← Table of contents
Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Het vierde huwelijk van Oranje met Louise de Coligny. 1583–1584.

D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation

Op den 5en Mei 1582 was Charlotte van Bourbon gestorven als slachtoffer van al hare zorgen voor den herstellenden Prins na den moordaanslag van Jaureguy. Met haar was de moeder van zes jonge meisjes, waarvan het oudste nauwelijks zes jaar telde, in het graf gedaald en tegelijk de stiefmoeder van de andere kinderen van Oranje, die haar allen om strijd evenzeer liefhadden. Deze dood was een zware beproeving voor den man, die zulk een behoefte had aan de zorg eener liefhebbende echtgenoote. Toch schijnt de Prins zich over die beproeving niet veel te hebben uitgelaten; wie hem daarom van onverschilligheid zou willen beschuldigen, vergeet, dat ware droefheid zich meestal verbergt. Ook is het geen bewijs van onverschilligheid omtrent de nagedachtenis van Charlotte van Bourbon, dat Oranje zich een jaar later reeds voor de vierde maal een nieuwe echtgenoote gekozen had. Hoe schijnbaar vreemd ook, niemand zal ontkennen, dat zulk een gezin, met zes jonge kinderen, de zorg eener moeder onmogelijk kon ontberen.

Ook het belang van den wordenden staat eischte, dat hij weder een huwelijk sloot. Zijn oudste zoon Filips Willem was steeds in Spanje gevangen en op diens terugkeer kon in het minst niet gerekend worden. De eenige zoon, die dus de taak van zijn vader kon voortzetten, was Maurits; doch hoe gevaarlijk was het bezit van dien eenigen! Alle andere kinderen waren dochters. Eene nieuwe Prinses van Oranje kon de mannelijke lijn misschien versterken en de vraag bleef dus slechts over, wie te kiezen. Trots de antipathie van het volk tegen de Franschen, schreef zijn staatkunde hem voor, een volksgenoote van zijn vorige echtgenoote te nemen. Hij wilde den band tusschen hem en de Franschen ook door zijn vierde huwelijk versterken, want hij bleef al zijn hoop op Frankrijk vestigen en op hulp van daar. Zag hij misschien in de toekomst reeds Hendrik van Navarre op den troon? Hij zou dien tijd niet beleven, maar onmogelijk is het niet, bij de kinderloosheid van Hendrik III en de zwakke gezondheid van Anjou, dat dit ook door zijn gedachten speelde.

Wie hij dan koos? De admiraal Coligny, het voornaamste slachtoffer van den Bartholomeusnacht, had eene dochter nagelaten, Louise genaamd, die gehuwd was geweest met den Protestantschen edelman Teligny. Ook deze was tegelijk met zijn schoonvader in dien nacht vermoord en zij had dus in hare jeugd de droevigste levenservaringen gehad. Toen was ze toch pas 17 jaren; want ze was geboren in 1555 en zeven jaar oud, toen de godsdienstoorlogen, waaraan haar vader zulk een groot aandeel had genomen, waren begonnen.

Hare moeder was Charlotte de Laval, eene edele vrouw, door wier invloed vooral Coligny de groote verdediger der Hugenoten is geworden, doch die te vroeg is gestorven, om op Louise een sterken invloed uit te oefenen. Zij was en bleef meer het evenbeeld van haar vader. “Haar innerlijk had ze geërfd van het krachtig en ernstig geslacht der Coligny’s. Zij bezat hun meer nadenkend dan hartstochtelijk karakter, was zeer fijngevoelig, rustig, kloek in het handelen en standvastig in tegenspoed.”

Na den Bartholomeusnacht en den afschuwelijken moord op haar vader en echtgenoot, schijnt ze gevlucht te zijn eerst naar Savoye, daarna naar Bern, later naar Bazel. Hoe zij aan den algemeenen moord op de Hugenoten is ontkomen, is een raadsel, doch op de genoemde plaatsen treft men haar achtereenvolgens aan. In Bazel was zij omringd door familieleden, hare broeders en hare tante Anna de Salm. Het vredesedict van 1576 opende haar de mogelijkheid, naar Frankrijk terug te keeren; daar woonde zij toen vijf jaar op het adellijk landgoed van Lierville en bezocht van daar zelfs het hof te Parijs, waar haar verschijning door Brantôme met gloed wordt beschreven. Want terwijl men verwachtte eene puriteinsche te zien in stemmig gewaad, verscheen daar eene jonge vrouw, vol gratie, met schoone oogen, spiegels eener reine ziel, een levendige, frissche gelaatskleur en bevallige, zedige manieren.

Willem van Oranje, de geestverwant van haar vader, deed toen bij deze hoog beschaafde vrouw zijn huwelijksaanzoek. Hij kende haar persoonlijk niet, maar ging daarbij af op den indruk, dien zij op het Fransche hof had gemaakt. Louise’s familie bovenal was door dat aanzoek zeer gestreeld. Het was voor de Châtillons een eer, zich te verbinden met een man, die de luister van de Nassau’s was en daarbij kon de zaak van het Protestantisme en het verbond tusschen Geuzen en Hugenoten slechts bevorderd worden door een huwelijk tusschen Oranje en eene dochter van Coligny. Mocht dan ook de weduwe Teligny eerst nog bezwaren gehad hebben, zij bezweek voor den aandrang der haren en in April 1583 ging de achtentwintigjarige naar Antwerpen, om aan de zijde van den vijftiger haar leven te vervolgen.

Indien ze van te voren geweten had, aan welke beleedigingen zij om haar Fransche nationaliteit in Antwerpen zou hebben blootgestaan, waarschijnlijk zou ze dan die stad althans hebben ontweken. Want slechts drie maanden kon de Prins het daar met haar uithouden. Het waren toen juist de gespannen dagen van de verzoening met Anjou, doorgedreven, omdat Oranje geen anderen uitweg zag. Maar het volk, dat zijne beweegredenen niet kon doorzien, was zeer op hem gebeten. Zijne nieuwe echtgenoote moest dit dubbel ontgelden. Niet alleen werd zij bij haar aankomst zeer koel ontvangen, maar zelfs op straat stond zij aan de beleedigingen van het woedende volk bloot. Langen tijd is die onheusche bejegening bij Louise in bittere herinnering gebleven. Ze moesten zelfs, tot in hunne woning bedreigd, voor de woede van het volk de stad verlaten en toen namen ze hun toevlucht tot Delft. De reis daarheen schijnt alles behalve aangenaam en gemakkelijk geweest te zijn; althans de Fransche Memoirenschrijver Aubérie de Maurier verhaalt, dat zijn vader hem eens verteld had, dat Louise de Coligny zeer verbaasd was over het verschil tusschen Fransche en Hollandsche gewoonten. In plaats van in een koets werd ze in een open wagen gezet met een plank er in, om op te zitten. Op den korten afstand tusschen Rotterdam en Delft was zij in dat voertuig bijna geradbraakt.

We weten, hoe kort zij de levensgezellin van den Prins is geweest, daar hij een jaar later werd vermoord. Doch dat eene jaar is voldoende geweest, om haar te vormen tot die edele moeder en stiefmoeder, waarvan de geschiedenis de weerga niet kent. Indien het ons vergund is, een gevolgtrekking uit haar latere toewijding aan Oranje’s kinderen te maken, dan moeten wel in dat eene levensjaar van den Prins, dat zij samen sleten, tusschen hem en haar de innigste banden geknoopt zijn. Daardoor alleen kon zij haar geheele verdere leven in den dienst zijner kinderen besteden.

Louise de Coligny was eene waardige opvolgster van Charlotte van Bourbon. Ook zij toonde gehechtheid aan het huiselijk leven met al zijn zware plichten. Het was voor haar een genot, zich aan de kinderen uit de vorige huwelijken van den Prins te wijden. Voor hen heeft zij haar leven lang gewaakt en gezorgd; vaak onder de grootste ontberingen heeft ze hen met zooveel liefde onder hare moederlijke bescherming genomen, dat ze daarom alleen in de dankbare nagedachtenis van allen, die Oranje vereeren, moest voortleven.

Haar leven voor de kinderen van den Prins, inzonderheid voor de dochters van Charlotte van Bourbon, kan hier niet worden behandeld. Dit ligt geheel buiten ons terrein. Wat hier echter nog wel een plaats verdient, is de vermelding van de blijde gebeurtenis, dat ze op 28 Februari 1584 het levenslicht schonk aan een zoon, Frederik Hendrik genaamd, onder wiens bestuur de gouden eeuw der republiek een aanvang nam. Die zoon werd aldus genoemd naar de koningen van Denemarken en van Navarre; zijn geboorte verbeterde de stemming van de Hollanders tegenover haar, die eerst om haar Fransche nationaliteit lang niet in aanzien was.

Het laatste levensjaar van den Prins heeft zij tot een der gelukkigste jaren van zijn stormachtig leven gemaakt. De huiselijke deugden van Louise, gepaard aan een opgewekten geest, waren voor den vermoeiden en afgematten strijder een bron van groot genot. Op het oude Prinsenhof te Delft was hem bovenal de stille familiekring zoo welkom. Al rustte hij ook daar nog niet van zijn arbeid, het was met dat vermoeiend heen en weer trekken gedaan, waardoor Charlotte zoo vaak van zijn tegenwoordigheid werd beroofd. In één woord, de Prins vond in het smartvolle verlies van zijn derde vrouw een groote vertroosting in zijn vierde huwelijk. Het heeft gelukkig niet zooals zijn tweede en derde echt de tongen der booze wereld aan het spreken gebracht. Ook zijn familie in Duitschland schijnt zich rustig te hebben neergelegd bij het feit. Aan Jan van Nassau schreef de nieuwe schoonzuster op den 12en Juli 1583 een briefje van dezen korten maar vriendelijken inhoud:

“Ik wil niet nalaten u te verzekeren, hoe vereerd ik mij gevoel, dat God het Monseigneur den Prins in het hart heeft gegeven, mij als zijn levensgezellin aan te nemen; als de grootste gunst van Hem beschouw ik het, dat Hij mij heeft verbonden aan zoovele edele heeren van groote qualiteit, die daarbij ook de vreeze Gods kennen, onder welke gij, Mijnheer, den eersten rang inneemt en waarom dan ook ik mij het eerst geneigd gevoel, u mijn nederige diensten aan te bieden, hopende, dat ik daardoor alles zal kunnen doen, wat u aangenaam is.”

Hebben de tijdgenooten het huwelijk van den Prins met een dochter van den admiraal Coligny, blijkbaar aangemerkt als een overwinning van de goede zaak, dit mag ook wel levendig blijven in de herinnering der nakomelingschap, die tot in lengte van dagen zal moeten indachtig zijn, dat niet alleen het huis van Oranje, maar ook de Pruisische dynastie door Frederik Hendrik, den zoon van Louise, in de vrouwelijke linie afstamt van de beide grootste slachtoffers voor het Protestantisme uit de 16e eeuw, van Willem van Oranje en van Gaspar de Coligny.

Illustration from Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings