TWEEDE BOEK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
EERSTE HOOFDSTUK.
De zon was ondergegaan en de doodenstad gehuld in nachtelijk duister. De maan scheen helder over het dal der koningsgraven, en de rotsblokken aan de wanden der bergkloven wierpen scherp geteekende schaduwen. Akelig stil was het in dit verlaten oord, en toch veel levendiger dan op den middag, want nu schoten vledermuizen als zwarte zijden draden onhoorbaar door de nachtlucht, uilen zweefden in den dampkring met breed ontplooide wieken, en jakhalzen slopen in kleine troepen, de een achter den ander, langs de bergwanden heen. Van tijd tot tijd stoorde hun akelig geblaf of het kermend gelach eener hyena, de diepe stilte van den nacht.
Het scheen dat ook de mensch nog niet tot rust was gekomen in het dal der graven. Uit het hol der tooveres Hekt schemerde een mat licht en vóor de hut van den Paraschiet brandde een vuur, dat Warda’s grootmoeder nu en dan met een stukje gedroogde koemest aanhield. Daarbij zaten twee mannen; zij tuurden zwijgend in de kwijnende vlammen, wier doffe gloed door het schitterend maanlicht werd overtroffen, terwijl een derde, Warda’s vader, bezig was een grooten hamel, waarvan hij den kop had afgesneden, te ontweien.
»Wat janken de jakhalzen!” zeide de oude Paraschiet, terwijl hij den gescheurden bruinen katoenen lap, dien hij tegen de koude en den nachtdauw had omgeslagen, steviger om zijne naakte schouders trok.
»Ze ruiken het versche vleesch,” antwoordde de arts Nebsecht. »Werp ze straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug kunt gij braden. Snijd het hart, ja het hart zeer voorzichtig uit, soldaat. Daar is het. Wat een groot dier was het!”
Nebsecht nam het hart van den hamel in zijne hand en beschouwde het met groote opmerkzaamheid. De oude Paraschiet zag hem daarbij angstig aan en zeide: »Ik heb beloofd voor u alles te zullen doen wat gij verlangt, als gij de kleine weder beter maakt. Maar gij vordert wat onmogelijk is.”
»Wat onmogelijk is?” vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? Gij opent lijken, en bij de balsemers loopt gij uit en in. Gij hebt juist met de kanopen124) te maken. Welnu, gij legt dit hart in de vaas en neemt in de plaats ervan het menschenhart er uit. Niemand, niemand zal het merken. Het behoeft ook niet dadelijk, morgen of overmorgen, te gebeuren. Wacht slechts eene geschikte gelegenheid af. Uw zoon mag elken dag voor mijn geld een hamel koopen en slachten, tot het u gelukken zal. Uw kleindochtertje zal spoedig in kracht toenemen door het gebruik van vleeschspijs. Houdt maar moed!”
»Voor het gevaar ben ik niet bang,” zeide de oude, »maar mag ik een gestorvene het leven ontstelen aan gene zijde des grafs? En dan!.... In ellende en schande heb ik mijne dagen doorgebracht, en gedurende zoovele jaren — niemand heeft ze voor mij geteld — de geboden opgevolgd, opdat ik in de andere wereld rechtvaardig bevonden zal worden, en in de velden van Aäloe125) en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles wat ik hier ontberen moest. Gij zijt goed en vriendelijk. Hoe kunt gij aan een luim de zaligheid van een man opofferen, die zoolang hij leefde geen geluk gekend en u nimmer leed gedaan heeft.”
»Wat ik met dat hart voorheb,” hernam de arts, »kunt gij niet begrijpen, doch wanneer gij het mij bezorgt, dan bevordert gij eene groote en nuttige zaak. Gij weet wel dat het geen luim van mij is, want ik ben geen leeglooper. En wat uwe zaligheid betreft, wees daarover allerminst bezorgd. Ik ben een priester en neem uwe daad met al hare gevolgen voor mijne rekening, verstaat gij: voor mijne rekening. Als priester geef ik u de verzekering, dat het goed is wat ik van u vorder. En als de doodenrechters u later vragen mochten: ‚Waarom naamt gij het hart van een mensch uit de kanope?’ geef.... geef hun dan ten antwoord: ‚Wijl Nebsecht, de priester, het mij beval, en beloofde de verantwoordelijkheid van deze daad geheel op zich te nemen.’”
De oude keek peinzend naar den grond, de arts ging echter met te meer aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch vervult, dan-dan, dat zweer ik u, dan zal ik zorg dragen, dat men bij uw dood uwe mummie met alle amuletten bekleedt, en ikzelf zal voor u een ‚Boek van den uitgang in den dag’126), schrijven en dat laten wikkelen in uwe mummiewindsels127), alsof gij een der aanzienlijksten waart. Dat zal u kracht geven tegen alle boozen geesten, en u zal toegang worden verleend in den hof der beide gerechtigheden, de beloonende en de straffende, en men zal u zalig spreken.”
»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner zonden verzwaren, wanneer mijn eigen hart wordt gewogen,” zuchtte de oude man.
Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik wil u een schriftelijk bewijs geven, waarin ik verklaren zal, dat de roof van dat hart u door mij werd bevolen. Dat moet gij in een zakje laten naaien, altijd op uw borst dragen en met u doen begraven. Wanneer dan Techoeti128), de pleitbezorger der ziel, uwe rechtvaardiging voor Osiris en de doodenrechters129) op zich neemt, overhandig hem dan dit geschrift. Hij zal het voorlezen en gij zult rechtvaardig bevonden worden.”
»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften,” zeide de oude half verstaanbaar, en in den toon zijner stem lag eenig mistrouwen.
»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op den papyrus zal schrijven, dan wat ik u beloofde. Ik zal verklaren dat ik, de priester Nebsecht, u geboden heb het hart te nemen, dat uwe schuld de mijne is.”
»Nu, breng mij het schrift dan,” prevelde de oude.
De arts veegde het zweet van zijn voorhoofd, reikte den Paraschiet de hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker u, dat ik uwe kleindochter niet verlaten zal, tot zij gezond is.”
De soldaat had, terwijl hij den hamel ontleedde, van dit gesprek niets gehoord. Hij had nu den achterbout aan de punt van een houten spit gestoken, en hield dien boven het vuur om te braden. De jakhalzen begonnen harder te huilen, toen de reuk van het smeltende vet zich door de lucht verbreidde. De oude man vergat den vreeselijken last, dien hij op zich nam, zoodra hij het vleesch zag braden; sedert jaren toch had hij in zijn huis geen vleesch geproefd. Nebsecht zat het aan te zien hoe zij smulden, terwijl hijzelf een stukje brood at. Zij reten het vleesch van de beenderen; de soldaat vooral verslond het ongewoon en kostelijk maal met dierlijke vraatzucht. Men hoorde hem kauwen als een paard aan de kribbe.
Geen wonder dat dit tooneel den priester met weerzin vervulde. »Zinnelijke menschen,” sprak hij in zichzelf; »dieren met bewustzijn! En toch menschen! Zonderling! Zij smachten in de banden der zinnelijkheid, waarvan zij zich nog niet los konden maken; en toch, hoeveel vuriger verlangen zij naar het bovenzinnelijke dan wij, hoeveel gemakkelijker maken zij er zich gemeenzaam mede!”
»Wilt gij vleesch?” vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat de lippen van den arts zich bewogen. Tegelijk scheurde hij een stuk gebraad van den bout, waaraan hij zat te kluiven, en hield het den heelmeester voor.
Deze ging onwillekeurig achteruit; de vraatzuchtige blik, de glinsterende tanden en de ruwe donkere trekken van den man deden hem schrikken. Daarbij dacht hij aan de teedere blanke zieke daarbinnen op de mat, en als vanzelf kwam de vraag op zijne lippen: »Is dat meisje, is Warda uw eigen kind?”
De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig als koning Ramses een zoon van Seti is.”
Toen de mannen met hun maal gereed en de platte broodkoeken, die de Paraschieten-vrouw hun had gegeven en waarmede zij tevens hunne handen van het vet gereinigd hadden, opgegeten waren, zeide de soldaat, wiens langzaam werkende hersenen zich nog altijd met de vraag bezighielden, diep zuchtende: »Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte duifje in het ravennest gelegd.”
»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?” vroeg de arts.
»Dat weet ik niet,” gaf de soldaat ten antwoord.
»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij was toch uwe vrouw.”
»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? — Dat is eene lange, vreemde geschiedenis.”
»Kom, vertel mij de geschiedenis,” vroeg Nebsecht. »De nacht is lang, en hooren is mij liever dan spreken. Maar ik wil eerst eens naar onze kranke gaan zien.”
Nadat de arts zich overtuigd had, dat Warda rustig sliep en regelmatig ademhaalde, zette hij zich weder bij vader en zoon neder. De laatste begon nu het volgende te vertellen: »Het is al heel lang geleden. Koning Seti leefde nog, maar Ramses regeerde reeds in zijn plaats. In dien tijd kwam ik terug uit het Noorderland. Zij hadden mij naar de werklieden gestuurd, die de vestingwerken van Zoan, de Ramses-stad130), moesten bouwen. Ik was over zes man gesteld, uitsluitend Amoe131), van den stam der Hebreën132), die Ramses streng onder den duim hield. Onder de arbeiders waren de zonen van lieden, die rijke kudden bezaten. Bij de lichting van werkvolk werd echter niet gevraagd: wat bezit gij? maar alleen: tot welken stam behoort gij? De vestingwerken en het kanaal, dat den Nijl met de Schelfzee verbinden zou, moesten voltooid worden, en de koning, wien leven, heil en kracht gedijen mogen! nam de Egyptische jongelingen mede in den krijg, en liet de Amoe, stamverwanten van zijne vijanden in het oosten, handen aan den arbeid slaan. Het ging daar rijkelijk toe in Gosen133), want het land is schoon en men vindt er overvloed van gras, groenten, visch en gevogelte. Het ontbrak mij dus niet aan het beste wat ik verlangen kon, want onder mijne zes lieden waren twee troetelkinderen, wier ouders mij menig stuk zilver gaven. Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen ze toch teederder dan andere menschen. Wij moesten dagelijks het bepaalde getal tegels leveren134); ik hielp dan de jongens, als de zon zoo stak, en bracht in éen uur alleen meer stuks samen, dan zij in drie. Want ik ben sterk, en was het toen nog meer dan nu.
»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd afgelost, moest ik naar Thebe terug, ten einde opzicht te houden over de krijgsgevangenen, die als werklieden werden gebruikt om den grooten Amon-tempel aan de overzijde te bouwen. Daar ik een aardigen duit geld mede naar huis had gebracht, en de voltooiing van de groote woning van den koning der goden nog den tijd had, begon ik er aan te denken eene vrouw te nemen. Maar geene Egyptische. Paraschieten-meisjes waren er genoeg, maar ik wilde geen meisje uit die gevloekte caste mijns vaders, en de andere hier, dat wist ik al te goed, waren te bevreesd voor onze onreinheid. Ginds in het benedenland was ik beter gevaren; menige Amoe- en Schasoevrouw135) kwam gaarne in mijne tent. Ik had van den beginne reeds mijn zin op een Aziatisch meisje gezet. Telkens kwamen er krijgsgevangen meisjes te koop, maar zij bevielen mij niet, of waren mij te duur. Inmiddels versmolt mijn geld, want in de vrije uren, die op den bouwtijd volgden, leefden wij er vroolijk van. Aan danseressen was in het vreemden-kwartier zeker geen gebrek.
»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. Het was juist in den tijd van het heilige feest van den trap136). Er waren vele vrouwen onder, die bij de groote haven aan den meestbiedende verkocht werden. Voor haar die er werkelijk schoon en nog jong uitzagen werden hooge prijzen besteed, maar ook de meer bejaarden waren mij te duur. Geheel op het laatst werd er eene blinde vrouw voorgebracht en nog eene broodmagere, die bovendien stom was, zooals de afslager den kooplustigen mededeelde, ofschoon hij anders de goede hoedanigheden der gevangenen hoog ophemelde. De blinde had flinke handen aan ’t lijf; zij werd gekocht door een kroeghouder, bij wien zij thans nog den handmolen draait. De stomme, van welke niemand eigenlijk zeggen kon of zij jong of oud was, hield een kind in de armen. Zij zag er uit, alsof zij reeds in de doodkist lag, en het kind, alsof het haar in ’t graf nog voor wilde gaan. Bovendien had zij rood, vuurrood haar, juist als de kleur van Typhon. Maar haar sneeuwwit gezicht zag er niet kwaad uit, ook wel niet goed, maar moede, dood moede. Rondom hare magere blanke armen liepen blauwe aderen als donkere koorden, de handen hingen mat naar beneden, en hielden de kleine. Als er een windvlaag opsteekt, dacht ik, waait zij nog weg met kind en al.
»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, want die stomme schim was voor den arbeid niet bruikbaar. Ze was reeds half dood en eene begrafenis is duur. Zoo verliepen er eenige oogenblikken. De afslager liep eindelijk op haar toe en gaf haar een slag met den zweep, om haar wat opgewekter, wat minder ellendig aan de koopers te doen voorkomen. Zij kromp ineen als iemand die de koorts heeft, drukte het kind vaster tegen zich aan en keek rond alsof zij hulp zocht. Zij zag mij juist in het aangezicht. Wat mij toen overkwam was als een wonder. Haar oog was grooter dan ik er ooit een heb gezien. Daar huisde een demon in, die macht over mij had en tot het laatst toe mijn handel en wandel heeft bestuurd. Het was op dien dag dat die demon mij het eerst betooverde. Want ziet: het was volstrekt niet heet, ik had niets gedronken, en toch handelde ik tegen mijn wil, tegen beter inzichten in, toen ik, zoodra haar blik mij getroffen had, alles wat ik bezat bood om haar te koopen. Ik had haar veel goedkooper kunnen krijgen! Mijne metgezellen lachten mij hartelijk uit, en de afslager streek schouderophalend het geld op. Maar ik hielp de vrouw overeind, nam het kind op mijn arm, bracht haar in eene boot over den Nijl, laadde mijn jammerlijk eigendom op een steenwagen en trok zelf het schepsel als een blok kalksteen hierheen naar den oude.
»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij aan of ik krankzinnig was; zij zeiden echter geen van beiden een woord. Men spreidde haar een leger, en ik bouwde in mijne vrije nachten het vervallen ding hiernaast, dat eens eene fatsoenlijke hut is geweest. Moeder kreeg het kindje spoedig lief. Het was nog heel klein en wij noemden het Pennoe137), omdat het zoo snoesig was als een muisje. Ik vermeed sedert het vreemden-kwartier, bespaarde wat ik verdiende en kocht eene geit, die voor onze deur stond, toen ik de vrouw overdroeg naar hare eigene hut. Zij was wel stom, maar niet doof. Zij verstond onze taal niet, doch de demon in hare oogen sprak voor haar en vatte wat ik zeide. Alles begreep zij en kon zij ook met hare blikken zeggen. Het allerbeste wel kon zij danken. Geen opperpriester, die de goden op het groote Nijlfeest voor hunne weldaden in lange liederen prijst, kon zoo innig met zijne welsprekende lippen danken, als zij het kon met hare stomme oogen. Als zij bidden wilde, dan was het of de demon in haar blik nog machtiger was dan anders. In den beginne werd ik wel eens ongeduldig als zij daar zoo mat en sprakeloos tegen den wand leunde, of als de kleine schreeuwde en mij geen nachtrust liet. Zij had echter alleen de oogen te openen, en dan onderdrukte de demon elke klacht in mijn gemoed en bracht mij aan het verstand, dat het krijten niet anders was dan lieflijk gezang. Pennoe schreide werkelijk lieflijker dan alle andere kinderen, en hij had zulke kleine poezelige blanke vingertjes.
»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij over het jongske neder en wilde hem toespreken; maar hij greep mij in den baard. Dat was wat! Sedert moest hij mij telkens plukharen en zijne moeder merkte dat het mij pleizier deed. Want als ik wat moois of lekkers had medegebracht, een ei, of eene bloem, of een koekje, dan hield zij hem in de hoogte, en stak zijne handjes in mijn baard. Ja binnen weinige maanden had de vrouw geleerd het kind te waardeeren, want zij werd rustiger en besteedde meer zorg aan zijne verpleging. Zij is altijd blank en teer gebleven, maar het scheen of zij van dag tot dag jonger en schooner werd. Zij kon ternauwernood twintig jaren geweest zijn, toen ik haar kocht. Hoe zij heette heb ik nooit te weten kunnen komen. Wij gaven haar ook geen naam: zij was ‚de vrouw’ en zoo spraken wij haar aan. Toen zij acht maanden bij ons geweest was, stierf het muisje. Ik heb geweend als zij, en terwijl ik zoo, over het kleine lijkje gebogen, aan mijne tranen den vrijen loop liet en dacht: nu kan hij zijn vingertjes niet meer naar je uitsteken, toen voelde ik voor het eerst de zachte hand van de vrouw over mijne wangen. Zij streelde als een kind mijn ruwen baard, en daarbij zag ze mij zoo dankbaar aan, dat ik te moede was alsof de pharao mij Opper- en Neder-Egypte op eens ten geschenke had gegeven.
»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, maar moeder zorgde voor hare verpleging, zoodat zij gezond bleef. Ik leefde met haar als een vader met zijn kind. Zij was zoo vriendelijk! Doch zoodra ik haar naderen wilde en haar mijne liefde toonen, dan keek ze mij aan, en de demon in hare oogen dreef mij terug en ik liet haar alleen. Zij werd gezonder, sterker en steeds schooner, zoo schoon zelfs, dat ik haar voor anderen verborgen hield, en het verlangen mij verteerde haar tot mijne vrouw te maken. Eene rechte huisvrouw kon zij wel nooit worden; hare handjes waren zoo teer, en zij wist niet eens hoe zij geiten moest melken. Dat en al het overige deed moeder voor haar. Overdag bleef zij in de hut en werkte, want zij was zeer bedreven in vrouwelijke handwerken, en kon kanten vlechten zoo fijn als spinrag, die moeder verkocht om voor de opbrengst reukwerken aan te schaffen. Daar hield zij veel van, en ook van bloemen; dat heeft Warda daarbinnen van haar. ’s Avonds, als de menschen van de overzijde de doodenstad hadden verlaten, wandelde zij hier in het dal op en neer in gepeins, nu en dan eens opziende naar de maan, die zij zeer liefhad.
»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het was reeds donker en ik dacht haar als naar gewoonte voor de deur te vinden. Daar hoor ik, zoowat honderd schreden achter het hol van de oude Hekt, een troep jakhalzen zoo geweldig blaffen, dat ik dadelijk bij mijzelf zeide: ze hebben een mensch aangevallen. Ik begreep ook wie, al had niemand het mij gezegd. De vrouw kon immers niet schreeuwen of om hulp roepen? Razend van angst rukte ik de paal, waaraan de geit vaststond, uit den grond en een brandend stuk hout van den haard, vloog de ongelukkige te hulp, verjoeg de beesten en droeg de arme vrouw geheel bewusteloos in de hut. Moeder hielp mij en wij brachten haar gelukkig weder bij. Toen wij alleen waren, schreide ik als een kind van vreugde, dat ik haar gered had. Zij liet zich door mij kussen, en — toen is zij mijne vrouw geworden, drie jaren nadat ik haar gekocht had.
»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda noemde. Want zij toonde mij eene roos en wees op het kind, en wij begrepen haar, ook al sprak zij niet. — Niet lang daarna is zij gestorven.
»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor Osiris word geroepen en mij toegang wordt verleend tot de gezaligden, dan wil ik vragen of ik die vrouw daar ook weder vinden zal. Als de portier mij dan een ontkennend antwoord geeft, mag hij mij gerust naar de verdoemden verwijzen, wanneer ik haar daar terugvind.”
»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare afkomst was?” vroeg de arts.
De soldaat bedekte zijn aangezicht met beide handen, weende luide en hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de dochter van een hooggeplaatst man, want wij vonden in haar kleed een gouden kleinood met een edelsteen, waarop vreemde teekens zijn gegraveerd. Het is zeer kostbaar, en mijne vrouw bewaart het zorgvuldig voor de kleine.”
TWEEDE HOOFDSTUK.
De arts Nebsecht verliet den volgenden morgen de hut van den Paraschiet toen het begon te schemeren. Hij was tevreden over den toestand van zijne kranke, en richtte, in ernstige gedachten verzonken, zijne schreden naar den terrassentempel van Hatasoe, om zijn vriend Pentaoer op te zoeken en bij hem het geschrift op te stellen, dat hij den ouden man had toegezegd. Hij kwam bij het heiligdom, op het oogenblik dat de zonnegod zich in zijn stralenkrans boven den horizont verhief. Hij verwachtte natuurlijk het morgengezang van de priesters te hooren, maar alles bleef stil. Hij klopte aan, en de portier opende slaperig de poort.
Nebsecht vroeg naar den tempelopziener.
»Die is dezen nacht gestorven,” geeuwde de man.
»Wat zegt ge?” riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?”
»Onze oude opziener Roeï, die brave man.”
Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer.
»Gij zijt uit het Seti-huis,” sprak de portier, »en weet gij dan niet, dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt hij voor zich alleen boven op de wachtplaats. Daar zult gij hem vinden.”
De arts klom haastig de trappen op. Verschillende priesters gingen zingende bij elkaar staan, zoodra zij hem in ’t oog kregen, doch hij gaf geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met schrijven.
Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: »Gij zijt die slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit vee hier te ijverig en te rein. Ik begreep wel dat het hierop uitloopen zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts te kiezen tusschen liegen of zwijgen.”
»Al weder de oude dwaling!” zeide Pentaoer. »Wij weten dat de godheid éen is; wij noemen hem het Al138), het omhulsel van het Al139) of kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte.”
»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde,” viel Nebsecht hem in de rede.
»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken,” haastte Pentaoer zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld niet zeg: ‚ik spreek,’ maar: ‚mijn mond spreekt,’ wanneer ik beweer dat uw oog ziet, hoewel gijzelf het zijt die ziet? Wanneer het licht van den Eenen zich vertoont, dan dank ik hem in liederen uit den diepsten grond mijns harten, en ik noem den vorm waarin hij zijn licht het glansrijkst aan mij vertoont, Ra. Wanneer ik mijn oog laat weiden over de groenende velden daarginds, dan roep ik de geloovigen op om Rennoet140) te danken, dat wil zeggen: om hulde te brengen aan de werkzaamheid van dien Eenen, door welke het koorn in de aren rijpt. Word ik met bewondering vervuld, zoo vaak ik denk aan de ontelbare zegeningen, die gindsche goddelijke stroom, waarvan de oorsprong ons onbekend is, over ons land uitstort, dan prijs ik den Eenen in de gedaanten van den god Hapi141), den geheimzinnige. Hetzij wij de zon aanschouwen, of den milden oogst, of den Nijl, hetzij in de zichtbare of in de onzichtbare wereld de eenheid en harmonie met bewondering opmerken, wij hebben toch altijd met dien Eenen te doen, die alles omvat, tot wien ook wij behooren, als zijnde de vormen zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich beweegt is klein....”
»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens verslinden142), in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een kranke met eene zwakke maag.”
»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank, die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit den voortijd hebben de verhevenste waarheden in allegorische beelden en symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht”143).
»Verstaanbaar?” vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?”
»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen zien144), zonder te vertwijfelen?”
»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en al is het hem om niets en volstrekt niets anders dan waarheid te doen?” riep de arts. »Wij beiden weten toch, dat de dingen alleen zóo zijn, als zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen, er niet het minste van het mijne bij te voegen, als er al zoo iets in mijn nuchter hoofd voorhanden is. Gij beschouwt de dingen evenals ik, maar iedere voorstelling wordt in u gewijzigd. Want in uwe ziel zijn onzichtbare beeldhouwers werkzaam, die het scheeve rechtbuigen, aan het alledaagsche zekere bekoorlijkheid weten bij te zetten, en het indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid zoekt.”
»Juist,” hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid.”
De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide weder: »Ik weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel, waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te zijn van de ware, en misschien bestaat er in ’t geheel geene.”
»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan onze behoeften en tevens de schoonste is,” zeide Pentaoer.
»De schoonste!” riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij, dat zichzelf genoeg is. Hij moet eeuwig zijn en is het ook, wijl alles wat van hem uitgaat ook weder door hem opgeslokt wordt, en de groote gierigaard geen zaadkorrel, geen lichtstraal, geen luchtblaasje weggeeft, zonder ze terug te eischen voor zijne huishouding, die geen doel heeft, die niet door rede en goedheid wordt bestuurd, maar door een tyranniek: gij zult! waarvan hijzelf een slaaf is. Hij is alleen door zichzelf te begrijpen, de bloodaard, die zich verborgen houdt achter een ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon. Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!”
»Zeker een walgelijk beeld,” hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart.”
»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?” vroeg Nebsecht. »Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij uzelven met een opperheer van uw eigen maaksel, die verbazend veel heeft van de meesters en meesteressen, waarvoor gij het volk laat nederknielen.”
»Slechts schijnbaar,” antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet kennen als de wereldrede, noemen wij hem ‚het woord’. ‚Die zijne leden met namen bekleedt’145), zooals de heilige teksten zich uitdrukken, beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige vormen verleent, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. De scarabeüs-kever146), die ‚als zijn eigen zoon in het leven treedt’, wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur. En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. Immers gij weet, dat er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven voorttelen”147).
Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen. Ik ken hun familieleven en geef u de verzekering, dat er onder hen mannetjes en wijfjes zijn, evenals onder de katten, apen en menschen. Uw ‚goede God’ is mij onbekend. Wat meer is, als ik kalm nadenk, dan kan ik mij maar niet begrijpen, hoe gij over het geheel een goed en een kwaad beginsel in de wereld wilt onderscheiden. Is het Al werkelijk god; is God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?”
»Gij spreekt als een schooljongen,” zeide Pentaoer onwillig. »Goed en redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is, die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende vernieuwing, en gaat zonder ophouden in de wisselende vormen van het eindige over. Wat wij kwaad, boos, duister noemen is, op zichzelf beschouwd, goddelijk, goed, redelijk en helder. Doch het vertoont zich aan ons beneveld verstand in een ander licht, wijl wij alleen den weg zien en het doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispen oppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren ontlokte, om zijne hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen. Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond helderder zal uitkomen. Zoo scheldt een kind op den edelen boom, waarvan de vruchten rotten, zonder te begrijpen dat uit hunne kernen nieuw leven zal ontwaken. Het schijnbaar kwade is slechts de voorbereiding tot hooger geluk en de dood de drempel des nieuwen levens, gelijk het avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt.”
»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend,” hernam Nebsecht. »Alles, zelfs het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om ons de bitterheid van het leven des te harder te doen gevoelen. Gij ziet in alles harmonie en goedheid; mijne ervaring is echter, dat het leven door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is, en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten.”
»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen? Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige bewondering?”
»Naar schoonheid,” antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik ten volle recht wedervaren, want zij is de ware wereldziel. Temt148) noemt gij den Eene, dat wil zeggen: de som, de eenheid, verkregen door de optelling van vele getallen, en dat bevalt mij. Want de bestanddeelen van het heelal, en de krachten die bepalen, in welke verschillende richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan zijn.”
»Zulke opvattingen,” zeide Pentaoer, die bezorgd werd over zijn vriend, »zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om, zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij meent, namelijk uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal u ook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij aanbidt.”
»Ik bid in het geheel niet,” zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds, dat ik beter dan gij weet, hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone eer gesloten dan geopend. Ik verzeker u, dat het even weinig opwekkend is, het ontstaan als de vernietiging en de verandering der dingen na te gaan.”
Pentaoer zag den heelmeester vragend aan.
»Ik wil ook eens,” ging de laatste voort, »in beelden spreken. Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst. Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele glans! En zij zal, als wij haar malen, sneeuwwit meel geven. Niettemin wies zij op uit een rottenden zaadkorrel. Onlangs roemdet ge de schoonheid van de groote bijna voltooide zuilenzaal in den tempel van Amon aan de overzijde in Thebe149). Hoe zal de nakomelingschap dit werk bewonderen! Ik heb het zien worden. Daar lagen vierkante steenblokken in de grootste wanorde door elkaar. Hoopen stof dwarrelden op, zoodat ik bijna niet ademen kon. Drie maanden geleden werd ik er heen gezonden, omdat men meer dan honderd arbeiders, bij het steenslijpen in de brandende zonnehitte, zoo had geslagen, dat zij het bijna bestierven. Als ik nu een dichter was als gij zijt, dan zou ik u duizend zulke tafereelen ophangen, die u zeker niet bevallen zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in beweging wordt gebracht.”
»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd,” zeide Pentaoer. »Gelooft gij dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling, dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald wordt, zich tot wetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen, evenals de beweging der sterren?”
»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?”
»Daar zijn wij weder bij de harten,” zeide de dichter lachend. »Zijt gij uw doel al wat nader gekomen?”
De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?”
»Natuurlijk; maar vertel mij eerst.....”
»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou aanleiding geven tot nieuw verschil.”
»Ik denk,” hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den schouder van den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap geweest.”
»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en niet over daden.”
»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?” riep de dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons levend uitvloeisel der wereldziel.”
»Weet gij dat zoo zeker?” vroeg de heelmeester gevoelig. »Lever mij dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde raad naast een kranke staan, en onze geneesmiddelen even dikwijls schaden als baten, vanwaar komt dat? Daarvan alleen, dat wij, artsen, gedwongen zijn om te arbeiden als de sterrenkundigen, van wien men zegt dat zij de sterren door eene plank beschouwen. Te Heliopolis bad ik den grooten oerma150) Rahotep, dien inderdaad zoo geleerden oversten van ons gild, die mij hoogschatte, het hart van een gestorven Amoe te mogen onderzoeken. Doch hij weigerde het, omdat de groote Sechet151) ook de vrome Semieten in de velden der gezaligden binnenleidt152). Daarop volgden weder de oude bedenkingen, namelijk: dat het zelfs zondig is een dierenhart te ontleden, aangezien ook dit de drager is eener ziel, misschien de bevlekte en veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, vóor hij zijne verhandeling over het hart schreef153), ongetwijfeld zulk een orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk onder de heilige schriften van Toth154) was opgenomen, die vast stonden en onaantastbaar waren als de wereldrede. Hij wilde mij, zeide hij verder, rust bezorgen tot stillen arbeid, want ik was een uitverkoren geest; de hemelsche goden zouden mij wellicht insgelijks met openbaringen begenadigen. — Ik was toen jong en heb mijne nachten in gebeden doorgebracht, maar ik viel met den dag af, en mijn geest werd doffer in plaats van helderder. Toen slachtte ik in stilte eerst een hoen, vervolgens ratten, daarna een konijntje. Ik ontleedde hunne harten en volgde de bloedvaten, die vandaar uitgaan. ’t Is waar, ik weet nu slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen en het hart van een mensch hebben.”
»Wat zal u dat geven?” vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?”
»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?”
»Zoowat,” gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan, en dat het hart het uitgangspunt is van al deze vaten. Verder geeft Nebsecht aan, hoe de aderen over de leden verdeeld zijn, en toont aan — is het niet zoo? — hoe de verschillende zielstoestanden, als toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het algemeen voor zijne opvatting getuigen.”
»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft. Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel,” en de arts sloeg bij deze woorden met de hand op zijn breed maar laag voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden bestudeerd, daarginds bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende dieren155). — Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden.”
De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden papyrus bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters156) het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende voor hem geëischt te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling: »Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!”
De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe, en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”
Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode handen streelde als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig.”
»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er huis en hof voor op te offeren?”
»Ja eigen huis en eigen hof!” riep de dichter, en voegde er daarna bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander.”
»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om ’t even, of ik met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden.”
»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal zijn, maar van den levende,” hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste ellende te storten.”
Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb.”
»En wie zal u beschermen?”
»Haar vader.”
»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen zullen zenden....!”
»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!”
Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, »ja, gij vindt haar ook schoon! Zonderling! — Gij moet niet lachen, wanneer ik erken — ik ben immers ook een mensch als ieder ander? — wanneer ik erken, dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht opgevangen! Zij hebben mij lang in het Seti-huis gemist; misschien hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet” — en bij deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten — »dat is het niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten; zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt, helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god noem.”
Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide: »Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan. Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven, dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?”
Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten, niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat door uw toedoen de onschuld aan de misdaad zal worden prijs gegeven en de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer verlangt, eene Warda waard? — Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst geluk te deelen.”
Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg met nadruk: »Waar is de oude?”
»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” luidde het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis157) brengen.”
DERDE HOOFDSTUK.
Terwijl de beide vrienden uit het Seti-huis dit belangrijk onderhoud hadden, liep vrouwe Katoeti in de opene galerij voor het huis van haar schoonzoon, waar wij haar het eerst leerden kennen, onrustig op en neer. Een sneeuwwit katje hield haar op deze wandeling gezelschap, nu eens spelende met den sleep van haar eenvoudig lang gewaad, dan weder een sprong doende naar een voetstuk, dat vroeger een zilveren beeld had gedragen, voor weinige maanden verkocht, en waarop Nemoe zich thans had neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene menschen in de oogen te zien.
»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!” zeide Katoeti met dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam.
»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden.”
»Wilt gij mij andermaal zweren,” ging zijne meesteres voort, met koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht hebt ons te redden?”
»Ik zweer u duizend eeden!” zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen en zijn huis met de hooge poort zou geven, voor éen vriendelijken blik uit Nefert’s oogen.”
»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!” zuchtte Katoeti, en zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe eene koude rilling door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was.”
De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich van zijn voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil, en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert roepen?”
»Neen!” zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had zij een steun noodig.
De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep bladplanten weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de gids haar begroet had, zeide zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al een vriend te zijn.”
Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou overlaten. Maar deels een inwendige vrees, deels zijne ijdelheid hadden hem hiervan afgehouden. Hij pronkte zoo gaarne met zijn rijkdom, en hij mocht Katoeti wel eens doen gevoelen wat hij vermocht en welk een schoonzoon zij had afgewezen. Het liefst had hij het goud, dat hij besloten had haar te schenken, dadelijk uit zijn schatkamer genomen en het door zijne slaven voor zich uit laten dragen, gelijk de onderworpen vorsten deden, als zij hunne schattingen brachten. Dat ging echter niet, en daarom stak hij den grooten met een kostbaar edelgesteente versierden ring, dien koning Seti eens aan zijn vader had geschonken aan den vinger, en tooide hij zich met vele kleedergespen, borstspelden en ringen. Toen hij zich alvorens zijn huis te verlaten, in den spiegel beschouwde, zeide hij met bevrediging tot zichzelf, dat hij, zooals hij daar stond en ging, wel zooveel waard was als het geheele erfgoed van Mena. Sedert zijn onderhoud met den dwerg en diens uitlegging van zijn droom, lagen de wegen, die hij ter bereiking van zijn doel te bewandelen had, scherp afgebakend voor hem. Nefert’s moeder moest voor schande bewaard, met goud gewonnen en Mena naar de andere wereld gezonden worden. Tot zijne bondgenooten rekende hij vooreerst: zijne gewoonte om zonder omzien met kracht door te tasten, hetgeen hij bij voorkeur zijne onwankelbare vastberadenheid noemde, vervolgens de slimheid van den dwerg Nemoe, en eindelijk den liefdedrank.
Thans naderde hij Katoeti, zeker van zijne overwinning, als een koopman, die een kostbaar artikel gaat koopen, en weet dat hij rijk genoeg is om het te betalen. Maar de waardige fiere houding van zijne tante bracht hem in verwarring. Hij had gedacht haar anders, haar met een gebroken hart en smeekende om hulp te zullen vinden. Hij had gehoopt na zijne grootmoedige daad den dank van Nefert tegelijk met dien harer moeder te zullen ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een geruime tijd met onverschillige gesprekken, tot Paäker haar op eens mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner moeder, voor eerloosheid te bewaren.
Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor haar reeds was afgesloten.
»Gij zijt nog in uwe goede jaren,” zeide Paäker.
»Misschien in de beste,” antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die het leven als eene taak, eene zware taak beschouw.”
»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel.”
Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er was een tijd, dat gij haar gaarne tot uwe vrouw zoudt hebben gehad, en nu vraag ik u: was er in Thebe, ja in geheel Egypte een meisje, dat haar in schoonheid evenaarde? Was zij waard bemind te worden, en is zij het nog niet? Verdient zij, dat haar echtgenoot haar eenzaam laat gebrek lijden, dat hij haar geheel veronachtzaamt en, als had hij haar verstooten, eene vreemde vrouw in hare plaats in zijn tent neemt? — Ik lees op uw gelaat wat gij denkt. Gij schuift de schuld van al het gebeurde op mij. Uw hart vraagt: ‚Waarom hebt gij de verloving verbroken?’ En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot zoudt hebben bereid.”
Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en ging met klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds waart gij ons lief en waard. De wensch uws vaders, die jegens ons als een liefderijk broeder gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig en dierbaar geweest, en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder, mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in het verre Azië zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer.”
»Ik weet alles,” viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den grond.
»Wie kan het u dan verteld hebben?” vroeg de weduwe. »Want uwe moeder heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van uwe oudere rechten, toen beval hij, en wie zou het wagen zich te verzetten tegen de bevelen van den heer van beider werelden, den zoon van den zonnegod? Koningen vergeten zoo spoedig! Hoe dikwijls stelde uw vader zijn leven voor hem in de waagschaal; hoevele wonden werden hem geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad, zulk een leed moeten sparen.”
»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?” vroeg Paäker, en zijne wangen kleurden zich donkerrood.
»Hij kende u nog weinig,” antwoordde Katoeti op verontschuldigenden toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan haar stem, en vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, — gij waart nog zoo jong, — toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja zijne....”
»Wat?” vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.
»Zwijgen wij daarover,” ging de weduwe voort, om het zooeven gezegde te vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor buigen.”
»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid en afkeer? Ik wil het weten!” riep Paäker, met klimmende heftigheid.
»Gij maakt mij bang,” zeide de weduwe, trachtende hem neer te zetten. »Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn gunsteling in Nefert’s oogen te verheffen.”
»Wat heeft hij gezegd?” riep de gids weder, en het klamme zweet droop hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner rollende oogen.
Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, greep haar aan en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?”
»Paäker,” zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon, »laat mij los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede Ramses trachtte Nefert’s hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en bedenkt met wie gij spreekt!”
Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde zijne vraag telkens dringender.
»Schaam u!” riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! — Gij wilt niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden. Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide dat, indien hij niet wist dat uwe moeder Setchem eene brave vrouw was, hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig gelijkt als een uil een adelaar.”
Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, en zijne bleeke lippen prevelden: »Zoo — zoo — — — ”
»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos. Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga, en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis. Zijn grootvader, zijn vader en hij zijn parvenu’s en er leeft nog iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao’s dan hij.”
»De stadhouder Ani!” zeide Paäker met vaste stem.
Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en zeide zacht: »Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt van de plannen des stadhouders. U heeft de koning eene bruid, mij eene dochter ontstolen; uw ziel heeft hij met haat vervuld jegens den overmoedigen medeminnaar, mij goot hij vuur in het hart over het verloren levensgeluk van mijn kind. Ik gevoel iets van Hatasoe’s bloed in mijne aderen en mijn geest is sterk genoeg om mannen te besturen. Ik was het, die den nog sluimerenden wensch in de borst van den stadhouder deed ontwaken, die zijne oogen op den troon richtte, waarvoor de goden hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn ons genegen. Wij hebben...”
Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf stoof buiten adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de poort!”
Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, zeggende: »Ik ga Ani te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en was een vriend uws vaders.”
Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe trad achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker staan en vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?”
Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op zij, en liep peinzend op en neer.
Katoeti kwam den stadhouder midden in den tuin tegen. Hij hield eene schriftrol in de eene hand en begroette haar reeds van verre met eene beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering; het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij hem het laatst had gezien. »Heil u,” riep zij hem half vertrouwelijk, half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief, als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. »Hebt gij het negental goden ontmoet158) of hebben de Hathors u in den slaap gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken.”
»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!” gaf Ani vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze boodschap!”
Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den inhoud, en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben de legerscharen der verbondene Koeschiten159) geslagen, en brengen hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!”
»En bovenal dank,” voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk, mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en bloed beginnen te krijgen.”
»Zij wassen op tot helden!” riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder, heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt gij hier naast mij. De moed van Menth160) straalt uit uwe oogen, en om uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus161).”
»Geduld, geduld, mijne vriendin!” sprak Ani, ten einde den ijver der weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is mij iets gelukt, als ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen.”
»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen,” voegde Katoeti er bij.
»Dat ben ik volmaakt met u eens,” zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden. Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene tweede overwinning berichten?”
»Vrouwen winnen geen veldslagen,” hernam de weduwe lachend, »maar zij werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!”
»Eene godheid of een leger?” vroeg de stadhouder.
»Iets tusschen beiden,” gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!” En hierop vertelde zij den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef.
Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking van onrust en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden, maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere bondgenoot...”
»Van Paäker kunnen wij zeker zijn,” zeide Katoeti op stelligen toon.
»Wie staat u voor hem borg?” vroeg de stadhouder.
»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd,” antwoordde Katoeti ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld.”
Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze wijze werd gerustgesteld. »Dat verandert de zaak,” zeide hij. »Heeft hij een moord begaan?”
»Neen,” antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem staatmaken.”
»Goed goed,” zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; »maar hij is onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen. Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet.”
»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,” zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner voorvaderen?”
Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne vriendin gesproken? — Begrijp ik uw zwijgen goed?”
Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!”
Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, waar Paäker nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een leuningstoel had nedergevleid, heette hij Paäker welkom, als den zoon van een gestorven vriend en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele wereld,” zeide hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen ofschoon — ofschoon —. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het vereischt moed en vaardigheid in de schrijfkunst. Niemand betwijfelt of gij de eerste bezit, maar wel de laatste. Het zwaard en het schrijfriet zijn zeer verschillende wapenen; het eerste vereischt eene stevige vuist, maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?”
»Ik wil het hopen,” antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten.”
»Dat is het ware!” zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen had, dan zou ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn er bij honderden in de tempels te vinden.”
»Dat denk ik ook wel,” zeide Paäker.
Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: »Ramses schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken. Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist voor u het meest geschikt is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom met uwe vrouw dus veilig genieten.”
»Ik heb echter geene vrouw,” zeide Paäker.
»Laat dan Katoeti,” hernam de stadhouder met een glimlach, »wanneer gij terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke bekoorlijkheid.”
Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl hij de galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg Nemoe!”
Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en riep Paäker toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit van de partij te zijn!”
De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door onzichtbare draden werd omsponnen. Tot deze ure was hij er trotsch op geweest, dat hij zich geheel aan zijn ambt had gewijd, en als Mohar dappere daden verricht, en nu moest hij ondervinden dat dezelfde koning, wiens eereketen zijn hals sierde, hem minachtte, en hem misschien alleen om zijns vaders wil in zijn moeitevol en gevaarlijk ambt duldde, hetwelk hij vrijwillig en belangeloos op zich genomen had, in weerwil dat zijne rijkdommen hem naar Thebe lokten. Hij wist zeer goed, dat hij met het schrijfriet zeer onhandig omging, maar dit was geen reden om hem te minachten. Honderdmaal had hij gewenscht zijne positie zoo te kunnen inrichten, als Ani haar voor hem had afgeteekend. Nochtans was zijn verzoek om schrijvers te mogen houden door Ramses afgewezen. Wat hij wist te bespieden, was hem geantwoord, moest geheim gehouden worden; en niemand kon instaan voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op dit oogenblik bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende, ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven.
De man, die zoo zeer aan de eenzaamheid gewoon was, trok zich geheel in zichzelf terug en vergat alles om hem, ook de weduwe, die zich op een kussen had nedergevlijd en hem zwijgend gadesloeg. Hij tuurde in de ruimte, terwijl allerlei denkbeelden ordeloos zijn hoofd doorkruisten. Hij gevoelde zich vreeselijk verongelijkt, en het was of de noodzakelijkheid hem was opgelegd een schrikkelijk onheil over anderen te brengen. Alles wat hij thans ondervond was zoo onduidelijk en nevelachtig. Liefde en haat smolten in zijn binnenste samen. Doch met vaste, door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden, die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar éene vergoeding voor zijn verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen, als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop, waarmede hij zich had gevleid, en te vergeefs trachtte hij tot rust en klaarheid te komen. Op zulke kruiswegen kon hij van geen amulet, van geen vraag- en antwoordspel uitkomst verwachten. Het gold hier te overleggen en plannen te smeden, en toch vermocht hij geen enkele goede gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen.
Heftig bracht hij de hand aan zijn brandend voorhoofd, en dit deed hem ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde gevoerd, als het woord dat zij tot hem gezegd had. Zeker, zij verstond de kunst mannen te leiden. »Zoo moge zij dan voor mij denken,” prevelde hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak.”
Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn bondgenooten.”
»Tegen Ramses en voor Ani,” antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand toestekende.
»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl overleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert mijn groet brengen?”
»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden.”
»Morgen dan?”
»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te danken.”
»Vaarwel Katoeti!”
»Noem mij moeder,” zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een groet met haar sluier achterna.
VIERDE HOOFDSTUK.
Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg, of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.
»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde het antwoord.
»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.
De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de galerij binnen.
»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier, Nemoe, en weer de vliegen van mij af!”
De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier, gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu, wij hebben elkaar alleen te spreken.”
Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af: »Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen.” Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten streelen.
De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te bespreken.”
»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt....”
»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft. »Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben.”
»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.
De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind,” zuchtte zij, »hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst.”
»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste niet. Mena’s gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden onder het geluksteeken. In den Besa-tempel162) raadpleegde ik het orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de granaten in uw haar stonden u niet.”
»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen....”
»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.
»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders....”
»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena’s wil zal hij mij hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de lichtzinnigheid van een dollen jongen. — Ja stellig, ik schrijf hem!”
Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller te bewegen.
Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij hield eene berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid.”
»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het, moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld.”
De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop. Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje163), hoe goed men is voor uwe kleine meesteres?”
Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken, wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw echtgenoot u....”
»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller begon adem te halen.
Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht, gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming: »Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon, alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van de trouw, en Mena heeft....”
»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.
»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten getreden....”
»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.
»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft, dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar de schoone dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die eerlooze schelm!”
»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste woorden harer moeder herhaalde.
Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht, lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin. Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel, wierp de deur achter hem in ’t slot, en trad daarop met doodsbleeke lippen hare moeder tegemoet.
»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten zichzelve van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem dat woord terug, moeder! Neem het terug, of....”
Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken: »Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte jegens u verbroken en u openlijk beschimpt.”
»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven, nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat postament daar Mena’s tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen, gelijk ik nu lach, en zeggen: ‚Wie weet wat hij die schoone daar binnen te geven of te berichten heeft,’ en ik zou geen oogenblik twijfelen aan zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis ontrouw geworden164), maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij.”
»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde Katoeti bitter, »maar laat mij de mijne.”
»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man, die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei, moeder! Hoe kunt gij hem een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat handelen!”
»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”
»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede, »maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren. Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging, blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet verlaten, gij of ik....”
Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.
Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder, sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet overvloeien.”
Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek. Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan men zich het ergste heeft voorgesteld!”
Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd, maar heden is haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. — Mijn geliefd kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter.”
Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.
»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.
»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is dat?”
»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt165), het is beter als gij het nog niet te weten komt.”
»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. »Ga nu tot Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo.... zoo —, maar ach wat heb ik nog weg te geven, — zoo zal ik u dankbaar zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak u rijk.”
Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel zijn?”
»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik heb maar éen wensch.”
»En die is?”
»Paäker in Mena’s plaats te zien.”
»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, en verliet de galerij.
Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan.... dan. — Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!”
VIJFDE HOOFDSTUK.
Toen Nemoe, op den terugweg van den stadhouder, bij het huis zijner meesteres was gekomen, werd hij door een knaap aangehouden, die hem dringend verzocht mede te gaan naar het vreemden-kwartier. De dwerg aarzelde een oogenblik, maar de bode toonde hem den ring zijner moeder Hekt, die voor eenige zaken in de stad was gekomen en hem begeerde te spreken.
De kleine man was vermoeid, want gewoonlijk reed hij. Zijn ezeltje was echter dood en Katoeti kon hem geen nieuw geven. De helft van Mena’s vee was reeds verkocht, en het overige was bijkans onvoldoende voor den landbouw. Aan de hoeken van de drukste straten en op de markten stonden knapen met grauwtjes, die zij voor een geringen prijs verhuurden166); doch Nemoe had zijn laatsten ring aan een kleed en eene nieuwe pruik uitgegeven, ten einde fatsoenlijk gekleed voor den stadhouder te kunnen verschijnen. In vroeger dagen was zijne tasch nooit leeg geweest, want Mena had hem menig stuk zilver of goud toegeworpen. Maar zijne rustelooze en eerzuchtige ziel betreurde het verlies van zulk een gemakkelijk leven niet. Met wrok dacht hij aan de jaren van overvloed terug, en terwijl hij zich thans al kuchend door het stof voortsleepte, gevoelde hij zich groot en tevreden.
De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering van Paäker’s waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene op het land opgegroeide eend, die men voor het eerst in het water zet; of van een vogel die in eene kooi is grootgebracht, en nu voor de eerste maal vrijheid heeft de vleugels uit te spreiden om te vliegen. Zonder klagen zou hij zich dood gezwommen of gevlogen hebben, wanneer de toestand waarin hij zich bevond aan zijn ijver en zijn vurige begeerte om te handelen, geen perken had gesteld.
Badende in zijn zweet en vol stof kwam hij aan de veelkleurige tent in het vreemden-kwartier, waar de tooveres Hekt haar verblijf pleegde te houden, als zij naar Thebe kwam. Terwijl hij ingewikkelde aanslagen verzon, allerlei mogelijkheden overwoog, en slimme plannen smeedde, telkens het al te gewaagde verwerpende, om het door iets meer uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf167). Bij den tempel, waarin de lieden uit Kaft168) hunne Astarte169) vereerden, en het heiligdom van Seth, waarbij zij aan hun Baäls170) offerden, was hij voorbijgegaan, zonder zich te laten storen door het geroep der dansende aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de licht en dicht gebouwde houten huisjes der danseressen en lichtekooien trokken hem niet aan. De bewoneressen, die des avonds, met bonte kleederen getooid en allerlei versiersels behangen, de jongelingen van Thebe tot zingenot en zoo menigen dwazen streek wisten te verleiden, sliepen bovendien zoolang de zon aan den hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom te houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, goochelaars, vuurvreters, jongleurs, slangenbezweerders en paljassen, die des avonds hier hunne kunsten vertoonden, was thans niets te bespeuren. Toch geleek dit vreemdenkwartier wel eene jaarmarkt, die altijd voortduurde.
Deze genietingen echter, waarvan Nemoe duizendmaal ooggetuige was geweest, hadden hem nooit aangelokt. Hij gaf niets om de liefde van zulke deernen en de winst bij het spel. Al wat gemakkelijk en zonder inspanning te bereiken was door maar plomp toe te grijpen, miste voor hem alle bekoorlijkheid. Niet dat hij bang was voor den ruwen spot dier deernen en die haar bezochten, integendeel, nu en dan ging hij uit eigen beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit geheel met hem eens, en nog kort geleden had Paäker’s hofmeester van Nemoe gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk.”
Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote bontkleurige tent, die echter door niets zich onderscheidde van vele gelijksoortige in de nabijheid. De opening, die tot het binnengedeelte toegang verleende, was breed en thans gesloten door een stuk linnen, dat de plaats van eene deur verving. Nemoe schoof tusschen den wand van de tent en de beweeglijke sluiting behendig door, en kwam in een bijna cirkelvormige veelzijdige ruimte, welker kegelvormig dak op een langen stok als op een zuil rustte. Op den stoffigen grond van dit vertrek lagen afgedankte stukken tapijt, waarop eenige jonge vrouwen in kleederen van allerlei kleur neergehurkt zaten, terwijl eene oude vrouw ijverig met het toilet dier dames bezig was. Zij verfde de nagels van vingers en teenen met oranjekleurige hennah, maakte hare wenkbrauwen en oogleden zwart met mestem171), ten einde haar blik des te helderder zou uitkomen, blankette de wangen met rood en wit poeder en zalfde de haren met welriekende olie. Het was snikheet in deze tent en geen van de meisjes sprak een woord. Zij lieten zich door de oude stil onder handen nemen zonder zich te verroeren. Van tijd tot tijd greep deze of gene eene der op den grond staande poreuse aarden waterkruiken om te drinken, of opende een doosje, om een nieuw kyphi-balletje172) op de lippen te leggen. Tegen de wanden lagen verschillende soorten van muziekinstrumenten, als handtrommels, fluiten, lieren en een viertal tamboerijnen op den grond. Op het kalfsvel van eene der laatsten, tusschen den rand met rinkelbellen, sliep eene kat, welker aardige jongen met het klokje van eene andere tamboerijn speelden. Door eene kleine achterdeur van de tent ging eene oude negerin af en aan, omgeven door een zwerm vliegen en muggen, om de schotels met overblijfselen van spijzen, granaatappel-schillen, broodkruimels en knooflookstengels op te ruimen, die van den reeds voor eenige uren afgeloopen maaltijd der meisjes op een der tapijten waren blijven staan of liggen.
De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd toe: »Daar, neem dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte” — zij wees op de vliegen, die om het bord in hare hand gonsden — »wel verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts.”173)
»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve,” zeide een der meisjes met heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en lenig, kan ik ’s nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans.”
»Maar ge zijt toch slank geworden,” antwoordde Hekt, »en eerlang zult gij ook niet meer hoesten.”
»Omdat zij dood zal zijn,” fluisterde de negerin de tooveres toe. »Ik weet dat, zoo eindigen de meesten.”
Nemoe’s moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag binnensluipen, verhief zij zich van haren zetel. Ook de deernen merkten den kleine op, en maakten dat onbeschrijfelijk geluid, niet ongelijk aan het kakelen van hoenders, dat de oostersche vrouwen bij elke gemoedsaandoening plegen uit te stooten174).
De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. Een van de vroolijkste riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek, kleintje!”
»Gij ook,” haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond aangaat.”
»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt,” zeide het meisje op haar beurt.
»Dan beteekent mijne boosheid niet veel,” hernam de dwerg lachend, »want ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?”
De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij begonnen zamen te fluisteren.
»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit,” zeide Hekt. »Ik begin waarlijk te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan.”
»Mijn ezel is dood,” antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een rijdier te huren.”
»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid,” grinnikte de oude. »Wat hebt gij nu gedaan?”
»Paäker heeft ons gered,” antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug van een lang gesprek met den stadhouder.”
»Welnu?”
»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen levert.”
»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken, natuurlijk verkleed; ik kon dan....”
»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden, zou hij het niet slim overleggen.”
»Hm,” bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan. Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien. Wat is er verder gebeurd?”
»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt rijke schatten naar Thebe.”
»Daar kan men de lieden mede koopen,” prevelde de oude. »Goed, goed!”
»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het stof hierheen gekomen ben.”
»Nu kunt gij ten minste terugrijden,” antwoordde Hekt, terwijl ze den kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert wedergezien?”
»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd,” zeide de dwerg, die hierop aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had hij geen woord vergeten.
De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!” prevelde zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij laten zich met welgevallen ten doode kwellen door hare kinderen, die er haar waarlijk niet dankbaar voor zijn, en de vrouwen zijn gewoon hare oogen wijd te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!”