TWEEDE BOEK. (continued 4)
Hendrik Cornelis Rogge translation
Toen onze wandelaars deze plek betraden, was het godsdienstige feest reeds afgeloopen. Nog stond er de troonhemel, waaronder de koninklijke familie de feestrede pleegde te hooren en in welks schaduw heden de stadhouder Ani had gezeten. Men zag nog de zitplaatsen der aanzienlijken staan en de staketsels, die het volk verwijderd hielden van den adel, de priesters en de leden der koninklijke familie. Hier had Ameni met eigen mond het wonder van het ramshart aan het jubelende volk medegedeeld, en kenbaar gemaakt, dat er een nieuwe Apis onder de kudden van den stadhouder gevonden was. Zijne verklaring dezer goddelijke teekenen ging van mond tot mond. Zij voorspelden het land vrede en geluk, door een lieveling der goden. Al sprak de opperpriester het niet uit, zoo kon het zelfs den onnoozelste niet ontgaan, dat met dien lieveling niemand anders werd bedoeld dan Ani, de afstammeling van de groote Hatasoe, welker profeet met het hart van den heiligen ram begenadigd was geworden. Ieder zag bij Ameni’s woorden op Ani, en deze offerde voor het oog van het volk onder het heilige hart en ontving den zegen van den opperpriester.
Ook Pentaoer had zijne rede reeds uitgesproken, toen Bent-Anat met die haar vergezelden op het feestterrein kwam. Zij hoorde hoe een grijsaard tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet gemakkelijk. Dikwijls kwam het mij voor als een last, die onbarmhartige goden ons op de schouders leggen. Maar toen ik den jongen priester uit het Seti-huis hoorde, gevoelde ik toch dat de hemelsche goden goed zijn, en dat wij hen voor veel te danken hebben.”
Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt ge dien Pentaoer wel eens goed in ’t aangezicht gezien, Hor-oeza? Hij is van lage afkomst, maar hij overtreft de grootsten in geest en gaven, en zal het ver brengen.”
Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar is de schoonste man, dien ik ooit gezien heb,” zeide de eene tegen de andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang.”
»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid prees als de hoogste deugd,” antwoordde het andere meisje. »Ik zou denken dat alle goden in hem woonden.”
Bent-Anat bloosde, toen zij deze woorden opving. Zij wilde terugkeeren, want de duisternis begon te vallen, doch Rameri wenschte ook de processie te volgen, die nu met lampen en fakkels door het westelijk dal zou trekken, ten einde dan tevens het graf van hun grootvader Seti een bezoek te brengen. De prinses gaf ongaarne toe. Het was echter op dit tijdstip uiterst moeielijk den Nijl te bereiken, want de dichte volksmenigte bewoog zich juist in de tegenovergestelde richting. De prins en zijne zuster lieten zich dus met Nefert door den stroom medesleepen en kwamen, toen de zon reeds was ondergegaan, in het westelijk dal. Geen roofdier vertoonde zich daar in dezen nacht, want jakhalzen en hyena’s hadden de wijk genomen naar de woestijn, zoodra zij het licht zagen der ontelbare fakkels en uit gekleurd papyrus samengestelde lantaarns, die de bezoekers van de Nekropolis in de handen droegen. De rook van fakkels en andere lichten, en de stof die werd opgedreven door de beweging van zulk een menschenmassa, waren oorzaak, dat men den sterrenhemel niet kon zien en de processie met de daarop volgende menigte in eene wolk was gehuld.
Bent-Anat, Nefert en Rameri hadden zich een weg gebaand tot bij de hut van den Paraschiet Pinem. Hier waren zij echter gedwongen te blijven staan, want veiligheidswachters drongen het volk met hunne staven rechts en links uit den weg te gaan, ten einde ruimte te maken voor de naderende processie.
»Zie, Rameri,” zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin van den Paraschiet, die slechts enkele schreden van haar verwijderd was, »daar woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. Zij wordt toch beter. Keer u eens om: dáar, achter de doornheg bij het kleine vuurtje, dat haar juist in het gezicht schijnt, zit zij naast haar grootvader.”
De prins ging op de teenen staan, wierp een blik in den armoedigen hof, en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk een mooi meisje? — Maar wat doet zij toch met den oude? Die schijnt te bidden, en zij houdt hem het eene oogenblik een doek voor den mond, en dan weder wrijft zij zijne slapen. En wat ziet zij er angstig uit!”
»De Paraschiet zal ziek zijn,” antwoordde Bent-Anat.
»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te veel gedronken,” zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe krampachtig zijne lippen zich bewegen, hoe zijne oogen rollen. Akelig! Hij ziet er uit als een bezetene.”
»Hij is een onreine,” zeide Nefert.
»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart,” antwoordde de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. Hij moet zeer rechtschapen zijn en altijd nuchter. Hij is dus zeker ziek en niet dronken.”
»Nu staat het meisje op,” riep Rameri, terwijl hij de papieren lantaarn, die hij op het feestterrein gekocht had, wat lager hield. »Ga wat opzij, Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt ge ooit zulk een blank menschenkind gezien, en zulk een aanvallig kopje? Zelfs die typhonische haren staan haar buitengewoon schoon. Maar zij zelve waggelt. Zij moet zeker nog heel zwak zijn! — Daar zit zij weer bij den oude en wrijft hem het voorhoofd. Het arme schepsel! Zie eens hoe zij snikt. Ik wil haar mijn beurs toewerpen!”
»Doe het niet,” zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk gegeven, en de tranen die daar worden gestort schijnen van dien aard, dat zij met geen goud kunnen worden gedroogd. Ik zal morgen de oude Anath hierheen zenden en laten vragen, of ik ook ergens mee helpen kan. — Zie nu vóór u, Nefert, daar komt de processie. Foei, hoe onfatsoenlijk dringt dat volk! — Als de god voorbij is, gaan wij naar huis!”
»Ach,” zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!” Bij deze woorden klemde zij bevend zich zoo vast mogelijk aan de prinses.
»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren,” antwoordde Bent-Anat.
»Zie toch eens,” riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat is heerlijk. Ziet hoe dat hart licht, alsof het eene ster was!”
Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën.
Vlak voor hen hield de processie een oogenblik stil. Dit geschiedde telkens, wanneer men duizend schreden had afgelegd. Een heraut trad vooruit en prees met eene ver klinkende stem het groote wonder, waarbij kort geleden nog een nieuw was gekomen. Want het heilige hart van den ram was, toen de duisternis aanbrak, begonnen te lichten.
Sedert zijn terugkeer uit het huis der balsemers had de Paraschiet Pinem geen voedsel willen gebruiken. Op alle vragen der zijnen, die zich doodelijk ongerust maakten, had hij niet willen antwoorden. Strak voor zich uit ziende, prevelde hij allerlei onverstaanbare woorden, terwijl hij de hand gedurig aan zijn voorhoofd bracht. Eenige uren geleden had hij het plotseling uitgeschaterd van lachen. Zijne vrouw hierdoor nog ongeruster geworden, was dadelijk naar het Seti-huis gegaan om den arts Nebsecht te roepen. Gedurende hare afwezigheid moest Warda grootvaders slapen wrijven met de bladeren, die de tooveres Hekt op hare borst had gelegd. Deze hadden eens zoo goed gewerkt, en zouden ook nu voor de tweede maal den demon der krankheid wel kunnen verjagen.
Toen de door duizende fakkels en lampions verlichte processie stilhield voor de hut van den Paraschiet, die echter geheel in de duisternis was weggedoken, en een burger zijn buurman toeriep: »Het heilige ramshart komt!” verschrikte de oude en richtte hij zich op. Zijne oogen staarden onafgebroken op het flikkerende wonderhart in zijne kristallen vaas. Langzaam rees hij overeind, met uitgerekten hals en bevende over zijn gansche lichaam. — De heraut verkondigde den lof van het wonder. Daar vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het volk eerbiedig geknield lag en onder diepe stilte luisterde naar de woorden van den spreker, de Paraschiet de deur van zijn huis uit, sloeg met vuisten tegen zijn voorhoofd en brak weder vlak tegenover het heilige hart in een waanzinnig schaterlachen, uit, zoo luide, dat het wijd en zijd langs de naakte rotsen van het dal weerkaatste.
Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, die dicht achter het hart liep, verschrikte, en zag rond naar de persoon, die zoo afgrijselijk had gelachen. Hij had den Paraschiet nooit gezien, maar hij ontwaarde door stof en duisternis heen de doffe schemering van het kleine vuur in den hof. Hij wist dat de opensnijder van de lijken op deze hoogte woonde. Dadelijk was zijn besluit genomen. Hij fluisterde een der officieren, die met hunne soldaten aan beide zijden van den trein marcheerden, eenige woorden in het oor, die deze alleen verstond, gaf daarop een teeken, en de processie zette zich weder in beweging, alsof er niets gebeurd was.
De oude spande al zijne krachten in om, steeds luider en akeliger lachende, op het hart los te stormen, maar het volk wierp hem terug. Terwijl de laatste groepen van den feesttrein hem voorbij trokken, sleepte hij zich, vreeslijk mishandeld, weder naar de deur van zijn hut. Daar zonk hij ineen, en Warda wierp zich op den grijsaard, die onkenbaar op den grond lag te midden van stof en duisternis.
»Vertrapt den spotter!”
»Scheurt hem in stukken!”
»Verbrandt dat onreine nest!”
»Werpt hem met de deerne in de vlammen!”
Zoo brulde het in zijne aanbidding gestoorde volk in dolle woede. Twee oude vrouwen rukten de lantaarnen van hare stokken, en sloegen op den ongelukkige los, terwijl een Ethiopisch soldaat, Warda bij de haren greep en van haar grootvader wegsleepte.
Op dit oogenblik verscheen de vrouw van den Paraschiet en met haar Pentaoer. De oude vrouw had Nebsecht niet gevonden maar wel den dichter, die na het uitspreken van zijne rede naar het Seti-huis was teruggekeerd. Zij vertelde hem van de demonen253), die haar man hadden aangegrepen, en smeekte hem met haar mede te gaan. Pentaoer volgde haar onverwijld in zijn huiskleed, zooals hij ging en stond, zonder het witte gewaad aan te trekken, dat hem bij dit bezoek niet wenschelijk voorkwam. Toen hij in de nabijheid van de Paraschietenhut was gekomen, vernam hij het getier der menigte en boven allen uit den schrillen angstkreet van Warda. Hij vloog vooruit en zag bij het flauwe schijnsel van het smeulend haardvuur en het gekleurde doffe licht der lantaarns, de hand van den zwarten soldaat in de haren van het hulpelooze kind. Dadelijk was zijn besluit genomen, en op hetzelfde oogenblik hadden reeds zijne ijzeren handen den soldaat bij de keel gegrepen. Daarop vatte hij den kerel om zijn middel, tilde hem op en wierp hem als een rotsblok in den tuin van den Paraschiet. Dit deed de woede der menigte opnieuw ontvlammen, en zij stormden op hem los. Pentaoer gevoelde zich door een tot hiertoe ongekenden vechtlust aangegrepen. Met een enkelen ruk haalde hij den paal van zwaar Ethiopisch hout uit den grond, die de tent steunde, door grootvaders zorgzame hand voor zijne kleindochter opgericht. Hij slingerde dit wapen alsof het een rietstaf was, met onbegrijpelijke snelheid rondom zijn hoofd, joeg de menigte terug, en riep Warda toe, dat zij zich aan hem moest vastklemmen.
»Die dat meisje durft aanraken,” schreeuwde hij, »is een kind des doods. Is het geen schande dat gij een zwakken grijsaard en een hulpeloos kind dus aanvalt op dit heilige feest!”
De menigte zweeg een oogenblik, maar om dadelijk weder op te dringen, en nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt die onreinen! Steekt het nest in brand!”
Eenige handwerkslieden uit Thebe gingen op den dichter af, in wien niemand den priester kon herkennen. Maar deze slingerde zijn paal, die hen ter aarde wierp, eer hunne vuisten en stokken hem konden raken. Waar het zware stuk hout trof, daar viel een man. Maar lang kon de worsteling niet duren, want eenige van het gepeupel waren over de omheining gesprongen, om hem in den rug aan te vallen. Pentaoer stond nu opeens in het volle licht. Men had vuur geworpen in de hut achter hem, de droge palmtakken van het dak waren dadelijk in brand geraakt, en knetterende vlammen stegen op naar den nachtelijken hemel. De dichter hoorde het razen van het volk achter zich. Met zijne linkerhand omvatte hij het hoofd van het bevende meisje, dat zich steeds dichter aan hem vastklemde, terwijl hij met de rechter den paal bleef slingeren, overtuigd dat zij beiden verloren waren, maar dat hij de onschuld en het leven van dit lieve schepsel tot zijn laatsten ademtocht moest verdedigen.
Doch het wapen snorde voor het laatst, door de lucht. Het gelukte twee mannen het vreeselijk hout te grijpen; anderen ijlden ter hulp en wrongen het den worstelaar uit de hand. Van beide zijden naderden woedende vijanden, die echter ongewapend waren, en door vrees voor de ontembare kracht van zulk een tegenstander op zekeren afstand werden gehouden. Hijgend naar adem en bevende over al hare leden, als een opgejaagde antilope, hield Warda zich aan haar beschermer vast.
Pentaoer liet niet anders hooren dan een somber gesteun, toen hij zich ontwapend zag. Daar sprong, alsof hij uit den grond was opgekomen, een jongeling aan zijne zijde, duwde hem het zwaard van den gevallen soldaat, dat voor zijne voeten had gelegen, in de hand, en plaatste zich achter den dichter, rug aan rug. Terstond richtte Pentaoer zich weder op in zijne volle lengte, met den wapenkreet van een held op de laatste vrije schans van zijne bestormde vesting, en zwaaide zijn nieuwe wapen. Met de vlammende oogen van een leeuw, dien de jachthonden van het wild dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri, had dreigend zijn bijl opgeheven.
»Die laffe moordenaars werpen met vuur,” riep de prins. »Kom hier, meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven.”
Bij deze woorden greep hij Warda’s hand, trok haar naar zich toe, en bluschte de vlam op haar kleedje, terwijl Pentaoer hen met zijn zwaard beschermde.
Eenige oogenblikken hadden de prins en de dichter rug aan rug gestaan, toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang van gestalte, op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen met rust!” riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben Bent-Anat, de dochter van Ramses!”
Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte terug.
De dichter kreeg zijn bewustzijn terug, en toch geloofde hij dat alles maar zinsbegoocheling was. Hij zag en hoorde, en toch meende hij een hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest, die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens Bent-Anat’s toestand. In plaats van de knie te buigen, riep hij: »Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik ben Pentaoer, de Cherheb254) van het feest van heden. — Vrouw, verlaat deze plaats! Ik beveel het u in naam van mijn heilig ambt!”
Bent-Anat gehoorzaamde.
Pentaoer was gered. Want toen het volk van zijn verbazing begon te bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij verbrijzeld had, in woede schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen heilige vader! Verscheurt den bedrieger!” riep eene stem uit het volk: »Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. — Velen uwer zullen mij kennen!”
»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen,” riep een matroos.
»En mijn ziek oog,” zeide een wever.
»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel,” riep een der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein had opgevangen.
»Redenaar of niet!” schreeuwde de jongen en drong naar voren. — Maar het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te doen.
Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en riep vol ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!”
»En ik,” zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te bewaren.”
»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het menschdom!” schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de gewonden bezig te houden.
»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?” vroeg hij zijn vriend fluisterend.
Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, maar beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil, in zijne hand verstikte.
Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en vroeg: »Waarom hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?”
»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen,” antwoordde Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte schurk dáar het meisje bij de haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik.....”
»Gij hebt recht gehandeld,” viel Nebsecht hem in de rede. »Maar waar moet dit op uitloopen?”
Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. De hoofdman, die door Ameni was afgezonden om den Paraschiet gevangen te nemen, naderde met zijne soldaten. Alvorens den tuin binnen te rukken beval hij het volk uiteen te gaan. De weerspannigen werden met geweld uit elkaar gedreven. In weinige oogenblikken was de huilende en razende menigte uit het dal weggeveegd en het brandende huis omsingeld. Ook de kinderen van Ramses met Nefert werden gedwongen hun plaats bij de heining van den hof te verlaten. Rameri was zijne zuster gevolgd, zoodra hij zag dat Warda gered was. Nefert was op het punt van ineen te zijgen. Angst en deelneming hadden haar te sterk aangegrepen. De oversten der draagstoeldragers gaven elkaar de handen, tilden haar op en droegen haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak Bent-Anat het zwijgen af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog altijd. Waar zullen de armen nu slapen?”
Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.
Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag, heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene voor Ameni brengen.”
»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.
»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier zich tot Pentaoer richtende.
»Zij is krank,” antwoordde de dichter.
»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts er bij, „dan is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden.”
»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en wil voor haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden.”
»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis bezorgen.”
De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel anderen voor haar willen zorgen!”
De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op, en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet.
Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten. Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje, dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.
Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten, en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den overtocht van den god.”
Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden, zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had, voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!”
De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond daarop hoorde men riemslagen.
»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de Mohar zijn scheepsvolk toe.
Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der koningskinderen.
»Snel in de boot!” riep echter Rameri.
Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken. Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je ’t niet gehoord, schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de boot van dat volk in den stroom terug!”
Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri’s stem werd boven alle anderen uitgehoord.
»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik zal ze leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!”
Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond, drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap te kennen te geven.
Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om, zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven.” Daarbij hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena’s vrouw, die met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.
De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw gegaan, dank zij Bent-Anat’s tegenwoordigheid van geest. Want zij had met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert’s gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.
»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid, en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe: »Pak hem beet, Descher!”
De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend neerstortte.
Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep in zijn opgeheven arm stormde hij op den jongeling los. Maar deze, uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd, geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn gordel greep.
Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling, die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan het paleis.
Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten balsemen, en te Kynopolis255), de stad waarin men de honden meer dan andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist. Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde.
Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen, hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk als eenig ander in Egypte, zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van ’s konings helden. Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte, werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren, telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.
Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven, wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had.
Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het midden, waaraan verschillende plaatsen onbezet waren, want de profeten en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd256).
De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open. Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur smaakt, als die lomperd er in ziet,” zeide de bevelhebber.
De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van den rijkstempel was bestemd geweest.
Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder, doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader in de nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem niet grooter dank schuldig, dan alle overigen?
Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren. Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.
Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven. Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd, die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had vereerd257). Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te verlaten.
»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er omgelegd had.
»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik mijne moeder naar de boot bracht, viel er....”
»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op zijne vingers.”
»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.
»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” ging de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht. De jongen sloeg eerst zijn hond dood....”
»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer wij jacht maakten op everzwijnen.”
Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand.”
»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?” vroeg Ameni ernstig.
»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste258), daarom ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. — Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?”
»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch is haat uw handwerk....”
Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg. Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die jongen?”
»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte. Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt gebannen.”
»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men zoo van de kinderen des konings?”
Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar ’t mij toeschijnt, als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon heeft hem geslagen.”
De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw zegelring.”
Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!”
»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden weg op zal gaan, — gelukkig is het maar de linker — raad ik u niet meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden.”
Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.
Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken, gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij het hooren?”
»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.
»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij was een rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere wereld zouden ontfermen. Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen, kleedt de naakten, zegt de wet259), en daar Seni niets meer heeft weg te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht, dat hij het zijne heeft gedaan.”
»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen man twee, ja, driemaal, roepende: ‚Daar heb je wat je toekomt!’ De oude man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje opendeed, met betraande oogen: ‚Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu mijne armen!’”
»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude heeft nooit zoo’n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve, en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de menigte niet uit elkaar had gedreven.”
Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.
»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, »dat Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”
»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm verdedigt,” fluisterde de ander.
»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde de opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen.”
»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.
»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen.”
»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw in het spel is.”
»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich, droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af te snijden. »Gij weet,” zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!”
De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit. Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos260) van de overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u goeden nacht te zeggen.”
Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen. Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden, zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in dartele scherts.
Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze mummie gelijk zijn”261).
Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.
»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der Pastophoren, »is als de zeep”262).
»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk lachende. »Dat moet gij nader verklaren!”
»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”
»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van den Amenophis-tempel, maak maar een begin.”
»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het gif der zorg.”
»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!”
»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het geheim van dezen wijn is de vreugde.”
»Nu aan u, zegelbewaarder!”
»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der zorgen!”
»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!”
»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong volk!”
»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de tafel der krijgslieden.
»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards jongelingen, maar van jongelingen kinderen.”
»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. »Uw spreuk, overste der Horoscopen!”
»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen tot gekken.”
»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde Gagaboe ondeugend. »Verder, jachtmeester!”
»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde. Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de bruid.”
»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”
»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield,” riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis, en dat Hatasoe’s grootste obelisk263) mijn drinkglas was, en dat ik drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook uw spreuk hooren tot lof van den wijn.”
De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden voor zulk eene weldaad te danken.”
»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd hebt.”
»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven hunne schalen omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.
Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans mijne vrienden!”
Een daverend gejuich klonk hem achterna.
De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten. Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk onweder losgebroken.
Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni’s boden hadden den priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde.
Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter, dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle zijden had overschreden, en het scheen hem toe, als zou het hem nimmer weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en vreedzame leven van weleer.
Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want hoe langer hij op de knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene verlossing toe, en hij volgde den bode, overtuigd dat hij streng gestraft zou worden, maar zonder vrees, ja zelfs blijmoedig.
Pentaoer gehoorzaamde terstond het bevel van den opperpriester, die hem hoog ernstig aanzag, en gaf van alles bericht. Hij vertelde hoe hij, daar geen der artsen tehuis was, de oude Paraschietenvrouw was gevolgd naar haar man, die door demonen bezeten was, en hoe hij om een meisje te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en daarbij harde slagen had uitgedeeld.
»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen zwaar gewond,” zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te brengen?”
»Ik droeg geen priesterlijk gewaad,” antwoordde Pentaoer.
»Ook daarin hebt gij misdreven,” zeide Ameni, »want gij weet dat de wet ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken, wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met doodelijke slagen?”
»Het zou mij misschien gelukt zijn,” gaf Pentaoer ten antwoord. »Maar eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had weggeslingerd, werd er een strijdlustige geest in mij wakker. Mijn leven was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat arme kind te redden.”
»Uwe oogen vonkelen,” zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen, die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een krijgsman is gevaren.”
»Ja,” hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met inspanning van al mijne krachten van mij afweerde, toen heb ik iets gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde krijgsteeken verdedigt tegen het geweld van den aandringenden vijand. In een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is niet anders, ik heb het gevoeld.”
»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten,” sprak Ameni ernstig. »Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen en haar te bevelen u met vrede te laten? Hebt gij haar dit voor het volk heeten liegen, omdat gij haar niet voor Bent-Anat hield? Nu man, die zoo vast staat op den hoogen trap, gij die de banier der waarheid altijd omhoog heft, geef antwoord!”
Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn oog op den stadhouder: »Wij zijn niet alleen.”
»Daar is maar éene waarheid,” zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat herkend, ja of neen?”
»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,” antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den troon steeg in het stof.”
»Altijd nog de feestredenaar,” zeide Ameni spottend. Daarop vervolgde hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij weten zeker dat Bent-Anat — zij heeft zich aan den koninklijken gids kenbaar gemaakt — in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij, dat zij den Nijl zou over steken?”
»Hoe zou ik het geweten hebben?” was Pentaoer’s wedervraag.
»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de kampplaats waagde?”
»Ik geloofde het,” antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen oogen.
»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene bedriegster weg te jagen.”
»Dat was het ook,” gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om mijnentwil bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben gewaagd om....”
»Wij hebben genoeg gehoord,” viel Ameni hem in de rede.
»Nog niet,” zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden van het meisje, dat gij gered hebt?”
»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol,” antwoordde de dichter. — Hierna werd hij op bevel van den opperpriester in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht.
Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!”
»En van zijne dochter,” zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de reinheid zijner bedoelingen.”
»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,” hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een soldaat van mijne troepen gedood.”
Ameni’s voorhoofd rimpelde zich, zijn gelaat nam eene sombere uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, volgens onzen vrijbrief, enkel den raad onzer priesters toe, over de leden van dit huis te richten. Gij zelf, de toekomstige koning, hebt ons, de verdedigers van uw eigen oud en heilig recht, vrijwillig toegezegd, dat ook onze rechten geëerbiedigd zouden worden.”
»Dat zal ook geschieden,” zeide Ani, met een lachje, dat den toorn van den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is gevaarlijk, en gij zult hem toch niet ongestraft willen laten?”
»Hij zal streng gevonnist worden,” zeide Ameni, »maar door ons en in dit huis.”
»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan,” hernam Ani, »Hij is des doods schuldig!”
»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen,” antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd man als deze geeft men niet op, al verleidde ook eene zeer ontijdige edelmoedigheid hem tot ergerlijke daden. Ik weet, ik zie het u bovendien aan, dat gij hem kwalijk zijt gezind. Zoo ge mij als bondgenoot waardeert, beloof mij dan hem niet naar het leven te zullen staan.”
»Gaarne!” antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij den opperpriester zijne hand reikte.
»Wees overtuigd van mijn dank,” zeide Ameni. »Pentaoer was de meest belovende van mijne kweekelingen, en ondanks menige afdwaling is hij mij nog altijd dierbaar. Toen hij van den strijdlust gewaagde, die hem heden overviel, zag hij er toen niet uit als de groote Assa, of zijn zoon, de ontslapen Mohar, de Osirische vader van den gids Paäker?”
»Deze gelijkenis is inderdaad treffend,” gaf de ander ten antwoord. »En toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne moeder?”
»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, maar die niet door schoonheid uitmuntte.”
»Ik keer nu tot het drinkgelag terug,” zeide de stadhouder, na zich een oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel een verzoek willen doen. Ik vertelde u van het geheim, dat den gids Paäker geheel tot ons werktuig kan maken. De tooveres Hekt, die de Paraschieten-vrouw tot zich nam, moet er van weten. Zend politie-wachters tot haar, en laat haar gevangen hierheen brengen. Ikzelf neem haar in het verhoor, en kan haar op deze wijze uitvragen, zonder opzien te wekken.”
Ameni zond dadelijk eenige gewapenden uit, en beval daarop in stilte een zijner meest vertrouwde dienaars, het zoogenaamde gehoor-vertrek te verlichten, en in de ruimte daarnaast een zetel voor hem te plaatsen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Terwijl de gasten van het Seti-huis nog feestvierden, en Ameni’s boden het dal der koningsgraven introkken, om de oude Hekt uit den slaap te wekken, stak er uit het zuid-westen een heete storm op, die den hemel bedekte met zwarte nevelen, en dichte bruine stofwolken voor zich uitjoeg. Hij kromde de slanke stammen der palmen, als een schutter het hout van zijn boog. Hij rukte op het feestterrein de pennen der tenten uit den grond, voerde de lichte linnen zeilen hoog in de lucht en dreef ze als ontzaglijke witte spookgestalten, met geweldige vaart door de duisternis voort. Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven sloegen als op de onrustige Zoutzee.
Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk schommelen van het vaartuig, zijne gebrokene vingers hevig pijn deden. Na herhaalde vruchtelooze pogingen gelukte het hem eindelijk te landen. De storm had de lantaarns aan de mastboomen, de teekens waarnaar zijne lieden aan den anderen oever uitzagen, gebluscht en hij vond geen dienaars of fakkeldragers aan de landingsplaats. In den stikdonkeren nacht en worstelende tegen den verzengenden stormwind, bereikte hij ten laatste de trotsche poort van zijn huis. Vroeger was het eigenaardig geblaf van zijn dog voor den portier een bewijs, dat de meester terugkeerde; heden echter moesten de matrozen die hem vergezelden, lang te vergeefs op de vleugeldeuren van het poortgebouw kloppen.
Toen de Mohar eindelijk zijn voorhof binnentrad, vond hij alles donker. De storm had ook hier de fakkels en lantaarns uitgedoofd. Alleen de vensters van het woonvertrek zijner moeder waren verlicht. Thans begonnen de honden in hunne ongedekte perken zich te doen hooren, maar hun geblaf klonk trillend en jankend, want het onweder maakte de dieren angstig. Hun gehuil sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor Paäker’s vader grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht.
Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal in jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te zijn, vroeg hij: »Is de onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?”
Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven, waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering vervulde zijn gemoed; hij wenschte nog een kind te zijn en te kunnen weenen. Doch deze stemming ging ras voorbij; weldra bewoog zijne breede borst bij eene diepe ademhaling zich weder op en neder, en zijne oogen straalden met een akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene.
»Dat Ramses-gebroed!” prevelde hij in zichzelf, terwijl hij zijn gebalde vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik weet wel hoe! Wacht maar, wacht!”
Daar werd de deur van zijne kamer geopend. De brullende stormwind was oorzaak, dat niemand den voetstap van vrouwe Setchem had gehoord. Zij naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen.
Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare kalmte: »Zijt gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen dan te waken.”
»Ik had geen rust in mijn vertrek,” antwoordde Setchem. »De storm huilt ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, evenals vóor den dood uws vaders.”
»Blijf dan bij mij,” zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter ruste.”
»Ik kwam niet hierheen om te slapen,” hernam Setchem.
»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt mijn hart! — Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond, niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is om den koning en zijne verbolgenheid, wanneer hij bericht zal ontvangen van uw gevecht. Hij is u minder genegen dan uw overleden vader, dat weet ik helaas! Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat is mij door merg en been gegaan!”
Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die steeds razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders, dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne stem zijn geheel als die uws vaders in de dagen toen hij mijne hand vroeg. Het is als wilden de goden den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor hunne oogen zien wandelen.”
»Ja meesteres,” riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn strijdbijl in den slag.”
»Zwijg!” riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! — De priester, moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander.”
»Wat zijt gij wild,” viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat! Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief.”
»Hebben zij mij lief?” vroeg de gids met een pijnlijken lach. »Zelfs de hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg. Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich tegen mij durft verzetten!”
»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp der hemelsche goden,” zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en koning, den vriend uws vaders!”
»Maar mijn vijand!” schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zich laat verachten en mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen.”
»Jongen!” riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt als een doornstruik een palmboom, trouw ben gebleven, zoo zeker ruk ik mij de liefde voor u uit het hart, als gij de.... de — Ha, nu zie ik het! Nu weet ik het! Antwoord mij, moordenaar! Waar zijn de zeven pijlen met de zondige woorden, die hier vroeger hingen? Waar zijn die wapentuigen, waarop gij hebt gekrast: Dood aan Mena!”
Zichzelve niet meer meester en met gejaagde ademhaling, had Setchem deze woorden uitgebracht. De gids ging voor haar achteruit als toen hij nog een knaap was, wanneer zij hem dreigde te tuchtigen wegens zijne ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en herhaalde haar vraag met heesche stem.
Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn gordel los en zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor eene aardigheid. Nu weet gij ’t!”
Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar hij stiet haar arm terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!”
Bij deze woorden wees hij met de hand naar de deur. Setchem begon luide te snikken en keerde hem den rug toe. Bij de deur van zijne kamer gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder tranen zijn naam, breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke gedachte aan wraak varen!”
Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde ontkennend het hoofd.
Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij hare klachten niet verhoore”264). Paäker begon bij deze woorden hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet.
Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met bevende hand riep zij: »Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van doen? — Gij verroert u niet. — Neen? — Niet? — Eeuwige goden, wat zal ik doen!”
In vertwijfeling hief zij de handen omhoog. Doch opeens was haar besluit genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde dien te breken.
Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van het vertrek neervielen.
Zoodra de Mohar dit zag, wilde hij haar gewonde hand grijpen. Setchem, die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een doffen toon, die vreemd was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders niet te zullen onteeren! Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit vol te houden, en zij mijn getuige!”
Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot haar. —
Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de deur met kracht achter haar dicht.
Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen bedekte! »Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!”
Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken van den hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van verre buiten adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van het huis omvergeworpen!”
»Onmogelijk!” riep Paäker.
»Toch is het zoo,” antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechter zeker gedaan, wiens sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken nacht weggeloopen!”
»De honden los!” riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man die hem terug brengt!”
De gasten van het Seti-huis hadden zich reeds ter ruste begeven, toen men den opperpriester Ameni kwam berichten, dat de tooveres Hekt was gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de heks zat te wachten.
Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen van den opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?” Toen Ameni een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt, zorgvuldig in orde bracht, en zijn breeden halsband recht schoof: »Die heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik dit Horus-oog en dit Isis-bloed265) bij mij, maar men kan toch niet weten....”
»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen,” antwoordde Ameni. »Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken! Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. — Heilige vader, laat de heks in een der gewijde vertrekken, en nadat gij den drempel hebt besprengd, zult gij den verheven heer Ani tot haar leiden.”
De opperpriester verwijderde zich en begaf zich naar een klein kamertje, dat grensde aan het vertrek, waarin het onderhoud met de tooveres zou plaats hebben. Daar kon men, met behulp van eene ter juister plaatse aangebrachte spreekbuis, zelfs het zachtste woord opvangen, dat in het aangrenzende vertrek gesproken werd.
Toen Ani de tooveres in het oog kreeg, ging hij van schrik een paar passen achteruit. Haar uiterlijk was in dit uur wel geschikt om ontzetting te wekken. De storm had hare kleederen gescheurd en hare grijze, maar nog overvloedige haren, zoo verwaaid, dat zij voor een deel over haar gelaat neerhingen. In ver voorover gebogene houding, leunende op haar stokje, zag zij den stadhouder aan met een paar gloeiende oogen, die vuurrood waren van het woestijnzand, dat de wind haar in het aangezicht had gedreven. Zij zag er uit als eene op buit loerende hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten, dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken. Toen zij hem hierop dank had gezegd voor het vernieuwen van den vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar opeens in, dat zij eene vrouw was.
De stadhouder zette zich op een leunstoel, terwijl zij bleef staan. Maar die nachtelijke tocht tegen den stormwind op, had hare oude leden vermoeid, en daarom bad zij Ani haar te willen vergunnen zich neer te zetten. Zij had hem eene geschiedenis te vertellen, die hem in staat zou stellen den Mohar als was te kneden.
Ani wees naar een hoek van het vertrek. Zij begreep dezen wenk, en hurkte daar op de vloertegels neer.
Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak zij, half voor zich: »Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht hem eens wederzien aan de andere zijde des grafs, al ware het ook uit de ziedende ketels der verdoemden. — Hoor mij dan! Maar beloof mij, eer ik spreek, dat gij, wat gij ook verneemt, mij in vrede zult laten wonen, en dat gij voor mijne balseming zorg zult dragen als ik sterf. Anders zwijg ik.”
Ani knikte toestemmend.
»Neen, neen,” zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen: ‚Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn woord niet gestand doe, dan zullen de geesten, waarover zij te gebieden heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!’ — Wees niet onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan ‚ja’. Wat gij in deze ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!”
»Nu dan, ja!” riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde omtrent de gewichtige ontdekkingen.
De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg, terwijl zij den man die tegenover haar zat met vonkelende oogen aanzag »Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord? He? — Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!”
Bij deze woorden lachte zij met een heesch geluid en trok de flarden van haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over haar afzichtelijk uiterlijk.
»Ja,” ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet aan! Eens was ik toch ook eene druif, en hoe arm en veracht ik ook ben, niemand kan mij toch ontnemen wat ik ben geweest. Dit eene is mij boven duizenden ten deel gevallen, namelijk: een geheel leven vol van alle mogelijke vreugde en van elke smart, van liefde en haat, van zaligheid, vertwijfeling en wraak. — Verlangt gij dat ik alles vertellen zal en mij op gindschen zetel neerzetten? Laat mij, ik ben gewoon zoo op den grond te hurken. Ik wist wel, dat ge mij tot het einde zoudt laten uitspreken. Ik behoorde eens tot uws gelijken! De uitersten houden het er licht voor, dat zij aan elkander verwant zijn. Dat heb ik ondervonden! De aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn koord leidde.
»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! — Nu dan: Mijn vader was een aanzienlijk man, de gouverneur van Abydus. Toen de eerste Ramses zich van den troon meester maakte, bleef hij het huis uwer voorvaderen trouw. De nieuwe koning zond hem en zijne geheele geslacht naar de Ethiopische goudmijnen, waar ze zijn omgekomen, mijne ouders, broeders, zusters, allen. Ik alleen ontkwam als door een wonder. Daar ik er mooi uitzag en zingen kon, nam een muzikant mij onder zijn troep en ging met mij naar Thebe. Waar slechts een feest werd gevierd in het huis van een aanzienlijke, daar mocht Beki niet worden gemist. Ik oogstte in die dagen bloemen en goud en teedere blikken, zooveel ik maar wilde. Doch ik was trotsch en ongevoelig; het ongeluk mijner betrekkingen had mij verbitterd in de jaren, waarin anders ook een wrange drank als honig smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader van den dichter Pentaoer, ik wil zeggen van Paäker, den gids, zag er schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend? Waar ik zong, daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte voor Assa, heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. —
»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch geloof ik dat ik hem nog liefheb. En Assa heeft mij toen ook liefgehad, en was twee jaren lang de mijne. Daarna toog hij met Seti ten krijg en bleef zeer lang weg. Toen ik hem wederzag, had hij eene vrouw uit een aanzienlijk en rijk huis getrouwd. Ik was in die dagen nog mooi genoeg, maar bij de feesten zag hij mij niet meer aan. Ik trad hem wel twintigmaal in den weg, hij ontvlood mij echter altijd, als ware ik eene melaatsche. Ik begon van verdriet te verkwijnen; ten laatste wierp eene koorts mij op het ziekbed neder. De artsen zeiden, dat het met mij gedaan was. Toen zond ik hem een brief, waarin niets anders stond dan deze woorden: ‚De stervende Beki wil Assa nog eenmaal zien,’ en in den papyrus legde ik zijn eerste geschenk, een eenvoudigen ring. En wat was het antwoord?.... Een hand vol goud. — Dat goud, ja dat goud, geloof mij, dat heeft, toen ik het zag, mijne oogen meer zeer gedaan, dan het gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan....
»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem zeggen: ‚Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de zangeres was gegaan’. — Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel, geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was, dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde, en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn, wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven niet had gewantrouwd, niet had gevreesd, dat de stervende, de oude, kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet hij thans aan zijn kleinkind.”
De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.
De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn! Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs, nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van Thebe, de vrome Assa!
»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor mijne dranken — hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht — een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang, hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met haar naar het graf van haren vader begeven, en was daar van een zoon bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel, beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra — waar? Dat kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa’s vader. De moeder, die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester, de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure, waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte, stond mij weder levendig voor den geest. Opeens — nog weet ik zelve niet hoe het zoo in mij opkwam — gaf ik mijne slavin den pasgeboren kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam, schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond, wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet, zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren, aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet, of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa’s kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”
Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord, zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig aan ieder verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde.”
»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”
Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?”
De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele andere kinderen.”
»Maar hij is slim,” zeide Ani.
»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want hij zelf heeft er ook een.”
»En dat is?”
»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken.”
»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen was. Zijn er werkelijk liefdedranken?”
»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden, en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten geliefde.”
»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de verte in het verderf te storten?”
»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal maar weinig geprikkeld; toch komt het mij voor, dat gij den dichter Pentaoer niet genegen zijt. — Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste dingen op elkander. Doch ik wil Assa’s kleinzoon niet liefhebben, ik mag niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven, zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan.”
Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.
»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.
»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in Thebe ieders hoofd op hol bracht. — Mag ik weten wat zij u verteld heeft?”
Ani begreep het geheim van Pentaoer’s geboorte voor den opperpriester geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.
De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte te brengen van zijn ware afkomst.
»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, »en het zou kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is.”
De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eene snelle vaart werden voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij Paäker’s boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig in zijn paleis een bezoek te brengen.
De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels.
Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.
»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.
Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield, verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken, zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten? De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en de duiven!”
Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en vroolijk voerden zij hem met zich mede.
Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den opperpriester mededeelde wat haar drukte. »Gij zijt de raadsman van zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed. Schrikkelijke dingen voert hij in ’t schild, en wanneer gij hem geen vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook....”
»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem spreken.”
»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig maken voor dit leven en het toekomende!”
»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de rede, »dat zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei kronkelpaden.”
»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij wist welk een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan! Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten.”
»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. »Maar voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van vreugde geboren worden.”
»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op ’t hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide. Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook zulk een vreemd droomgezicht. — Paäker had naar mijn moederlijken raad niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem. Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet om de goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen. De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen.”