticht, reeds stoutweg verklaard hebben, dat hij den man wilde dooden, die zooveel kwaad had veroorzaakt.

In 1577 was hij in huis bij een zekeren Jean Villaix te Dôle, toen hij van de scheuring in het land na de Pacificatie van Gent en de komst van Don Juan hoorde. Hij beschouwde den Prins van Oranje als het grootste struikelblok om tot de bevrediging te komen en in woede tegen hem ontstoken, nam hij een dolk en slingerde dien met alle macht tegen een deur, onder den uitroep: “Ik wenschte wel, dat die steek het hart van den Prins van Oranje had geraakt.”

Een ooggetuige, een zekere Ponthier, berispte hem daarover in allen ernst. Het was zijn zaak niet, vorsten te bedreigen of te dooden, en naar dien raad hoorde hij tijdelijk en liet voorloopig alles over aan het bestuur van God en Zijne Majesteit. Toen hij echter drie jaar later hoorde van het doodvonnis, door den koning in den vorm van den ban over Oranje uitgesproken, en toen de uitvoering van des konings wil scheen te vertragen, verliet hij Bourgondië met het vaste voornemen, het moordplan te volvoeren.

In Maart 1582 te Luxemburg komende, hoorde hij van den aanslag van Jaureguy en meenende, dat de dood was gevolgd, dankte hij God, dat hij hem had behoed tegen blootstelling aan zulk een gevaar. Zoo zeker waren de geruchten van den dood van den Prins, dat Gérard zich geheel verlicht gevoelde. Hij trad toen in dienst bij een zekeren Jean Dupré, zijn eigen neef, die secretaris was van Mansfelt, toen ter tijd gouverneur van Luxemburg en maarschalk-generaal van Filips’ leger. Toen de tijding van Oranje’s herstel Gérard bereikte, besloot hij zelf de onvoltooide taak te vervullen. Hij kwam toen op het denkbeeld, om van Manfelts handteekening en zegels, waarvan hij in rood lak tal van afdrukken bezat, gebruik te maken, om door middel daarvan het vertrouwen van Oranje te kunnen winnen.

In Juni 1583 verliet hij Dupré en was op het punt, Luxemburg te verlaten, toen zijn meester voor een som van 450 kronen bestolen werd. Vreezende dat zijn heengaan hem van dien diefstal zou doen verdenken, stelde Gérard zijn vertrek een poos uit. Het verloren geld werd teruggevonden. Een ziekte van Dupré hield hem nog enkele weken terug van zijn reis, zoodat hij niet voor Maart 1584 met zijn plan kon beginnen. Aan Dupré vertelde hij, dat hij naar Spanje ging, waarvan deze hem trachtte terug te houden. Zij zeiden elkander vaarwel en Gérard ging zijn gekozen missie vervullen.

Ten einde niets te doen in het nadeel van den koning en ook om zijn eigen gemoedsbezwaren te bestrijden, ging hij eerst naar Trier, waar hij zijn voornemen aan een lid van de Jezuïetenorde te kennen gaf. Hij liet hem de zegels zien en verzocht hem het geheim tot na Paschen te bewaren en het dan aan Graaf Mansfelt mee te deelen. In hoever het waar is, dat deze Jezuïet de onderneming van Gérard eerst afkeurde, maar hem daarna toch zijn voorbidding had beloofd en hem toegezegd, dat hij zou opgenomen worden onder de martelaars der kerk, zoo zijn opzet zijn eigen dood zou tengevolge hebben, is moeilijk met juistheid te zeggen. In de confessie van den moordenaar beweert hij zelf, dat de Jezuïet hem te Trier den moord had ontraden wegens de gezegelde bladen van Mansfelt.

De verschillende verhalen van beide zijden aanstonds ontstaan zijn buiten quaestie partijdig opgesteld. Doch zooveel blijkt er volgens Fruin stellig wel uit, dat zoowel de Jezuïet te Trier, als de geestelijke te Doornik, aan wien later nog het plan werd meegedeeld, bezwaar begonnen te maken wegens bijkomende omstandigheden, doch ze zijn beiden geëindigd met den moordenaar te zegenen en hem hun voorbidding te beloven.

Toch schijnt de fanatieke man zich niet gerust te hebben gevoeld over de goedkeuring der geestelijkheid. Althans hij trachtte in Doornik Parma zelf in zijn vertrouwen te nemen. Op 21 Maart kreeg hij bij dezen audiëntie en gaf hem een geschreven document over, waarin hij aan den landvoogd zijn voornemen meedeelde. Parma meende op het eerste gezicht, dat Gérard een te onbeteekenend man was, om zulk een plan te volvoeren. Toch gaf hij den raadsheer Assonleville last, den man verder te onderzoeken en te zien, wat hij met hem kon doen. Met dezen behandelde Gérard de bijzonderheden van zijn plan en besprak de manier, waarop van Mansfelts zegels zonder ernstige gevolgen gebruik gemaakt zou kunnen worden. Ook verzocht hij hem om Parma’s bemiddeling bij den Paus, ten einde absolutie voor zijn misdaad te verkrijgen. Met die misdaad bedoelde hij niet den moord, maar den geveinsden omgang, dien hij, om zijn doel te bereiken, noodzakelijk met ketters en atheïsten hebben moest en het tijdelijk aannemen van hunne gewoonten.

Parma bleef trots de voorspraak van Assonleville weinig om den man geven. Hij weigerde zelfs de 100 kronen, die hem gevraagd werden. Reeds zoo menigmaal was hij onder hetzelfde voorwendsel bedrogen. Assonleville voorspelde den man weinig succes op zijn daad en weinig kans, zijn leven te behouden. De eenige aanmoediging, die hij hem gaf, was de waarborg in Parma’s naam, dat de belooning in den ban vermeld, hem of zijnen erfgenamen zou worden uitgekeerd, als hij slaagde. “Ga, mijn zoon en indien gij de taak volbrengt, zal de koning al zijn beloften vervullen en gij zult onsterfelijken roem inoogsten.”

Gérard reisde van Doornik naar Delft; bijzonderheden op die reis voorgevallen zijn onbekend. In het begin van Mei 1584 bereikte hij Delft, waar de Prins geheel veilig scheen te zijn in het hart van Holland. Geen plaats scheen minder gevaarlijk voor ’t leven van Oranje, dan die oude, merkwaardige Hollandsche stad. Antwerpen was een kosmopolitische plaats, waar van alle oorden der wereld kooplieden en zeelieden elkander verdrongen en waar een sluipmoordenaar veel gemakkelijker zijn doel kon bereiken, zonder ontdekt te worden. Delft daarentegen, het kleine stadje, waar nagenoeg geen vreemdelingen kwamen, was er als het ware geheel op ingericht, om den Prins in zijn hoogst eenvoudige woning, het oude St. Agatha-klooster, te midden der zijnen levende, een zoo groot mogelijke veiligheid te verzekeren.

Doch voor een geboren verrader en bedrieger, voor een man zoo volleerd door jarenlange oefening, voor een virtuoos in de kunst van huichelen, was het zoo moeilijk niet, om zelfs in dien kleinen, huiselijken en trouwen kring zijn opzet te volvoeren. Hij wist zich namelijk onder den valschen naam van François Guyon toegang te verschaffen tot den hofprediker van den Prins, de Villiers, terwijl hij zich aanstelde als een Hugenoot, die ter wille van het geloof werd vervolgd. Hij deed een verhaal van een vervolgziek priester, die hem het leven ondragelijk gemaakt had en schreef, door de Villiers geholpen, den volgenden merkwaardigen brief aan Prins Willem, om zich in de gunst aan te bevelen van hem, wien hij het moordend lood in het hart zou jagen. De brief luidt aldus:

Doorluchtige Heer!

“Aangezien de rede, gepaard aan het geloof en de gerechtigheid van God, aan zijn uitverkorenen gegeven is om hen boven alle andere schepselen te verheffen; zoo is waarlijk een iegelijk mensch, met deze genade toegerust ondankbaar als hij ze ongebruikt laat. En daar het den Heer heeft behaagd, door zijn oneindige goedheid mij uit zoovele andere te verkiezen, om Hem te dienen, zoo kan ik niet anders (inzonderheid in dezen alleszins rampzaligen tijd) dan mij metterdaad aangorden, om met de overige leden van zijne strijdende kerk (gelijk alle trouwe Evangeliedienaren verschuldigd zijn te doen) de moedige voornemens van Uwe Exc. te dienen en op alle mogelijke wijzen bij te staan. Zij toch draagt als hoofd en voorname beschermer sedert zoo langen tijd bijna al de moeiten en zorgen van ’s Heeren strijd; ook komen er nog andere redenen bij, die er mij toe bewegen, welke ik hier zal verzwijgen, om Uwe Exc. niet te vermoeien. Ik durf niet zonder Haar bevel de oorzaak melden van mijn komst herwaarts, weshalve ik Haar allernederigst smeek, dat Zij Haar Secretaris of eenigen anderen vertrouwde gelieve te gelasten, mij te hooren, te zien wat er van is en daarvan dan rapport te doen aan Uwe Exc, opdat zij er van gediend moge zijn, zoo het Haar goeddunkt.

“Ik verzeker Uwe Exc. dat, zoo ik bij machte ware geweest iets beters tot Haar dienst uit te richten, ik mij daartoe zeer gaarne zou bemoeid hebben; want met geen ander doel heb ik zooveel wisselvalligheden en gevaren ondergaan. Ook hoop ik, dat het Haar welbehagen, waarom ik onderdanig bid, moge wezen mij toe te staan, van nu voortaan onder Haar overigheid den Heer zonder vrees des doods te dienen, daar in het land van mijn geboorte, als zulk een genade niet waardig, die vrijheid mij is benomen, ofschoon zij van Christus door het storten van zijn kostelijk bloed aan alle geloovigen is gegeven. Ik zal mij bevlijtigen, door mijn zeer nederige diensten mij de gunst waardig te maken, die het Uwe Exc. zal behagen mij daartoe te verleenen. Waarmee, Doorluchtige Heer, ik Gode bid, dat Hij Uwe Exc. in volmaakte gezondheid een lang en gelukkig leven schenke.

Uit de stad van Delft, 6 Mei 1584. Van Uwe Exc. de zeer nederige en toegenegen dienaar voor altijd François Guyon.”

Had Fruin geen recht, om van dien brief te schrijven: “Mij dunkt, indien er ooit weer sprake mocht zijn om Gérard tot heilige te verheffen, dan zal de advocaat van den duivel kunnen volstaan met dezen brief over te leggen. Zoo deze niet voldoende is, om den man, die hem schreef, tot geboren verrader en bedrieger te stempelen, faalt mijn oordeel niet alleen, maar ook mijn zedelijk gevoel.”

Eerst verwaardigde de Prins zich niet te antwoorden. Doch Gérard bleef met volharding op zijn verzoek aandringen en na eenige dagen werd de Villiers tot hem gezonden, ten einde hem eene audientie te verleenen.

Gérard was een kleine, magere figuur met een dik en leelijk gezicht; onbeduidendheid teekende zijn geheele verschijning. Parma had het voor onmogelijk gehouden, dat zulk een kerel eenige moedige daad zou kunnen verrichten. Maar juist die ellendige verschijning deed zijn verhaal van vervolging te Delft geloofwaardig voorkomen. Het was met de grootste zorg door hem samengesteld. Elke bijzonderheid daarvan was zoo lang door hem overwogen, dat hij het nu heel natuurlijk en overtuigend kon vertellen.

Hij was—zoo beweerde hij—uit Besançon geboortig en heette François Guyon. Zijn ouders, beiden Hugenoten, waren om hun godsdienst uit hun plaats verbannen. Later naar Besançon teruggekeerd, op beter tijden hopende, werden ze tegelijk met andere arme ballingen, die in Juni 1575 in die stad waren verrast, ter dood gebracht. Hij, François, had van de Papisten allerlei beleedigingen moeten verdragen, omdat hij volhardde in het verboden geloof en daarom besloot hij elders een toevluchtsoord te zoeken, waar hij God naar zijn geweten kon dienen. Twee jaar te voren was hij in Luxemburg aangekomen, op zijn reis naar den Prins; daar was hij ziek geworden en door zwakheid en armoede verhinderd zijn reis te vervolgen. Hij trad toen in dienst bij zijn neef Dupré, secretaris van Mansfelt. “Daar het mij echter voorkwam, dat geheime godsvereering den Heer zou mishagen en ik vreesde, dat mij dientengevolge iets kwaads zou overkomen, verliet ik mijn meester, na eerst afdrukken van de zegels van graaf Mansfelt genomen te hebben.”

Er was namelijk in Mansfelts dienst een zekere priester uit Brussel, die argwaan koesterde omtrent zijn waarneming van katholieke kerkgebruiken, en om te ontsnappen, had hij toen voorgewend naar Trier te gaan, om met Paschen zijn communie te houden. De priester volgde hem daarheen, was achter de waarheid gekomen en had getracht, zich van zijn persoon meester te maken. Gérard had zich tegen dien man verdedigd, vluchtte uit Trier en was zoo in Holland gekomen. Hij was in staat, den Prins belangrijke diensten te bewijzen en om de waarheid zijner woorden te bevestigen, haalde hij een pak met Mansfelts zegels uit zijn mouw.

Ziedaar zijn verdichte geschiedenis; alles valsch, uitgezonderd het feit van zijn dienst bij Dupré en zijn reis naar Trier. Hij had zich dat verhaal zoo eigen gemaakt en zoo met plaatselijke tinten opgesierd, dat hij in ’t minst niet in tegenspraak met zich zelven kwam en het voor zuivere waarheid werd aangenomen.

De Prins stelde wel belang in hetgeen de Villiers vertelde, maar zag niet in wat hij persoonlijk aan de zegels van Mansfelt had. Toch kon maarschalk de Biron, die gouverneur van Kamerijk was geworden, er misschien van gebruik maken, om paspoorten te geven. Vandaar, dat Oranje Noel de Caron, gezant van de Staten-Generaal in Frankrijk, opdroeg, om den gewaanden Guyon in zijn gevolg te nemen, die dan aan Biron de zegels zou kunnen overhandigen. Dit strookte echter niet met Gérards plannen; hij moest in Holland blijven. Toch ging hij mee, om argwaan te voorkomen, maar trachtte door twist met de bedienden van Caron te zoeken, gedaan te krijgen, dat hij naar Holland werd teruggezonden. Toen stierf juist Anjou te Château-Thierry en dit gaf Gérard aanleiding zijn patroon te vragen, hem als overbrenger van de doodstijding naar den Prins af te vaardigen. Dat werd toegestaan en toen haastte hij zich, naar Delft terug te keeren, hopende dat thans de lang gezochte gelegenheid zich zou aanbieden, om zijn opzet te volvoeren. Hij kwam aan het Prinsenhof, gaf de depêches voor den Prins over, die, hoewel nog op zijn slaapkamer, onmiddellijk verlangde, nadere bijzonderheden omtrent Anjou’s dood uit den mond van den bode zelf te vernemen.

Later verklaarde Gérard, dat hij toen tot zijn spijt ongewapend was. Hij moest een gelegener oogenblik afwachten, als hem de opdracht zou worden gedaan, het antwoord van den Prins aan Caron te brengen. Ondertusschen bleef hij in Delft en speelde zoo goed zijn rol als Calvinist, dat niemand den minsten argwaan koesterde. Hij bracht zijn tijd door met naar de kerk te gaan en te bidden; nooit werd hij gezien zonder psalm- of gebedenboek. Men vond later twee boeken in zijn bezit, een van den Hugenootschen dichter Bartas en een van Beza. Aan den concierge van het Prinsenhof vroeg hij een bijbel ter leen en wist zich op die wijze bij verschillende leden van de gemeente in te dringen, die hem allen voor een oprechten Calvinist aanzagen.

Toen hem nu gevraagd werd, met het antwoord aan Caron naar Frankrijk terug te gaan, wendde hij, terwijl hij bezig was de uitgangen van het Prinsenhof op te nemen, groote armoede voor en liet als bewijs daarvan zijn oude schoenen zien. Oranje liet hem daarop op 8 Juli een som gelds ter hand stellen. Van dat geld kocht hij van een soldaat van de lijfwacht, Réné genaamd, een pistool; doch daar hem bij onderzoek bleek, dat dit ketste, kocht hij nog twee andere pistolen van den onderofficier de la Forest, die in de compagnie van kapitein Caulier diende. Daarmee oefende hij zich een paar malen; hij trachtte zich toen van kettingkogels te voorzien en had nog ruzie met een soldaat van de garde, die ze weigerde voor hem te maken. Met een en ander ging Maandag de 9e Juli voorbij. Den volgenden dag zou hij de aanslag doen.

Geheel onbewust van het gevaar, dat hem bedreigde, volgde de Prins dezelfde gewoonten als altijd. Wel was hij vol angst en zorg in die dagen, maar vrees voor eigen persoonlijke veiligheid kwelde hem niet. Vooral Vlaanderen bekommerde hem zeer; Gent was het tooneel van een strijd, zooals de woelige stad nog nimmer had beleefd. Door Parma hoe langer hoe meer ingesloten, was er een Spaansche en anti-Spaansche partij in de stad zelve en Hembyze stond aan het hoofd der eerstgenoemde. Wel werd deze in den loop van den zomer van verraad beschuldigd en ter dood gebracht, maar in September moest de stad voor Parma bukken.

Ook Antwerpen werd reeds in den zomer van 1584 bedreigd. Het fort Liefkenshoek, dat door de Staten tot bescherming van Antwerpen gebouwd werd, viel op den dag van den moord van Oranje in Parma’s handen. Dat de Prins zich dus in die dagen bezighield met overleg omtrent nieuwe plannen, om Vlaanderen en Brabant te hulp te komen, behoeft geen nadere aanwijzing. Daarbij zagen wij, hoe Oranje in die laatste maanden van zijn leven, met de Staten van Holland over zijn verheffing tot het graafschap onderhandelde. Wat zijn briefwisseling aangaat, de laatste brieven, die hij schreef, en ons althans bekend zijn, waren gericht aan Catharina de Medicis en aan Koning Hendrik III van Frankrijk; het waren condoleantiebrieven, naar aanleiding van den dood van Anjou. Die dood was ongetwijfeld voor den Prins een groote misrekening en zeker zijn de zestien dagen, die nog verloopen zouden voor zijn eigen sterven, dagen geweest van groote bekommering over de vraag, wat thans te doen, nu het met de Fransche alliantie gedaan scheen.

In Mei of Juni schijnt de Prins er over gedacht te hebben, zijn uitersten wil te maken en hij raadpleegde verschillende personen daarover, maar het kwam niet tot de daad. Mogelijk dacht hij wel, dat het kon wachten, totdat de zaak van het graafschap geregeld zou zijn.

Gérard was voldoende bekend geworden met de inrichting en gewoonten van het huishouden van Oranje; hij kende de uren van de maaltijden en derhalve de oogenblikken, waarop de Prins de gangen van het Prinsenhof doorging. Op dien Dinsdag, den 10en Juli, wachtte hij aan den voet van de trap het oogenblik af, waarop de familie tusschen twaalf en een uur aan den maaltijd zou gaan. Toen de Prins hem voorbij ging, vroeg Gérard hem om zijn paspoort. Louise de Coligny hoorde die vraag en zag den man in het gelaat; ze ontving daarvan zulk een ongunstigen indruk, dat ze haar echtgenoot nog waarschuwde en vroeg, wie hij was. Niets kwaads vermoedende, antwoordde hij, dat die man een depêche moest overbrengen en hij gaf bevel, hem zijn paspoort gereed te maken. Toen ging het gezin aan den maaltijd. Die oogenblikken gebruikte de moordenaar om zijn pistolen te gaan halen; het een laadde hij met twee, het ander met drie kogels. Een paar minuten later had hem iemand uit de stallen zien komen. Hij keerde terug, plaatste zich bij de deur der eetkamer, tegen een pilaar leunende. De beide pistolen waren in zijn gordel aan den linkerkant gestoken en zijn mantel, die naar beneden hing, bedekte ze.

Oranje had aan tafel den burgemeester van Leeuwarden, Rombert Uylenburgh, bij zich. Die moest verschillende zaken van Friesland met hem bespreken. Hij was dien dag de eenige vreemdeling. De Prinses van Oranje, de zuster van den Prins, gravin Schwarzburg en drie dochters van Oranje maakten deel uit van het gezelschap. De belangen van Friesland waren bovenal het punt van gesprek geweest gedurende den maaltijd. Toen zij ongeveer één uur des namiddags van tafel opstonden, kwamen kolonel Morgan, een Engelschman en een paar andere menschen binnen. Oranje sprak eenige woorden met den kolonel en ging met Uylenburgh de kamer uit. Nauwelijks was hij buiten de deur, of de moordenaar kwam te voorschijn en terwijl hij hem herinnerde aan zijn verzoek, schoot hij het pistool af, welks kogel Oranje de borst doorboorde.

Weinig oogenblikken daarna gaf hij den geest. De laatste woorden, die hij sprak, waren een bewijs van zijn innige godsvrucht, zoowel als van zijn liefde tot het vaderland. Die woorden: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de mon pauvre peuple!” zijn een dierbare nalatenschap voor het Nederlandsche volk. Aan de echtheid dier woorden valt niet te twijfelen. Wel kan men van de eerste verhalen af, die van den moord van den Zwijger zijn gegeven, den invloed ontdekken van den geest der schrijvers, die dien moord verhaalden.

Men heeft n.l. beweerd dat de Prins zou gestorven zijn, zonder iets te zeggen. Zelfs een later bewerker van een oud verhaal van een Delftsch katholiek schreef: “De Prins is terstond neergevallen en heeft niet langer dan den tijd van een paternoster zijn lippen een weinig geroerd, alzoo zijn oproerig leven met een onzaligen dood besluitende.”

Volgens Fruin mag echter het Nederlandsche volk zich die laatste woorden door geen onrechtmatigen twijfel laten betwisten en bestaat er geen grond om aan de echtheid daarvan te twijfelen. De lijkschouwing heeft geleerd, dat de Prins niet in het hart getroffen en dus niet onmiddellijk is gestorven. Behalve de heer van Malderé, zijn stalmeester, die den doodelijk gewonde in zijn armen opving was ook de Leeuwarder burgemeester van Uylenburgh bij het sterven tegenwoordig; deze schreef op denzelfden 10en Juli een brief aan de magistraat te Leeuwarden met bijzonderheden over den moord. De algemeene mare, dat de Prins de schoone woorden gesproken had, bestond van het eerste oogenblik af. Vosberghen, die op denzelfden dag aan de regeering te Veere schreef, verhaalt, dat de Prins zei: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et du pauvre peuple,” terwijl de oudste verhalen ze eveneens vermelden. “Zelden,” zegt Fruin, “treft men ten opzichte van eenig woord zulk een eenstemmigheid aan.”

De moordenaar had, al was hij ten volle bereid zijn daad met den dood te boeten, niets verzuimd, om te kunnen ontsnappen, indien hem de gelegenheid was geboden. Hij was geheel op de hoogte van de lokaliteit. Hij had twee blazen en een buis bij zich, om die op te blazen, waarvan hij gebruik hoopte te maken om de grachten achter het oude klooster over te zwemmen. Vlak buiten de stad stond een paard, geheel gezadeld, gereed op hem te wachten. Zoodra hij geschoten had, sprong hij de vier treden van den ingang tot het plein ineens af en verloor in die haast zijn tweede pistool. Hij kwam nog door de stallen en had juist de kleine laan, nu de schoolstraat genoemd, die naar den wal leidde, bereikt, toen hij struikelde en viel. Toch gelukte het hem, den top van den walmuur te bereiken en was hij op het punt in de gracht te springen, toen een lakei en een hellebaardier hem beetgrepen. Een van dezen riep: “Jij schavuit!”—“Ik ben geen schavuit,” hernam hij, “ik heb alleen des konings bevelen gehoorzaamd.”—“Van welken koning?”—“Van den koning van Spanje, mijn meester!” Ze brachten hem terug naar het Prinsenhof en daar in de deurwachterskamer binnengebracht, vroeg hij papier en inkt en schreef zijn confessie. Die confessie is eeuwenlang verloren geweest, doch eerst in een afschrift in 1852, later als origineel in 1862 teruggevonden, tegelijk met de oorspronkelijke verhooren.

De tegenwoordigheid van geest van den moordenaar was verbazend. In dit document vertelde hij de geheele waarheid wat hem zelf aanging, maar gaf geen aanleiding om te doen meenen, dat Parma hem had gemachtigd; en evenmin maakte hij er gewag van, dat de Jezuïet te Trier en de geestelijke te Doornik zijn plan hadden goedgekeurd. Hij toonde niet het minste berouw, maar verklaarde integendeel, dat, al was hij ook duizend mijlen van Delft verwijderd, hij zou terugkeeren om den aartsketter, die een pest voor het land was geweest, te dooden. Vier dagen achtereen werd hij daarop gruwelijk gepijnigd, om hem tot verdere bekentenis te brengen; doch hij bleef met een standvastigheid, een betere zaak waardig, volharden in zijn geloof, dat hij een rechtvaardige daad had bedreven; en al laadde hij op niemand anders de schuld van zijn bedrijf, hij ontkende toch niet bij het scherper verhoor, dat Parma van zijn aanslag had geweten en dat de Jezuïet en de geestelijke hem hadden gezegend.

Op den 13en Juli werd zijn vonnis uitgesproken, en op den 14en werd hij ter dood gebracht met al de afschuwelijkheid, die, den tijdgeest eigen, hier in volle mate werd toegepast. Hoe weinig die gruwelijke terdoodbrenging, die wij in haar bijzonderheden onzen lezers sparen, met den geest van zijn slachtoffer overeenkwam, blijkt voldoende uit de edele tusschenkomst van den Prins voor Jaureguy en de zijnen, waarover wij vroeger reeds spraken. En zonder een klacht te slaken, stierf hij. Dat feit wordt zelfs bevestigd door Aerssens, die in zijn brief naar Brussel o.a. schrijft: “Nooit heb ik zulk een standvastigheid in het lijden bijgewoond, geen ai mij! ontglipte zelfs den lijder.” De beulen schreven die Spartaansche hardnekkigheid aan tooverij toe; de katholieken, die niet alleen zijn standvastigheid, maar zelfs zijn zachtmoedigheid roemen, beschouwen hem daarom als een martelaar, die een heiligverklaring verdiende.

Granvelle gaf in deze woorden zijn blijdschap te kennen over den welgelukten aanslag: “Alençon en Oranje”—zoo schreef hij aan zijn neef den Prins van Bellefontaine—“zijn nu, waar ze zijn. Men zal het martelaarschap dat onze goede Bourgondiër heeft geleden, die zulk een heldendaad heeft verricht, wel dankbaar erkennen.” En aan Don Juan de Idiaquez schreef dezelfde kardinaal: “Alençon is op den 10en Juni en Oranje op 10 Juli gestorven; als nu op den 10en Augustus de koningin-moeder Catharina de Medicis sterft, dan zal het verlies gering zijn.”

De priesterschap gaf uiting aan haar haat tegen Oranje en verhief den dood van den ellendigen moordenaar ten hemel. Toch waren er enkele steden, ook in het Spaansche kamp, waar de blijdschap niet algemeen was. In den Bosch werd een feestviering, die men voor had, verhinderd door de gemeente en waren de kanunniken verplicht, alleen in de kathedraal hun Te Deum te zingen, maar dit Te Deum, zeggen enkele schrijvers, scheen geen goedkeuring in den hemel te vinden, want op den avond daarna werd de toren van de kerk door den bliksem getroffen, terwijl geen ander huis in de stad werd beschadigd.

Parma wenschte, toen hij den koning bericht gaf van den moord, hem geluk, dat zulk een gevaarlijk man, die zooveel kwaad aan de Christenheid, aan den godsdienst en aan den koning had berokkend, thans de straf ontvangen had, zijne misdaden waard. Hij beloofde in dien brief ook, dat hij de bloedverwanten van den heiligen moordenaar zou trachten uit te vinden, opdat die de belooning, door die dappere daad verdiend, zouden kunnen ontvangen. Een van Gérards broeders haastte zich naar de Nederlanden om de 25.000 kronen op te eischen, die hun thans wettig toekwamen. Parma drong daarop bij Filips aan, maar de koninklijke schatkist was niet ruim voorzien. Hij stelde daarom voor, aan de familie Gérard een aequivalent te geven in enkele der verbeurdverklaarde goederen van Oranje in Bourgondië, met het gevolg, dat de drie heerlijkheden van Lievremont, Hostal en Dammartin in Franche-Comté aan die familie werden geschonken. De brieven van adeldom aan de vier broeders en drie zusters van Balthasar Gérard en hun wettige nakomelingschap gegeven, dragen den datum van 4 Maart 1589.

Toen Filips Willem, graaf van Buren, in 1595 naar de Nederlanden terugkeerde, werden die goederen op hem weder overgebracht en ontvingen de Gérards een geldelijke schadeloosstelling. Voltaire zegt, dat de adelbrieven van die familie zijn teruggetrokken, toen Franche-Comté bij Frankrijk kwam.

Een donkere wolk van neerslachtigheid hing over Holland; maar weinig verwarring was er, zelfs in Delft, op het bericht van ’s Prinsen dood. De vrees voor een wijdvertakt verraad, die in Maart 1582 bij den aanslag van Jaureguy heerschte, toen men zelfs de Fransche bondgenooten verdacht van medeplichtigheid, bestond thans niet. De confessie van Gérard sprak duidelijk. De Staten-Generaal namen onmiddellijk het gezag, dat ze aan den Prins hadden willen geven, tot zich, en schreven, in hun souvereiniteit, brieven naar Engeland, Frankrijk, Duitschland en de steden, terwijl ze de Prinses van Oranje en Maurits hunne condoleantie aanboden.

Het lijk van den vermoorde bleef tot 3 Augustus boven aarde staan. Gedurende dien tijd waren er, die een portret van den afgestorvene wilden vervaardigen, doch de Staten verboden dat, uit vrees, dat de vijand het bespottelijk zou maken, als het soms in zijn handen viel. Een zekere Chr. Janszoon van Bieselingen vervaardigde trots dit verbod toch een kleine schets van den Prins gelijk hij op zijn doodbed lag en de gelijkenis werd zeer geprezen. Die schets schijnt verloren te zijn, want het moet betwijfeld worden, of het schilderijtje, waarop het hoofd van den gestorven Prins is afgebeeld en dat nog heden in het Prinsenhof hangt, hetzelfde is als dat van van Bieselingen.

Op den 3en Augustus begeleidde een breede optocht het lijk door de straten der in rouw gedompelde stad naar zijn laatste rustplaats in de groote, toen de nieuwe kerk. Voorop gingen de burgers met neerhangende vlaggen, omgekeerde wapens en zwijgende trompetten. De lijkwagen was bespannen met acht paarden, met zwarte kleederen bedekt, waarop de wapens van Breda, Vlissingen, Châlons, Diest, Vianden, Catzenellenbogen, Nassau en Oranje geborduurd waren. De lijkkist werd een eind weegs gedragen door twaalf edellieden. Maurits ging te voet daar achter; hij was gehuld in een langen zwarten mantel, waarvan de sleep door zijn voogd gedragen werd. Daarop volgden verscheidene familieleden en de Staten-Generaal, de Raad van State, de leden van den Hoogen Raad van Holland, andere leden van het gouvernement, al de officieren van Delft enz. Zoo werd het dierbaar overschot naar de nieuwe kerk gebracht en in de aarde gelegd. Toen werd er een korte preek gehouden over Openb. XIV : 13. “Zalig de dooden die in den Heer sterven van nu voortaan; ja, zegt de geest, opdat ze rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen hen.” Ieders oog was week van tranen en ook de kinderen schreiden op de straten. De man, die zoo was veroordeeld, misverstaan, en slecht ondersteund door hen, voor wier zaak hij geleefd had, was heengegaan en het volk rouwde om zich zelf, terwijl het rouwde om hem.

Alzoo was de loopbaan van den Prins van Oranje; zijn levensdraad werd afgesneden op den leeftijd van 51 jaar, twee maanden en 15 dagen. Door geenerlei ziekte verzwakt, gezond van gestel, zou hij nog vele jaren lang in den gewonen loop der gebeurtenissen zijn leven hebben kunnen voortzetten. Middelmatig van lengte en mager, was hij toch goed gebouwd. Zijn hoofd was breed, maar goed geproportioneerd, zijn gelaat schraal, zijn neus was groot met wijde neusgaten, zijn uitzicht donker, zijn oogen bruin met een vriendelijke uitdrukking. Hij droeg zijn donkerbruinen baard een weinig gepunt. Als jong man was zijn haar van dezelfde kleur als zijn baard, dik en weelderig gegroeid. Later was het dunner geworden en droeg hij een klein kapje. Op vier-en-dertig-jarigen leeftijd beschreef hij zich zelf als een Calvinist, calbo y calbanista, waarvan de woordspeling in onze taal niet kan worden weergegeven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings